Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3674

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
16/652337-18
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

twee winkeldiefstallen. ISD gevorderd door de officier van justitie. Geen ISD opgelegd, maar een gevangenisstraf voor de duur van 156 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/652337-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 augustus 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in de [verblijfplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 juni 2018 en 25 juli 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie en van hetgeen verdachte en mr. B. Yesilgöz, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

op 29 maart 2018 in Almere een of meer pa(a)r(en) schoen(en) en/of levensmiddelen heeft gestolen bij de [naam supermarkt] ;

feit 2:

op 8 maart 2018 in Almere een of meer verpakkingen parfum heeft gestolen bij de [naam drogisterij winkel] Almere […].

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van beide feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 juni 2018;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 29 maart 2018, genummerd PL0900-2018087364-1, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, houdende de aangifte door [aangever 1] namens de [naam supermarkt] Almere;

Feit 2

Bewijsmiddelen 1

[aangever 2] heeft namens de [naam drogisterij winkel] Almere […] aangifte gedaan van winkeldiefstal gepleegd op 8 maart 2018 in de winkel van de [naam drogisterij winkel] in Almere […] . Op vrijdag 9 maart 2018 zag een collega van haar een lege folieverpakking in een van de schappen liggen. Het ging om een folie die om een doosje van een Hugo Boss eau de toilette herengeur zit. Aangeefster heeft de camerabeelden van 8 maart 2018 bekeken. Zij zag dat de man bij een display staat waar aanbiedingen van de week op stonden. Onder anderen stonden daar de verpakkingen met inhoud van de Hugo Boss. Op de beelden is te zien dat de man een van de verpakkingen pakt en vervolgens de winkel weer inloopt. De man is in het gangpad waar aan de ene kant het snoep en de andere kant de gezichtsverzorging staat bezig om de folie van de verpakking te verwijderen. Nadat hij dat heeft gedaan, stopt hij de folie in het schap waar onder andere de kauwgom stond. De man verlaat de winkel zonder af te rekenen bij de kassa.2

Uit het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door hoofdagent [naam hoofdagent] volgt dat op de camerabeelden is te zien dat verdachte een pakje uit de stelling pakt en direct ermee weg loopt en achter een andere stelling gaat staan. Daarna is verdachte “handelingen” aan het doen met het pakje.3 Vervolgens legt verdachte “iets” in het schap en stopt vervolgens het pakje in zijn jaszak. Nadat verdachte het pakje in zijn jaszak stopt, verlaat hij direct zonder te betalen de [naam drogisterij winkel] .4

Verdachte heeft ter terechtzitting op 12 juni 2018 verklaard dat hij zichzelf op de beelden herkent.5

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 maart 2018 een verpakking parfum heeft gestolen bij de [naam drogisterij winkel] Almere […] .

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1:

op 29 maart 2018 te Almere met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen paren schoenen en levensmiddelen toebehorende aan [naam supermarkt] ;

feit 2:

op 8 maart 2018 te Almere met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een verpakking parfum toebehorende aan [naam drogisterij winkel] Almere […].

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder feit 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 en 2: telkens: diefstal.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot de maatregel tot plaatsing van verdachte in een richting voor stelselmatige daders (hierna: ISD).

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om geen ISD op te leggen. Er is een alternatieve behandeling beschikbaar bij [naam instelling 1] die beter aansluit op de problematiek van verdachte. Verdachte zal bij deze kliniek eerst intramuraal behandeld worden, waarna hij daarna onder toezicht begeleid zal gaan wonen. Verdachte is gemotiveerder dan ooit om te werken aan zijn problematiek.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen aangetoond geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen, maar ook schade, overlast en hinder bij de winkeliers veroorzaakt.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat sprake is van een langdurig en hardnekkig delictpatroon. Aan verdachte is reeds tweemaal, in 2008 en in 2014, de ISD-maatregel opgelegd. Dit heeft echter niet mogen leiden tot gedragsverandering bij verdachte.

