Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3542

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
700152-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor onttrekking aan het ouderlijk gezag en een poging tot het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/700152-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 juli 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 maart 2018 en 29 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. D.A. van der Zwan en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [minderjarige] en de toelichting op deze vordering, zoals gegeven door mr. M.A.J. Kubatsch, advocaat te Utrecht, de raadsvrouw van de benadeelde partij.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: al dan niet samen met een ander, in de periode van 3 september 2017 tot en met 4 september 2017 te Utrecht, de minderjarige [minderjarige] , heeft onttrokken aan haar ouderlijk gezag.

Feit 2:

Primair: in de periode van 3 september 2017 tot en met 4 september 2017 te Utrecht, met [minderjarige] , die de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd;

Subsidiair: een poging heeft gedaan om in de periode van 3 september 2017 tot en met 4 september 2017 te Utrecht, met [minderjarige] , die de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen te plegen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat niet duidelijk is geworden dat verdachte enige samenwerking heeft gehad met een mededader en dat verdachte ervan uit ging dat aangeefster 17 jaar was.

Ten aanzien van feit 2 primair heeft de raadsman aangevoerd dat er geen ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden en niet bewezen kan worden dat verdachte naakt was, doordat hij een handdoek om had. Daarnaast is een alternatief scenario dat aangeefster de knoop van de handdoek heeft gevoeld.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van een ontuchtig karakter doordat er geen seksuele bedoelingen waren en verdachte enkel aangeefster wilde helpen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1 2 3

Op 5 september 2017 heeft [aangever] , namens zijn 13-jarige dochter [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren op [geboortedatum] 2003, aangifte gedaan van onttrekking aan het gezag. Dit heeft plaatsgevonden tussen zondag 3 september 2017 te 19.00 uur en 4 september 2017 te 23.00 uur. Op 3 september 2017 is zij omstreeks 19.00 uur de hond gaan uitlaten en niet terug gekomen.4

Verdachte heeft verklaard dat hij op 4 september 2017 te Utrecht [minderjarige] tegen kwam. [minderjarige] heeft aan verdachte gevraagd of hij een slaapplek kon regelen, waarop verdachte met haar naar [hotel] te [vestigingsplaats] is gegaan. Hij heeft daar een kamer betaald en hij heeft daar met [minderjarige] op bed gelegen.5

Verbalisant [verbalisant 1] heeft deze hotelkamer betreden6 en zag verdachte in bed liggen. Verdachte vroeg of hij zich even kon aankleden omdat hij naakt in bed lag. Verbalisant zag dat verdachte zijn lijf omwikkelde met de dekens en een onderbroek aantrok die naast zijn lig plek in bed op de grond lag. Vervolgens heeft verdachte gezegd: ‘Ik wist niet dat ze minderjarig was.’7 De verbalisant had geen enkele collega, die in de hotelkamer aanwezig waren, horen zeggen dat [minderjarige] minderjarig was.8

Verbalisant [verbalisant 2] heeft eveneens verdachte horen zeggen dat hij naakt was en dat hij niet wist dat het meisje minderjarig was.9

[minderjarige] heeft hierover verklaard dat het idee om een hotel te gaan boeken van verdachte kwam.10 Ze hebben gewacht, omdat een vriend haar en verdachte moest wegbrengen.11 Ze had aan verdachte verteld dat ze van huis was weggelopen en om die reden een slaapplek nodig had.12 Verdachte kwam dicht tegen haar aan liggen, waardoor zij zijn stijve pik tegen haar bil voelde komen.13

Uit onderzoek naar de telefoon van verdachte bleek dat verdachte op 4 september 2017 om 18:40:23 uur een sms heeft gestuurd, waarvan de inhoud luidt als volgt:

‘Baba zet mij zo af [hotel] gak haar neuke.’14

Bewijsoverweging feit 1

Het door de raadsman gevoerde verweer wordt verworpen. Van belang is dat degene die onttrekt aan het gezag beslissende invloed heeft gehad op het onttrekken of het onttrokken houden van de minderjarige. Voor het bepalen van de mate van invloed is niet van belang wie het initiatief heeft genomen. Dat de minderjarige heeft meegewerkt, kan ook geen rol spelen bij het bepalen van de mate van invloed.

