Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3702

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-08-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
C-16-461490 - FO RK 18-911
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Verzoeken v. Raad tot benoeming voogd en v. vader om hem met gezag te belasten aangehouden omdat moeder op korte termijn meerderjarig wordt. ‘Gegronde vrees’ uit 1:253c BW is vlgs KR niet zonder meer aanwezig als OTS noodzakelijk is ECLI:NL:HR:2005:AT6847

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

Zittingsplaats: Utrecht

Zaakgegevens: C/16/461490 / FO RK 18-911 (voogdij)

C/16/462646 / FO RK 18- 1013 (gezag)

Datum uitspraak: 3 augustus 2018

Beschikking

in de zaken van

de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

en

[A] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. S. van Beers, gevestigd te Zeist,

betreffende

[naam van minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[A] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] ,

[B] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

[C] en [D] ,

wettelijk vertegenwoordigers van de moeder,

beiden wonende te [woonplaats] ,

de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, hierna te noemen de GI,

gevestigd te [vestigingsplaats] .

Het procesverloop


De kinderrechter heeft op 18 juni 2018 en 28 juni 2018 eerdere beschikkingen in deze zaak gegeven. Voor het procesverloop verwijst de kinderrechter naar die beschikkingen.

Op 24 juli 2018 heeft de kinderrechter de behandeling van de zaken voortgezet.

Gehoord zijn:

- de moeder,

- de vader, bijstaan door mr. S. van Beers,

- [E] , vertegenwoordiger van de GI,

- [F] en [G] , vertegenwoordigers van de Raad.

Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- [C] en [D] , wettelijke vertegenwoordigers van de moeder.

De feiten

De vader en de moeder zijn de ouders van [voornaam minderjarige] .

De vader heeft [voornaam minderjarige] erkend.

De moeder is nog minderjarig en daarom onbevoegd tot het gezag. Zij wordt op 22 oktober 2018 meerderjarig.

De moeder woont met [voornaam minderjarige] bij [organisatie] in [vestigingsplaats] .

De vader woont bij zijn ouders en verblijft drie dagen in de week bij de moeder en [voornaam minderjarige] .

In de beschikking van 18 juni 2018 is de GI met de voorlopige voogdij over [voornaam minderjarige] belast en is de beslissing op de overige verzoeken van de Raad aangehouden.

In de beschikking van 28 juni 2018 is de behandeling van en de beslissing op de verzoeken van de Raad en van de vader aangehouden.

De verzoeken

De Raad verzoekt primair om het verzoek van de vader af te wijzen en de GI met de voogdij te belasten. Subsidiair heeft de Raad verzocht om, als het verzoek van de vader om hem met het gezag te belasten wordt toegewezen, [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de periode van één jaar.

De vader heeft in zijn verweerschrift met zelfstandig verzoek van 26 juni 2018 gevraagd om de verzoeken van de Raad af te wijzen. De vader heeft zelfstandig verzocht om hem met het gezag over [voornaam minderjarige] te belasten.

De standpunten

De Raad is van mening dat de vader op dit moment te jong is qua ontwikkeling en functioneren om het gezag te kunnen dragen en beslissingen te nemen in het belang van [voornaam minderjarige] . De vader is gediagnosticeerd met een autisme-spectrumstoornis en een beneden gemiddeld intelligentieniveau, wat hem kwetsbaar maakt. De Raad ziet wel de mogelijkheid dat de ouders in de toekomst gezamenlijk het gezag zullen dragen. Hier zal binnen de voogdij naar toegewerkt moeten worden. Indien de vader toch het gezag krijgt, is een ondertoezichtstelling noodzakelijk. De vader is onvoldoende bereid om hulpverlening te aanvaarden omdat hij de zorgen vanuit de hulpverlening onvoldoende inziet.

De vader is van mening dat er niets aan in de weg staat om hem met het gezag te belasten. Een ondertoezichtstelling is niet nodig omdat de ouders bereid zijn alle hulpverlening te aanvaarden. De moeder verblijft vrijwillig bij [organisatie] , dus er is geen sprake van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . De vader heeft subsidiair gevraagd om een eventuele ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] in duur te beperken voor de periode van drie maanden.

De moeder heeft ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder is van mening dat de vader met het gezag kan worden belast en dat een ondertoezichtstelling niet nodig is.

De GI heeft ter zitting verklaard dat de ouders nog veel moeten leren. Ze werken nu goed mee aan de begeleiding van [organisatie] . Het is echter van belang dat er toezicht blijft op hoe het met [voornaam minderjarige] en met de ouders gaat.

De beoordeling

In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat indien niet in het gezag wordt voorzien, of wanneer een voogd het gezag uitoefent, een verzoek van de tot gezag bevoegde ouder om hem met het gezag te belasten slechts wordt afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind worden verwaarloosd.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 oktober 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT6847) geoordeeld over het verzoek van een moeder om te worden belast met het gezag over haar minderjarige kind op grond van artikel 1:253b BW. De moeder was bij de geboorte van haar kind minderjarig. De Hoge Raad heeft in dat arrest onder meer overwogen: “dat een minderjarige slechts, zoals art. 1:254 BW bepaalt, onder toezicht kan worden gesteld indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Indien de rechter redenen heeft om te vrezen dat inwilliging van een verzoek als dat van de moeder een dergelijke bedreiging doet ontstaan, zal dat in beginsel ook meebrengen dat de in het vijfde lid van art. 1:253b BW bedoelde gegronde vrees bestaat dat bij die inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Inwilliging van zo'n verzoek in combinatie met ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is dus geen voor de hand liggende mogelijkheid voor de oplossing van problemen als in deze zaak aan de orde. ”

De kinderrechter stelt vast dat [voornaam minderjarige] met de moeder bij [organisatie] woont en dat de ouders (nog) niet samenwonen omdat dit feitelijk niet mogelijk is bij [organisatie] . De verwachting is dat de ouders binnen enkele maanden samen kunnen verhuizen naar een eigen appartement waar de begeleiding door [organisatie] zal worden voortgezet.

