Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3504

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
6106264 MC EXPL 17-6459
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Kantonrechter wijst een eindvonnis in de zaak in conventie en verwijst de zaak in reconventie naar de handelskamer (vonnis van de handelskamer: ECLI:NL:RBMNE:2018:3505)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 7 maart 2018

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 6106264 / MC EXPL 17-6459 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V. ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie, hierna ook te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde mr. H.J.D. ter Waarbeek,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde mr. E. van Es.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 8 november 2017

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de brief van de zijde van [gedaagde] gedateerd 19 februari 2018 met bijgevoegd productie 8

  • -

    het verhandelde ter comparitie van 21 februari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] organiseert onder meer gemotoriseerde toertochten en business reizen in binnen- en buitenland. De heer [A] (hierna ook te noemen: [A] ) is bestuurder van [eiseres] .

2.2.

De heer [B] (hierna ook te noemen: [B] ) en de heer [C] (hierna ook te noemen: [C] ) zijn bestuurders van [gedaagde] .

2.3.

[eiseres] heeft in opdracht van [gedaagde] een reis georganiseerd voor 36 personen door Scandinavië van 12 tot en met 18 februari 2017 onder de naam ‘ [naam gedaagde] Lofoten Edition’. Naast deze 36 deelnemers hebben [A] en de heer [D] (hierna ook te noemen: [D] ) namens [eiseres] en [B] en [C] namens [gedaagde] aan de reis deelgenomen.

2.4.

[eiseres] heeft daartoe op 19 juli 2016 een zogenoemde ‘orderbevestiging’ aan [gedaagde] doen toekomen. Deze orderbevestiging is door [gedaagde] ondertekend. In de orderbevestiging is - voor zover van belang in deze procedure - het volgende opgenomen:

“(…)

- In de onderstaande reissom is inbegrepen: 6 overnachtingen in de hieronder genoemde hotels op basis van een tweepersoonskamer (…)”

2.5.

[gedaagde] heeft de door [eiseres] toegezonden facturen voor een totaalbedrag van € 106.214,90 betaald op 6 januari en 8 februari 2017.

2.6.

Van 18 tot en met 23 januari 2017 hebben [A] , [B] en [C] een zogenoemde voorreis gemaakt. Op 24 januari 2017 heeft [A] een verslag van de voorreis gemaild naar [B] en [C] . Bij e-mail van 30 januari 2017 heeft [B] onder meer de volgende opmerkingen gemaakt in het verslag:

“(…)

( [eiseres] :) [hotel X] | dit hotel hebben we vorige week vanwege de weersituatie niet kunnen bereiken. Het hotel heeft in optie staan: 10 single en 15 double superior rooms. De bedoeling is dat we het hotel in week -5- gaan inspecteren, net als de diners. ( [gedaagde] :) (De kamers zijn 12m2 meter groot... Dit is echt heel klein zeker voor 2 personen en 2 dagen. We moeten grotere kamers hebben dit is niet acceptabel voor onze groep) (…)”

2.7.

Op 31 januari 2017, 05.44 uur heeft [A] onder meer aan [B] en [C] gemaild:

“Voor wat betreft de hotelkamers zijn er normale tweepersoons kamers gereserveerd waarbij we vanwege onze (…) (jaar)kwantiteit normaliter de best beschikbare ontvangen (upgrading). Uitgezonderd hierbij zijn suites en specifieke aanvragen zoals; best mogelijke en/of grootste kamers. Voor deze laatste twee volgt, bij een specifieke aanvraag en beschikbaarheid, altijd een extra meerprijs. Ik heb dan ook echt per ommegaande de definitieve kamerlijst nodig. (…)”

2.8.

[B] heeft hierop op 31 januari 2017, 15:26 geantwoord:

[voornaam van C] zal dit ASAP sturen, ik verwacht vandaag.”

2.9.

Op 8 februari 2017, 16.02 uur heeft [A] aan [B] en [C] een mail van een medewerker van [hotel X] doorgestuurd met daarin een overzicht van de kamerprijzen en de volgende toevoeging van de medewerker:

If you want to upgrade to deluxe rooms it will cost 500 nok per rom and 1000 nok for Jr.Suite.

[A] heeft daaraan toegevoegd:

“De kamers welke wij hebben geboekt zij superior rooms, een eventuele upgrade is mogelijk meer tegen een meerprijs.”

2.10.

