Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3657

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
UTR 17/4561
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond verklaard. Verweerder mocht woning per 8 mei 2017 sluiten in overeenstemming met het Damoclesbeleid. Daarnaast had verweerder geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/4561

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Cortet),

en

de burgemeester van de gemeente Woerden, verweerder

(gemachtigden: mr. A. Hogendoorn en mr. A. Arnold).

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten tot sluiting van de woning van eiser aan de [adres] te [woonplaats] voor een periode van drie maanden.

Bij besluit van 26 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser heeft verzocht om een voorlopige voorziening hangende bezwaar te treffen. De zitting is gehouden op 8 juni 2017. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 22 juni 2017 het primaire besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar geschorst.

2. Eiser is huurder en hoofdbewoner van het pand aan de [adres] te [woonplaats] . Op grond van een bestuurlijke rapportage die verweerder heeft ontvangen van de politie Midden-Nederland (hierna: de bestuurlijke rapportage) heeft verweerder besloten de woning voor de duur van drie maanden te sluiten.

3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat hij bevoegd is om de woning op grond van artikel 13b Opiumwet met ingang van 8 mei 2017 voor drie maanden te sluiten. Volgens verweerder blijkt uit de bestuurlijke rapportage dat sprake is van een verontrustende situatie, een gevaar voor de openbare orde en een ontoelaatbare druk op het woon- en leefklimaat in de buurt van de woning. Verweerder heeft als gevolg van het verstrijken van de tijd besloten om af te zien van de feitelijke sluiting door de termijn van sluiting op nul dagen te stellen. In het bestreden besluit is op dat punt als volgt overwogen: “Door het verloop van tijd kan ik in redelijkheid niet aannemelijk maken dat de bekendheid van de woning en de loop daarheen in verband met drugs, en vanwege de in februari aangetroffen drugs, nu alsnog doorbroken moet worden.” Het gevolg van het bestreden besluit is dat verweerder de woning met ingang van 26 september 2017 niet zal sluiten. De woning is op grond van het primaire besluit evenmin gesloten geweest als gevolg van de uitspraak van de voorzieningenrechter en de daaraan voorafgaande opschorting van de sluiting door verweerder.

4. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiser gelet op het feit dat de woning niet is gesloten en niet gesloten zal worden nog een procesbelang heeft bij deze procedure. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend, omdat aannemelijk is geworden dat eiser belang heeft bij beantwoording van de vraag of verweerder het sluitingsbevel terecht heeft gegeven op basis van de daaraan ten grondslag gelegde feiten. Eiser betwist immers dat sprake is van een overtreding en het antwoord op deze vraag kan mogelijk van belang zijn voor de consequentie van een mogelijk volgende overtreding. Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij dit feit niet op zijn naam wenst te hebben, omdat hij van mening is dat het diffamerend is voor hem.

5. Verweerder heeft voor de bestuurlijke rapportage die hij aan het bestreden besluit ten grondslag legt een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de rechtbank meegedeeld dat uitsluitend deze zal mogen kennis nemen van de inhoud ervan.

6. Bij beslissing van 24 mei 2017 heeft de rechtbank bepaald dat de gevraagde beperkte kennisneming van de bestuurlijke rapportage gerechtvaardigd is. In die beslissing is overwogen dat verweerder in het primaire besluit de dragende bevindingen uit de bestuurlijke rapportage heeft opgenomen. Verzoeker heeft de rechtbank geen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

7. De rechtbank heeft daarom geen kennis genomen van de bestuurlijke rapportage. De rechtbank kan echter wel een oordeel baseren op de dragende bevindingen uit de bestuurlijke rapportage, omdat deze in het primaire besluit van 25 april 2017 en het bestreden besluit zijn opgenomen. Voor eiser is het daarom niet onmogelijk zich hiertegen te verweren zonder kennis te nemen van de volledig inhoud. Eiser heeft de feiten niet gemotiveerd en onderbouwd betwist, zodat de rechtbank zich baseert op de bevindingen van verweerder zoals die in de besluitvorming zijn opgenomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU0117) de gevolgen van de weigering om de bestuursrechter toestemming te verlenen in beginsel voor rekening komen van degene die de toestemming weigert.

