Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3646

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
464249 / HA RK 18-229
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 464249 / HA RK 18-229

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 26 juli 2018

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoeker),

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het wrakingsverzoek met bijgevoegde correspondentie,

- de schriftelijke reactie van mr. A.S. Penders.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 26 juli 2018 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling zijn verzoeker en de gewraakte rechter verschenen.

Voorts was aanwezig: de heer [A] , eiser in de hoofdzaak (hierna: de eiser), bijgestaan door mr. drs. P. Eymaal, kantoorgenoot van de advocaat van de eiser, mr. M.R. de Boer.

1.3.

Direct na sluiting van het onderzoek heeft de wrakingskamer mondeling uitspraak gedaan en het verzoek ongegrond verklaard. Het onderstaande is de schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing en is opgemaakt op 30 juli 2018.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. A.S. Penders als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in het kort geding met het zaaknummer 463742 KG-ZA18/435. De mondelinge behandeling van dit kort geding was geagendeerd op dinsdag 24 juli 2018 om 13.30 uur. Deze mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden, vanwege het voorafgaand aan de zitting door verzoeker ingediende wrakingsverzoek.

2.2.

Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd - zakelijk weergegeven - dat de rechter niet bevoegd is om de vordering in kort geding te behandelen. Verzoeker heeft hem daar reeds in zijn berichten van 23 juli 2018 op gewezen. Voorts heeft de rechter geen rekening gehouden met de verhinderdata van verzoeker, van de advocaat die verzoeker en de eiser bijstaat in een ander geschil noch met de verhinderdata van een derde partij wier aanwezigheid bij de behandeling van de procedure in de hoofdzaak volgens verzoeker van belang is. De rechter heeft ten onrechte zijn verzoek om uitstel van de zitting afgewezen. Verzoeker stelt dat de dagvaarding een aantal onjuistheden bevat en dat een aantal van belang zijnde stukken ontbreekt. Om helderheid te kunnen krijgen over een aantal kwesties die spelen in de hoofdzaak heeft hij een zeer groot belang bij uitstel van de hoofdzaak.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie schrijft hij dat hij het verzoek tot uitstel van de zitting niet heeft gehonoreerd, omdat in de dagvaarding wordt gesteld dat de levering van een aantal panden in Den Haag door de eiser in de hoofdzaak uiterlijk op 31 juli 2018 dient plaats te vinden. De rechter is van mening dat de beoordeling van de stellingen van de eiser moet plaatsvinden vóór 31 juli 2018. Dit is een puur procedureel oordeel. De rechter schrijft dat hij zich nog geen oordeel heeft gevormd over de merites van de dagvaarding. Het spoedeisend karakter van de kortgedingprocedure brengt volgens de rechter mee dat hij in een zaak als hier aan de orde voorbij kan gaan aan de verhinderdata van verzoeker en/of zijn advocaat.

2.4.

De eiser heeft de wrakingskamer verzocht het wrakingsverzoek ongegrond te verklaren en te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen wegens misbruik van het wrakingsmiddel door verzoeker als bedoeld in artikel 39 lid 4 Rv.

3 De beoordeling

3.1.

Op grond van artikel 36 Rv kan elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

De rechtbank onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid jegens een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de gerechtvaardigde indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. De twijfel die de procespartij heeft is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol.

Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De rechtbank zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

3.3.

De wrakingskamer overweegt dat persoonlijke vooringenomenheid bij de rechter niet is gesteld of gebleken.

3.4.

Met betrekking tot de stellingen van verzoeker die gaan over de schijn van vooringenomenheid van de rechter blijkend uit zijn procesbeslissingen merkt de wrakingskamer het volgende op. Procesbeslissingen zijn voorbehouden aan de behandelend rechter. Een als negatief ervaren procesbeslissing is in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking. Alleen indien een procesbeslissing zo onbegrijpelijk is dat de bij verzoeker bestaande vrees voor vooringenomenheid van de rechter jegens verzoeker naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. De wrakingskamer dient dus, kort gezegd, te oordelen of de beslissing van de rechter zo onbegrijpelijk is dat deze niet anders kan worden uitgelegd dan dat hij vooringenomen is.

3.5.

Verzoeker heeft gesteld dat de rechter ten onrechte een zitting heeft gepland, omdat hij al voor zitting had kunnen en moeten constateren dat hij niet bevoegd is. Het kort geding had dan buiten zitting kunnen worden afgedaan. De beslissing van de rechter om niet reeds voorafgaand aan de zitting een beslissing te nemen over de bevoegdheid is een procesbeslissing zoals in alinea 3.3. is bedoeld. De beslissing van de rechter dat dit punt ter zitting eerst moet worden behandeld voordat hij er een beslissing over zal nemen is naar het oordeel van de wrakingskamer niet onbegrijpelijk en kan daarom niet tot een gegrond wrakingsverzoek leiden.

3.6.

Ook de beslissing om de zitting niet uit te stellen is een procesbeslissing van de behandelend rechter. De rechter heeft toegelicht dat zijn beslissing om de zaak door te laten gaan geen oordeel inhoudt over de juistheid van de stellingen van de eiser, omdat dat pas aan de orde komt na de behandeling van de zaak. Uit deze beslissing blijkt geen vooringenomenheid van de rechter. De stelling van verzoeker ter zitting van de wrakingskamer dat hij meer tijd nodig heeft om zich goed voor te bereiden om zich tegen de stellingen van eiser te kunnen verweren maakt dat niet anders. Zoals de rechter naar voren heeft gebracht kunnen de bezwaren van verzoeker ter zitting worden behandeld. De wrakingskamer is van oordeel dat ook op dit punt geen sprake is van een beslissing van de rechter die onbegrijpelijk is.

3.7.

Verzoeker heeft verder nog een aantal tekortkomingen in de dagvaarding in kort geding genoemd: de stukken zijn incompleet, er is in de bij de dagvaarding gevoegde stukken geknipt en geplakt en de vordering is onduidelijk. Deze bezwaren gaan over de vraag of de dagvaarding aan de wettelijke eisen voldoet. De wrakingskamer kan daarover geen oordeel geven. De bezwaren van verzoeker tegen de (inhoud van) dagvaarding kunnen tijdens de zitting in de hoofdzaak aan de orde komen.

3.8.

De wrakingskamer ziet ten slotte geen grond om toepassing te geven aan artikel 39 lid 4 Rv en te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling zal worden genomen, zoals door de eiser is verzocht. Van misbruik als bedoeld in de zojuist genoemde bepaling is geen sprake.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling civiel recht en bestuursrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 463742 KG ZA 18/435 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, voorzitter, mr. drs. R. in ‘t Veld en mr. N.M. Spelt als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. S. Meurs, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.