Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3559

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
16/660220-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 53-jarige vrouw uit Almere is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot 8 jaar gevangenisstraf voor poging moord op haar partner door brand te stichten in hun slaapkamer in Almere. Ook heeft ze zich schuldig gemaakt aan brandstichting in de woning en een poging tot zware mishandeling.

In de nacht van 2 op 3 december vorig jaar heeft de vrouw een jerrycan met benzine leeggegoten in de slaapkamer waar haar partner lag te slapen. Daarna heeft ze de slaapkamerdeur dichtgetrokken en de benzine aangestoken. Eerder had de vrouw de deurklink aan de binnenkant van de slaapkamer al verwijderd, de ramen en balkondeuren afgesloten en de batterijen uit de rookmelders gehaald. De vrouw was erachter gekomen dat haar partner een affaire had met een andere vrouw en hun relatie dreigde stuk te lopen. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van voorbedachte raad en dus van een poging tot moord.

In de slaapkamer lag nog een sleutel van de balkondeur, op die manier kon de man aan de brand ontsnappen. Op een later moment heeft ze het shirt van haar partner overgoten met benzine en dit aangestoken. De man heeft tweedegraadsbrandwonden opgelopen en zal nog lang geconfronteerd worden met de gevolgen. Tot twee keer toe heeft hij moeten ervaren dat de vrouw met wie hij jaren samen was hem iets wilde aandoen.

Uit onderzoekt blijkt dat de vrouw lijdt aan een ziekelijke stoornis in de vorm van PTSS en dat zij suïcidale gedachten had. Hierdoor is zij verminderd toerekeningsvatbaar. De vrouw heeft spijt betuigd en wil zich laten behandelen. Alleen een lange gevangenisstraf doet recht aan de aard en de ernst van de feiten. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die doorgaans worden opgelegd voor moord. Omdat het in deze zaak bleef bij een poging en de vrouw verminderd toerekeningsvatbaar is vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 8 jaar passend. Daarin zijn ook de andere twee feiten meegenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0626
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/660220-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 25 juli 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ,
verblijvende te P.I.V. HvB Nieuwersluis

hierna te noemen: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 maart 2018, 2 mei 2018, 4 juli 2018 en 11 juli 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C.J. Booij en van hetgeen verdachte en haar raadsvrouwen mr. N.C.E.C. Luns en mr. J. Roosma, advocaten te Almere, alsmede van hetgeen mr. M. Bosma, advocaat te Almere namens de benadeelde partij [aangever] naar voren hebben gebracht.

1.1

TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1

primair op 3 december 2017 te Almere heeft geprobeerd [aangever] te vermoorden;

subsidiair op 3 december 2017 te Almere heeft geprobeerd [aangever] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 2

primair op 3 december 2017 te Almere heeft geprobeerd [aangever] van het leven te

beroven;

subsidiair op 3 december 2017 te Almere [aangever] heeft mishandeld, ten gevolge

waarvan [aangever] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen;

meer subsidiair op 3 december 2017 te Almere heeft geprobeerd [aangever] zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 3 op 3 december 2017 te Almere opzettelijk brand heeft gesticht, waardoor

brand is ontstaan, terwijl daardoor (levens)gevaar voor personen en/of

gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

2 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 WAARDERING VAN HET BEWIJS

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, onder 2 meer subsidiair en onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen zoals die zich in het dossier bevinden. De officier van justitie heeft zijn standpunt verwoord in een ter terechtzitting overgelegd schriftelijk requisitoir.

In aanvulling en in het bijzonder heeft de officier van justitie het volgende naar voren gebracht. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verklaring van aangever betrouwbaar is, omdat deze wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. De (alternatieve) verklaring van verdachte wordt daarentegen weerlegd door de bewijsmiddelen in het dossier.

Ten aanzien van de onder 1 primair ten laste gelegde voorbedachte raad heeft de officier van justitie benadrukt dat aangever op 8 november 2017 de relatie heeft beëindigd en dat verdachte vanaf dat moment zoekvragen heeft ingevoerd op haar laptop, waaronder: ‘erven na moord’ en ‘brand stichten zonder sporen achter te laten’. Op 1 december 2017 vult verdachte vervolgens jerrycans met benzine bij het benzinestation en maakt zij de rookmelders in de woning onklaar. Ten slotte voert verdachte op 2 december 2017 op haar telefoon de zoekterm in ‘wanneer is je diepste slaap’. In de nacht van 2 op 3 december 2017 heeft verdachte langdurig en uitgebreid WhatsApp-contact met haar vriendin [A] , waarin zij schrijft dat aangever ‘door en door slecht is’. Vervolgens gaat verdachte met de jerrycans naar de slaapkamer waar aangever ligt te slapen en trekt een benzinespoor van de slaapkamer naar de overloop, steekt de benzine aan en trekt de deur dicht. Op dat moment weet verdachte dat de balkondeur en de ramen zijn afgesloten en dat de deurklink van de slaapkamerdeur ontbreekt. Gelet op voorgaande is de officier van justitie van oordeel dat verdachte vanaf 8 november 2017 doorlopend bezig is geweest met het beramen en plannen van een aanslag op het leven van aangever, welk plan uiteindelijk in de nacht van 2 op 3 december 2017 is uitgevoerd.

Ten aanzien van feit 2 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte aangever niet ‘massaal heeft overgoten’ met benzine en dat verdachte daarom dient te worden vrijgesproken van de onder twee primair ten laste gelegde poging doodslag. Aangever heeft ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde feit enkele brandwonden opgelopen. Dit letsel laat zich echter niet kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel, derhalve dient verdachte eveneens van onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integraal vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft haar standpunt verwoord in een ter terechtzitting overgelegde pleitnota.

Verweren ten aanzien van feit 1 primair

Ten aanzien van feit 1 primair heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen opzet op de dood van aangever heeft gehad en dat er geen sprake was van voorbedachte raad.

De verdediging verzoekt de rechtbank aansluiting te zoeken bij de verklaring van verdachte dat zij ‘slechts’ het echtelijk bed in de brand wilde steken en dat aangever zich op dat moment niet in de slaapkamer bevond. Hetgeen zich in het dossier bevindt om tot een bewezenverklaring voor opzet op de dood alsmede de voorbedachte raad te komen is volgens de verdediging niet meer dan een optelsom van omstandigheden, waarvoor verdachte een logische verklaring heeft gegeven: de batterijen waren uit de rookmelders, omdat deze vervangen moesten worden; de deurklink zat al jaren niet meer in de deur; de jerrycans zijn met benzine gevuld, omdat dit mogelijk nodig was voor de grasmaaier en de zoektermen op de telefoon en laptop hadden betrekking op suïcidale gedachten van verdachte. Daarnaast bevat het dossier een aantal contra-indicaties waaruit valt op te maken dat verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van aangever, waaronder de verklaring van aangever dat hij wakker werd omdat verdachte tegen hem schreeuwde en het feit dat de sleutels van de balkondeur en de ramen aanwezig waren in de slaapkamer.

