Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3645

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
C/16/462379 / KL ZA 18-221
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot overschrijving van de aan de houder/opfokker van jongvee toegekende fosfaatrechten aan de eigenaar van dat jongvee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/462379 / KL ZA 18-221

Vonnis in kort geding van 30 juli 2018

in de zaak van

de stichting

STICHTING WAGENINGEN RESEARCH,

gevestigd te Wageningen,

eiseres,

advocaat mr. J.T.A.M. van Mierlo,

tegen

1. vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. P. Bavelaar.

Partijen zullen hierna SWR en [gedaagde sub 1] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met daarbij producties 1 tot en met 16

  • -

    de brieven van de zijde van SWR van 10 juli 2018 en 12 juli 2018 met daarbij producties 17 tot en met 20

  • -

    de brief van de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. van 12 juli 2018 met daarbij producties 1 tot en met 10

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 16 juli 2018

  • -

    de pleitnota van SWR

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 1] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

SWR is onderdeel van Wageningen University & Research en bevat onder andere het onderzoeksinstituut [naam onderzoeksinstituut] . Onderdeel van dit instituut is het innovatiecentrum voor de melkveehouderij/zuivelketen [naam inovatiecentrum] te [vestigingsplaats] (hierna: [naam inovatiecentrum] ).

2.2.

[naam inovatiecentrum] is een proefbedrijf waar circa 550 melkkoeien worden gehouden. Zij richt zich op het faciliteren van onderzoek, innovatie en onderwijs, waarbij het onderzoek voornamelijk met betrekking tot melkkoeien wordt uitgevoerd. Verder produceert en levert [naam inovatiecentrum] melk en vlees voor commerciële doeleinden.

2.3.

[gedaagde sub 1] c.s. exploiteert een bedrijf voor het opfokken van jongvee.

2.4.

In het kader van het onderzoek op [naam inovatiecentrum] onderhouden SWR (en haar voorgangers) en [gedaagde sub 1] c.s. sinds 2006 een opfokrelatie waarbij op [naam inovatiecentrum] geboren jongvee vanaf de leeftijd van circa twee weken in opfok aan [gedaagde sub 1] c.s. wordt gegeven en enkele weken voor de verwachte afkalving, als het vee de leeftijd van ongeveer twee jaar heeft bereikt, naar [naam inovatiecentrum] terugkeert. Hiertoe hebben SWR (en haar voorgangers) en [gedaagde sub 1] c.s. een overeenkomst voor de opfok van jongvee gesloten.

2.5.

De overeenkomst voor de opfok van jongvee is sinds 2006 enkele keren verlengd, laatstelijk in juni 2014 (hierna: “de Overeenkomst”). In de Overeenkomst zijn, voor zover van belang, de volgende bepalingen neergelegd:

“(…)

Artikel 1– Algemeen

1. [naam inovatiecentrum] ,(...), zal per jaar minimaal 100 en maximaal 250 stuks jongvee, hierna te noemen de “Dieren”, aan Opfokker in opfok geven. (...).

6. Opfokker verplicht zich uitsluitend dieren/vee van [naam inovatiecentrum] aan te voeren en te houden.

Artikel 2 – Risico en aansprakelijkheid

1. [naam inovatiecentrum] behoudt de eigendom van de bij Opfokker aanwezige Dieren.

3. (...) (...) Vanwege het feit dat [naam inovatiecentrum] juridisch eigenaar van de Dieren is, zal [naam inovatiecentrum] de Dieren verzekeren.

Artikel 5 – Vergoedingen en kosten

3. Eventuele dierpremies die Opfokker ontvangt en die betrekking hebben op de Dieren geleverd door [naam inovatiecentrum] (...), worden rechtstreeks en zonder voorbehoud doorgestort aan [naam inovatiecentrum] (...).

Artikel 6 – Duur en ontbinding overeenkomst

1. De overeenkomst gaat in op 1 juni 2014 en is geldig voor een periode van 2 jaar. De opzegtermijn na 1 maart 2016 is 3 maanden.

