Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3619

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
C/16/449705 / HA ZA 17-771
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art 17 Invorderingswet. Verzet tegen dwangbevelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/449705 / HA ZA 17-771

Vonnis van 1 augustus 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.R.R. Oevering te Amsterdam,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST KANTOOR ALMERE,

gevestigd te Almere,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.M. Koek te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Ontvanger genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 januari 2018

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 juni 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Ontvanger heeft een aantal dwangbevelen aan [eiseres] betekend, waarvoor zij vervolgens ook executoriaal beslag heeft gelegd op roerende zaken (kantoorinventaris) van [eiseres] . De dwangbevelen die nog onderwerp van geschil zijn in deze procedure (inmiddels zijn een aantal aanslagen alsnog betaald) zien op de invordering van vijf aanslagen inzake omzetbelasting, te weten:

aanslagnr. eindigend op:

vervaldag

hoofdsom

bedrag (incl kosten)

datum dwangbevel:

datum beslag:

1

[…]

9-4-20105

€ 52.441,00

€ 55.987,00

13-5-2015

29-07-2015

2

[…]

10-11-2016

€ 2.022,00

€ 2.205,00

19-12-2016

22-3-2017

3

[…]

10-12-2016

€ 2.537,00

€ 2.757,00

13-1-2017

22-3-2017

4

[…]

7-1-2017

€ 3.155,00

€ 3.418,00

17-2-2017

22-3-2017

5

[…]

9-2-2017

€ 3.670,00

€ 3.966,00

17-3-2017

22-3-2017

2.2.

Aanslag 1 is opgesteld naar aanleiding van een door de Inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur) uitgevoerd boekenonderzoek en ziet op de periode 2006-2011. De aanslagen 2 tot en met 5 zijn ambtshalve opgelegde aanslagen die bij gebreke van aangiften zijn opgelegd door de Inspecteur.

2.3.

De bezwaar- en beroepstermijn voor deze aanslagen is ongebruikt verstreken. Tot tweemaal toe is een geplande openbare verkoop van de beslagen roerende zaken van [eiseres] door de Ontvanger geannuleerd, omdat [eiseres] alsnog een aantal betalingen verrichtte.

2.4.

Enkele dagen voor de zitting, op 13 juni 2018, heeft [naam boekhouderskantoor] (de boekhouder van [eiseres] ) namens [eiseres] aan de afdeling Omzetbelasting van de Belastingdienst Kantoor Almere onder meer het volgende geschreven:

“(…)

Per November 2015 is cliënte [bedoeld is: [eiseres] – toevoeging rechtbank] vrijgesteld voor het doen van aangiftes voor de BTW/is er geen aangifteplicht meer. Per Augustus 2016 is er plots weer een aangifteplicht zoals ik nu kan zien in hun persoonlijk domein. Per December 2016 is deze weer vervallen.

Naar aanleiding hiervan heb ik de volgende vragen:

  • -

    Op welke gronden is de aangifteplicht per Augustus 2016 weer opgelegd?

  • -

    Wie heeft hiertoe opdracht gegeven?

  • -

    Waarom is er sprake van 4 maanden aangifteplicht?

  • -

    Hoe is cliënt hiervan op de hoogte gesteld?

Tevens hebben wij van cliënte begrepen dat er in deze periode geen omzet is geweest en geen te verrekenen BTW. In het persoonlijk domein kunnen de aangiftes niet meer worden ingediend. Ik wil u dan ook verzoeken de aangiftes over de maanden Augustus t/m November 2016 als Nihil-aangiftes te verwerken waardoor de vordering van u op cliënte kan komen te vervallen.

Daarnaast heeft [eiseres] in deze brief uitstel van betaling verzocht voor aanslag 2 tot en met 5 (zie 2.1).

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - dat de rechtbank de hiervoor onder 2.1 omschreven dwangbevelen buiten effect zal stellen, met veroordeling van de Ontvanger in de kosten van het geding.

3.2.

De Ontvanger voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Met haar vordering streeft [eiseres] ernaar dat uitwinning door de de Ontvanger van de gelegde executoriale beslagen wordt geblokkeerd.

4.2.

Op grond van artikel 17 Invorderingswet kan de belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank. Dit verzet kan niet gegrond zijn op de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of te hoog is vastgesteld (lid 3). Omstandigheden die wel tot een geslaagd verzet kunnen leiden zijn bijvoorbeeld dat er uitstel van betaling van de belastingschuld was verleend of had moeten worden verleend, dat de belastingschuld (inmiddels) is betaald, verrekend of kwijtgescholden, dat de invordering inmiddels is verjaard of dat marginale toetsing van de belastingaanslag niet zou mogen leiden tot invordering door de Ontvanger.