Ten aanzien van de voorbedachte raad voert de verdediging tevens aan dat verdachte pas op de hoogte raakte van de affaire van aangever in de nacht van 2 op 3 december 2018 en verdachte derhalve heeft gehandeld in een opwelling, zodat er geen sprake is geweest van enig beraad.

Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat er sprake is geweest van een absoluut ondeugdelijke poging. Aangever heeft verklaard dat verdachte tegen hem schreeuwde zodat hij daarvan wakker werd, de balkonsleutel lag op het kastje waar deze altijd lag en een van de brandweerlieden heeft verklaard dat wanneer iemand ten tijde van de brand op de slaapkamer was geweest deze persoon het wel had overleefd.

Verweer ten aanzien van feit 1 subsidiair en meer subsidiair

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en meer subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dan wel enig letsel. Haar opzet was alleen gericht op het in brand steken van het echtelijk bed.

Verweer ten aanzien van feit 2 primair

Ten aanzien van feit 2 primair heeft de verdediging aangevoerd dat de bevindingen in het dossier niet stroken met de verklaring van aangever. Het komt de verdediging bovendien vreemd voor dat verdachte (een vrouw met een lengte van 1.65 meter) met een jerrycan van vijf liter kan zwaaien in de richting van aangever terwijl zij in haar andere hand een brandende gasbrander vast heeft. Indien de rechtbank de verklaring van aangever wel aannemelijk acht stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte met haar handelen geen opzet heeft gehad op de dood van aangever en verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juni 2018.

Feit 2 subsidiair

Ten aanzien van feit 2 subsidiair heeft de verdediging, evenals de officier van justitie, aangevoerd dat tweedegraadsbrandwonden op een klein deel van het lichaam zich niet laten kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2 primair en subsidiair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het aan verdachte onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 1

Op 3 december 2017 heeft [aangever] in een aangifte -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard:

Ik ben woonachtig aan de [adres] te [woonplaats] . Sinds juni 2008 heb ik een relatie met [verdachte] . Op 2 december 2017 om 23.00 uur kwam ik thuis. [verdachte] lag al op bed en ik ben ook naar bed gegaan. Omstreeks 01.00 uur werd ik wakker door [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] uit bed ging. Ik ben achter haar aangelopen en we hebben samen een sigaretje gerookt in de keuken.2 Op 10 december 2018 heeft aangever nader verklaard dat hij en verdachte toen samen in de keuken een biertje, wijntje en sigaretje ‘hebben gedaan’.3

Ik vroeg daarna of [verdachte] mee naar bed ging. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat zij een tabletje had ingenomen en dat zij die nog even wilde laten inwerken. Ze zei tegen mij dat ik maar naar bed moest gaan omdat ik vandaag weer vroeg op moest. Ik ben naar boven gegaan en in slaap gevallen. Omstreeks 03.00 uur werd ik wakker van een schreeuwende en herrie makende [verdachte] . Zij schreeuwde dat ik haar belazerd zou hebben met een andere vrouw. Ik zag dat ze in de deuropening van onze slaapkamer stond. Ik zag dat zij in haar handen een groene jerrycan had. Ik zag dat [verdachte] deze jerrycan aan het leeggieten was in onze slaapkamer. Ik zag dat zij vervolgens de slaapkamerdeur achter zich dichttrok. Ik ben uit bed gestapt en heb het licht van de slaapkamer aangedaan. Ik rook de geur van benzine. Ik wilde achter [verdachte] aan, maar zag dat zij de deurklink van de deur had afgehaald. Ik zag op dat moment dat er vuur onder de slaapkamerdeur vandaan kwam. Ik heb dit proberen te blussen met mijn badjas. Ik ben gaan zoeken naar een uitweg. Ik kon geen kant op, omdat de deurklink ontbrak. Ik wilde via het kantelraam naar beneden springen, maar ik zag dat de sleutels weg waren en dus kon ik het raam niet openen. Ik wilde toen via de balkondeur naar buiten springen, maar zag dat deze sleutel ook weg was. De sleutel van de balkondeur zit er normaal gesproken altijd in. Ik ben toen gaan zoeken naar sleutels. Uiteindelijk vond ik de sleutel van de balkondeur. Ik heb deze open gedaan en ben via het balkon naar beneden gesprongen.

Toen ik onze woning in kwam zag ik [verdachte] niet. Ik rook een brandlucht en heb de brandweer gebeld. Toen ik in de hal van onze woning kwam zag ik [verdachte] . Zij zag er furieus uit. Ik zag dat zij in haar ene hand de groene jerrycan vast had en in haar andere hand een gasbrander welke aan stond. Het betrof een gasbrander met een lange steel. Ik zag vervolgens dat zij een slinger maakte met de jerrycan in mijn richting en ik zag en voelde dat zij benzine over mij heen gooide. Ik voelde dat de benzine op mijn trui terecht kwam ter hoogte van mijn buik. Ik zag dat zij vervolgens de gasbrander bij mij hield en mij in brand stak. Ik zag dat mijn trui vlam vatte en heb deze zo snel mogelijk uitgedaan. Ik voelde de hitte van het vuur op mijn buik branden. Ik heb [verdachte] toen naar buiten geduwd en ben naar de buren gerend. Ik zag dat [verdachte] wegreed in haar auto. Ik ben toen terug naar huis gerend en wilde met een tuinslag de brand blussen. Ik ben uiteindelijk met de politie naar de eerste hulp gegaan. Hier bleek dat ik enkele tweedegraads brandwonden op mijn buik had. Ik zie op een bankafschrift dat [verdachte] vermoedelijk vrijdag de jerrycan heeft gevuld met benzine, omdat ik zie dat zij vrijdag heeft getankt voor een hoger bedrag dan normaal.4

In een letselbeschrijving van de Forensische Geneeskundige van de GGD Flevoland staat

-zakelijk weergegeven- beschreven dat bij betrokkene [aangever] tweedegraads brandwonden op de rechterhand en buik zijn vastgesteld. Het geconstateerde letsel kan goed passen bij de door aangever aangegeven toedracht.5