[minderjarige] heeft verklaard dat ze verdachte heeft verteld dat ze van huis is weggelopen. Verdachte heeft voor haar een slaapplek geregeld door een hotelkamer te betalen, heeft haar naar het hotel gebracht en wilde haar daar laten overnachten.

De rechtbank oordeelt dat verdachte in zodanige mate heeft bijgedragen aan de scheiding tussen de minderjarige en haar ouders, waardoor deze buiten het gezag van haar ouders kwam te verkeren dat kan worden gezegd dat de verdachte opzettelijk die minderjarige aan het wettig gezag heeft onttrokken.

Het verweer dat verdachte niet op de hoogte was van de minderjarigheid van aangeefster wordt gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen verworpen.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en (een) mededader(s), zodat de rechtbank verdachte partieel vrijspreekt van het ten laste gelegde medeplegen.

Vrijspraak feit 2 primair

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte van de primair ten laste gelegde ontuchtige handelingen dient te worden vrijgesproken.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de handelingen waarover aangeefster verklaart, gelet op de overige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen zijn (te weten: het door verdachte naakt (al dan niet met een handdoek) op bed liggen en het dichtbij aangeefster liggen), leveren deze handelingen naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden en mede gelet op de verklaring van aangeefster geen ontuchtige handelingen op maar een begin van uitvoering van het voornemen om ontuchtige handelingen met aangeefster te plegen.

Bewijsoverweging feit 2 subsidiair

De rechtbank is daarom van oordeel dat gelet op voornoemde bewijsmiddelen, wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte heeft geprobeerd ontuchtige handelingen te plegen met [minderjarige] , door naakt naast haar op bed te liggen en dichtbij aangeefster te gaan liggen. De verstuurde sms door verdachte naar een vriend, waaruit de intentie van verdachte tot het plegen van ontuchtige handelingen met aangeefster blijkt, en de verklaringen van de verbalisanten van het naakt aantreffen van verdachte zijn voor de rechtbank voldoende steunbewijs voor het subsidiair ten laste gelegde feit.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet naakt was.

Het door de raadsman gevoerde verweer wordt verworpen. De rechtbank oordeelt op grond van bovenstaande bewijsmiddelen dat vaststaat dat verdachte geen kleding aan had. Of verdachte een handdoek had omgeknoopt, doet niet af aan de poging tot het plegen van ontuchtige handelingen.

Het verweer van de verdediging dat verdachte de SMS naar zijn vriend enkel heeft gestuurd in een poging hem te motiveren verdachte en aangeefster naar het hotel te rijden, wordt, mede gelet op de wijze waarop verdachte door de politie in de hotelkamer is aangetroffen, door de rechtbank als volstrekt onaannemelijk ter zijde geschoven.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1:

op 4 september 2017 te Utrecht, opzettelijk de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2003, heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag, immers heeft hij, verdachte,

- [minderjarige] naar een hotel vervoerd en

- voor [minderjarige] en hemzelf, verdachte een hotelkamer gereserveerd en/of laten

reserveren en

- met [minderjarige] in een hotelkamer verbleven;

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

omstreeks 04 september 2017 te Utrecht, ter uitvoering van het door hem,

verdachte's voorgenomen misdrijf om met [minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2003, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet

had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen te plegen,

- naakt in een bed is gaan liggen waarin die [minderjarige]

ook lag, en vervolgens

- ( heel) dicht naast/tegen die [minderjarige] is gaan liggen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hoewel in de tenlastelegging bij feit 1 niet expliciet is vermeld dat dit delict opzettelijk zou zijn begaan, moet de tenlastelegging, gelet op de gehele tekst daarvan, zo worden gelezen dat deze, mede gelet op de verwijzing naar het desbetreffende wetsartikel op de dagvaarding, is toegesneden op artikel 279 Sr. De rechtbank beschouwt dit als een kennelijke misslag en leest derhalve 'opzettelijk' in tussen de woorden 'Utrecht' en 'de minderjarige' (cursief). De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

’ Het was de verdediging ter terechtzitting immers duidelijk wat verdachte verweten wordt onder feit 1, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat de raadsman verweer heeft gevoerd op het al dan niet opzettelijk onttrekken aan het wettelijk gezag.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent;