[B] heeft op 8 februari 2017, 17.29 uur als volgt gereageerd:

Ik vind 12 m2 echt niet acceptabel voor onze groep we hebben ook echt betere hotels en kamers gecommuniceerd naar onze deelnemers. [voornaam van A] (ktr: [A] ) kun jij kijken of je ons hierin wat tegemoet kan komen?

Je zou een voorstel kunnen doen naar het hotel om alles te laten upgraden naar junior suites maar dat je daar 500 nok voor wil bij betalen per nacht ipv 1000 nok.

gezien het aantal kamers doen ze dat waarschijnlijk wel.

2.11.

Tijdens de reis heeft [eiseres] op verzoek van [gedaagde] de auto’s van de deelnemers gewassen.

2.12.

[eiseres] heeft [gedaagde] een factuur met nummer 20170115 gedateerd 29 maart 2017 ten bedrage van € 4.280,24 toegezonden waarbij 25% korting is gegeven ten aanzien van ‘Upgrade duurdere kamers […] Tromso’ en 50% korting ten aanzien van ‘Man uren t.b.v. wassen deelnemende auto’s | 2 personen’.

2.13.

Op 3 april 2017 heeft [C] onder meer aan [A] gemaild:

“(…)

We hebben elkaar niet meer goed of uitgebreid gesproken sinds onze in het water gevallen Artic Tour 2017. Wat betreft de evaluatie; we weten eigenlijk niet waar we moeten beginnen, aangezien er in onze ogen (te) veel mis is gegaan deze trip. (…) we hebben te maken gehad met opzeggingen en schadeclaims na deze voor ons desastreus verlopen week en hebben alle deelnemers een pittige financiële handreiking moeten doen om de boel ordentelijk te sussen. We zijn er nog steeds doodziek van.”

2.14.

Op 4 april 2017 heeft [B] aan [A] gemaild:

“(…)

Ik verwacht niet dat jij ons gaat compenseren voor het feit dat wij vinden niet te hebben gekregen waarvoor we hebben betaald, maar wij gaan de factuur van ruim 4200 euro niet betalen. (…)”

2.15.

Op 7 april 2017 heeft [eiseres] opnieuw een factuur met nummer 20170115 gezonden aan [gedaagde] , ditmaal ten bedrage van € 5.966,89. Daarnaast heeft [eiseres] op diezelfde een factuur met nummer 20170118 gezonden aan [gedaagde] ten bedrage van € 2.320,88.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen:

  1. tot betaling van € 5.966,89, te vermeerderen met de samengestelde wettelijke rente voor handelstransacties vanaf 16 april 2017 tot de dag van algehele voldoening;

  2. tot betaling van € 2.320,88, te vermeerderen met de samengestelde wettelijke rente voor handelstransacties vanaf 16 april 2017 tot de dag van algehele voldoening;

  3. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten begroot op € 789,39;

  4. in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Zij betwist de juridische grondslag van de vordering in conventie en stelt dat zij geen aanvullende diensten is overeengekomen met [eiseres] . Verder betwist [gedaagde] dat door haar toedoen schade is ontstaan. Ten slotte zijn ook de door [eiseres] gehanteerde prijzen onjuist, aldus [gedaagde] .

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert samengevat - [eiseres] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot:

  1. vergoeding van de schade wegens gederfd reisgenot van € 49.181,25;

  2. vergoeding van de kosten die [gedaagde] heeft moeten maken om de geleden schade te vergoeden van € 50.000,00 (20 leden / 40 reizigers x € 2.500,00) vermeerderd met wettelijke rente;

  3. vergoeding van de schade van € 150.000,00 vanwege imagoschade en gederfde inkomsten aan [gedaagde] ;

  4. de kosten van de procedure in reconventie.

3.5.

[eiseres] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

[eiseres] heeft betaling gevorderd van haar facturen met de nummers 20170115 (gecorrigeerd) en 20170118. [gedaagde] heeft op 4 april 2017 meegedeeld dat factuur 20170115 van [eiseres] niet betaald zal worden. Door [eiseres] is gesteld en door [gedaagde] is niet weersproken dat [gedaagde] mitsdien vanaf 4 april 2017 in verzuim is. De kantonrechter gaat daar dan ook vanuit. De posten waar [eiseres] betaling van vordert zullen hierna beoordeeld worden.

Meerprijs kamers [hotel X]

4.2.

[eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat is overeengekomen dat de extra kosten voor de grotere kamers in [hotel X] voor rekening van [gedaagde] zouden komen. Er moest 30.640 NOK (€ 3.395,00) bijbetaald worden voor 21 omgeboekte kamers voor 2 nachten, oftewel € 83,03 per kamer per nacht. Dit is conform de vooraf gemaakte inschatting. Indien [gedaagde] de factuur binnen 8 dagen zou betalen zou een korting worden gegeven van 25%. Nu [gedaagde] niet binnen deze termijn heeft betaald, is de korting komen te vervallen, aldus [eiseres] .

4.3.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat deze extra kosten niet voor haar rekening dienen te worden gebracht. [gedaagde] heeft een all-in reis geboekt. De kamers in het [hotel X] waren voor haar onacceptabel klein en zij heeft [eiseres] verzocht dit kosteloos te herstellen en de kamers te upgraden naar junior suites. [eiseres] heeft daarop mondeling aangegeven dat het goed zou komen. [gedaagde] heeft hieruit mogen afleiden dat eventuele extra kosten voor rekening van [eiseres] zouden komen. Nergens blijkt ook uit dat [gedaagde] opdracht heeft gegeven tot het boeken van de duurdere kamers, dan wel akkoord is gegaan met de bijkomende prijzen, aldus [gedaagde] .

4.4.

De kantonrechter is van oordeel dat uit de e-mail van [A] van 8 februari 2017, 16.02 uur volgt dat [eiseres] onomwonden kenbaar heeft gemaakt dat upgraden van de kamers van het [hotel X] een meerprijs met zich mee zou brengen en tevens hoeveel die meerprijs zou bedragen. Daarop heeft [gedaagde] aangegeven dat 12 m2 echt niet acceptabel is en heeft zij derhalve ingestemd met het upgraden van de kamers en de bijbehorende tarieven. In de vraag van [gedaagde] of [eiseres] haar hierin wat tegemoet kon komen, kan de kantonrechter niet lezen dat [gedaagde] [eiseres] heeft verzocht de extra kosten volledig op zich te nemen. Dat [eiseres] mondeling zou hebben aangegeven dat ‘het goed zou komen’ wordt betwist door [eiseres] en is niet onderbouwd door [gedaagde] zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Dit nog daargelaten dat de (betwiste) opmerking ‘dat het goed zou komen’ evenals de vraag ‘kun jij kijken of je ons hierin wat tegemoet kan komen’ niet zonder meer een toezegging van [eiseres] inhouden dat zij deze extra kosten voor haar rekening zou nemen, als gesteld door [gedaagde] . [gedaagde] heeft niet betwist dat de 25% korting alleen zou gelden indien de factuur binnen acht dagen zou worden betaald. Zij heeft slechts haar verbazing over deze gang van zaken geuit. Uit het voorgaande volgt dat de vordering tot betaling van € 3.395,00 voor het upgraden van de kamers van het [hotel X] voor toewijzing in aanmerking komt.

Wassen auto’s deelnemers

4.5.

[eiseres] heeft betaling gevorderd van een bedrag van € 1.050,60 voor het wassen van de auto’s van de deelnemers aan de reis. Dit wassen is op verzoek van [gedaagde] gebeurd en de kosten zijn gemaakt in overleg met en met toestemming van [gedaagde] , aldus [eiseres] .

4.6.

[gedaagde] heeft ter comparitie erkend dat zij [eiseres] heeft gevraagd om de auto’s van de deelnemers te wassen nadat deze erg vuil waren geworden tijdens het transport. [gedaagde] heeft echter een all-in prijs betaald en er is niet gesproken over een vergoeding voor het wassen van de auto’s. [gedaagde] ging er vanuit dat het service van [eiseres] was.

4.7.

Dit onderdeel van de vordering komt voor toewijzing in aanmerking. De stelling van [eiseres] dat deze kosten zijn gemaakt in overleg met en met toestemming van [gedaagde] , wordt ondersteund door de verklaring van [D] die [eiseres] in de procedure heeft gebracht. [D] heeft namelijk verklaard dat hij bij [A] zat toen deze telefoneerde met - zoals [D] dat begreep - iemand van [gedaagde] . [D] kon alleen horen wat [A] zei, maar het was hem duidelijk dat aan [A] opdracht werd gegeven om de auto’s te wassen. [A] zei dat hij daar wel een extra rekening voor zou maken, aldus [D] . Deze verklaring ondersteunt de stellingen van [eiseres] en niet die van [gedaagde] . Nu [eiseres] de werkzaamheden zelf heeft verricht en [gedaagde] verder geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de vordering, zal deze tot € 1.050,60 worden toegewezen.