Artikel 7 – Overige bepalingen

1. De geproduceerde mest en alle transacties die samenhangen met het houden van de Dieren komen op naam van de Opfokker. De Opfokker is verantwoordelijk voor het voldoen aan de gebruiksnormen (dierlijke) meststoffen overeenkomstig de Mestwet. (...)”

2.6.

Na afloop van de geldigheidsduur van 2 jaar is de Overeenkomst stilzwijgend verlengd.

2.7.

Met ingang van 1 januari 2018 is de Meststoffenwet (hierna ook: Mw) gewijzigd en is het stelsel van fosfaatrechten voor jongvee ingevoerd. Daarmee is, in verband met het terugdringen van de fosfaatproductie, door de Nederlandse overheid een fosfaatplafond ingevoerd. Ingevolge die gewijzigde Meststoffenwet hebben melkveehouders in januari 2018 fosfaatrechten (berekend in kg fosfaat) toegekend gekregen. Deze zijn berekend op basis van de situatie zoals die was op 2 juli 2015.

2.8.

Bij beschikking van 12 januari 2018 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: de RVO) het aantal fosfaatrechten voor het bedrijf van [gedaagde sub 1] c.s. vastgesteld op 5.214 kg (hierna: de “fosfaatrechten”), op basis van 384 stuks door [gedaagde sub 1] c.s. gehouden jongvee.

2.9.

Bij beschikkingen van 3 januari 2018 en 13 januari 2018 heeft de RVO aan SWR in totaal (respectievelijk) 8.573 en 1.067 kg fosfaatrechten toegekend. Tegen laatstgenoemde beschikking heeft SWR bezwaar gemaakt omdat naar haar mening te weinig kg fosfaatrechten zijn toegekend. In de bezwaarprocedure is nog geen beslissing genomen.

2.10.

Bij brief van 24 april 2018 heeft [gedaagde sub 1] c.s. de Overeenkomst met SWR per

1 augustus 2018 opgezegd.

2.11.

SWU heeft bij brief van 24 april 2018 aan [gedaagde sub 1] c.s. meegedeeld dat zij de opzegging van de Overeenkomst zal respecteren. Daarnaast berichtte SWR hem, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

U heeft aangegeven dit jaar het opfokbedrijf te zullen beëindigen, dan wel over te dragen en tevens de overeenkomst voor opfok van jongvee te willen opzeggen.

Hierbij willen u er echter op wijzen dat wij als eigenaar van het jongvee tevens eigenaar zijn van de bijbehorende fosfaatrechten. Derhalve kunnen deze rechten niet door u worden overgedragen/verkocht of anderszins worden vervreemd.(…)”

3 Het geschil

3.1.

SWR vordert in dit kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om:

I. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om mee te werken aan overschrijving van alle fosfaatrechten die per 1 januari 2018, in verband met de aanwezigheid van de dieren, eigendom van SWR, op 2 juli 2015 op het bedrijf van [gedaagde sub 1] c.s., op naam van [gedaagde sub 1] c.s. geregistreerd zijn bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aan SWR dan wel aan een door SWR aan te wijzen derde, per 1 augustus 2018, doch in ieder geval binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis;

II. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om mee te werken aan overschrijving van 4.725 kg fosfaatrechten (goed voor 150 stuks jongvee jonger dan één jaar en 150 stuks jongvee ouder dan één jaar), thans geregistreerd op naam van [gedaagde sub 1] c.s. bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, aan SWR dan wel aan een door SWR aan te wijzen derde, per 1 augustus 2018, doch in ieder geval binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis;

III. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan SWR een dwangsom van

€ 30.000,00 (zegge: dertigduizend euro) te betalen voor iedere dag dat [gedaagde sub 1] c.s. niet voldoen aan de veroordeling zoals omschreven onder I dan onder II, met een maximum van € 1.500.000,00 (zegge: anderhalf miljoen euro);

IV. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, nakosten daaronder begrepen.

3.2.