4.3.

[eiseres] legt aan haar verzet ten grondslag dat er termen aanwezig zijn voor een betalingsregeling of uitstel, maar dat de Ontvanger daarin ten onrechte niet meegaat. Ook heeft [eiseres] zich er ter zitting op beroepen dat inmiddels bezwaar is gemaakt tegen alle betrokken aanslagen. Tegen de aanslagen 2 tot en met 5 (zie 2.1) door middel van de brief van 13 juni 2018 (productie 5, zie 2.4) en tegen aanslag 1 met een brief van 18 juni 2018. Deze laatste brief is niet als productie overgelegd, hij dateert van één dag voor de zitting. Deze bezwaren maken dat er op dit moment geen bedrag opeisbaar is omdat de bezwaren tot uitstel moeten leiden, aldus [eiseres] . Dat de bezwaren te laat zijn ingediend wordt volgens [eiseres] ondervangen door een gegronde reden, omdat mevrouw [A] , die de administratie doet, een burn-out heeft.

4.4.

De Ontvanger weerspreekt dat het verzet van [eiseres] gegrond is. De Ontvanger is niet bekend met een verzoek van [eiseres] tot het treffen van een betalingsregeling of verzoek van uitstel, en daarmee is er ook geen sprake van een onterechte weigering daarvan. Bovendien geldt ten aanzien van ondernemers een restrictief uitstelbeleid en een eventuele betalingsregeling moet kortlopend zijn en er gelden specifieke voorwaarden waaraan in dit geval niet is voldaan.

Een belangenafweging staat niet in de weg aan dwanginvordering door de Ontvanger, gelet op het algemeen belang dat de Ontvanger hiermee vertegenwoordigt. Dat invordering mogelijk tot gevolg heeft dat [eiseres] haar onderneming niet zal kunnen voortzetten is volgens de Ontvanger onvoldoende om dit algemene belang te doen wijken.

Materiele onverschuldigdheid (waar [eiseres] zich op beroept) ligt in deze procedure niet ter toetsing voor, dat is aan de belastingrechter. In dit geval zijn de aanslagen onherroepelijk geworden omdat de termijnen voor bezwaar en beroep ongebruikt zijn verstreken. De Ontvanger stelt zich op het standpunt dat in redelijkheid mocht worden besloten in te gaan vorderen.

4.5.

[eiseres] heeft de feiten en omstandigheden geschetst die hebben geleid tot de invordering die onderwerp is van dit geschil. In de kern is haar standpunt dat onduidelijkheid bestaat over de rechtmatigheid van de aanslagen die aan de invordering ten grondslag liggen. Dat [eiseres] niet uitsluit dat de aanslagen onjuist zijn maakt echter niet dat zij gegronde redenen heeft om in verzet te komen tegen de dwangbevelen.

Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat de Ontvanger sinds 2015 steeds heeft aangedrongen op het alsnog doen van (correcte) aangiften. [eiseres] heeft ook aangegeven dat zij dat zou doen (laatstelijk nog bij dagvaarding), maar het is daarvan tot op heden niet gekomen. In die correspondentie heeft [eiseres] niet kenbaar gemaakt dat zij bezwaar maakte tegen de aanslagen en/of dat en waarom de aanslagen niet kloppen. Kort voor de zitting stelt [eiseres] alsnog bezwaar te hebben gemaakt.

4.6.

Of er met de brief van 18 juni 2018 bezwaar is gemaakt tegen aanslag 1 kan de rechtbank niet beoordelen omdat deze brief geen deel uitmaakt van de stukken. De brief die als productie 5 is overgelegd en die volgens [eiseres] het bezwaar inhoudt tegen de aanslagen 2 tot en met 5 lijkt vooral blijk te geven van het feit dat de boekhouder van [eiseres] zich dingen afvraagt in verband met deze aanslagen en bevat het verzoek de aangiftes over de maanden augustus tot en met november 2016 alsnog op nul te stellen. Waaruit blijkt dat dit schrijven een bezwaar inhoudt, wat de gronden van het bezwaar zijn en tegen welk(e) besluit(en) het is gericht wordt uit de brief niet duidelijk. Of deze brieven nu kunnen worden aangemerkt als een bezwaar tegen de aanslagen 1 tot en met 5 of niet, dit laat onverlet dat de bezwaar- en beroepstermijnen voor deze aanslagen al lang vóór inzending van deze brieven waren verstreken. Daarmee zijn deze aanslagen onherroepelijk geworden en heeft een (alsnog ingediend) bezwaarschrift geen schorsende werking op de tenuitvoerlegging. Voor zover [eiseres] in dit verband een beroep heeft willen doen op verschoonbare termijnoverschrijding gaat de rechtbank hieraan voorbij, nu de enkele stelling dat mevrouw [A] een burn-out heeft daarvoor ontoereikend is, temeer nu blijkens de registratie in het Handelsregister niet zij maar de heer [B] directeur en enig aandeelhouder is van [eiseres] .

