Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3677

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
UTR 18/2778
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De gemeente Utrecht heeft begin deze maand een besluit genomen waarin zij goedkeuring verleent aan de Stichting Islamitisch Onderwijs Utrecht om zich te huisvesten in het gebouw aan de Eerste Oosterparklaan in Utrecht. De voorzieningenrechter heeft vandaag bepaald dat de gemeente dit besluit niet hoeft op te schorten.

De Stichting Islamitisch Onderwijs Utrecht heeft vorig jaar toestemming gekregen van het ministerie van Onderwijs om de Al Arqam basisschool te beginnen in Leidsche Rijn. Het is vervolgens aan de gemeente om te zorgen voor huisvesting van de school. De gemeente bepaalde dat de stichting per 1 augustus 7 lokalen en een speellokaal in gebruik mag nemen in het pand, waar ook basisschool De Klimroos is gehuisvest. De Stichting Primair Onderwijs Utrecht, waar De Klimroos onder valt, stapte daarop naar de bestuursrechter.

De Stichting Primair Onderwijs Utrecht heeft om een zogenoemde voorlopige voorziening gevraagd. Dat is een spoedprocedure in het bestuursrecht, waarin de stichting vraagt om het besluit van de gemeente te schorsen. De voorzieningenrechter heeft in deze spoedprocedure in een mondelinge uitspraak dit verzoek afgewezen. De schriftelijke uitspraak met motivering volgt uiterlijk op 2 augustus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/2778

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 juli 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Openbaar Primair Onderwijs Utrecht, te Utrecht, verzoekster

(gemachtigde: mr. D. van Tilborg),

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, verweerder

(gemachtigden: mr. T. Barkhuysen, mr. A.A. al Khatib en mr. M. Claessens).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Islamitisch Onderwijs Utrecht, te Utrecht, derde-partij

(gemachtigden: mr. A. Laghmouchi en mr. A. Boumanjal).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2018 (het huisvestingsbesluit) heeft verweerder goedkeuring verleend aan de aanvraag van derde-partij voor de voorziening ingebruikneming van een gedeelte van het schoolgebouw op de locatie Eerste Oosterparklaan 88 in Utrecht, waar basisschool De Klimroos is gevestigd.

Bij besluit van 17 juli 2018 (het vorderingsbesluit) heeft verweerder per 1 augustus 2018 een vloeroppervlak van 1.015 m², voor zeven groepen (zeven lokalen) en een speellokaal, in het gebouw op de locatie Eerste Oosterparklaan 88 in Utrecht gevorderd van basisschool De Klimroos om te bestemmen voor huisvesting van de basisschool Al Arqam. Deze bestemming geldt vooralsnog voor de periode van het schooljaar 2018-2019.

Verzoekster heeft tegen het beide besluiten van verweerder bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen en de werking van de bestreden besluiten te schorsen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2018. Voor verzoekster is verschenen [A] en de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en de gemachtigden. Voor de derde-partij is [C] verschenen, bijgestaan door de gemachtigden.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekster bezwaar heeft gemaakt tegen de hiervoor genoemde besluiten. Het is dus nu aan verweerder om zijn besluiten opnieuw te beoordelen aan de hand van de aangevoerde bezwaren. Tegen een beslissing op bezwaar kan verzoekster indien zij dat wil beroep instellen bij de rechtbank. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is in dit stadium (tijdens de bezwaarfase) in beginsel alleen dan aanleiding als de bestreden besluiten zodanig gebrekkig zijn dat deze na de heroverweging van verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zullen kunnen blijven. Eventuele gebreken aan de bestreden besluiten leiden niet automatisch tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dat gebeurt bijvoorbeeld niet als deze gebreken in de beslissing op bezwaar kunnen worden hersteld. Verder geldt dat het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter heeft en dit bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bestreden besluiten ertoe strekken dat met ingang van het nieuwe schooljaar, 27 augustus 2018, het gebouw aan de Eerste Oosterparklaan 88 ook door basisschool Al Arqam in gebruik wordt genomen. Thans is alleen basisschool De Klimroos daar gehuisvest. Gelet op de voor een bezwaarprocedure geldende beslistermijnen is voorzienbaar dat niet voor die datum op de bezwaarschriften van verzoekster zal zijn beslist. Nu men per morgen met inrichtingswerkzaamheden wil starten is het spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gegeven.