Uit het advies van [naam instelling 2] van 4 mei 2018, opgesteld door [A] , blijkt dat ernstige verslavingsproblematiek ten grondslag ligt aan het hardnekkige delictgedrag van verdachte. Zo gebruikt verdachte naar eigen zeggen dagelijks cocaïne en heroïne. Verdachte heeft meerdere keren proberen af te kicken, maar is iedere keer weer teruggevallen in zijn verslaving. Het recidiverisico is hoog en verdachte voldoet aan alle voorwaarden voor de oplegging van de ISD-maatregel. De reclassering adviseert daarom de ISD-maatregel onvoorwaardelijk op te leggen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 12 juni 2018 aangegeven gemotiveerder te zijn dan ooit om zijn problematiek aan te pakken. Verdachte heeft daarom op eigen initiatief om hulp gevraagd bij [naam instelling 3] . Ambulant behandelaar verslavingszorg bij [naam instelling 3] , [B] is op 12 juni 2018 ter terechtzitting gehoord. Hij heeft verklaard dat het van belang is voor verdachte om een goede behandeling te krijgen die bij hem past. Hij heeft verdachte daarom aangemeld bij [naam instelling 1] . Daar werken ze aan de hand van het Minnesota-traject. Dat traject ziet voornamelijk op de nazorg. Deze behandeling duurt minimaal acht maanden en kan oplopen tot anderhalf of twee jaar. Verdachte heeft verklaard dat hij deze behandeling bij [naam instelling 1] graag wil volgen.

Uit het aanvullend rapport van [naam instelling 2] van 6 juli 2018, opgesteld door [A] , blijkt dat [naam instelling 1] een verslavingskliniek is voor mensen met een ernstige verslaving in combinatie met psychische of andere problemen. Een klinisch traject duurt gemiddeld zes tot acht maanden. Een behandeling in [naam instelling 1] is echter alleen mogelijk in een vrijwillig kader en niet binnen een forensisch kader. Ter terechtzitting van 25 juli 2018 heeft deskundige [C] toegelicht dat dit betekent dat deze behandeling niet kan worden gevolgd binnen het kader van ISD-maatregel danwel als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf. Verder heeft de deskundige naar voren gebracht dat de reclassering het beveiligingsniveau van [naam instelling 1] te laag vindt. Tijdens eerdere schorsingen van verdachte is het telkens mis gegaan, dus er is een meer dwingend kader nodig om hem goed te kunnen behandelen. Dat is niet mogelijk bij [naam instelling 1] . De reclassering staat dan ook niet achter behandeling bij [naam instelling 1] en blijft bij haar advies om verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat de verslaving van verdachte moet worden behandeld om het hardnekkige delictgedrag van verdachte te doorbreken. Intrinsieke motivatie is daarbij één van de belangrijkste factoren tot een succesvolle behandeling. Verdachte lijkt intrinsiek gemotiveerd te zijn om een behandeling bij [naam instelling 1] succesvol af te ronden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verdachte een allerlaatste kans te geven om van zijn verslaving af te komen en hem in de gelegenheid te stellen om zich te laten behandelen bij [naam instelling 1] . Nu deze behandeling blijkens het advies van de reclassering niet mogelijk is binnen het strafrechtelijk kader, zal de rechtbank aan verdachte geen ISD-maatregel opleggen, noch verdachte middels een bijzondere voorwaarde verplichten deze behandeling te ondergaan. Het is derhalve nu aan verdachte om zijn beloftes ter zitting geuit, waar te maken.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten en het zeer hardnekkige delictgedrag van verdachte kan niet anders worden volstaan dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht het wenselijk dat verdachte zo snel mogelijk aan zijn behandeling bij [naam instelling 1] begint en zal het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf bepalen op de duur die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Als stok achter de deur ter voorkoming van recidive zal de rechtbank naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook een voorwaardelijk deel opleggen. De rechtbank zal de behandeling bij [naam instelling 1] niet als bijzondere voorwaarde opnemen, omdat dit volgens de reclassering niet mogelijk is. De rechtbank zal wel als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering opleggen. De proeftijd zal gelet op de eerdere terugvallen van verdachte op drie jaren worden gesteld.

De rechtbank acht – alles overwegende – passend en geboden een gevangenisstraf voor de duur van 156 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 63, 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder feit 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 156 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 30 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich uiterlijk binnen 5 werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis, indien de klinische behandeling bij [naam instelling 1] reeds is aangevangen telefonisch op het nummer [telefoonnummer] zal melden bij [naam instelling 2] , gevestigd op het adres [adres] in [vestigingsplaats] ( [postcode] ), waarna verdachte zich moet blijven melden zo lang en zo frequent de reclassering dit noodzakelijk acht;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.L. Beljaars, voorzitter, mrs. H.J. Bos en V.C. Kool, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Lootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 augustus 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 maart 2018 te Almere, althans in het arrondissement

Midden - Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen een of meer pa(a)r(en) schoen(en) en/of een meer levensmiddelen, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam supermarkt] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 8 maart 2018 te Almere, althans in het arrondissement

Midden - Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen een of meer verpakkingen parfum, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [naam drogisterij winkel] Almere […] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte;

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 30 maart 2018, genummerd PL0900-2018087364 en 2018072605, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 50. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte, pagina’s 36 en 37.

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 42.

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 43.

5 Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 12 juni 2018.