Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3709

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
C/16/459998 / HA RK 18-156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Na voorlopig getuigenverhoor bereiken partijen buiten rechte overeenstemming over aansprakelijkheid school voor val van leerling die aan andere leerling was vastgetapet. Bewijswaardering getuigenverklaringen voor mate van eigen schuld leerling. Kosten deelgeschil begroot en verminderd met percentage eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0618
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/459998 / HA RK 18-156

Beschikking ex artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (deelgeschil) van 11 juli 2018 (bij vervroeging)

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. M.G.F. de Graaff-Bosch te Utrecht,

tegen

1. de stichting

STICHTING CEDER GROEP,

gevestigd te Vinkeveen,

ook handelend onder de naam [school],

2. de naamloze vennootschap

VIVAT SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

ook handelend onder de naam Reaal,

verweersters,

advocaat mr. B.M. Paijmans te Utrecht.

Partijen worden hierna als volgt aangeduid. Verzoeker wordt [verzoeker] genoemd. Verweerster sub 1 wordt Ceder Groep genoemd. Indien en voor zover specifiek de school bedoeld wordt, wordt deze aangeduid als het [school] . Verweerster sub 2 wordt Reaal genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties 1 tot en met 11, ter griffie ingekomen op 4 mei 2018;

  • -

    het verweerschrift, ter griffie ingekomen op 13 juni 2018;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 21 juni 2018, waarvan aantekening is gehouden door de griffier;

  • -

    de “pleitaantekeningen tevens reactie op verweerschrift” namens [verzoeker] .

1.2.

Tot slot is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Van 2009 tot 2014 was [verzoeker] leerling van het [school] , waar hij in 2014 zijn mavo diploma behaalde.

2.2.

Het [school] is een christelijke scholengemeenschap voor mavo, havo en atheneum en heeft twee vestigingen. [verzoeker] volgde onderwijs aan de vestiging in Vinkeveen.

2.3.

Het [school] valt onder de Ceder Groep. De Ceder Groep is voor aansprakelijkheid verzekerd bij Reaal.

2.4.

In de nacht van 22 op 23 december 2011 werd op het [school] een actie gehouden in het kader van ‘Serious Request’. Bij deze actie bleven de circa 80 leerlingen die daaraan meededen donderdag 22 december 2011 aansluitend aan de lesdag op school, tot vrijdagochtend 23 december 2011 08:00 uur. Voor de leerlingen was tijdens de actie alleen de begane grond van de school toegankelijk; vijf leslokalen, de aula, de hal en de gymzaal, waar leerlingen mocht slapen. Leerlingen konden deelnemen aan verschillende activiteiten; (computer)spelletjes doen, muziek maken, film kijken. Er mocht geen vast voedsel gegeten worden, wel mochten de leerlingen drinken (geen alcohol) en werden er shakes van fruit en yoghurt verstrekt aan de leerlingen. Begeleiding en toezicht vond plaats door docenten. Er was een draaiboek met een rooster waarop stond welke docent waar en wanneer toezicht hield.

2.5.

Rond 05:00 uur in de ochtend van vrijdag 23 december 2011 liep de heer [A] , docent, het technieklokaal binnen en trof daar [verzoeker] en een andere leerling, [B] , aan terwijl zij aan elkaar werden vastgetaped met schilderstape door [C] , waarbij ook de armen waren ingetaped. De heer [A] heeft daarop geïnstrueerd dat zij “onmiddellijk met die ongein moesten stoppen”, waarna hij het lokaal heeft verlaten. Toen de heer [A] kort daarna terugkwam in het lokaal en constateerde dat het intapen nog gaande was heeft hij nog een keer gewaarschuwd dat zij “moesten stoppen met die onzin”. Kort nadat de heer [A] zich vervolgens had omgedraaid, zijn [verzoeker] en [B] gevallen. [verzoeker] heeft daarbij letsel opgelopen, waaronder een hersenkneuzing.

2.6.