SWR heeft ter zitting aangegeven dat haar vorderingen onder I en II begrepen moeten worden als respectievelijk primair en subsidiair. De voorzieningenrechter heeft aangegeven dat de vorderingen als zodanig zullen worden begrepen.

3.3.

SWR legt aan haar vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. Primair betoogt SWR dat zij in civielrechtelijke zin rechthebbende is van de fosfaatrechten omdat deze rechten gerelateerd zijn aan jongvee waarvan zij eigenaar is. Een bestuursrechtelijke registratie van de fosfaatrechten ten name van [gedaagde sub 1] c.s. betekent niet dat

[gedaagde sub 1] c.s. eigenaar daarvan is. Subsidiair voert SWR aan dat [gedaagde sub 1] c.s. op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gehouden is tot het verlenen van medewerking aan overschrijving van de fosfaatrechten aan SWR (of een door haar aan te wijzen derde).

3.4.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft verweer gevoerd.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is in geschil of [gedaagde sub 1] c.s. gehouden is tot overschrijving (‘om niet’) van (nagenoeg) alle aan hem toegekende fosfaatrechten aan SWR of aan een door haar aan te wijzen derde.

Spoedeisend belang

4.2.

SWR heeft een (spoedeisend) belang bij haar vorderingen. Zij heeft immers gesteld dat zij door de opzegging van de Overeenkomst door [gedaagde sub 1] c.s. genoodzaakt is om vóór 1 augustus 2018 een andere opfoklocatie te vinden voor het jongvee dat door [gedaagde sub 1] c.s. wordt gehouden. Daarvoor heeft zij fosfaatrechten nodig omdat het houden van jongvee op een andere locatie zonder die rechten niet is toegestaan en een opfoklocatie waarbij de benodigde fosfaatrechten al zijn inbegrepen, op zo korte termijn, niet is te vinden. Dat SWR zelf daarvoor op dit moment over voldoende fosfaatrechten beschikt, zoals door [gedaagde sub 1] c.s. is gesteld, is door SWR voldoende gemotiveerd betwist. De bezwaarprocedure die SWR heeft ingesteld naar aanleiding van de aan haar toegewezen fosfaatrechten (zie 2.9) loopt nog. Verder is van belang dat SRW voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar begroting het voorlopig niet toestaat om gelden vrij te maken teneinde fosfaatrechten voor 300 stuks jongvee te kopen.

De rechthebbende van de fosfaatrechten

4.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de fosfaatrechten worden toegekend aan de houder van de dieren op basis van het aantal door hem gehouden stuks melkvee op 2 juli 2015 (artikel 23 lid 3 Mw). Het gaat daarbij om het feitelijke houderschap van de dieren. Van ondergeschikt belang is of de houder van de dieren tevens de eigenaar daarvan is (Kamerstukken II 2015/16, 34 532 nr. 3).

4.4.

De juistheid van dit uitgangspunt staat tussen partijen niet ter discussie. Wel twisten partijen (onder meer) over het antwoord op de vraag of SWR desalniettemin in civielrechtelijke zin als rechthebbende ofwel “eigenaar” van de aan [gedaagde sub 1] c.s. toegekende fosfaatrechten kan worden beschouwd.

4.5.

SWR beantwoordt die vraag bevestigend. Zij voert daartoe het volgende aan. Hoewel partijen bij het sluiten van de Overeenkomst geen rekening hebben gehouden (noch hebben kunnen houden) met fosfaatrechten, komen deze aan SWR toe op grond van artikel 5 lid 3 van de Overeenkomst. Dit luidt: “Eventuele dierpremies die Opfokker ontvangt en die betrekking hebben op de Dieren geleverd door [naam inovatiecentrum] (...), worden rechtstreeks en zonder voorbehoud doorgestort aan [naam inovatiecentrum] (…).” Uit deze bepaling blijkt dat de bedoeling van partijen is geweest dat eventuele toekenningen vanuit de overheid in verband met het houden van dieren, zoals de fosfaatrechten, aan SWR toekomen. [gedaagde sub 1] c.s. heeft zijnerzijds gemotiveerd betwist dat de fosfaatrechten onder dierpremies vallen. Volgens hem hebben dierpremies als bedoeld in voornoemd artikel slechts betrekking op slacht- en exportpremies en niet op mestrechten zoals fosfaatrechten. Daarmee vallen de fosfaatrechten onder de reikwijdte van artikel 7 lid 1 van de Overeenkomst, dat meldt dat de geproduceerde mest en alle transacties die samenhangen met het houden van het jongvee op naam van de opfokker komen.

