Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3408

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
16/659967-17; 16/181968-16 (gev. ttz); 16/153745-17 (gev. ttz);
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 28-jarige man die zich in augustus 2017 schuldig heeft gemaakt aan een steekpartij in een studentenwoning op de Uithof is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot tbs met voorwaarden. Vandaag is het eindvonnis in deze zaak uitgesproken.

De rechtbank oordeelde op 19 februari 2018 in een tussenvonnis dat hij zich op de bewuste avond in augustus schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Ook heeft hij zich eerder schuldig gemaakt aan twee mishandelingen en belediging, door iemand in het gezicht te spugen. De eerste mishandeling was in 2016 toen hij in een sportschool een fitness-instructeur meerdere klappen gaf. Een jaar later sloeg hij een collega in de pauze van zijn vakantiebaan. In het tussenvonnis van februari 2018 is het onderzoek heropend omdat er aanvullende rapportage nodig was over de noodzakelijke behandeling van de man.

De man pleegde de strafbare feiten als gevolg van psychotische waanideeën. Hij dacht dat er over hem werd geroddeld of dat hij werd gepest. De man is volledig ontoerekeningsvatbaar is en daarom niet strafbaar. Hij gebruikt sinds een aantal maanden nieuwe medicijnen en werkt mee aan de behandeling. De rechtbank is het met de verdediging en officier van justitie eens dat tbs met voorwaarden voldoende is om de kans op te herhaling te voorkomen. Eén van de voorwaarden is dat hij opgenomen zal worden in een kliniek om verder behandeld te worden voor zijn problematiek. Bij overtreding van de voorwaarden kan de tbs met voorwaarden alsnog worden omgezet in een tbs met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/659967-17; 16/181968-16 (gev. ttz); 16/153745-17 (gev. ttz);

16/659019-18 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 19 juli 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Op 19 februari 2018 is een tussenvonnis gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 februari 2018. Bij de beraadslaging naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 februari 2018 is de rechtbank gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank achtte zich onvoldoende voorgelicht over de persoon van de verdachte en de afdoening van de zaak. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting daarom op 19 februari 2018 heropend, geschorst en de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris om een aanvullende rapportage door drs. M.M. Sprock, psychiater, en drs. M.L. de Groot, GZ-psycholoog, op te laten maken, waarin zij zich uitlaten over de vraag of de in het tussenvonnis omschreven veranderde omstandigheden aanleiding geven hun advies ten aanzien van de op te leggen maatregel te heroverwegen.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft na heropening plaatsgevonden op 13 april 2018, alwaar de rechtbank de officier van justitie opdracht heeft gegeven een maatregelenrapport door de reclassering te laten opmaken, en op 5 juli 2018. Het onderhavige vonnis bevat de standpunten en beslissingen over de afdoening van de zaak en over de vorderingen van de benadeelde partijen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadere vordering en standpunten van officier van justitie mr. C.E. Craenen en van hetgeen verdachte en raadsman mr. M.F. van Hulst, advocaat te Utrecht, alsmede raadsvrouw mr. C.A.M. Dilven, advocaat te Etten-Leur, namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] naar voren hebben gebracht.

2 OPLEGGING VAN MAATREGEL

2.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zijn vordering van 5 februari 2018 gewijzigd naar aanleiding van de aanvullende rapportages van deskundigen Sprock en De Groot en het maatregelenrapport van de reclassering. De officier van justitie heeft nader gevorderd verdachte ter zake van het bewezen verklaarde te veroordelen tot terbeschikkingstelling met voorwaarden voor de duur van twee jaren. De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel gevorderd en heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de in het maatregelenrapport opgenomen voorwaarden moet worden toegevoegd de voorwaarde dat verdachte zal meewerken aan controles op zijn medicijngebruik.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman blijft bij zijn standpunt dat terbeschikkingstelling met voorwaarden de meest geëigende maatregel is. Verdachte heeft inmiddels al ruim tien maanden in detentie doorgebracht en heeft in die periode de weg naar boven gevonden. Hij neemt de medicatieadviezen van zijn psychiater ter harte en neemt deel aan therapieën.

Verdachte is bereid zich te houden aan de voorwaarden die in het maatregelenrapport zijn opgenomen en aan de voorwaarde die hier volgens de officier van justitie aan moet worden toegevoegd.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Een schokkend en zeer ernstig feit. Verdachte heeft aangever [benadeelde partij 1] meermalen -uit het niets- in zijn hals gestoken. Aangever was een volledig willekeurig en onschuldig slachtoffer en heeft als gevolg van het bewezen verklaarde zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zijn stembanden zijn beschadigd en aangever zal, naar inmiddels uit aanvullende medische verklaringen blijkt, zijn stem nooit meer op volle sterkte kunnen gebruiken. Verdachte heeft met zijn handelen dan ook een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt daarnaast dat aangever nog dagelijks kampt met de psychische gevolgen van het feit. Een feit als het onderhavige heeft niet alleen veel impact op het slachtoffer en zijn directe omgeving, maar draagt ook in de samenleving bij aan algemene gevoelens van onveiligheid. Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan mishandelingen en beledigingen van andere personen, feiten waarmee eveneens inbreuk is gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de aangevers.