Overige posten

4.8.

De overige posten waarvan [eiseres] betaling vordert zijn: gebak (€ 539,66), parkeerkosten witte Range Rover Tromsø (€ 85,00), taxikosten Svolvær (€ 42,57), drankjes anders dan het aangeboden wijnarrangement tijdens diner Lapland Lodge (€ 465,40), transportkosten banden Range Rover (€ 388,66), brandstof Ice Drive Experience (€ 634,48) en schade aan gehuurde Porsches (€ 1.686,40).

4.9.

Ter onderbouwing van voornoemde vorderingen heeft [eiseres] het volgende gesteld. Het gebak (dessert) na afloop van de lunch in Tromsø, de parkeerkosten witte Range Rover Tromsø gemaakt in overleg met [gedaagde] , de drankjes anders dan het aangeboden wijnarrangement tijdens diner Lapland Lodge en de brandstof voor de Ice Drive Experience waren niet inbegrepen in de prijs en dienen dus apart te worden betaald. Ten slotte hebben enkele deelnemers bij de Ice Drive Experience schade veroorzaakt aan de gehuurde Porsches. De schade is door de betreffende organisatie aan [eiseres] in rekening gebracht en [B] heeft aan [A] toegezegd dat [gedaagde] deze kosten zou dragen, aldus [eiseres] .

4.10.

[gedaagde] heeft zich ter comparitie op het standpunt gesteld dat het genuttigde gebak in Tromsø en de brandstof voor de Ice Drive Experience bij de all-in prijs waren inbegrepen. [gedaagde] weet niets van de parkeerkosten van de witte Range Rover in Tromsø. De taxikosten Svolvær betreffen taxikosten van [A] zelf, die de betreffende rit ook met zijn eigen auto had kunnen maken. Niet is overeengekomen dat ‘drankjes anders dan het aangeboden wijnarrangement tijdens diner Lapland Lodge’ voor rekening van [gedaagde] zouden komen. De transportkosten voor de Range Rover banden zijn niet door [eiseres] gemaakt aangezien de betreffende banden nog steeds in Scandinavië liggen opgeslagen. Ter comparitie heeft [gedaagde] wel aangegeven dat zij bereid is deze kosten te betalen, indien zij dan ook daadwerkelijk weer de beschikking krijgt over de betreffende banden. Ten slotte heeft [gedaagde] betwist dat schade aan de (al beschadigde) Porsches is veroorzaakt en dat zij heeft erkend enige schade te vergoeden. Subsidiair heeft [gedaagde] de gevorderde bedragen betwist en aangevoerd dat iedere onderbouwing ontbreekt.

4.11.

De kantonrechter overweegt als volgt. [eiseres] heeft gesteld deze gevorderde bedragen te hebben voorgeschoten of betaald voor [gedaagde] . [gedaagde] heeft dit betwist. Gelet op dit verweer had [eiseres] haar stellingen nader dienen te onderbouwen door (bijvoorbeeld) de oorspronkelijke facturen in de procedure te brengen van het gebak, de parkeerkosten Tromsø, de taxikosten Svolvær, de drankjes anders dan het aangeboden wijnarrangement tijdens diner Lapland Lodge, de transportkosten banden Range Rover, de brandstof Ice Drive Experience en de schade aan de gehuurde Porsches. [eiseres] heeft dit nagelaten en alleen al om die reden worden deze vorderingen als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

Rente en buitengerechtelijke incassokosten

4.12.

De gevorderde wettelijke handelsrente is als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijsbaar. Op grond van artikel 6:119a lid 3 BW wordt telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. Nu [gedaagde] vanaf 4 april 2017 in verzuim is, is er nog geen jaar verstreken en is de gevorderde samengestelde rente niet toewijsbaar.

4.13.

[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De kantonrechter zal het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten toewijzen tot het wettelijke tarief. Het beroep van [gedaagde] op artikel 6:96 lid 6 BW treft geen doel, nu [gedaagde] niet kan worden aangemerkt als een schuldenaar die een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.14.

[eiseres] heeft gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [gedaagde] heeft hier verweer tegen gevoerd en heeft gesteld dat zij bij een (gedeeltelijk) veroordelend vonnis hoger beroep zal instellen. Tussentijdse executie zal veel nadeel en schade voor [gedaagde] meebrengen en levert in de gegeven omstandigheden strijd met de redelijkheid en billijkheid op nu zij haar vermogen zal moeten aanspreken, terwijl [eiseres] geen althans weinig nadeel zal ondervinden door de eventuele procedure in hoger beroep. De belangen van [gedaagde] vergen dat de uitkomst van een hoger beroepsprocedure afgewacht dient te worden, aldus [gedaagde] .