4.6.

Voorshands is niet duidelijk wie van partijen op dit punt het gelijk aan zijn zijde heeft. In dat geval komt het neer op een uitleg van de inhoud van de overeenkomst waarbij niet alleen naar de letterlijke bewoordingen van de overeenkomst moet worden gekeken, maar ook naar de bedoeling van partijen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mogen verwachten. Daarvoor is nader feitenonderzoek vereist, dat buiten het bestek van dit kort geding gaat. De voorzieningenrechter merkt hierbij wel op dat de uitleg van [gedaagde sub 1] c.s. als hiervoor in 4.5. vermeld, haar voorshands plausibeler voorkomt, omdat fosfaatrechten samenhangen met de geproduceerde hoeveelheid mest en de regeling daaromtrent in de Meststoffenwet is neergelegd.

4.7.

SWR heeft daarnaast nog gesteld dat zij juridisch eigenaar is van de fosfaatrechten die aan [gedaagde sub 1] c.s. zijn toegekend omdat die rechten zijn ontstaan doordat (de opfoklocatie van) [gedaagde sub 1] c.s., zowel voor als na de toekenning van de fosfaatrechten, een geïntegreerd onderdeel vormde van de “keten” teneinde wetenschappelijke onderzoek te kunnen uitvoeren, waarbij het bij [gedaagde sub 1] c.s. gestalde jongvee dient ter vervanging van de melkveestapel op [naam inovatiecentrum] en waarbij [naam inovatiecentrum] zodanig nauw betrokken is (geweest) bij de opfok van het jongvee dat (de opfoklocatie van) [gedaagde sub 1] c.s. als een vestiging of tweede locatie van [naam inovatiecentrum] is te beschouwen.

4.8.

De voorzieningenrechter passeert ook deze stellingname van SWR nu deze door [gedaagde sub 1] c.s. gemotiveerd is betwist en niet nader door SRW is onderbouwd. Voor het overige wijst de voorzieningenrechter op hetgeen hieronder in 4.11. en verder is overwogen.

4.9.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de primaire noch subsidiaire vordering kan worden toegewezen op grond van de stelling dat SWR rechthebbende is van de fosfaatrechten.

Aanspraak op de fosfaatrechten ex artikel 6:248 lid 1 BW; belangenafweging

4.10.

SWR heeft subsidiair gesteld dat [gedaagde sub 1] c.s. op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, zoals is neergelegd in artikel 6:248 lid 1 BW, gehouden is om mee te werken aan overschrijving van (nagenoeg) alle aan hem toegekende fosfaatrechten. Deze verplichting vloeit volgens haar voort uit de bijzondere aard van de Overeenkomst en de opzegging daarvan door [gedaagde sub 1] c.s. Daartoe heeft SWR aangevoerd dat, hoewel het jongvee zelf niet wordt gebruikt voor het wetenschappelijk onderzoek, dit jongvee daarvoor wel essentieel is. Het jongvee dient namelijk uiteindelijk (wanneer het de leeftijd van circa twee jaar heeft bereikt) ter vervanging van de melkveestapel op [naam inovatiecentrum] dat bestemd is voor wetenschappelijk onderzoek. Het onderzoek stelt hoge eisen aan de gezondheidsstatus van het jongvee en ter waarborging daarvan dient het jongvee op één locatie te worden opgefokt. Omdat SWR daar zelf geen faciliteiten voor heeft, heeft zij de opfok van jongvee sinds 2006 uitbesteed aan [gedaagde sub 1] c.s. Als gevolg van de beëindiging van de Overeenkomst door [gedaagde sub 1] c.s., moet het jongvee vanaf 1 augustus 2018 elders worden opgefokt. Indien SWR voor die tijd niet over fosfaatrechten voor ten minste 300 stuks jongvee kan beschikken, moet zij het jongvee afstoten en wordt de continuïteit van haar wetenschappelijk onderzoek, waarmee een groot maatschappelijk belang is gediend, bedreigd. Weliswaar heeft SWR inmiddels een andere geschikte opfoklocatie voor 300 stuks jongvee gevonden, maar haar begroting biedt geen financiële ruimte om het daarvoor benodigde aantal fosfaatrechten van derden te kopen. Daarnaast is het praktisch niet mogelijk om grote hoeveelheden fosfaatrechten te kopen omdat er enkel kleine hoeveelheden fosfaatrechten te koop worden aangeboden. Daartegenover staat slechts het geldelijke belang van [gedaagde sub 1] c.s. bij de verkoop van zijn fosfaatrechten, nu hij zijn onderneming zal staken.