4.7.

De rechtbank volgt [eiseres] dan ook niet in haar betoog dat de materiële onjuistheid van de aanslagen en de gang van zaken daaromtrent moet leiden tot gegrondverklaring van haar verzet tegen de in verband met die aanslagen uitgevaardigde dwangbevelen. Daar zijn, kort gezegd, te weinig aanknopingspunten voor naar voren gebracht en het is daarvoor ook te laat. Niet kan worden uitgesloten dat een tijdig ingediend bezwaarschrift de onderhavige invordering had kunnen voorkomen, maar dat betekent niet dat het verzet op die grond kan slagen. Lid 3 van artikel 17 Invorderingswet bepaalt immers uitdrukkelijk dat een verzet niet kan zijn gegrond op de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

4.8.

Dat er een betalingsregeling zou zijn verzocht en uitstel van betaling, en dat de Ontvanger dit vervolgens ten onrechte geweigerd heeft [eiseres] wel gesteld, maar zij heeft dat standpunt niet toegelicht of onderbouwd, terwijl de Ontvanger dit gemotiveerd heeft betwist, onder verwijzing naar de daartoe relevante bepalingen in de Leidraad Invordering. [eiseres] is hier vervolgens niet op teruggekomen, zodat de rechtbank aan dit argument voorbijgaat.

4.9.

Dat betekent dat van gegronde redenen om de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen te blokkeren niet is gebleken. Een belangenafweging maakt dit oordeel niet anders, nu tegenover het individuele belang van [eiseres] om niet te hoeven betalen het algemene belang staat dat door de Ontvanger ten behoeve van de schatkist belastinggelden worden geïnd. Dit belang geeft in dezen de doorslag, zelfs als het zo is dat in een individueel geval met de executie slechts een geringe opbrengst kan worden gerealiseerd. De slotsom is dat de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.

4.10.

Met betrekking tot de door de Ontvanger verzochte uitvoerbaar bij voorraadverklaring van een afwijzend vonnis overweegt de rechtbank dat de aard van de verzetprocedure zich er niet tegen verzet dat een rechterlijke uitspraak, waarbij het verzet tegen een dwangbevel ongegrond wordt verklaard, op verzoek van de Ontvanger op de voet van art. 233 Rv. uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, mits de belastingschuldige zich daartegen heeft kunnen verdedigen. Voor toewijzing van dit verzoek is alleen plaats als de belastingschuldige die verzet heeft gedaan tegen tenuitvoerlegging van een dwangbevel zijn bevoegdheid misbruikt door de aan het verzet verbonden schorsing van de tenuitvoerlegging in te roepen. Daarvan is sprake als het verzet, gelet op hetgeen de belastingschuldige ter ondersteuning daarvan heeft aangevoerd, zo duidelijk kansloos is dat het belang van de belastingschuldige bij schorsing van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de Ontvanger bij voortzetting van de tenuitvoerlegging (HR 8-6-2007, ECLI:NL:HR:BA1525).

4.11.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een duidelijk kansloos verzet, omdat de bezwaren van [eiseres] er in wezen op neer komen dat de belastingaanslagen ten onrechte zijn vastgesteld. Zoals overwogen bepaalt lid 3 van artikel 17 Invorderingswet dat een verzet niet kan zijn gegrond op die stelling. Dat zich hier de uitzonderlijke omstandigheden voordoen dat de burgerlijke rechter de materiële verschuldigdheid van de aanslag desondanks kan toetsen heeft [eiseres] wel gesteld, maar zij heeft die stelling niet onderbouwd, terwijl de Ontvanger dit standpunt gemotiveerd en onderbouwd heeft weerlegd, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. Dit vonnis zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zodat een eventueel in te stellen rechtsmiddel niet tot gevolg heeft dat de schorsende werking van de verzetprocedure herleeft.

4.12.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op:

- griffierecht 618,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.704,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op € 1.704,00,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2018.1

1 type: FB/4723 coll: RS/4234