Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3503

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
NL17.15513
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

17 Iw verzet tegen de tenuitvoerlegging van dwangbevelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL17.15513

Vonnis van 10 juli 2018

in de zaak van

[eiser in het verzet] ,
wonende te [woonplaats],
eiser in het verzet, hierna te noemen: [eiser in het verzet],
advocaat G. Boot te De Bilt,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST,
kantoorhoudende te Utrecht,
verweerster in het verzet, hierna te noemen: de Ontvanger,
advocaat N.M. Korstenbroek te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding

  • -

    het verweerschrift

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 29 mei 2018.

1.2.

Daarna is de datum voor het vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1.

De Ontvanger heeft dwangbevelen uitgevaardigd tegen [eiser in het verzet] voor belastingaanslagen over de jaren 2007 (nummer h76), 2008 (nummer h86) en 2009 (nummer h92). Op 2 oktober 2017 heeft de Ontvanger aangekondigd dat zij beslag zou gaan leggen op de looninkomsten van [eiser in het verzet] om de nog openstaande belastingschulden te incasseren. Die belastingschulden bedragen volgens de Ontvanger € 3.810,00 (h76), € 10.694,00 (h86) en € 10.158,00 (h92), exclusief rente en kosten.

2.2.

Vervolgens heeft de Ontvanger beslag gelegd op de looninkomsten van [eiser in het verzet]. [eiser in het verzet] is het daar niet mee eens. Daarom is hij op grond van artikel 17 van de Invorderingswet 1990 (Iw) deze verzetprocedure gestart. [eiser in het verzet] vordert dat zijn verzet gegrond en ontvankelijk wordt verklaard en dat de dwangbevelen buiten effect worden gesteld. De rechtbank begrijpt dat hij daarmee alle dwangbevelen bedoelt die zijn uitgevaardigd voor de belastingaanslagen h76, h86 en h92.

2.3.

Op de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de belastingaanslagen waarvoor de dwangbevelen zijn uitgevaardigd inmiddels onherroepelijk vaststaan. Het belangrijkste argument van [eiser in het verzet] om zich tegen de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen te verzetten is gebaseerd op het volgende. De echtgenote van [eiser in het verzet], mevrouw [A], had recht op belastingteruggaven van de Ontvanger. Op 19 juli 2011 heeft [A] de Ontvanger verzocht om haar teruggaven te verrekenen met de belastingschulden van [eiser in het verzet]. In totaal zou (volgens [eiser in het verzet]) langs die weg een bedrag van ruim € 22.360,00 moeten zijn verrekend. De Ontvanger heeft in haar verweerschrift geschreven dat van de aanslagen h76, h86 en h92 (inclusief rente en kosten) een bedrag van € 3.154,00 is voldaan door verrekening met de teruggaven aan [A]. Volgens [eiser in het verzet] moet dat meer zijn. Hij gaat ervan uit dat niet alle verrekeningen door de Ontvanger zijn doorgevoerd en dat hij meer heeft betaald dan de Ontvanger heeft verwerkt. Volgens [eiser in het verzet] zal er na verrekening van alle teruggaven nog een schuld van ongeveer € 7.800,00 openstaan, in plaats van ruim € 20.000,00 waarvoor de Ontvanger beslag heeft gelegd.

2.4.

Dit argument slaagt niet. [eiser in het verzet] heeft namelijk pas op de mondelinge behandeling duidelijk naar voren gebracht dat zijn verzet op dit argument was gebaseerd. Dit kon uit de procesinleiding niet (voldoende) worden afgeleid. [eiser in het verzet] heeft in de procesinleiding bijvoorbeeld niet uitgelegd dat volgens hem ruim € 22.360,00 door teruggaven moest zijn verrekend en hij heeft ook geen overzicht bijgevoegd waaruit blijkt om welke teruggaven het precies gaat. Weliswaar heeft hij op de zitting aangeboden dat alsnog te doen maar dat is te laat. De Ontvanger kon op dat moment namelijk niet onderzoeken waarop de bedoelde teruggaven precies waren afgeboekt en met welke aanslagen deze (eventueel) zijn verrekend. Dat komt volgens de regels van het civiele procesrecht voor risico van [eiser in het verzet]. Daar komt bij dat de Ontvanger op de zitting heeft uitgelegd dat het geld dat zij binnenkrijgt in haar systeem altijd ergens op afgeboekt moet worden en dat de bedragen die zijn vrijgekomen uit teruggaven van [A] dus niet zomaar kunnen zijn verdwenen. De Ontvanger vermoedt dat het bedrag wat [eiser in het verzet] noemt met andere aanslagen is verrekend dan de aanslagen h76, h86 en h92. [eiser in het verzet] heeft niet weersproken dat dit een mogelijkheid zou kunnen zijn, zodat deze uitleg de rechtbank niet onlogisch voorkomt.

