Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3627

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
6620871 AC EXPL 18-270
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst geannuleerd of niet? Minimumvergoeding buitengerechtelijke incassokosten €40 bij handelsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/230 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 6620871 AC EXPL 18-270 nig/1449

Vonnis van 1 augustus 2018

inzake

de vennootschap onder firma

[eiseres] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: Van Arkel Gerechtsdeurwaarders & Incasso,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

vertegenwoordigd door haar directeur [A] in [woonplaats] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- het verweer van [gedaagde] ;

- de akte waarin [eiseres] verzoekt om doorhaling;

- de conclusie van repliek, met een rectificatie van het verzoek om doorhaling;

- de conclusie van dupliek van [gedaagde] ;

- de akte uitlaten producties van [eiseres] , met nieuwe producties;

- de akte waarin [gedaagde] zich over die nieuwe producties mocht uitlaten.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

[eiseres] vordert van [gedaagde] betaling van € 169,85 met rente en kosten. De hoofdsom bestaat uit twee facturen van € 54 en € 70, € 5,85 aan rente tot en met 17 januari 2018 en € 40 aan buitengerechtelijke incassokosten. De facturen gaan over standplaatsen op markten van 1 oktober 2016 en 10 december 2016, die [gedaagde] op 29 februari 2016 bij [eiseres] gereserveerd heeft.

2.2.

Het verweer van [gedaagde] is dat de heer [A] op 23 mei 2016 de reserveringen geannuleerd heeft. Hij heeft die brief overgelegd. De vraag is nu of [eiseres] hem ook ontvangen heeft. Op grond van de wet geldt zo’n annulering pas als gedaan, wanneer hij de ontvanger bereikt heeft: artikel 3:37 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [gedaagde] wijst op de fouten die in deze procedure gemaakt zijn, en die zijn er inderdaad: de doorhaling, die gebaseerd was op een vergissing; het overleggen van sommaties uit een ander dossier. Het is natuurlijk mogelijk dat [eiseres] de annulering is kwijtgeraakt, maar dat staat daarmee nog niet vast. Er kan ook bij de post iets misgegaan zijn, of zelfs bij het verzenden. Hoe dan ook, het is [gedaagde] die zich op de annulering beroept en die dus moest bewijzen dat [eiseres] die annuleringsbrief ontvangen heeft. En dat bewijs ligt er niet. Daarom zullen de facturen toch betaald moeten worden.

2.3.

Op de facturen, die verstuurd zijn op 2 maart 2016, staat dat er betaald moest worden ‘uiterlijk op de 20e dag voor het evenement’, en zo staat het ook in de algemene voorwaarden. De rente moet dus ook berekend worden vanaf die data, en niet vanaf 2 april 2016 zoals in de dagvaarding is aangenomen. De rente zal op die manier worden toegewezen.

2.4.

[eiseres] vordert een vergoeding van € 40 voor buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag is zonder meer toewijsbaar. Het gaat om een handelsovereenkomst die gesloten is na 16 maart 2013. Daarvoor schrijft de wet (artikel 6:96 lid 4 BW) een minimumvergoeding van € 40 voor, zonder dat aan verdere voorwaarden voldaan hoeft te worden. Omdat [eiseres] niet meer dan dat vordert, hoeft dat ook niet verder besproken te worden.

2.5.

[gedaagde] wordt dus in het ongelijk gesteld, en zal daarom ook in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 87,43

- griffierecht € 119,00

- salaris gemachtigde € 60,00 (2 punten x tarief € 30,00)

Totaal € 266,43

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] € 124,00 te betalen aan hoofdsom en € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, met de wettelijke handelsrente over € 54,00 vanaf 11 september 2016 en over € 70,00 vanaf 21 november 2016 tot de voldoening;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 266,43, waarin begrepen € 60,00 aan salaris gemachtigde;

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2018.