Feit 2

Subsidiair: poging tot met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. De raadsman heeft de rechtbank gevraagd om er rekening mee te houden dat verdachte door wat er gebeurd is zijn baan en zijn vriendin is kwijtgeraakt en veel last heeft gehad van de media-aandacht voor deze zaak. Verdachte heeft juist geprobeerd om uitermate behulpzaam te zijn, waardoor het verwijt wat hem gemaakt niet kan kloppen. Verdachte heeft daarnaast een blanco strafblad. De raadsman heeft de rechtbank in overweging meegegeven dat verdachte in het geval van een bewezenverklaring een taakstraf kan verrichten.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft geprobeerd met een minderjarige ontuchtige handelingen gepleegd. De wetgever heeft het plegen van seksuele handelingen tussen volwassenen en kinderen beneden de 16 jaren strafbaar gesteld, ook wanneer dit met wederzijdse instemming gebeurt. Minderjarigen verdienen namelijk op seksueel gebied bescherming tegen oudere, verder ontwikkelde personen.

Verdachte heeft er daarnaast, door aangeefster te onttrekken aan het gezag van haar ouders, aan bijgedragen dat laatstgenoemden in grote angst en onzekerheid hebben geleefd. De ouders van aangeefster hebben gedurende ruim 24 uur niet geweten waar hun 13-jarige dochter zich bevond en wat er met haar gebeurd was, nadat zij niet terug kwam van het lopen met de hond.

Het slachtoffer heeft in haar slachtofferverklaring kenbaar gemaakt wat de bewezenverklaarde feiten voor een impact hebben gehad en nog altijd hebben, niet alleen op haar leven maar ook op het leven van haar ouders.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 mei 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

In het procesdossier bevindt zich een reclasseringsrapport van Reclassering Nederland, uitgebracht door mevr. [reclasseringswerker] op 11 december 2017. Hierin wordt gerapporteerd dat er risicofactoren bij verdachte aanwezig zijn op de leefgebieden van financiën, dagbesteding, sociale contacten en emotioneel welzijn. De reclassering vindt dat de draaglast van verdachte op dit moment vele malen zwaarder lijkt dan zijn draagkracht. De reclassering adviseert om die reden bijzondere voorwaarden. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de geadviseerde bijzondere voorwaarden niet noodzakelijk acht, maar bereid is om er aan mee te werken.

Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 23 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar, een passende en geboden sanctie.

De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel een meldplicht bij de reclassering verbinden, zodat de reclassering samen met verdachte kan kijken naar de hulp die hij nodig heeft.

Deze strafoplegging wijkt (sterk) af van de eis van de officier van justitie. Dat komt voornamelijk omdat de officier van justitie bij haar eis is uitgegaan van een bewezenverklaring van de ontuchtige handelingen, zoals tenlastegelegd onder van feit 2 primair, en de rechtbank verdachte daarvan heeft vrijgesproken. Bij de hoogte van de strafoplegging voor de poging ontuchtige handeling, feit 2 subsidiair, heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat het slachtoffer heeft verklaard dat verdachte, nadat zij kenbaar heeft gemaakt niet van zijn poging gediend te zijn, direct is gestopt en zij heeft benadrukt dat er verder niets heeft plaatsgevonden in de hotelkamer. Verdachte heeft eten voor haar gekocht en heeft in zijn visie geprobeerd aardig voor haar te zijn.

9 BENADEELDE PARTIJ

[minderjarige] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 16.075,-. Dit bedrag bestaat uit € 15.075,- materiële schade en € 1.000,- immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De bedragen dienen vermeerderd te worden met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het materiële bedrag bestaat uit € 120,- voor de SOA/HIV-test, € 13.850,- voor studievertraging VMBO en € 1.105,- aan reiskosten. Van de materiële schade is gevraagd om dit hoofdelijk toe te wijzen.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw ter terechtzitting aan de rechtbank gevraagd om het bedrag vast te stellen wat passend is.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering gedeeltelijk toe te wijzen, waarbij het materiële bedrag vastgesteld dient te worden op € 1105,- en het immateriële bedrag op

€ 1000,-. De bedragen dienen vermeerderd te worden met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het materiële bedrag dient hoofdelijk te worden toegewezen en de vordering dient voor het overige niet ontvankelijk te worden verklaard.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering niet ontvankelijk te verklaren, wegens het ontbreken van een causaal verband dan wel wegens onvoldoende onderbouwing.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade HIV-test en studievertraging