Op 3 december 2017 is door de forensische opsporing een brandonderzoek ingesteld en is

-zakelijk weergegeven- het volgende geverbaliseerd:

In de woonkamer, voor de wenteltrap rechts, zagen wij een shirt liggen dat geheel nat was. Vlakbij de eettafel zagen wij verkleuringen die erop zouden kunnen duidden dat daar wat heeft gelegen dat gebrand heeft. Wij zagen dat het shirt aan één mouw en aan de voor- en achterkant brandschade had. Het shirt is veiliggesteld (SIN AALG5754NL). Op een eetkamerstoel zagen wij een rookmelder liggen. Wij zagen dat de rookmelder niet werkte omdat de batterijen niet aanwezig waren in de melder. Wij zagen dat de brandmelder tegen het plafond bij de trap ontbrak. In de doorgang naar de keuken zagen wij tussen de diervoederbakken een groene jerrycan liggen. Deze jerrycan is veiliggesteld (SIN AALG7148NL). Wij zagen dat er nog ongeveer 1 liter in de 5 liter jerrycan aanwezig was. Een monster van de vloeistof is veiliggesteld (SIN AALG7147NL). Wij roken een sterke benzinelucht en zagen gele vlekken op de tegels. Wij roken dat de inhoud van de jerrycan sterk naar benzine rook. Op de zitbar in de keuken zagen wij een leeg flesje bier en een wijnglas met een beetje wijn erin staan. Op de eerste verdieping, op de overloop had brand gewoed. Het brandbeeld was hoog bij de deur van de ouderlijke slaapkamer. Wij zagen, bij de slaapkamerdeur van de ouderlijke slaapkamer op de overloop, een diepe inbranding van de laminaatvloer voor/onder de deur. De brandhaard was op die plaats geweest, gelet op de hitte indicatoren, het beeld van de beroeting en een V-patroon op de deuren en de muur. De hevigheid waarmee de brand zich ten opzichte van de brandbaarheid en de ontbrandingstemperatuur van de laminaatvloer en de deur heeft kunnen ontwikkelen duidde op een vermoedelijke vloeistofbrand.

De deur was ook aan de zijde van de slaapkamer aangetast door brand en op de vloer in de slaapkamer zagen wij voor vloeistofbrand kenmerkende patronen. Kennelijk was de benzine ook in de slaapkamer terecht gekomen. Aangever heeft verklaard dat hij een ochtendjas over de vlammen bij de deur had gegooid. Wij zagen deels verbande resten van een ochtendjas rechts tegen de muur liggen.

Rechts van het ouderlijk bed bevond zich een kantelraam. Op dit dakraam bevonden zich twee zogenaamde bijzetsloten. Wij zagen dat deze op slot zaten en dat de sleutel of sleutels niet in de sloten aanwezig waren. De deur naar het balkon was niet afgesloten en stond open. De toegangsdeur van de slaapkamer was niet afsluitbaar. Aan de zijde van de slaapkamer was geen deurkruk aanwezig. Gelet op de relatief geringe hitteontwikkeling aan de zijde van de slaapkamer is het zeer onwaarschijnlijk dat de deurkruk er af gevallen is door de hitte. Dit in tegenstelling tot de overloopzijde waar de deurkruk los gesmolten is van de vierkante slotpen. Een deurkruk lag aan de zijde van de overloop op de vloer. Aan de zijde van de slaapkamer werd geen deurkruk aangetroffen. Wij zagen dat de pen waar de deurkruk normaal overheen geschoven is beroet was. Hieruit werd door ons geconcludeerd dat er op het moment van het ontstaan van de brand en tijdens de brand geen deurkruk aanwezig was aan de zijde van de slaapkamer. De deur was kennelijk met geweld geopend van de overloopzijde waardoor het hout is gespleten ter hoogte van het slot. Aangenomen is dat dit door de brandweer werd gedaan bij de bluswerkzaamheden. Rechts achterin de woning bevond zich nog een slaapkamer. Op het bureau lag een rookmelder. Hier was een batterij uitgehaald die ernaast lag. Op zolder zagen wij een rookmelder liggen met één batterij erin en twee los ernaast.6

Op de eerste etage in de deuropening overloop/slaapkamer is een brandmonster veiliggesteld (SIN AALG7146NL).7

Het [brandrest]monster met SIN: AALG7146NL is door het NFI onderzocht. Het monster is verwarmd, vervolgens is een hoeveelheid damp uit het monster op de aanwezigheid van vluchtige stoffen. De conclusie is dat de vloeistof een ontbrandbare vloeistof is: het is motorbenzine.

Het vloeistofmonster met SIN: AALG7147NL ook is door het NFI onderzocht. In het monster zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.8

Er is een vergelijkend onderzoek uitgevoerd tussen de samenstelling van de motorbenzine in de brandrestmonster AALG7146NL en die in het vloeistofmonster AALG7147NL. De resultaten van het vergelijkend onderzoek zijn waarschijnlijker wanneer hypothese 1 ‘de motorbenzine in het vloeistofmonster [147NL] en de motorbenzine in de brandrest [146NL] zijn afkomstig van dezelfde bron’ waar is, dan wanneer hypothese 2 ‘de motorbenzine in het vloeistofmonster [147NL] en de motorbenzine in de brandrest [146NL] zijn afkomstig van verschillende bronnen’, waar is. Met de term waarschijnlijker wordt bedoeld dat de kans op het waarnemen van de onderzoeksresultaten tien tot honderd keer groter wordt geacht wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.9

Op 7 februari 2018 heeft getuige [getuige] verklaard dat hij een paar maanden geleden voor het laatst heeft geschilderd in de woning aan de [adres] . Hij heeft gezien dat de slaapkamerdeur van de slaapkamer van [aangever] en [verdachte] gewoon met een deurklink was afgesloten.10

Er is onderzoek gedaan naar de in beslag genomen mobiele telefoon van verdachte. De aangeleverde data uit de mobiele telefoon is onderzocht en daaruit is -zakelijk weergegeven- het volgende bevonden:

Een chatgesprek tussen verdachte en haar zoon [B] : op 3 december 2017 om 01:42:54 uur stuurt verdachte naar [B] ‘[aangever] heeft een ander’.11

Een chatgesprek tussen verdachte en ‘ [A] ’ waarin vanaf 3 december 2017 01:43:17 uur tot en met 3 december 2017 01:53:07 over en weer berichten worden gestuurd.12 [de rechtbank begrijpt uit de inhoud van dit gesprek dat de berichten betrekking hebben op de vermeende affaire van aangever.]