Van het hiervoor onder 2.5. vermelde voorval heeft de heer [A] , die inmiddels is overleden, een handgeschreven verklaring van 23 februari 2012 opgesteld, die, voor zover hier van belang, de volgende inhoud heeft:

“(…)

Rond 05.00 uur ben ik wat door de school gaan lopen. Het was rustig, in lokaal 006 was gelach te horen. Toen ik naar binnen ging trof ik twee leerlingen aan die ingetapet waren, [B] en [verzoeker] . Hilariteit bij de rest van de leerlingen.

Ik heb toen gezegd dat ze onmiddellijk met die ongein moesten stoppen; ben wat gaan opruimen. Toen ik weer terugkwam was [C] , [B] en [verzoeker] aan ’t intapen. Weer gezegd ’stoppen met die onzin’. Stond daarna met de rug naar hen toe. Toen een enorm gelach; ik draaide me om en zag [B] en [verzoeker] op de grond liggen. [B] op z’n zij en [verzoeker] op z’n kin, die bloedde. Onmiddellijk [verzoeker] losgeknipt, hem op de been gebracht, gevraagd hoe ‘t ging en hem naar de conciërgeruimte gestuurd om tot rust te komen en ’t bloed te laten stelpen. (daar is een verbanddoos) Heb collega [D] gevraagd naar [verzoeker] te gaan.

2.7.

Op 10 december 2012 heeft de vader van [verzoeker] het [school] aansprakelijk gesteld voor het ongeval dat [verzoeker] is overkomen op 23 december 2011.

2.8.

In opdracht van Reaal heeft een toedrachtonderzoek plaatsgevonden, waarvan een rapport d.d. 20 maart 2015 is opgesteld.

2.9.

Bij brief van 24 november 2016 heeft (de advocaat van) [verzoeker] het [school] en de Ceder Groep aansprakelijk gesteld en is verzocht de schade van [verzoeker] te vergoeden. Reaal is bij brief van 24 november 2016 namens [verzoeker] ook verzocht de schade te vergoeden.

2.10.

Reaal heeft, met instemming van [verzoeker] , een voorlopig getuigenverhoor geëntameerd. De verhoren hebben plaatsgevonden op 11 mei 2017 en zijn voortgezet op
13 juni 2017.

2.11.

Na de getuigenverhoren heeft Reaal, namens de Ceder Groep, aansprakelijkheid erkend: in eerste instantie voor 75% en later voor 85%. In de optiek van Reaal heeft [verzoeker] ook eigen schuld aan het ongeval.

3 Het deelgeschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat de Ceder Groep en Reaal ieder hoofdelijk en voor 100% aansprakelijk zijn, althans voor recht te verklaren dat de Ceder Groep dan wel Reaal voor 100% aansprakelijk is, voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval op 23 december 2011, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage aansprakelijkheid van 85% of meer;

II. de kosten van deze procedure te begroten op € 4.486,24, vermeerderd met het griffierecht van € 291,00 en met de nog te maken kosten in verband met de mondelinge behandeling en de voorbereiding van de mondelinge behandeling tegen een uurtarief van € 220,00 vermeerderd met 5% kantoorkosten en 21% btw, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van deze beschikking;