Uit het rapport van de Raad, met name op basis van de informatie vanuit de Reclassering, blijkt dat de vader moeilijk met verleidingen kan omgaan en zich makkelijk laat beïnvloeden door verkeerde vrienden, geen opleiding heeft afgerond, geen werk heeft en als bijzondere voorwaarde begeleiding door het ACT-team opgelegd heeft gekregen. Over het verloop van die begeleiding is geen informatie aan de kinderrechter verstrekt.

De kinderrechter is van oordeel dat er gegronde vrees bestaat dat de belangen van [voornaam minderjarige] worden verwaarloosd, wanneer de vader alleen met het gezag wordt belast. De vader heeft als gevolg van zijn eigen problematiek geen opleiding, geen zicht op werk en is gevoelig voor verleidingen, met name onder invloed van alcohol. De vader zal, als gevolg van zijn eigen problematiek, naar verwachting niet altijd het belang van [voornaam minderjarige] voorop kunnen stellen en beslissingen in het belang van [voornaam minderjarige] zelfstandig kunnen nemen. Daarnaast is het niet de bedoeling van de ouders om, indien de vader met het gezag belast wordt, verandering te brengen in de verblijfplaats van [voornaam minderjarige] . Dit is een goede keuze, maar dat betekent wel dat [voornaam minderjarige] voorlopig niet bij zijn ouder met gezag zal wonen. Het voorgaande leidt ertoe dat als de vader met het gezag belast zal worden een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing noodzakelijk zullen zijn, wat ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad in beginsel betekent dat er gegronde vrees bestaat dat de belangen van [voornaam minderjarige] worden verwaarloosd. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het niet passend is een ouder alleen met het gezag te belasten indien niet de verwachting is dat die ouder alleen de verzorging en opvoeding van het kind op zich kan en wil nemen.

Die situatie verandert op het moment dat de moeder meerderjarig wordt en daarmee bevoegd tot uitoefening van het gezag. De verwachting is dat de moeder op dat moment (ook) een verzoek zal indienen om (al dan niet samen met de vader) met het gezag te worden belast en daartegen lijken op dit moment geen bezwaren te bestaan. De Raad concludeert immers dat de verwachting is dat de ouders samen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] binnen aanvaardbare termijn zelf zullen kunnen dragen. [voornaam minderjarige] woont bij de moeder en zal daar ook blijven wonen, zodat in elk geval geen machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk zal zijn. Dat mogelijk wel een ondertoezichtstelling noodzakelijk is, staat naar het voorlopig oordeel van de kinderrechter er niet aan in de weg om de moeder (al dan niet samen met de vader) met het gezag te belasten. De verwachting is immers dat de ouders samen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] binnen aanvaardbare termijn zelf zullen kunnen dragen. Dat maakt deze zaak wezenlijk anders dan de zaak waar de Hoge Raad in 2015 over oordeelde, waarin sprake was van een pleeggezinplaatsing en thuisplaatsing niet aan de orde was.

Nu de Raad heeft geadviseerd om binnen de voogdij toe te werken naar het gezamenlijk gezag van de ouders en de GI dit heeft onderschreven, is vooraf duidelijk dat de voogdij in beginsel slechts als tijdelijke maatregel is bedoeld. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het laten doorlopen van de voorlopige voogdij totdat tevens op een verzoek van de moeder om haar met het gezag te belasten kan worden beslist in dit geval meer passend is dan het uitspreken van de voogdij.

Dat betekent dat de beslissing op alle verzoeken opnieuw zal worden aangehouden. De kinderrechter bepaalt daarbij op grond van artikel 282 Rv dat de moeder alsnog een verweerschrift met zelfstandig verzoek in mag dienen, uiterlijk op 15 november 2018. Een afschrift daarvan moet op dezelfde dag aan de Raad en de GI worden gezonden. Daarna zal de behandeling van alle verzoeken worden voortgezet op de zitting van 13 december 2018. De Raad wordt verzocht om uiterlijk een week voor die zitting aanvullend te rapporteren over de vraag of een voogd moet worden benoemd of dat (een van) de ouder(s) met het gezag kan worden belast en of er in dat geval een ondertoezichtstelling noodzakelijk is.

De beslissing

De kinderrechter:

  • -

    houdt de behandeling van en de beslissing op de verzoeken aan;

  • -

    bepaalt dat de moeder uiterlijk op 15 november 2018 een verweerschrift met zelfstandig verzoek mag indienen;

- bepaalt dat de behandeling van de verzoeken zal worden voortgezet op de zitting van

13 december 2018 om 11:15 uur, welke zitting wordt gehouden in het gerechtsgebouw te Utrecht, Vrouwe Justitiaplein 1;

- verzoekt de Raad om uiterlijk op 6 december 2018 een aanvullend advies aan de kinderrechter en de belanghebbenden te doen toekomen.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout, kinderrechter, in tegenwoordigheid van G.T. Bakker, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2018 .