Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3493

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
UTR 18/2164
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bestuursdwang schoolgebouwen [straatnaam]

28 juni 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt alle bewoners en gebruikers van de schoolgebouwen aan de [straatnaam] [nummeraanduiding] en [nummeraanduiding], onder aanzegging van bestuursdwang gelast om de bewoning (kraak) van deze schoolgebouwen te beëindigen voor 20 juli 2018. De kosten in geval van toepassing van de bestuursdwang zullen op de overtreders worden verhaald.

Op de zitting heeft het college de termijn verlengd tot en met drie dagen na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

De bewoning (kraak) van de schoolgebouwen is in strijd met het bestemmingsplan en daarom niet toegestaan. Het college heeft met het handhavend optreden beoogd deze overtreding te beëindigen. Volgens het college zijn de schoolgebouwen namelijk ongeschikt voor bewoning en staat de kraak bovendien in de weg aan de plannen om de schoolgebouwen anti kraak (geen bewoning) te laten verhuren door tussenkomst van een daarin gespecialiseerd bedrijf. Ook heeft de kraak gezorgd voor maatschappelijk onrust in de buurt.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college een beginselplicht tot handhaving heeft en oordeelt dat het college in dit geval in redelijkheid tot handhaving is overgegaan. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het college zijn bevoegdheid tot bestuurlijk optreden met een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Ook ziet de voorzieningenrechter niet dat het college een onevenwichtige belangenafweging heeft gemaakt. Het huisrecht van de krakers heeft het college in redelijkheid van mindere zwaarte mogen achten.

Het betoog van de krakers slaagt niet. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt dan ook afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/2164

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juli 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

1 a

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], verzoekers

(gemachtigde: mr. J.L. Baar)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder

(gemachtigde: mr. L.M. Noordam).

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de leden van Woongroep [woongroep 1] en Woongroep [woongroep 2] en [A] en [verzoeker 2] onder aanzegging van bestuursdwang, gelast om de bewoning van de schoolgebouwen aan de [straatnaam] [nummeraanduiding] en [nummeraanduiding] in [plaatsnaam] (kadastraal bekend als gemeente [naam gemeente] , sectie [sectie-aanduiding] , nummers [nummeraanduiding] en [nummeraanduiding] ) te beëindigen voor 15 juni 2018. Daarbij heeft verweerder gemeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang op de overtreders zullen worden verhaald.

Verzoekers hebben vervolgens bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 12 juni 2018 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2018. Verzoeker [verzoeker 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [B] .

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld om het primaire besluit op geschikte wijze bekend te maken.

Bij besluit van 28 juni 2018 heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken en alle bewoners en gebruikers onder aanzegging van bestuursdwang, gelast om de bewoning van de schoolgebouwen aan de [straatnaam] [nummeraanduiding] en [nummeraanduiding] in [plaatsnaam] te beëindigen voor 20 juli 2018. Daarbij heeft verweerder gemeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang op de overtreders zullen worden verhaald.

Op 16 juli 2018 heeft een tweede onderzoek op de zitting plaatsgevonden. Verzoeker [verzoeker 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [C] en [B] .

Op de zitting heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot en met drie dagen na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.

1.1

De rechtspersoon gemeente De Bilt is eigenaar van de schoolgebouwen aan de [straatnaam] [nummeraanduiding] en [nummeraanduiding] in [plaatsnaam] . Op deze percelen rust op grond van het bestemmingsplan ‘ [plaatsnaam] 2009’ (hierna: bestemmingsplan) de bestemming ‘Maatschappelijk-1’. Ingevolge artikel 10.1 van de planregels zijn deze gronden bestemd voor het uitoefenen van activiteiten gericht op sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening. Wonen is op deze gronden niet toegestaan.

1.2

Bij brief van 28 februari 2018 hebben verzoekers verweerder laten weten dat de twee schoolgebouwen door hen en anderen worden bewoond (zijn gekraakt). Naar aanleiding daarvan hebben op 1 maart en 3 april 2018 inspecties plaatsgevonden waarbij inderdaad is geconstateerd dat de schoolgebouwen worden bewoond. Verweerder heeft daarom bij brief van 5 april 2018 de oplegging van een last onder bestuursdwang aangekondigd. Daarna heeft verweerder het onder ‘Procesverloop’ vermelde primaire besluit genomen.