4.11.

De voorzieningenrechter volgt SWR niet in haar stellingen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter niet in waarom de onderhavige opfokrelatie anders is dan andere opfokovereenkomsten en met zich zou moeten brengen, op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, dat [gedaagde sub 1] c.s., nadat hij de Overeenkomst geldig heeft beëindigd, moet meewerken aan overschrijving - om niet - van (nagenoeg) alle aan hem toegekende fosfaatrechten aan SWR. De enkele stelling van SWR dat het jongvee op één locatie moet worden opgefokt en dient ter vervanging van de melkveestapel op [naam inovatiecentrum] , is daarvoor onvoldoende. In het midden kan blijven of het vorenstaande anders wordt indien sprake zou zijn van een nauwe betrokkenheid van SWR bij de opfok. [gedaagde sub 1] c.s. heeft die betrokkenheid gemotiveerd betwist en SWR heeft die stelling verder niet nader onderbouwd. Bovendien zou toewijzing van de gevorderde overschrijving (om niet) meebrengen dat [gedaagde sub 1] c.s. in feite brodeloos wordt gemaakt. Hij exploiteert sinds 2006 zijn opfokbedrijf en heeft daarin jarenlang geïnvesteerd. Op basis van de Overeenkomst mocht [gedaagde sub 1] c.s. geen jongvee voor anderen dan SWR houden. Dat mag hij wel per 1 augustus 2018 nu hij de Overeenkomst met SWR per die datum (geldig) heeft beëindigd. Dan moet hij, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, ook in staat worden gesteld om zijn opfokbedrijf voort te zetten. SWR heeft weliswaar gesteld dat [gedaagde sub 1] c.s. zijn bedrijf zal staken vanaf 1 augustus 2018 en van plan is zijn fosfaatrechten te verkopen, maar [gedaagde sub 1] c.s. heeft dit gemotiveerd betwist. Hij heeft ter zitting desgevraagd gesteld dat hij in onderhandeling is met een tweetal derden om vanaf augustus 2018 ongeveer 300 stuks jongvee voor die derden te gaan houden. Daartoe is hij alleen in staat als hij de beschikking blijft houden over de aan hem toegekende fosfaatrechten. De voorzieningenrechter heeft geen reden aan de juistheid hiervan te twijfelen. Overigens is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat zelfs al zou [gedaagde sub 1] c.s. zijn bedrijf verkopen, dat nog niet maakt dat hij geen rechtens te respecteren belang meer heeft bij de aan hem toegekende fosfaatrechten. Zonder deze rechten is verkoop van zijn grond of bedrijf immers substantieel minder waard. Hetzelfde geldt voor een eventuele verkoop door [gedaagde sub 1] c.s. van de fosfaatrechten. Deze vertegenwoordigen een waarde en daar gaat het beide partijen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in deze zaak uiteindelijk om.

4.12.