Op de telefoon van verdachte zijn de zoekvragen in de Safaribrowser van 30 juli 2017 tot en met 2 december 13:00:55 uur aanwezig. Op 2 december 2017 13:00:55 is de zoekvraag ‘wanneer is je diepste slaap’ in de Safaribrowser ingevoerd. Om 13:01:13 is op de telefoon de website ‘De slaapcyclus die we iedere nacht doorlopen – InSlaap.nl’ bezocht en om13:06:34 de website ‘Natuurinformatie – Slaapfasen’.13

De 112-meldingen met betrekking tot de [adres] te [woonplaats] zijn beluisterd. Op 3 december 2017 om 02:27:34 uur geeft de melder (onder andere) aan dat zijn huis in de fik staat. De stem van de melder wordt door verbalisanten herkend als de stem van aangever [aangever] .14

Aangever is op 26 juni 2018 bij de rechter-commissaris gehoord. De officier van justitie heeft aangever ten overstaan van de rechter-commissaris vier foto’s getoond en aan aangever gevraagd of hij deze foto’s kan duiden. Aangever heeft verklaard dat hij deze foto’s heeft gekregen van een persoon van het bedrijf [bedrijfsnaam] . Dat is de installateur van het alarmsysteem. Op de foto’s zijn tijdstippen en data te zien. De persoon van het installatiebedrijf heeft aangegeven aan dat op de foto’s de datum en het tijdstip wordt aangegeven, waarop de batterijen van de brandmelders zijn verwijderd.15

In een aanvullend geschrift zijn voornoemde foto’s in de bijlage toegevoegd. Het zijn vier foto’s van een systeem waarop een melding is te lezen. Op de foto links bovenin staat de melding ‘batterij vermist 18:49 01/12/2017’. Op de foto rechts bovenin staat de melding ‘batterij vermist 12:17 01/12/2017’. Op de foto links onderin staat de melding ‘batterij fout OK 13:53 01/12/2017’. Op de foto rechts onderin staat de melding ‘230V fout 12:20 01/12/2017’.16

Verklaring verdachte

Verdachte heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard.

Het klopt dat ik op 1 december 2017 bij de Shell jerrycans met benzine heb gevuld en dat ik de batterijen van de rookmelders heb verwijderd. Dit laatste hield verband met een naderende vakantie in januari 2018. De jerrycans had ik gevuld voor de tuinman die zou komen.

Toen ik erachter kwam dat [aangever] een ander had knapte er iets in mij. Ik heb de jerrycans en de brander gepakt en ben naar boven gelopen. Ik heb benzine over de vloer gegoten. Ik dacht dat hij met die vrouw in ons huis en in ons bed was geweest en wilde daarom het bed in de fik steken. Het was niet mijn bedoeling om [aangever] te vermoorden. Ik wist dat de deurklink van de deur van de slaapkamer aan de kant van de slaapkamer al langer was verwijderd, dat was vanwege het logeren van het nichtje van [aangever] . Het klopt niet dat ik expres de ramen en de balkondeur van de slaapkamer dicht heb gedaan en de sleutels heb verstopt om ervoor te zorgen dat [aangever] de slaapkamer niet kon verlaten. Toen ik het bed met benzine aan het overgieten was, stond [aangever] ineens achter mij en raakten wij in gevecht. Op de overloop voor de slaapkamer pakte ik de gasbrander op stak deze aan en zag een blauwe vlam. [aangever] probeerde nog de gasbrander af te pakken en duwde mij daarna van de trap. Daarna kan ik het mij allemaal niet goed meer herinneren. Ik weet nog wel dat [aangever] op de trap met een tuinslang stond. Ik heb ook benzine over de vloer in de keuken gesprenkeld.17

Bewijsoverwegingen

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

De feiten waarvan de rechtbank uitgaat

Voor de rechtbank staat vast, en dat staat wat verdachte betreft ook niet ter discussie, dat het verdachte is geweest die de brand in het huis, waar op dat moment verdachte en aangever aanwezig waren, heeft aangestoken. Verdachte heeft de dagen voor de brand de brandmelders verwijderd en de jerrycans met benzine gevuld. De benzine uit de jerrycans heeft verdachte in huis gesprenkeld en aangestoken. Er heeft in huis een flinke brand gewoed, met name op de overloop op de eerste verdieping voor de deur van de echtelijke slaapkamer. De slaapkamerdeur was bij aankomst van de brandweer dicht en de deurklink aan de slaapkamerkant was verwijderd. De balkondeur van de slaapkamer was bij aankomst van de brandweer open en de brandweer trof aangever, met brandwonden, beneden, buiten de slaapkamer aan.

Waar de lezing van de feiten uiteenloopt, is het relaas van verdachte en aangever over de precieze wijze van aansteken van het vuur, de vraag of verdachte aangever in de slaapkamer heeft opgesloten (feit 1) en de vraag of verdachte vervolgens aangever met benzine heeft overgoten respectievelijk besprenkeld en terwijl benzine op aangever zat de benzine heeft overgoten en aangestoken (feit 2). De rechtbank kijkt bij de beoordeling en de vaststelling van deze feiten naar de consistentie, logica en daarmee ook de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever en verdachte. Daarbij is met name van belang of het relaas van een van beide door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund of ontkracht.

Verdachte heeft ten aanzien van het ten laste gelegde eerst niet willen verklaren, later aangegeven dat zij zich delen niet meer kan herinneren en heeft haar verklaringen in de loop van de tijd aangevuld in reactie op de onderzoeksresultaten die aan haar werden voorgehouden. Een aantal verklaringen van verdachte wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen. De verklaringen van aangever zijn vanaf het eerste moment consistent en vinden steun in andere bewijsmiddelen. De rechtbank zal om deze redenen bij de lezing van de feiten van de verklaring van aangever uitgaan en niet van de verklaring van verdachte.

Overwegingen ten aanzien van feit 1

Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft verzocht een aantal getuigen te horen, indien de rechtbank deze verklaringen voor het bewijs wil bezigen. Nu de rechtbank de verklaringen van deze getuigen niet voor het bewijs heeft gebezigd, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van dit verzoek.