3. De voorzieningenrechter zal beoordelen aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en zo nodig een belangenafweging of er voldoende spoedeisend belang is om het treffen van een voorlopige voorziening te rechtvaardigen.

4. Verzoekster voert aan dat geen sprake is van een voorziening die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden als bedoeld in artikel 98, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (Wpo), zodat verweerder ten onrechte heeft beschikt op de aanvraag met een spoedeisend karakter. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij in het geval van een nieuwe school altijd deze procedure volgt en dat dit in dit geval ook mogelijk is. Met de basisschool Al Arqam hebben nog drie basisscholen in Utrecht de goedkeuring voor bekostiging per 1 augustus 2018 gekregen. Voor die scholen is ook per 1 augustus 2018 in huisvesting voorzien, aldus verweerder. De derde-partij heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag om op het zogenoemde programma van scholen te worden opgenomen, ook al kan worden opgevat als aanvraag om bekostiging van een voorziening in de huisvesting.

5. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het indienen van een aanvraag met een spoedeisend karakter niet uitgesloten op grond van artikel 98 van de Wpo. De regeling uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Utrecht 2015 (de Huisvestingsverordening) voorziet er ook in. Dat deze regeling in strijd zou zijn met de wet is vooralsnog niet gebleken. De vraag of deze spoedprocedure in het onderhavige geval de meest aangewezen weg is om voor bekostiging van een voorziening in de huisvesting in aanmerking te komen, kan bij de onderhavige beoordeling in het midden worden gelaten. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat verzoekster ter zitting desgevraagd heeft toegelicht dat haar belang bij het gestelde erin is gelegen dat door het volgen van deze spoedprocedure er geen behoorlijk overleg heeft kunnen plaatsvinden met de andere betrokken partijen. Uit de onderliggende stukken is gebleken dat verzoekster eerst op 2 juli 2018, na de eerdere overlegronde hierover begin 2018, door de wethouder van onderwijs op de hoogte is gesteld van de beslissing om basisschool Al Arqam toch te huisvesten in het schoolgebouw waar basisschool De Klimroos is gevestigd. Hierna is verzoekster meerdere malen uitgenodigd om in overleg te treden met de andere betrokken partijen. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster nog voor het einde van het schooljaar op de hoogte was van het voorgenomen huisvestingsbesluit. Niet aannemelijk is dat overleg de afgelopen vier weken niet mogelijk is geweest. Ook de toepassing van de gevolgde spoedprocedure hoefde niet aan dit belang van verzoekster in de weg te staan. De voorzieningenrechter realiseert zich dat het niet de ideale situatie is en dat het om een korte periode gaat waarin overleg plaats had moeten vinden, maar deze periode is niet dusdanig kort dat behoorlijk overleg niet zou hebben kunnen plaatsvinden. Overigens blijkt uit de stukken dat er ook naar alternatieve locaties is gezocht.

6. Over het gestelde onderscheid tussen het medegebruik en ingebruikneming overweegt de voorzieningenrechter dat beide begrippen elkaar niet uitsluiten. Artikel 92, eerste lid, van de Wpo bepaalt dat onder voorzieningen in de huisvesting worden begrepen voor blijvend onderscheidenlijk voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit: 1° nieuwbouw, een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan (…), en 3° medegebruik van een ruimte die geschikt voor het onderwijs. Dit geldt ook voor de artikelen 2 en 29 van de Huisvestingsverordening. Dat in het onderhavige geval feitelijk sprake is van ingebruikneming van leegstaande lokalen door de derde-partij en medegebruik van bijvoorbeeld het speellokaal en speelterrein, leidt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet tot de conclusie dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven.