1.3

Na de schorsing van het onderzoek op de zitting van 21 juni 2018, heeft op 27 juni 2018 opnieuw een inspectie plaatsgevonden. Hierbij is geconstateerd dat de twee schoolgebouwen nog steeds worden bewoond. Vervolgens heeft verweerder het onder ‘Procesverloop’ vermelde besluit van 28 juni 2018 genomen.

Ten aanzien van het primaire besluit

2. Het verzoek van verzoekers heeft gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op het besluit van 28 juni 2018 dat in de plaats komt van het primaire besluit. Gesteld noch gebleken is dat verzoekers nog een belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het primaire besluit. Voor zover het verzoek daartegen is gericht zal de voorzieningenrechter het daarom niet‑ontvankelijk verklaren.

3. Omdat verweerder het primaire besluit naar aanleiding van het verzoek heeft ingetrokken en vervangen bij besluit van 28 juni 2018, veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten die verzoekers in verband met hun verzoek redelijkerwijs hebben gemaakt. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1002,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 21 juni 2018, met een waarde per punt van € 501,-- en een wegingsfactor 1). Ook bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht van € 170, aan hen vergoedt.

Ten aanzien van het besluit van 28 juni 2018

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Gelet op de dreiging van uithuisplaatsing is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval sprake van een voldoende spoedeisend belang bij het indienen van het verzoek.

5. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de bezwaarprocedure is in beginsel alleen aanleiding als het besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig, in stand kan blijven. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemprocedure niet.

6. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de voorzieningenrechter is van oordeel, dat sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan. Ook is tussen partijen niet in geschil dat er geen concreet zicht bestaat op legalisatie en dat verzoekers een huisrecht hebben verworven. De gemachtigde van verzoekers heeft tot slot de gronden die gaan over formele gebreken in de besluitvorming op de zitting ingetrokken, zodat ook de bekendmaking van de last geen onderwerp van geschil meer is.

7.1

Verzoekers voeren in de eerste plaats aan dat verweerder niet (uitsluitend) hen maar (ook) de eigenaar van de schoolgebouwen had moeten aanschrijven.

7.2

De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet. Op grond van artikel 5:24, derde lid, van de Awb wordt de last onder bestuursdwang bekendgemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager. Nu het besluit van 28 juni 2018 op geschikte wijze aan verzoekers is bekendgemaakt is het in werking getreden. De omstandigheid dat het besluit van 28 juni 2018 niet ook aan de rechtspersoon gemeente De Bilt als eigenaar van de schoolgebouwen is gericht en/of verzonden, kan de rechtmatigheid daarvan niet aantasten. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (ABRvS) van 13 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD9935. Het betoog slaagt niet.

8.1

Verzoekers voeren verder aan dat verweerder een publiekrechtelijke handhavingsprocedure voert om een privaatrechtelijk belang te behartigen. De rechtspersoon gemeente De Bilt als eigenaar, wil de schoolgebouwen anti-kraak laten verhuren door tussenkomst van een daarin gespecialiseerd bedrijf. Verhuur is een privaatrechtelijk eigendomsbelang. Door dat ten grondslag te leggen aan het handhavend optreden handelt verweerder in strijd met het verbod van détournement de pouvoir, aldus verzoekers.

8.2.

De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Verweerder heeft dus een beginselplicht tot handhaving.

In artikel 3:3 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel mag gebruiken dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Gelet op de beginselplicht tot handhaving hoeft verweerder geen speciale reden te hebben voordat tot handhaving kan worden overgegaan. Met de vaststelling dat sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan is gegeven dat verweerder de bevoegdheid heeft om bestuursrechtelijk op te treden. Uit het besluit van 28 juni 2018 blijkt en ook ter zitting is namens verweerder toegelicht, dat verweerder met het handhavend optreden heeft beoogd de overtreding van het bestemmingsplan te beëindigen. Dit vanwege de ongeschiktheid van de schoolgebouwen voor bewoning, de plannen om de schoolgebouwen anti-kraak (geen bewoning) te laten verhuren door tussenkomst van een daarin gespecialiseerd bedrijf en tot slot vanwege de maatschappelijke onrust die door de kraak is ontstaan. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder op oneigenlijke gronden gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het uitoefenen van bestuursdwang. Dat de plannen om de schoolgebouwen te laten verhuren ook reden is geweest voor het handhavend optreden doet naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet af aan verweerders handhavingsbevoegdheid. Het betoog van verzoekers slaagt niet.