III. de Ceder Groep en Reaal, ieder hoofdelijk, te veroordelen in de kosten van deze procedure zoals genoemd onder II.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoeker] het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 6:162 BW gelezen in samenhang met artikel 6:170 BW is de Ceder Groep aansprakelijk voor de val van [verzoeker] op 23 december 2011 tijdens de Serious Request actie. Op grond van artikel 7:954 BW moet Reaal de schade die [verzoeker] daardoor lijdt vergoeden. [verzoeker] is van mening dat aan de Ceder Groep en Reaal daarbij geen beroep toekomt op eigen schuld van [verzoeker] . Door de hersenkneuzing die [verzoeker] heeft opgelopen kan hij zich niets herinneren van de gebeurtenissen rondom de val in het technieklokaal, waarmee dus ook niet vaststaat dat hij heeft ingestemd met het intapen. Anders dan de Ceder Groep en Reaal menen, kan volgens [verzoeker] uit de getuigenverklaringen ook niet worden afgeleid dat [verzoeker] zou hebben ingestemd met het intapen. Daarvoor is geen of in ieder geval onvoldoende bewijs. Eventuele gedragingen van [verzoeker] , die toen 14 jaar was, vallen in het niet bij de verwijtbare gedragingen van de heer [A] c.q. het [school] . Mocht er al sprake zijn van eigen schuld van [verzoeker] dan brengt de billijkheidscorrectie met zich mee dat de Ceder Groep en Reaal 100% van de schade moeten vergoeden. [verzoeker] heeft namelijk ernstig letsel opgelopen, terwijl de Ceder Groep voor aansprakelijkheid verzekerd is bij Reaal.

3.3.

De Ceder Groep en Reaal voeren gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, indien en voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen hebben buiten rechte overeenstemming bereikt over de aansprakelijkheid van de Ceder Groep. Punt van discussie tussen partijen is of de schadevergoedingsplicht dient te worden verminderd vanwege - kort gezegd - eigen schuld van [verzoeker] . Van eigen schuld in de zin van de wet (artikel 6:101 lid 1 BW) is sprake wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [verzoeker] kan worden toegerekend. Hierbij valt te denken aan de feitelijke omstandigheid dat een benadeelde ervoor kiest een bepaalde activiteit te ontplooien ondanks de mogelijke daaraan verbonden risico’s.

4.2.

[verzoeker] meent dat er geen reden is aan hem een percentage eigen schuld toe te kennen. De Ceder Groep en Reaal vinden echter dat de schade ook een gevolg is van een omstandigheid die aan [verzoeker] kan worden toegerekend; hij heeft zich vrijwillig laten intapen en heeft daarmee dus ingestemd. De vergoedingsplicht moet daarom volgens de Ceder Groep en Reaal, na causaliteitsafweging en billijkheidscorrectie, met tenminste 15% worden verminderd.

4.3.

De rechtbank zal hierna beoordelen of er sprake is van eigen schuld van [verzoeker] . Beoordeeld zal worden of [verzoeker] zelf vrijwillig heeft meegewerkt aan en/of ingestemd met het intapen, zoals de Ceder Groep en Reaal daarvoor aanvoeren, en dat er daarom sprake is van een omstandigheid die heeft bijgedragen aan de schade die moet worden toegerekend aan [verzoeker] . Zoals ook tijdens de mondelinge behandeling is besproken vragen partijen de deelgeschilrechter daarmee in feite het getuigenbewijs te waarderen.

4.4.

Met de Ceder Groep en Reaal is de rechtbank van oordeel dat de schade niet alleen een gevolg is van aan het [school] toe te rekenen omstandigheden maar ook aan omstandigheden die aan [verzoeker] zelf zijn toe te rekenen. Dit betekent dat het beroep dat de Ceder Groep en Reaal doen op artikel 6:101 BW – eigen schuld – terecht is. Dit wordt als volgt toegelicht. Op basis van de verklaring van [B] gaat de rechtbank ervan uit dat (ook) [verzoeker] zich vrijwillig heeft laten intapen en/of (impliciet) heeft ingestemd met het aan [B] vast getapet worden. [B] heeft tenslotte onder meer verklaard: “[verzoeker] en ik zijn vast getapet. (…) als het duck tape was geweest, was ik daar sowieso niet mee akkoord gegaan. [verzoeker] en ik zaten aan elkaar getapet. (…) Ik denk dat het begon uit een beetje vervelen en spelen. (…) Ik weet niet meer of [C] ook meedeed met het intapen. (…) [verzoeker] en ik stonden tijdens het intapen. (…) [verzoeker] en ik vielen; we raakten uit balans. [verzoeker] en ik zijn volgens mij niet geduwd, dat weet ik bijna wel zeker. Ik denk dat omdat we aan elkaar zaten. Ik kan mij niet herinneren dat er voordat wij vielen er iets gebeurde waarom iedereen moest lachen. (…) Ik weet niet meer of [C] mij intapete. We hebben er volgens mij wel mee ingestemd dat we werden ingetapet. (…) Het intapen zelf vond ik wel grappig. Het waren alleen de armen met het bovenlichaam wat was ingetapet. (…) [verzoeker] had zich volgens mij ook vrijwillig laten intapen, dat lijkt mij omdat we ermee ingestemd hadden en we niet op enig moment hebben gezegd dat ze er maar mee moesten stoppen.