7. Ten aanzien van de toepassing van het vorderingsrecht door verweerder, zoals bepaald in artikel 107 van de Wpo, heeft verzoekster aangevoerd dat de identiteit van basisschool De Klimroos verloren gaat, althans in ieder geval diffuus wordt. Dit is niet meegewogen door verweerder in zijn besluitvorming, terwijl artikel 107, eerste lid, van de Wpo dit wel vereist. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in dat kader geen integrale belangenafweging aan de orde is. Het criterium ‘Het voorgenomen gebruik dient zich te verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school’ is in de wet opgenomen ter bescherming van het bestaan van verschillende denominaties van onderwijs. Hierdoor is de richtinggevoeligheid van beslissingen van de gemeente inzake onderwijshuisvesting niet snel aan de orde. Verweerder wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op de wetsgeschiedenis.1

8. De voorzieningenrechter overweegt dat de bredere context van de door verweerder aangehaalde passage betreft:

“De leden van de fracties van GPV, SGP en RPF vragen om een toelichting op de zinsnede in de memorie van antwoord «dat bij beslissingen met betrekking tot de huisvesting er niet snel een relatie met de vrijheid van richting en inrichting aan de orde is».

(…) Bovendien is het zo dat een gemeente niet een gedeelte van een school kan vorderen dan wel medegebruik bij een school als huisvestingsvoorziening mag toewijzen indien dat zou leiden tot strijd met de identiteit van de school (zie artikel 81, eerste lid, WBO en artikel 82, derde lid, WBO, alsmede de vergelijkbare artikelen in ISOVSO en WVO). Vandaar dat naar de mening van ondergetekende de richtinggevoeligheid van beslissingen van de gemeente inzake onderwijshuisvesting niet snel aan de orde is.”

Gelet hierop gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat een gemeente niet een gedeelte van een school kan vorderen indien dat zou leiden tot strijd met de identiteit van de school, die uiteraard veelal door denominatie bepaald zal worden. Nu de achtergronden van de scholen verschillen, mag van verweerder een dergelijke afweging wel worden verwacht.

9. Naar voorlopig oordeel heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorgenomen gebruik door basisschool Al Arqam zich verdraagt met het onderwijs door basisschool De Klimroos. De identiteit van basisschool De Klimroos is door verzoekster omschreven als een school die op alle manieren verbinding zoekt en culturen wil samenbrengen en verbinden. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de inhuizing van de islamitische basisschool Al Arqam zich hiermee niet zou verdragen. Het zou anders tot gevolg hebben dat geen enkele school voor bijzonder onderwijs bij De Klimroos zou kunnen inhuizen. Verweerder zou hiermee nog nagenoeg onmogelijk aan de opdracht kunnen voldoen om efficiënt met de beschikbare ruimte voor huisvesting van onderwijs om te gaan en de leegstand onbenut moeten laten.

10. Vervolgens ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of de keuze van ingebruikneming van een gedeelte van het pand passend en geschikt is. Die vraag moet bevestigend worden beantwoord. Niet in geschil is dat feitelijk 21 lokalen beschikbaar zijn in het gebouw en normatief 18 lokalen. Verzoekster heeft voor het schooljaar 2018-2019 zes groepen permanente leerlingen en één tijdelijke groep leerlingen en daarvoor zeven lokalen in gebruik, zodat voor komend schooljaar sprake zou zijn van leegstand. Met het huisvestingsbesluit zijn zeven lokalen bestemd voor zeven groepen leerlingen van de derde-partij. Dit betekent dat als gekeken wordt naar zowel de feitelijke als normatieve ruimte, de vloeroppervlakte berekend naar het aantal leerlingen, basisschool Al Arqam kan inhuizen bij basisschool De Klimroos.