8. Uit de bestuurlijke rapportage, zoals geciteerd in verweerders besluiten, blijkt onder meer het volgende. Tijdens de doorzoeking van de woning op 14 februari 2017 heeft de politie in totaal 1.030,94 gram softdrugs aangetroffen. Dit werd buiten de woning aangetroffen en was weggegooid door iemand die vanuit de woning vluchtte. De drugs was afkomstig uit de woning. Er zijn in de woning verschillende bewerkingen van softdrugs aangetroffen. Ook is een tas met een busje met pepperspray gevonden. Uit de rapportage blijkt dat de woning al langer betrokken is dan wel moet zijn bij de handel in drugs. Eiser en zijn familie zijn volgens de politie grote spelers in de drugswereld. Eiser wordt veelvuldig in verband gebracht met het criminele circuit. In de woning van eiser zijn op 14 februari 2017 drie personen aangehouden. Een van deze personen staat in de politiesystemen 76 keer geregistreerd met criminele antecedenten, de andere staat 32 keer geregistreerd. Van eiser staan 91 criminele antecedenten geregistreerd, waarvan één antecedent op de Opiumwet voor het bezit van softdrugs.

9. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of lijst II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig is.

10. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 14 maart 2018: ECLI:NL:2018:835) volgt dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een woning verweerder de bevoegdheid geeft om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, bestuursdwang toe te passen.

11. Voor het uitoefenen van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder beleidsregels vastgesteld, het Damoclesbeleid gemeente Woerden (Damoclesbeleid).In het Damoclesbeleid is een handhavingsmatrix opgenomen. Bij de te nemen maatregelen wordt door verweerder een onderscheid gemaakt in harddrugs (lijst I) en softdrugs (lijst II). Indien bij een eerste constatering een handelshoeveelheid softdrugs (méér dan 5 gram) wordt aangetroffen in een woning volgt ofwel een waarschuwing ofwel, in ernstige gevallen, sluiting van de woning voor een periode van drie maanden. Voor de vraag of sprake is van een ‘ernstig geval’ is een indicatorenlijst opgenomen die als hulpmiddel kan worden gebruikt.

12. Volgens het Damoclesbeleid is het doel van artikel 13b van de Opiumwet de preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de volksgezondheid en het voorkomen van nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven, het woon- en leefklimaat en andere lokale omstandigheden. De inzet van de maatregel uit artikel 13b van de Opiumwet is erop gericht om de drugshandel in of vanuit een woning of lokaal te beëindigen en beëindigd te houden. De maatregel is derhalve niet bedoeld als straf, maar is gericht op herstel van de situatie/de verstoring van de openbare orde.

13. Eiser betwist de betrokkenheid van zijn woning bij de vermeende handel in drugs en de juistheid van de weergave in het besluit. Hij betwist dat in zijn woning een hoeveelheid van 1.030,94 gram softdrugs is aangetroffen en betwist daarmee de overtreding. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De drugs zijn immers aangetroffen in de keuken, een slaapkamer, de woonkamer en in de tuin bij de achterdeur, waarbij opgemerkt wordt dat de tuin ook onder het bereik van artikel 13b van de Opiumwet valt. Daar komt bij dat de drugs uit het raam werden gegooid door iemand die wegvluchtte, waaruit kan worden geconcludeerd dat de drugs wel in de woning aanwezig waren. In de bestuurlijke rapportage staat ook vermeld dat de drugs afkomstig waren uit de woning. Met het aantreffen van een handelshoeveelheid softdrugs is de bevoegdheid van verweerder om handhavend op te treden in beginsel gegeven. De beroepsgrond slaagt niet.