2.5.

[eiser in het verzet] voert ook nog aan dat hij een betalingsregeling is overeengekomen met de Ontvanger. Op de zitting is gebleken dat hij daarmee de afspraak bedoelt om de teruggaven van [A] te verrekenen met zijn belastingschuld. Dat de Ontvanger die afspraak niet is nagekomen is, zoals hierboven is gemotiveerd, niet gebleken. Voor zover [eiser in het verzet] een andere betalingsregeling bedoelt is dat de rechtbank niet duidelijk geworden.

2.6.

[eiser in het verzet] verwijst verder nog naar een brief van 9 mei 2017 waaruit blijkt dat hij (een afdeling van) de Ontvanger om een persoonlijke betalingsregeling heeft verzocht, waarop de Ontvanger heeft geantwoord dat er geen terugvorderingsbeschikkingen meer openstonden zodat zij het verzoek niet in behandeling kon nemen. Volgens [eiser in het verzet] mocht hij daaruit afleiden dat er geen belastingschulden meer openstonden. De Ontvanger heeft uitgelegd dat de brief van 9 mei 2017 afkomstig is van de afdeling Toeslagen en dat dit een aparte instantie is die terugvorderingsbeschikkingen van bijvoorbeeld huur- of kindertoeslag regelt. Deze afdeling heeft volgens de Ontvanger niets te maken met de belastingaanslagen waar het in deze procedure om gaat. [eiser in het verzet] heeft dit niet weersproken en hij heeft ook onvoldoende onderbouwd aangevoerd dat hij uit deze brief heeft afgeleid dat hij geen belastingschulden meer had. [eiser in het verzet] heeft namelijk op de zitting verklaard dat ook hij ervan uitgaat dat er (na verrekening) nog een belastingschuld openstaat.

2.7.

[eiser in het verzet] heeft daarnaast aangevoerd dat hij nog in afwachting is van een teruggave inkomstenbelasting over het jaar 2016 van rond de € 5.000,00 en dat dit bedrag in mindering moet strekken op de belastingschuld. De Ontvanger heeft daarop gereageerd dat dit bedrag (van € 5.003,00) al verrekend is met de aanslagen h76 en h86 (of de bijkomende kosten daarbij). Dat heeft [eiser in het verzet] niet weersproken zodat ook dit argument niet slaagt.

2.8.

[eiser in het verzet] heeft verder geen argumenten of omstandigheden aangevoerd op basis waarvan het verzet gegrond kan worden verklaard. Het verzet zal daarom ongegrond worden verklaard en de overige vorderingen zullen worden afgewezen.

2.9.

Door het instellen van deze verzetprocedure moest de Ontvanger stoppen met het invorderen van de belastingschuld. Dat wordt ook wel schorsende werking genoemd (zie artikel 17 lid 2 Iw). De Ontvanger heeft de rechtbank verzocht de in dit vonnis uit te spreken ongegrondverklaring uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zodat zij niet (opnieuw) hoeft te stoppen met het invorderen van de belastingschuld als [eiser in het verzet] hoger beroep instelt. Dat kan de rechtbank doen, als de belastingschuldige die de verzetprocedure is gestart door het inroepen van de aan het verzet verbonden schorsende werking zijn bevoegdheid misbruikt. Daarvan is sprake als het verzet zo duidelijk kansloos is, dat het belang van de belastingschuldige bij de schorsing van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de Ontvanger bij de voortzetting daarvan (zie HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1525, r.o. 3.3.). De rechtbank vindt dat aan dit vereiste is voldaan. Daarbij is van belang dat [eiser in het verzet] deze procedure voornamelijk is gestart omdat hij onduidelijkheid had over wat er met de teruggaven van [A] is gebeurd en dat hij dat pas op de zitting heeft uitgelegd, zodat de Ontvanger hem daarover in deze procedure geen duidelijkheid heeft kunnen geven. Ook weegt de rechtbank mee dat [eiser in het verzet] het ermee eens is dat hij nog een aanzienlijk bedrag (ruim € 7.000,00) aan de Ontvanger moet betalen en dat hij geen enkele omstandigheid heeft genoemd waaruit kan worden afgeleid dat zijn belang bij het stoppen van de invordering zwaarder moet wegen dan het belang van de Ontvanger om belasting te incasseren. Dat betekent dat de rechtbank dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren.

2.10.

[eiser in het verzet] heeft ongelijk gekregen en hij moet daarom de proceskosten van de Ontvanger betalen. Die kosten worden begroot op:

- griffierecht € 1.924,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 3.010,00

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart het verzet ongegrond,

3.2.

veroordeelt [eiser in het verzet] in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op € 3.010,00,

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.V.M. Gehlen en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.