Opzet op de dood

Voor opzet op de dood moet kunnen worden vastgesteld dat verdachte willens en wetens heeft geprobeerd om aangever van het leven te beroven. Gelet op alle hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang met elkaar bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte met haar handelen opzet heeft gehad op de dood van aangever. Alle handelingen die verdachte heeft verricht waren er naar hun uiterlijke verschijningsvorm op gericht om aangever om het leven te brengen. Verdachte heeft de balkondeur en de ramen in de slaapkamer op slot gedaan en de sleutels uit de sloten verwijderd. Ook heeft zij de deurklink van de slaapkamerdeur verwijderd. Hiermee heeft verdachte het voor aangever bemoeilijkt om de slaapkamer te verlaten. Verdachte heeft vervolgens, terwijl aangever lag te slapen, benzine in de slaapkamer en de overloop gegoten, dit met vuur in aanraking gebracht en de deur, waarvan aan de binnenzijde de deurklink ontbrak, achter zich dichtgetrokken. Doordat aangever een badjas onderaan de deur heeft gelegd is de slaapkamer niet volledig afgebrand. Deze omstandigheid is echter onafhankelijk van de wil van verdachte en neemt niet weg dat verdachte met het aansteken van het vuur, terwijl aangever in de afgesloten slaapkamer aanwezig was, de opzet heeft gehad op de dood van aangever. Het feit dat aangever uiteindelijk de sleutel van de balkondeur heeft gevonden en daardoor uit de slaapkamer kon ontsnappen maakt dit niet anders, omdat ook dit het handelen van verdachte gericht op de dood van aangever niet wegneemt.

Voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan, dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte moet de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap hebben kunnen geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechtbank het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

In dit verband acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Verdachte heeft op 1 december 2017 om ongeveer 16:30 uur getankt en jerrycans met benzine gevuld, deze jerrycans heeft zij mee naar huis genomen. De jerrycans en de benzine zijn door verdachte op 3 december 2017 gebruikt bij de uitvoering van het feit. Ook heeft verdachte op 1 december 2017 om 12:17 uur, 12:20 uur, 13:53 uur en 18:49 uur de batterijen van de rookmelders verwijderd en op 2 december 2017 heeft verdachte op haar telefoon de zoekterm: ‘wanneer is je diepste slaap’ ingevoerd. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat verdachte via haar telefoon op 3 december 2017 om 01:42:54 uur naar haar zoon [B] heeft gestuurd dat aangever ‘een ander heeft.’ Hierna heeft zij tien minuten (uitgebreid) WhatsApp contact met haar vriendin [A] . De inhoud van deze berichten hadden betrekking op de vermeende affaire van aangever. Verdachte heeft op 3 december 2017 om 01:53:07 het laatste berichtje naar [A] gestuurd en om 02:27:34 uur heeft aangever 112 gebeld om te melden dat zijn huis in de brand staat. Het onder 1 ten laste gelegde feit heeft derhalve plaatsgevonden op 3 december 2017 tussen 01:53:07 uur en 02:27:34 uur. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande dan ook vast dat de voorbereidingen die verdachte heeft getroffen om aangever van het leven te beroven (in ieder geval) zijn begonnen op 1 december 2017.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte het vooropgezette plan had om het slachtoffer van het leven te beroven. De rechtbank neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat verdachte vóór de uitvoering van haar daad, heeft kunnen nadenken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. De verklaring van verdachte dat zij enkel in een opwelling onmiddellijk handelde na het ontdekken van de relatie van aangever met een ander vrouw, schuift de rechtbank als onaannemelijk terzijde gelet op hierboven besproken voorbereidingshandelingen.

Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

Geen ondeugdelijke poging

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een absoluut ondeugdelijke poging om aangever van het leven te beroven.

Er is naar het oordeel van de rechtbank geen enkele reden om eraan te twijfelen dat als aangever in de afgesloten slaapkamer niet tijdig en adequaat had gehandeld, en/of de brandweer niet tijdig genoeg ter plaatse had kunnen komen, de brand hem fataal zou kunnen zijn geworden. De rechtbank verwerpt dan ook om laatstgenoemde redenen dit verweer van de verdediging.

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld en overwogen acht de rechtbank niet alleen bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om aangever opzettelijk van het leven te beroven, maar ook dat zij dat heeft gedaan met voorbedachten rade.

Overwegingen ten aanzien van feit 2

Verzoek (video)reconstructie

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder 2, heeft de verdediging verzocht een (video)reconstructie te doen plaatsvinden van hoe een en ander zou moeten zijn gegaan bij het overgieten van aangever met benzine en of daarbij sprake kan zijn geweest van het mogelijk om het leven brengen of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal dit verzoek van de verdediging afwijzen. De rechtbank acht zich op basis van het dossier met daarbij met name de aanvullende verklaring bij de rechtercommissaris van brand technisch deskundige M. Bontan voldoende voorgelicht en acht derhalve een videoreconstructie niet noodzakelijk voor enige door de rechtbank te nemen beslissing. De rechtbank is van oordeel dat - gelet op de vele verschillende factoren en variabelen, zoals bijvoorbeeld de hoeveelheid benzine, de tijdsduur van het branden en de wijze van uittrekken van het brandende T-shirt - het gevraagde onderzoek, los van de vraag van de uitvoerbaarheid daarvan, geen uitsluitsel zal kunnen geven over die vragen die de verdediging hiermee kennelijk beantwoord wil zien.

Bewijsoverweging

De rechtbank acht op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bij aangever benzine over zijn T-shirt heeft gegooid en daarna door middel van een gasbrander in aanraking heeft gebracht met vuur, waardoor het in de brand vloog en aangever letsel heeft opgelopen. Aangever heeft zijn T-shirt, nadat het in de brand stond, snel uitgetrokken. Verdachte ontkent dat dit incident heeft plaatsgevonden. De verklaring van aangever wordt echter ondersteund door een letselverklaring, waaruit blijkt dat aangever (tweedegraads) brandwonden op zijn hand en buik heeft opgelopen en uit het brandonderzoek van de forensische opsporing volgt dat een T-shirt met brandgaten is gevonden op de plek waar aangever deze heeft uitgetrokken.

Doordat verdachte aangever op een dergelijke wijze in brand heeft gestoken, bestond een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Verdachte heeft, blijkens haar handelwijze, deze kans ook voor lief genomen. Ook de onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling acht de rechtbank daarom wettig en overtuigend bewezen.

Overwegingen ten aanzien van feit 3

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt dat op basis van de aangehaalde bewijsmiddelen ook de onder 3 ten laste gelegde brandstichting wettig en overtuigend is bewezen. Omdat aangever ondertussen lag te slapen en de vluchtwegen waren afgesloten, bestond hierbij gevaar voor aangever. Voorts is aan de goederen in de woning forse schade ontstaan.