14. Eiser heeft voorts aangevoerd dat in dit geval geen sprake is van een ernstig geval zoals bedoeld in het Damoclesbeleid, zodat verweerder niet bevoegd is de woning voor drie maanden te sluiten. De rechtbank stelt vast dat zowel in het primaire als in het bestreden besluit door verweerder is uitgelegd waarom hij van mening is dat de feiten passen binnen de indicatoren zoals vermeld in het Damoclesbeleid. Uit het Damoclesbeleid volgt dat het aanwezig zijn van een handelshoeveelheid softdrugs op zichzelf onvoldoende is om te kunnen spreken van een ‘ernstig geval’. Er moet sprake zijn van bijkomende omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit goed heeft gemotiveerd hoe de feiten en omstandigheden zich in relatie tot de in het Damoclesbeleid genoemde criteria verhouden en waarom hij van mening is dat sprake is van een ernstige situatie. Verweerder heeft daarbij veel waarde mogen toekennen aan de hoeveelheid (verschillende bewerkingen van) softdrugs die zijn aangetroffen en de aanwezigheid van meerdere gripzakjes, als gevolg waarvan verweerder er van uit mocht gaan dat er sprake was van drugshandel. Tevens wordt van belang geacht dat er sprake lijkt van een georganiseerd verband en dat er personen in de woning zijn aangetroffen met antecedenten onder meer op grond van de Opiumwet. De woning van eiser blijkt al langer betrokken te zijn de handel in drugs, hetgeen blijkt uit een melding uit 2012, waarbij een vrouw in de tuin is aangetroffen die onder invloed van vermoedelijk drugs verkeerde, en een melding uit 2013, toen er een melding kwam dat eiser vanuit huis in drugs zou handelen. Dit alles tezamen overziend heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat in dit geval sprake was van een ernstig geval. Daarbij wordt door de rechtbank mede in aanmerking genomen dat een precieze controle van de feiten niet mogelijk is, nu geen toestemming is verleend voor kennisname van de bestuurlijke rapportage.

15. Eiser betoogt dat de maatregel op hem is gericht en als straf voelt, omdat hij niet aanwezig was en geen weet had van de aanwezigheid van drugs. Zijn betoog slaagt niet. Een op artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gebaseerd sluitingsbevel is in beginsel geen bestraffing en is niet gebaseerd op een ‘criminal charge’. De maatregel die verweerder oplegt ziet op het pand en kan niet als straf voor eiser persoonlijk worden aangemerkt. Daarbij wijst de rechtbank ook op de rechtspraak (zie onder meer ECLI:NL:RVS:2016:1601) waaruit blijkt dat in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk kan worden gehouden en als overtreder kan worden aangemerkt. Van de bewoner van een pand mag tot op zekere hoogte verwacht worden dat hij zich op de hoogte stelt van wat er in het pand gebeurt tijdens zijn afwezigheid. Derden hadden kennelijk toegang tot de woning. Dat hij hiervoor geen toestemming heeft gegeven maakt het oordeel in dit geval niet anders. Als eiser niet had gewild dat zijn woning onderdeel was gaan uitmaken van een drugscircuit, dan had hij de sleutel niet aan derden moeten verstrekken, dan wel moeten voorkomen dat derden toegang hadden tot zijn huis.

16. Gelet op het vorenstaande is het besluit om de woning per 8 mei 2017 te sluiten in overeenstemming met het Damoclesbeleid. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder, gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak, geen aanleiding heeft hoeven zien om aan te nemen dat per 8 mei 2017 sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van 4:84 Awb om van het beleid af te wijken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat verweerder de belangen van eiser heeft onderkend en hem per die datum vervangende woonruimte heeft aangeboden. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft verweerder overwogen dat door tijdsverloop wel sprake was van bijzondere omstandigheden en besloten om af te zien van de feitelijke sluiting door de termijn van sluiting op nul dagen te stellen.

17. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G. Kamphof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.