Dat SWR een wetenschappelijke en/of maatschappelijk belang dient met haar onderzoek van melkvee kan zo zijn, maar de voorzieningenrechter ziet niet in waarom dat belang zwaarder zou moeten wegen dan het (financiële) belang van [gedaagde sub 1] c.s. bij voortzetting van zijn opfokbedrijf met behoud van de hem toegekende fosfaatrechten of verkoop daarvan. SWR heeft niet aannemelijk gemaakt dat de continuïteit van het wetenschappelijk onderzoek wordt geschaad indien [gedaagde sub 1] c.s. niet meewerkt aan overschrijving - om niet - van zijn fosfaatrechten. Niet valt uit te sluiten dat SWR op de zeer korte termijn over een overschot aan fosfaatrechten zal beschikken dat zij zou kunnen aanwenden voor het (zelf of door derden) houden van jongvee dat nog bij [gedaagde sub 1] c.s. staat. SWR heeft ter zitting namelijk aangegeven dat zij een gunstige uitspraak verwacht in de bezwaarprocedure die zij aanhangig heeft gemaakt tegen de beschikking van 13 januari 2018 waarbij aan haar fosfaatrechten zijn toegekend (zie sub 2.9.). De uitspraak wordt zeer spoedig (mogelijk nog in de maand juli 2018) verwacht. In dat geval zou SWR, naar eigen zeggen, waarschijnlijk over een overschot van circa 1200 kg fosfaat beschikken, wat (volgens SWR) gelijk staat aan circa 100 stuks jongvee. Weliswaar stelt SWR dat dit niet genoeg is omdat het beschikbaar hebben van fosfaatrechten voor minimaal zo’n 300 stuks jongvee onontbeerlijk is om het onderzoek voort te zetten, maar de noodzaak van dat aantal van 300 heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Als het al juist is dat in de afgelopen 12 jaar gemiddeld 300 stuks jongvee door [gedaagde sub 1] c.s. is gehouden, is dit een onvoldoende onderbouwing daarvoor. Daar komt bij dat de Overeenkomst uit gaat van minimaal 100 en maximaal 250 stuks op te fokken jongvee en dat [gedaagde sub 1] c.s. in het afgelopen anderhalf jaar gemiddeld slechts 260 stuks jongvee voor SWR heeft gehouden. Bovendien houdt [gedaagde sub 1] c.s. op dit moment slechts 189 stuks jongvee voor SWR. Verder dient, eveneens naar eigen zeggen van SWR ter zitting, elk jaar niet 300 maar slechts circa 150 stuks melkvee op [naam inovatiecentrum] te worden vervangen. Samengevat: dat fosfaatrechten voor 300 stuks jongvee noodzakelijk is voor de continuïteit van haar onderzoek, heeft SWR niet aannemelijk gemaakt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt verder niet in te zien dat SWR niet in staat zal zijn om uit eigen financiële middelen de benodigde fosfaatrechten aan te schaffen, zoals bijvoorbeeld uit inkomsten gegenereerd met de melkproductie, of uit door derden beschikbaar te stellen middelen, zoals subsidiebijdragen van (direct) belanghebbenden bij het wetenschappelijk onderzoek. Het gestelde praktische bezwaar om de benodigde fosfaatrechten ineens te kopen, omdat slechts kleine hoeveelheden te koop worden aangeboden, hetgeen overigens door [gedaagde sub 1] c.s. gemotiveerd is betwist, is gelet op het voorgaande ook niet langer van relevante betekenis.

4.13.

Gelet op het voorgaande is de conclusie dat SWR zich tevergeefs beroept op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Evenmin valt de belangenafweging uit in het voordeel van SWR in die zin dat [gedaagde sub 1] c.s. zou moeten meewerken aan de overschrijving van zijn fosfaatrechten om niet.

4.14.

De slotsom is dat [gedaagde sub 1] c.s. niet gehouden kan worden om de aan hem toegekende fosfaatrechten aan SWR ter beschikking te stellen. De vorderingen van SWR tot overschrijving van (een deel van de) fosfaatrechten zullen dan ook worden afgewezen.

4.15.

SWR zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 626,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.606,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt SWR in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. tot op heden begroot op € 1.606,00;

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat de kostenveroordeling onder 5.2. betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2018.