4 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

(feit 1 primair)

zij op of omstreeks 3 december 2017 te Almere, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om [aangever] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven,

- naar een slaapkamer in de woning gelegen aan de [adres] is gegaan

alwaar die [aangever] lag te slapen/zich bevond en/of

- benzine, althans een brandbare en/of brandversnellende stof, over de vloer

en/of de slaapkamerdeur, althans in de woning heeft gegoten en/of

- ( vervolgens) voornoemde benzine/stof in aanraking met (open) vuur heeft

gebracht en/of

- ( vervolgens) de slaapkamerdeur heeft dichtgetrokken,

terwijl zij, verdachte, voorafgaand (aan) en/of tijdens voornoemde handelingen

- de klink van de slaapkamerdeur heeft verwijderd en/of verwijderd heeft gehouden en/of wist dat de klink van de slaapkamerdeur ontbrak en/of

- ra(a)m(en) en/of balkondeur van voornoemde slaapkamer heeft afgesloten

en/of afgesloten gehouden en de bijbehorende sleutel(s) uit de sloten heeft

gehaald en/of wist dat de ramen en de balkondeur afgesloten waren en dat de (bijbehorende) sleutels niet in de sloten zaten

waardoor het die [aangever] werd bemoeilijkt voornoemde slaapkamer te verlaten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(feit 2 meer subsidiair)

zij op of omstreeks 3 december 2017 te Almere, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- benzine, althans een lichtontvlambare en/of brandbare en/of

brandversnellende vloeistof, over die [aangever] heeft gegoten, althans die [aangever]

in aanraking heeft gebracht met een brandbare vloeistof en/of

- vervolgens in aanraking met (open) vuur heeft gebracht, althans een

ontbrandbare (vloei)stof heeft aangestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(feit 3)

zij op of omstreeks 3 december 2017 te Almere, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan

de [adres] ) door

in de woning benzine, althans een lichtontvlambare vloeistof, te gooien over

de vloer en/of andere goederen, en/of vervolgens met open vuur voornoemde

vloer en/of goederen in brand te steken,

ten gevolge waarvan de laminaatvloer, althans de vloer in de gang en/of de

slaapkamerdeur op de eerste verdieping geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand,

in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde

woning, althans de inboedel van voornoemde woning, in elk geval gemeen gevaar

voor zich in dat pand bevindende goederen en/of levensgevaar en/of gevaar

voor zwaar lichamelijk letsel voor [aangever] , in elk geval levensgevaar en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

5 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair:

poging tot moord

feit 2 meer subsidiair:

poging tot zware mishandeling

feit 3:

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is

en

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

6 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 OPLEGGING VAN STRAF

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 10 jaar, met aftrek van het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de op te leggen straf verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Eén en ander heeft zich afgespeeld in een heftige relationele crisis, hetgeen gepaard ging met depressie gevoelens en suïcidale gedachten. De verdediging verzoekt de rechtbank om de conclusies van de deskundigen over te nemen en het ten laste gelegde verdachte in verminderde mate toe te rekenen en verdachte te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij de (bijzondere) voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geformuleerd. Ten slotte verzoekt de verdediging de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening te houden met het feit dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat en dat verdachte gemotiveerd is om aan zichzelf te werken.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft op 3 december 2017 geprobeerd om haar (toenmalig) echtgenoot te vermoorden, omdat hun relatie dreigde stuk te lopen en zij erachter was gekomen dat hij een affaire had met een andere vrouw. Verdachte heeft op de bewuste avond -terwijl haar echtgenoot in de slaapkamer lag te slapen- benzine over de vloer gegoten, de slaapkamer afgesloten en vervolgens de benzine in brand gestoken. Eerder had zij al jerrycans met benzine gevuld, de batterijen uit de rookmelders gehaald en de deurklink van de slaapkamerdeur verwijderd. Dat haar echtgenoot deze aanslag op zijn leven heeft overleefd, is alleen te danken aan het adequate optreden van hemzelf. Indien het hem niet was gelukt te ontsnappen uit de slaapkamer zou het handelen van verdachte hebben geleid tot een nare en pijnlijke dood voor het slachtoffer.

Nadat aangever uit de slaapkamer heeft weten te ontkomen, trof hij verdachte weer in de woning aan. Daar gooide verdachte benzine over het T-shirt dat aangever aanhad en vervolgens heeft zij de gasbrander die zij in haar hand had aangestoken, waardoor het T-shirt vlam vatte. Aangever heeft ten gevolge daarvan tweedegraadsbrandwonden op zijn buik opgelopen en zal daardoor nog lange tijd geconfronteerd worden met de onomkeerbare gevolgen van de handelwijze van verdachte. Naast dit fysieke letsel heeft verdachte ook psychisch leed bij aangever teweeg gebracht. Verdachte heeft aangever in een situatie gebracht die uitermate beangstigend moet zijn geweest. Tot twee keer toe heeft hij moeten ervaren dat de vrouw met wie hij jaren samen was hem iets wilde aandoen. Ook voor mensen uit de naaste omgeving van het slachtoffer en verdachte is de gebeurtenis schokkend geweest. Ten slotte heeft verdachte met haar handelen tevens de woning in brand gestoken, waardoor ook een deel van de vloer, de gang en de inboedel is verbrand of beschadigd.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een rapportage Pro Justitia, opgemaakt door J.C. Laheij psychiater op 7 maart 2018 en M.G.H. van Willigenburg, klinisch psycholoog op 13 maart 2018. De psychiater concludeert dat bij verdachte sprake is van een depressieve stoornis, een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS) en cognitieve beperkingen. Verdachte leed hier in de ten laste gelegde periode ook aan. De psychiater geeft aan dat de vastgestelde psychopathologie dusdanig complex is, waardoor het aannemelijk is dat verdachte ten tijde van de feiten verminderd toerekeningsvatbaar was.