Naar voorlopig oordeel is daarbij ook ruimte voor het overige gestelde gebruik van het pand met name Spelenderwijs, Het MaakLAB en De Brede School. Ter zitting is vastgesteld dat verweerder met de door Spelenderwijs in gebruik genomen ruimte bij de voorgenomen indeling ook rekening heeft gehouden. Dit is niet langer in schil. Voor wat betreft De Brede School is gelet op hetgeen ter zitting is besproken geen vaste ruimte nodig. De Brede School heeft ruimte nodig voor overleg maar dit hoeft niet te zijn gerealiseerd op een vaste plek, zodat daar geen rekening mee hoefde te worden gehouden bij de inrichting. Wat betreft ruimte in gebruik voor Het MaakLAB, komt in de beantwoording van de vragen die op de informatiebijeenkomst op 12 juli 2018 zijn gesteld naar voren dat verweerder hiermee ook rekening heeft gehouden. Gezien de normatieve en feitelijke ruimte in het gebouw moet dit inderdaad mogelijk zijn. Hoe een en ander vorm zal moeten krijgen zal verweerder in samenspraak met partijen uitwerken. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te veronderstellen dat Het MaakLAB niet kan worden ingepast. Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat de medezeggenschapsraad van basisschool De Klimroos voorafgaand aan de herindeling dient te worden betrokken, overweegt de voorzieningenrechter dat de invloed met name geldt voor beslissingen van het bevoegde gezag van de school. De invloed van de medezeggenschapsraad strekt niet dusdanig ver dat hij doorslaggevende invloed heeft op de besluitvorming van verweerder.

11. Ook de gestelde eerdere mislukking van het inhuizen van een andere basisschool bij basisschool De Klimroos, maakt niet dat het pand niet geschikt of passend zou zijn voor een andere school. De voorzieningenrechter laat daarbij meewegen dat destijds geen sprake was van een daadwerkelijke scheiding van het pand zoals die nu wordt beoogd, zodat die situatie niet kan worden vergeleken met de onderhavige. Bovendien heeft verweerder ter zitting gesteld dat op andere plekken in Utrecht ook sprake is van een gezamenlijke huisvesting van twee scholen in een pand en dat het daar wel goed gaat.

12. Naast de genoemde lokalen en andere gebruikers van ruimtes in het pand zijn er nog meer complicerende factoren naar voren gebracht door verzoekster, zoals de inrichting van een teamkamer, de grootte en het gebruik van het speellokaal, het gezamenlijk gebruik van het speelplein, de eventueel verschillende gedragsvoorschriften op het speelplein, vragen van ouders en kinderen, het overstappen van kinderen en uitingen tijdens feestdagen. De voorzieningenrechter realiseert zich dat het geen sinecure zal zijn om in de resterende weken tot het begin van het schooljaar dit allemaal in goede banen te leiden. Er zal veelvuldig en op topniveau overleg nodig zijn om het belang van het welzijn van de kinderen en de kwaliteit van het onderwijs te dienen. De kinderen mogen niet de speelbal worden van een belangenstrijd tussen twee scholen en eventueel docenten en ouders. Het vorenstaande niet neemt weg dat er nog vier weken over zijn om de ouders, kinderen en andere betrokkenen te informeren en voor te lichten en om de gesprekken te voeren. Zowel verzoekster als de derde-partij hebben zich bereid hebben getoond om afspraken te maken over de onderwerpen die mogelijk onduidelijkheid teweeg zouden kunnen brengen, over de speeltijden en aanvangstijden van de verschillende scholen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat dit ook over het gebruik van het speellokaal mogelijk moet zijn. Gelet op de professionaliteit die van alle betrokkenen verwacht kan worden, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat daar nog voldoende mogelijkheden voor zijn en ziet om die reden onvoldoende aanleiding om de bestreden besluiten te schorsen.

13. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat niet ten onrechte is aangevoerd dat de motivering van het huisvestingsbesluit op sommige punten mager is. Omdat dit in het kader van de heroverweging in bezwaar kan worden verbeterd, is het geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Hetgeen overigens is aangevoerd, leidt niet tot een ander voorlopig oordeel.

14. Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter te weinig reden om aan te nemen dat de bestreden besluiten in bezwaar niet in stand kunnen blijven. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om hangende die bezwaarprocedures een voorlopige voorziening te treffen. De verzoeken worden dan ook afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.L. Verbruggen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Kamerstukken I 1995-1996, 24455, nr. 245e, p. 6.