Op basis van wat de heer [A] heeft opgenomen in zijn schriftelijke verklaring ontstaat daarnaast ook het beeld dat het in de optiek van de ingetapete leerlingen ging om een “lolletje”, wat het oordeel dat sprake is van instemming en vrijwilligheid ondersteunt. De heer [A] heeft genoteerd dat er gelach was te horen uit het technieklokaal en dat er hilariteit bestond bij de leerlingen. Uit het feit dat de betrokkenen bij het intapen klaarblijkelijk niet op de eerste waarschuwing van de heer [A] hebben gereageerd door er daadwerkelijk mee te stoppen, vormt naar het oordeel van de rechtbank ook een indicatie voor het feit dat zij er plezier en lol in hadden. Immers, indien een en ander plaatsvond onder dwang, als “getreiter” of om te pesten - op basis waarvan dan aan instemming en vrijwilligheid kan worden getwijfeld - zou het voor de hand hebben gelegen dat in ieder geval [B] en de heer [A] een en ander anders zouden hebben verwoord en omschreven. Voorstelbaar is bijvoorbeeld dat de ingetapete leerlingen dan (meteen) een appèl zouden hebben gedaan op de heer [A] zodra hij het lokaal betrad.

Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de getuigen in zijn algemeenheid over de sfeer hebben verklaard dat deze goed was, zodat er ook om die reden geen aanleiding is om aan te nemen dat een en ander heeft plaatsgevonden in een negatieve setting. Zo heeft de heer [A] schriftelijk verklaard dat in lokaal 006 gelach te horen was en dat er hilariteit was bij de andere leerlingen. [B] heeft verklaard: “De sfeer op school was prima, die nacht was voor iedereen wel spannend en leuk. Het was druk en rumoerig volgens mij.” [C] heeft verklaard: “De sfeer die avond en nacht was gezellig (…).” Ook [D] heeft verklaard dat “de sfeer rond het evenement goed [was], gezellig en gemoedelijk.” Ook docent [E] heeft verklaard dat “De sfeer tijdens Serieus Quest 2011 goed [was] en positief. Iedereen was enthousiast.” Tot slot heeft ook de teamleider [F] verklaard dat “De sfeer leuk en gezellig en goed [was].”.

Ondanks dat [verzoeker] zich zelf niets meer kan herinneren van (de periode - kort - voor) de val, is de rechtbank van oordeel dat op grond van hetgeen hiervoor is overwogen voldoende aannemelijk is dat het intapen met zijn instemming en op basis van vrijwilligheid heeft plaatsgevonden en dat daarom moet worden geconcludeerd dat ook het eigen handelen van [verzoeker] heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval.

4.5.

Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen leidt tot de volgende conclusie. Gezien de omstandigheid dat aansprakelijkheid (voor 85%) is erkend, staat (tussen partijen) vast dat het [school] een aandeel heeft in het ontstaan van de schade. Ook het gedrag van [verzoeker] heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en de schade die daarvan het gevolg is. Op grond van artikel 6:101 lid 1 BW blijft een deel van de schade dan voor rekening van [verzoeker] . De rechtbank kan zich daarbij vinden in het standpunt dat de Reaal (namens de Ceder Groep) op dit punt (uiteindelijk) heeft ingenomen. Dit wordt als volgt toegelicht. Een verdeling van de schade op basis van de mate waarin de gedragingen van [verzoeker] aan de ene kant en de aan het [school] toe te rekenen omstandigheden aan de andere kant debet zijn aan het ontstaan van het ongeval dat [verzoeker] is overkomen op 23 december 2011 tijdens de Serious Request actie leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat de schadevergoedingsplicht van de Ceder Groep met 30% dient te worden verminderd. In de ernst van het letsel, de gevolgen daarvan voor zijn dagelijks leven en functioneren tot op heden zoals [verzoeker] dat heeft toegelicht tijdens de mondelinge behandeling en het feit dat de Ceder Groep voor dergelijke schade is verzekerd, ziet de rechtbank aanleiding deze causaliteitsverdeling op grond van de billijkheid te corrigeren en wel zo dat de omvang van de aansprakelijkheid van de Ceder Groep op 85% wordt vastgesteld en de Ceder Groep en Reaal dus 85% van de schade van [verzoeker] moet vergoeden.

4.6.

Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen betekent dat het verzoek zoals hiervoor onder 3.1. en onder I. is weergegeven in zoverre toewijsbaar is dat voor recht verklaard wordt dat de Ceder Groep aansprakelijk is voor 85% van de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval op 23 december 2011.
De verzochte verklaring voor recht voor zover deze ziet op de aansprakelijkheid van Reaal alsmede de verzochte hoofdelijkheid ten aanzien van de aansprakelijkheid wordt afgewezen: artikel 7:954 BW levert geen zelfstandige grond op voor aansprakelijkheid van een verzekeraar ten opzichte van een benadeelde. Aan het artikel kan slechts de bevoegdheid van een benadeelde worden ontleend om rechtstreeks van de verzekeraar betaling te vorderen van datgene dat degene die voor de schade aansprakelijk is uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst van de verzekeraar te vorderen zou hebben. Dit laatste is evenwel geen onderdeel van de verzochte verklaring voor recht.

4.7.

De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

[verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 4.486,24 (16 uren x € 220,00 te vermeerderen met 5% kantoorkosten en 21% btw), te vermeerderen met het griffierecht van € 291,00.

De Ceder Groep en Reaal hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief, terwijl zij met betrekking tot het aantal uren aanvoeren dat 16 uren aan de (te) hoge kant is en dat 8 uren (wel) redelijk zouden zijn.

De onderhavige zaak betreft naar het oordeel van de rechtbank een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan beperkt en overzichtelijk deelgeschil. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming. Hierbij is in aanmerking genomen dat namens [verzoeker] geen nadere toelichting en invulling is gegeven aan “de nog te maken kosten in verband met de mondelinge behandeling en de voorbereiding daarvan” (zie 3.1. onder II.). De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot overeenkomstig het verzoek, dus op € 4.777,24 (€ 4.486,24 plus het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 291,00). Op deze kosten dient een correctie overeenkomstig het percentage eigen schuld plaats te vinden, zodat wordt toegewezen 85% van € 4.777,24, wat neerkomt op een bedrag van € 4.060,65. De Ceder Groep en Reaal zullen, hoofdelijk, tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld. De verzochte wettelijke rente hierover zal worden toegewezen zoals in het dictum is vermeld.

4.8.

Omdat tegen een beschikking op een verzoek inzake een deelgeschil op grond van artikel 1019bb Rv geen hogere voorziening open staat, zal de rechtbank het verzoek de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, afwijzen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart voor recht dat de Ceder Groep aansprakelijk is voor 85% van
de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval
op 23 december 2011;

5.2.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 4.060,65 (zie 4.7.), te vermeerderen
met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na de datum van deze beschikking
tot de dag van de volledige betaling, en veroordeelt de Ceder Groep en Reaal tot betaling daarvan aan [verzoeker] ;

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. The-Kouwenhoven en in tegenwoordigheid van mr. M.A. Rademaker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2018.1

1 type: MAR/4186 coll: AT