De klinisch psycholoog concludeert dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens in de van een PTSS en een depressieve stoornis. Hiervan was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde. Volgens de psycholoog beïnvloedden de vastgestelde stoornissen de gedragingen en gedragskeuzes van verdachte. In de maanden voorafgaand aan het ten laste gelegde waren er diverse stressfactoren die de depressie en PTSS hebben geactiveerd, hetgeen verdachte terugbracht in haar traumatische jeugdervaringen. Eén en ander heeft geleid tot een doorbraak van hevige angst- en woedegevoelens. Hierdoor was de mogelijkheid om gedragsalternatieven te overwegen en het handelen te controleren beperkt. Geadviseerd wordt daarom verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Zowel de klinische als gestructureerde risicotaxatie wijzen op een laag recidiverisico. Omdat verdachte gemotiveerd is om zichzelf te laten behandelen kan dit plaatsvinden in een ambulante setting.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van een neurologisch onderzoek betreffende verdachte, opgemaakt door prof. Dr. C. Jonker, (gedrags)neuroloog op 2 maart 2018. Hieruit blijkt dat er aanwijzingen bestaan voor hersenorganisch lijden, in het bijzonder lichte cognitieve beperkingen als gevolg van TIA’s die verdachte heeft gehad. De gedragsneuroloog concludeert dat het op grond van de hersenorganische bevindingen niet waarschijnlijk is dat verdachte in de aanloop naar en ten tijde van het ten laste gelegde beperkt was in haar keuzevrijheid.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op een reclasseringsrapport van 28 juni 2018, opgemaakt door de heer [reclasseringswerker] , reclasseringswerker, waaruit volgt dat de reclassering zich aansluit bij het advies de Pro Justitia rapporteurs. De reclassering schat het recidiverisico als laag in, en adviseert (bij een veroordeling) een deels voorwaardelijke straf met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling.

Ten slotte heeft de rechtbank kennisgenomen van een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 12 april 2018. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De straf

Een poging tot moord is een levensdelict dat behoort tot de zwaarste categorie strafbare feiten die de wet kent. Voor feiten als deze zijn binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft daarom allereerst gelet op de straffen die doorgaans worden opgelegd voor een enkelvoudige moord. Daaruit blijkt dat dergelijke zaken uniek zijn en zich niet tot nauwelijks laten vergelijken met andere zaken. In de praktijk blijkt dat binnen de rechtspraak voor enkelvoudige moorden in de regel gevangenisstraffen van 14 tot 20 jaar worden opgelegd. In onderhavige zaak is de uitvoering van het misdrijf niet voltooid. De rechtbank zal daarom, conform artikel 45 Sr, voornoemd uitgangspunt met een derde verminderen. De rechtbank houdt er daarnaast in het voordeel van verdachte rekening mee dat zij ten tijde van het ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar was en kampte met heftige persoonlijke problemen, waaronder suïcidale gedachten.

Verdachte ontkent het grootste verwijt en heeft geen volledige openheid van zaken gegeven. Echter heeft verdachte wel spijt betuigd en aangegeven gemotiveerd te zijn om zich te laten behandelen. Zij heeft hiermee in de penitentiaire inrichting al een begin gemaakt. Dit maakt dat de kans op herhaling als laag wordt ingeschat. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om verdachte in een verplicht kader te laten behandelen.

Ten slotte heeft de rechtbank in strafverzwarende zin meegewogen dat verdachte zich -naast de door haar gepleegde poging tot moord- schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en brandstichting. De rechtbank zal in het voordeel van verdachte rekening houden met (eendaadse) samenloop van het onder feit 1 en 3 bewezenverklaarde.

De rechtbank is van oordeel dat een andere straf dan een gevangenisstraf geen recht doet aan de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.

8 BENADEELDE PARTIJ

[aangever] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 295.064,85. Dit bedrag bestaat uit € 270.064,85 materiële schade en € 25.000 immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de schadeposten ‘noodafdichting’, ‘reiniging’ en opstel- en herstelkosten’ voor toewijzing vatbaar. De schadepost ‘inboedel’ acht de officier van justitie ook voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat rekening wordt gehouden met het huwelijksgoederenrecht. De officier van justitie acht de schadeposten ‘huurderving’ (de rechtbank begrijpt dat daarmee eigenlijk gederfd woongenot wordt bedoeld) en ‘gederfde winst’ deels toewijsbaar. Met betrekking tot de gederfde winst voert de officier van justitie aan dat de benadeelde partij enig aandeelhouder is van zijn bedrijf en deze schade hem derhalve persoonlijk raakt. De officier van justitie merkt op dat de rechtbank met betrekking tot deze post gebruik kan maken van haar schattingsbevoegdheid, omdat mogelijk niet alle gederfde winst in rechtsreeks verband staat tot de feiten.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat behandeling hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De verdediging voert daartoe aan dat de vordering zeer laat is ingediend (de dag voor de zitting), waardoor de verdediging niet in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen wat zij tot verweer tegen de vordering kan aanvoeren. Indien hiervan geen sprake is geweest, verplicht artikel 361 lid 3 Sv jo. artikel 6 lid 1 EVRM de strafrechter tot het uitspreken van de niet-ontvankelijkheid van de vordering.

Subsidiair voert de verdediging aan dat niet blijkt dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Ten aanzien van de schade aan de inboedel voert de verdediging aan dat de brand alleen op de overloop heeft gewoed en dat er bovendien geen rekening is gehouden met het feit dat verdachte en aangever in gemeenschap van goederen zijn getrouwd.

Ten aanzien van de schoonmaak- en reparatieschade merkt de verdediging op dat de facturen zijn gericht aan [bedrijfsnaam] B.V. Indien de B.V. deze facturen heeft voldaan dan had de B.V. zich als benadeelde partij moeten stellen. Dit geldt ook voor de gederfde winst van [bedrijfsnaam] B.V. Bovendien is niet duidelijk in hoeverre de gebeurtenis op 3 december 2017 verband houdt met de gederfde winst van het bedrijf van aangever. De gevorderde € 4000,- voor huurderving (althans gederfd woongenot) is niet onderbouwd en komt derhalve niet voor vergoeding in aanmerking. Dit geldt ook voor de gemaakte kosten door aangever voor het wonen bij zijn broer.

Ten aanzien van de immateriële schade voert de verdediging aan dat deze niet is onderbouwd en dat aangever bij de politie heeft verklaard dat hij niet echt last heeft van hetgeen er is gebeurd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Gezien de omvang van de vordering van de benadeelde partij en het late tijdstip van indiening van de vordering, te weten: om 15:00 uur de dag voordat het onderzoek ter terechtzitting om 09:00 uur zou aanvangen, acht de rechtbank niet verzekerd dat verdachte in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van het verweer tegen de vordering had kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. Een inhoudelijke beoordeling van de vordering door de rechtbank staat daarom op gespannen voet met het recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Alsnog nadere behandeling van de vordering - door middel van heropening van het onderzoek ter terechtzitting - levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. Om de hiervoor genoemde redenen zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 45, 55, 157, 289 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair, 2 meer subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

  • -

    verklaart [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

Dit vonnis is gewezen door mr. H.B.W. Beekman, voorzitter, mrs. N.E.M. Kranenbroek en M. Ferschtman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Antonides, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 juli 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt (na wijziging) ten laste gelegd dat:

1.