9.1

Verzoekers voeren aan dat het handhavend optreden een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het door hen verworven huisrecht. Zij wijzen op de uitspraken van de rechtbank Groningen van 5 oktober 2012, ECLI:NL:RBGRO:2012:BX9276, en de rechtbank Amsterdam van 6 januari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:27, waarin bij de weging van de wederzijdse belangen is geoordeeld dat in geval van een verworven huisrecht slechts handhavend mag worden opgetreden als sprake is van zeer concrete plannen voor de ontwikkeling van de in geding zijnde gebouwen die op zeer korte termijn zullen worden uitgevoerd. De plannen van verweerder om de schoolgebouwen op korte termijn alleen anti‑kraak te verhuren of om de gebouwen in de toekomst te verkopen of te slopen, zijn onvoldoende concreet. Tot slot is de ongeschiktheid van de schoolgebouwen voor bewoning vanwege de nabijgelegen snelweg en spoorweg een aspect van woonkwaliteit, ofwel een zorg van de bewoners zelf, zodat ook hierin geen gerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht ligt.

9.2

De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet. Zoals al onder 8.2 opgenomen heeft verweerder een beginselplicht tot handhaving. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag verweerder van handhavend optreden afzien. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat, of als handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Vraag die voorligt is dus of verweerder gelet op het door verzoekers verworven huisrecht in dit geval van handhavend optreden had moeten afzien.

In bestuursrechtelijke procedures waar de beginselplicht tot handhaving aan de orde is, maakt een verworven huisrecht deel uit van de totale belangenafweging van verweerder bij zijn keuze om wel of niet handhavend op te treden. Vanwege de beginselplicht tot handhaving legt het verworven huisrecht in dat geval dus een ander, al dan minder niet zwaar, gewicht in de schaal dan wanneer een dergelijke beginselplicht niet speelt, zoals in de (privaatrechtelijke) procedures waar verzoekers op wijzen. Het beoordelingskader in deze procedures is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet een-op-een toepasbaar in onderhavige zaak. Vraag die voorligt is of verweerder het huisrecht van verzoekers op juiste wijze heeft afgewogen tegenover het algemeen belang dat is gediend met handhaving. Verweerder is overgegaan tot handhavend optreden met het oog op beëindiging van de overtreding van het bestemmingsplan vanwege de ongeschiktheid van de schoolgebouwen voor bewoning, de plannen om de schoolgebouwen anti-kraak te laten verhuren (geen bewoning) in afwachting van de uitvoering van de definitieve plannen voor de panden en tot slot vanwege de maatschappelijke onrust die door de kraak is ontstaan. Het belang van verzoekers heeft verweerder daartegenover van mindere zwaarte bevonden. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verweerder daarin een onevenwichtige afweging heeft gemaakt. Daarbij neemt de voorzieningenrechter mee dat de plannen met de panden op het moment van de zitting voldoende concreet zijn. Ter zitting is namens verweerder toegelicht dat met de verhuurplannen immers zal worden gestart zodra de bewoning is beëindigd en dat vervolgens begonnen zal worden met de uitvoering van de plannen voor de definitieve invulling van de bestemming van de panden. Dat de ongeschiktheid van de schoolgebouwen voor bewoning is gelegen in het feit dat de schoolgebouwen nabij de snelweg en spoorweg liggen en dat het verzoekers het niet uitmaakt om nabij een snelweg en spoorweg te wonen, maakt niet dat geen sprake is van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden. Het betoog slaagt niet.

10. De slotsom is dat verweerder naar het oordeel van de vooorzieningenrechter in redelijkheid tot handhaving is overgegaan. Het verzoek om een voorlopige voorziening voor zover dat is gericht tegen het besluit van 28 juni 2018 wordt dan ook afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening voor zover dat is gericht tegen het primaire besluit niet‑ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1002,--;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht van € 170,-- aan hen vergoedt.

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening voor zover dat is gericht tegen het besluit van 28 juni 2018 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.