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor wat betreft de schadeposten HIV-test en studievertraging ter hoogte van in totaal € 13.970,-, nu niet, althans onvoldoende, is gebleken van een direct verband tussen de gestelde schade en de bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Materiële schade reiskosten

De schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost reiskosten ter hoogte van in totaal € 1.105,- komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 1.105,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde en niet weersproken wettelijke rente vanaf 3 september 2017 tot de dag van volledige betaling.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Immateriële schade

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor wat betreft de immateriële schade ter hoogte van in totaal € 1.000,-, nu niet, althans onvoldoende, is gebleken van een direct verband tussen de gestelde schade en de bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schademaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [minderjarige] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.105,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 11 december 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 20 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [minderjarige] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 57, 247 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek

5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 60 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 23 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich binnen vijf dagen na dit vonnis persoonlijk zal melden bij Reclassering Nederland op het volgende adres: Vivaldiplantsoen 200, 3533 JE te Utrecht. Hierna moet de verdachte zich gedurende de door Reclassering Nederland aangegeven periode blijven melden zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij [minderjarige]

Materiële schade reiskosten

- wijst de vordering van [minderjarige] toe tot een bedrag van € 1.105,-;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [minderjarige] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Materiële schade HIV-test en studievertraging

- verklaart [minderjarige] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

Benadeelde partij immateriële schade

- verklaart [minderjarige] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [minderjarige] aan de Staat € 1.105,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 20 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en C. van de Lustgraaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.H. Batavier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 juli 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan H. Kalem is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 3 september 2017 tot en met 4 september

2017 te Utrecht, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, de minderjarige

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2003, heeft onttrokken

aan het wettig over haar gesteld gezag,

immers heeft/is hij, verdachte,

- [minderjarige] naar een hotel vervoerd en/of

- voor [minderjarige] en hemzelf, verdachte een hotelkamer gereserveerd en/of laten

reserveren en/of

- met [minderjarige] in een hotelkamer verbleven;

art 47 lid 1 ahf en onder 1 Wetboek van Strafrecht

art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 03 september 2017 tot en met 04 september

2017 te Utrecht, althans in Nederland, met [minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2003, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet

had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

immers heeft/is hij verdachte

- naakt op/in een bed gaan liggen (waarin [minderjarige] ook lag), en/of

(vervolgens)

- ( heel) dicht naast/tegen [minderjarige] gaan liggen en/of

- met zijn, verdachte's, stijve penis de bil(len) van [minderjarige] aangeraakt;

art 247 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij in of omstreeksde periode van 03 september 2017 tot en met 04 september

2017 te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem,

verdachte's voorgenomen misdrijf om met [minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2003, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet

had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen te plegen,

- naakt op/in een bed is gaan liggen waarin die [minderjarige]

ook lag, en/of (vervolgens)

- ( heel) dicht naast/tegen die [minderjarige] is gaan liggen

en/of

- met zijn, verdachte's, stijve penis de bil(len) van die [minderjarige]

heeft aangeraakt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 45 Wetboek van Strafrecht

art 247 Wetboek van Strafrecht

1 De processen-verbaal waar in de voetnoten naar wordt verwezen zijn in de wettelijke vorm en op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar paginanummers van de bijlagen bij de processen-verbaal van 16 januari 2018 en 12 februari 2018, genummerd PL0900-2017273836, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 440 en een ongenummerd proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek.

3 De hierna weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

4 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 5 september 2017, pagina 50.

5 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 juni 2018.

6 Een proces-verbaal van bevindingen van 5 september 2017, pagina 36.

7 Een proces-verbaal van bevindingen van 5 september 2017, pagina 37.

8 Een proces-verbaal van bevindingen van 5 september 2017, pagina 38.

9 Een proces-verbaal van bevindingen van 5 september 2017, pagina 40.

10 Een proces-verbaal van verhoor getuige van [minderjarige] van 6 september 2017, pagina 71.

11 Een proces-verbaal van verhoor getuige van [minderjarige] van 6 september 2017, pagina 72.

12 Een proces-verbaal van verhoor getuige van [minderjarige] van 6 september 2017, pagina 74.

13 Een proces-verbaal van verhoor getuige van [minderjarige] van 6 september 2017, pagina 73.

14 Een proces-verbaal van bevindingen van 15 januari 2018, pagina 191.