Primair

zij op of omstreeks 3 december 2017 te Almere, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om [aangever] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven,

- naar een slaapkamer in de woning gelegen aan de [adres] is gegaan

alwaar die [aangever] lag te slapen/zich bevond en/of

- benzine, althans een brandbare en/of brandversnellende stof, over de vloer

en/of de slaapkamerdeur, althans in de woning heeft gegoten en/of

- ( vervolgens) voornoemde benzine/stof in aanraking met (open) vuur heeft

gebracht en/of

- ( vervolgens) de slaapkamerdeur heeft dichtgetrokken,

terwijl zij, verdachte, voorafgaand (aan) en/of tijdens voornoemde handelingen

- de klink van de slaapkamerdeur heeft verwijderd en/of verwijderd heeft gehouden en/of wist dat de klink van de slaapkamerdeur ontbrak en/of

- ra(a)m(en) en/of balkondeur van voornoemde slaapkamer heeft afgesloten

en/of afgesloten gehouden en de bijbehorende sleutel(s) uit de sloten heeft

gehaald en/of wist dat de ramen en de balkondeur afgesloten waren en dat de (bijbehorende) sleutels niet in de sloten zaten

waardoor het die [aangever] werd bemoeilijkt voornoemde slaapkamer te verlaten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

zij op of omstreeks 3 december 2017 te Almere, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- naar een slaapkamer in de woning gelegen aan de [adres] is gegaan

alwaar die [aangever] lag te slapen/zich bevond en/of

- benzine, althans een brandbare en/of brandversnellende stof, over de vloer

en/of de slaapkamerdeur, althans in de woning heeft gegoten en/of

- ( vervolgens) voornoemde benzine/stof in aanraking met (open) vuur heeft

gebracht en/of

- ( vervolgens) de slaapkamerdeur heeft dichtgetrokken,

terwijl zij, verdachte, voorafgaand (aan) en/of tijdens voornoemde handelingen

- de klink van de slaapkamerdeur heeft verwijderd en/of verwijderd heeft gehouden en/of wist dat de klink van de slaapkamerdeur ontbrak en/of

- ra(a)m(en) en/of balkondeur van voornoemde slaapkamer heeft afgesloten

en/of afgesloten gehouden en de bijbehorende sleutel(s) uit de sloten heeft

gehaald en/of wist dat de ramen en de balkondeur afgesloten waren en dat de (bijbehorende) sleutels niet in de sloten zaten

waardoor het die [aangever] werd bemoeilijkt voornoemde slaapkamer te verlaten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

zij op of omstreeks 3 december 2017 te Almere, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven,

- benzine, althans een lichtontvlambare en/of brandbare en/of

brandversnellende vloeistof, over (de trui van) die [aangever] heeft

gegoten/gegooid/gesprenkeld, en/of

- vervolgens (de trui van) die [aangever] heeft aangestoken, althans in aanraking

met (open) vuur heeft gebracht,

terwijl de uitvoering van voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

zij op of omstreeks 3 december 2017 te Almere, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, [aangever] heeft mishandeld door

- benzine, althans een lichtontvlambare en/of brandbare en/of

brandversnellende vloeistof, over die [aangever] heen te gieten, althans die [aangever]

in aanraking met een brandbare vloeistof te brengen, en/of

- vervolgens in aanraking met (open) vuur te brengen, althans een ontbrandbare

vloeistof aan te steken,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere

tweedegraads brandwond(en), ten gevolge heeft gehad;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

zij op of omstreeks 3 december 2017 te Almere, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- benzine, althans een lichtontvlambare en/of brandbare en/of

brandversnellende vloeistof, over die [aangever] heeft gegoten, althans die [aangever]

in aanraking heeft gebracht met een brandbare vloeistof en/of

- vervolgens in aanraking met (open) vuur heeft gebracht, althans een

ontbrandbare (vloei)stof heeft aangestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op of omstreeks 3 december 2017 te Almere, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan

de [adres] ) door

in de woning benzine, althans een lichtontvlambare vloeistof, te gooien over

de vloer en/of andere goederen, en/of vervolgens met open vuur voornoemde

vloer en/of goederen in brand te steken,

ten gevolge waarvan de laminaatvloer, althans de vloer in de gang en/of de

slaapkamerdeur op de eerste verdieping geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand,

in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde

woning, althans de inboedel van voornoemde woning, in elk geval gemeen gevaar

voor zich in dat pand bevindende goederen en/of levensgevaar en/of gevaar

voor zwaar lichamelijk letsel voor [aangever] , in elk geval levensgevaar en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 5 december 2017, genummerd 2017365295, onderzoek MD2R017139 / Anderson. Opgemaakt door politie Midden-Nederland, (door)genummerd 1 tot en met 193 en 1000 tot en met 1355 (en een aanvullend proces-verbaal, opgemaakt op 15 mei 2018, pagina 1360-1375). Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 een proces-verbaal van aangifte van [aangever] , pagina 1001-1005

3 een proces-verbaal van verhoor aangever [aangever] , pagina 1097.

4 een proces-verbaal van aangifte van [aangever] , pagina 1001-1005

5 een geneeskundige verklaring, opgemaakt op 19 december 2017 door M. Wint, arts GGD Flevoland, pagina 1229-1230

6 een proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, pagina 1109-1113

7 een proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, pagina 1113: veiliggestelde sporen/sporendragers

8 een NFI rapport, opgemaakt door dr. MM.P. Grutters op 1 februari 2018, pagina 1360-1365

9 een NFI rapport, opgemaakt door ing. L.J.C. Peschier op 9 maart 2018, pagina 1366-1372

10 een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 1303-1305

11 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1284

12 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1284-1288

13 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1288-1289

14 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1218-1219

15 een proces-verbaal verhoor van getuige [aangever] bij de rechter-commissaris op 26 juni 2018, pagina 4

16 bijlage bij een geschrift, opgemaakt door de officier van justitie C.J. Booij op 28 juni 2018 (ongenummerd)

17 verklaring van verdachte op de terechtzitting van 4 juli 2018.