4.15.

Bij de beoordeling van een vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient daarbij in de regel buiten beschouwing te blijven (vgl. Hoge Raad 29 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2215).

4.16.

De kantonrechter is van oordeel dat de in algemene termen gestelde belangen die [gedaagde] stelt te hebben en die er kort gezegd op neerkomen dat zij financieel nadeel lijdt in geval van een (gedeeltelijk) veroordelend vonnis, niet zwaarder wegen dan de belangen van [eiseres] aangezien zij juist financieel nadeel lijdt indien zij dit vonnis niet terstond kan executeren. De gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring zal derhalve worden toegewezen.

Proceskosten

4.17.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiseres] worden veroordeeld. Tot op heden worden de kosten aan de zijde van [eiseres] begroot op:

- explootkosten € 85,21

- griffierecht € 470,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten x € 200,00)

Totaal € 955,21

in reconventie

4.18.

[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van non-conformiteit in de uitvoering van de reisovereenkomst en dat zij hierover tijdig heeft geklaagd bij [eiseres] . [gedaagde] vordert van [eiseres] de betaalde reissom van € 49.181,45. Daarnaast vordert [gedaagde] een bedrag van € 50.000,00 omdat zij ieder deelnemend team ter compensatie een bedrag van € 2.500,00 heeft terugbetaald. Ten slotte vordert [gedaagde] € 150.000,00 ter zake imagoschade en gederfde winst.

4.19.

[eiseres] heeft verweer gevoerd.

4.20.

Op grond van artikel 93 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) behandelt de kantonrechter kort gezegd geldvorderingen tot € 25.000,00 (zogenoemde “waarde vorderingen”), arbeidszaken, consumentenkrediet- en consumentenkoopovereenkomsten, huurzaken en enkele aanverwante zaken (zogenoemde “aardvorderingen”). De kantonrechter is bevoegd te oordelen over de eis in conventie nu dit een geldvordering van

€ 8.287,77 exclusief de tot aan de dag van dagvaarding verschenen rente betreft. De eis in reconventie overschrijdt echter de grens van € 25.000,00, nu een bedrag van € 249.181,25 wordt gevorderd. De kantonrechter is echter ingevolge artikel 97 lid 1 Rv bevoegd tevens over de eis in reconventie te oordelen voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. Het is de kantonrechter echter niet gebleken dat de samenhang tussen deze vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet nu de vordering in conventie ziet op andere (gestelde en betwiste) overeenkomsten opgekomen tijdens de reis van 12 tot en met 18 februari 2017 en de vordering in reconventie ziet op de tussen partijen niet ter discussie gestelde orderbevestiging van 19 juli 2016 en de uitvoering daarvan.

4.21.

De kantonrechter is gelet op de waarde van de vordering in reconventie en het gebrek aan samenhang tussen de vordering in conventie en reconventie niet bevoegd van de vordering in reconventie kennis te nemen. De kantonrechter zal de zaak in reconventie met toepassing van artikel 71 lid 1 Rv ambtshalve verwijzen naar de kamer voor handelszaken in de huidige stand van het geding. Dientengevolge worden de zaken in conventie en in reconventie gesplitst op basis van artikel 138 lid 2 Rv. Na verwijzing kunnen partijen alleen bij advocaat procederen.

4.22.

Ingevolge artikel 4 lid 2 onder b Wet griffierecht burgerlijke zaken zal er na de verwijzing geen griffierecht worden geheven over de eis in reconventie.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tegen bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 4.445,60 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 16 april 2017 tot de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tegen bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 569,56 ter zake buitengerechtelijke incassokosten;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 400,00 voor salaris gemachtigde, € 85,21 voor kosten van de dagvaarding en € 470,00 voor griffierecht;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

5.6.

verklaart zich onbevoegd van deze vordering kennis te nemen;

5.7.

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de handelskamer van de afdeling Civiel recht van deze rechtbank, zittingslocatie Lelystad, op woensdag 4 april 2018 om 10.00 uur;

5.8.

wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure alleen bij advocaat kunnen procederen;

5.9.

wijst partijen erop dat de handelskamer zal beslissen over de proceskosten in deze procedure in reconventie.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C. van Haren en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2018.