Zoals in het tussenvonnis overwogen, was verdachte ten tijde van het plegen van alle bewezen verklaarde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar.

Na heropening van het onderzoek ter terechtzitting zijn aanvullende rapportages opgemaakt over de persoon van verdachte en is geadviseerd over de mogelijke afdoening. In de aanvullende Pro Justitia rapportages van drs. M.M. Sprock, psychiater, en drs. M.L. de Groot, GZ-psycholoog, van 3 april 2018 wordt geadviseerd verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. De eerder geadviseerde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging is -gelet op recente ontwikkelingen- niet langer noodzakelijk om het recidiverisico te verminderen. Verdachte gebruikt sinds een aantal maanden een antipsychoticum, als gevolg waarvan de psychotische symptomen afnemen. Hoewel sprake lijkt te zijn van een pril ziektebesef, is verdachte nog niet overtuigd van de noodzaak of werking van de medicatie. Verdachte zet zich echter wel in voor behandeling en is medicatietrouw. De verwachting is dan ook dat verdachte goed zal meewerken aan hem op te leggen voorwaarden voor behandeling. Beide deskundigen zijn van oordeel dat de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden voldoende kader zal bieden om het recidiverisico in te perken. Geadviseerd wordt om de maatregel te starten met een klinische opname, gevolgd door een langdurig resocialisatietraject.

Ook de reclassering heeft in de recente ontwikkelingen aanleiding gezien haar advies te herzien. In het maatregelenrapport van 3 juli 2018 wordt geadviseerd verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Deze maatregel is volgens de reclassering toereikend om het risico op recidive afdoende te verminderen, mits wordt gestart met een klinische opname, gevolgd door een uitgebreid en zorgvuldig resocialisatietraject.

De rechtbank stelt vast dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling mogelijk is, nu het onder feit 1 bewezen verklaarde een misdrijf betreft als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist. De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat verdachte behandeling en begeleiding nodig heeft, teneinde het risico op recidive zo veel mogelijk te beperken. De rechtbank acht de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden passend en geboden en is van oordeel dat deze maatregel recht doet aan de ernst van de feiten, het recidiverisico en aan de persoon van verdachte. De door de reclassering geformuleerde voorwaarden, zoals opgenomen in het dictum, zullen aan de voorwaardelijke maatregel van terbeschikkingstelling worden verbonden. Uit de rapportages vloeit voort dat verdachte nog niet overtuigd is van het nut en de noodzaak van zijn medicatie. De rechtbank acht het met de officier van justitie daarom van belang de voorwaarde die ziet op het innemen van zijn medicatie aan te vullen met de voorwaarde dat verdachte zal meewerken aan controles op de inname van die medicatie, zo frequent en zo lang zijn behandelaars en de reclassering dat nodig achten. De rechtbank zal omwille van de rechtszekerheid bepalen dat aan de voorwaarde ten aanzien van de klinische behandeling wordt toegevoegd dat deze maximaal twee jaren mag duren.

Verdachte heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt alle voorwaarden te willen naleven.

De rechtbank verklaart genoemde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar, gelet op het feit dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, als behandeling uitblijft, wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank kan, op vordering van het Openbaar Ministerie, bevelen dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd indien de voorwaarden niet worden nageleefd. Het bewezen verklaarde feit is een misdrijf dat gericht is tegen dan wel gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat een termijn van een eventuele maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet is beperkt tot vier jaren.

3 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert -na vermeerdering van zijn vordering ter zitting van 5 juli 2018- een bedrag van € 36.041,99 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van € 1.041,99 voor de materiële schade en € 35.000,- voor de immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 16/659967-17 ten laste gelegde feit.

De vordering tot materiële schadevergoeding is opgebouwd uit de volgende schadeposten: reiskosten (€ 525,83), medische kosten (€ 457,81) en kosten voor onherstelbaar beschadigde kleding (€ 58,35).

[benadeelde partij 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 658,50 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van € 308,50 voor de materiële schade en € 350,00 voor de immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 16/181968-16 ten laste gelegde feit.

[benadeelde partij 3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 521,10 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van

€ 121,10 voor de materiële schade en € 400,00 voor de immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 16/153745-17 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partijen hebben verzocht de gevorderde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Ook hebben zij verzocht de zogenoemde schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) aan verdachte op te leggen.

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

Vordering van [benadeelde partij 1]

De officier van justitie acht de gevorderde materiële schadevergoeding toewijsbaar.

De gevorderde immateriële schadevergoeding van € 35.000,- acht de officier van justitie eveneens toewijsbaar.

Vordering van [benadeelde partij 2]

De officier van justitie acht de gevorderde materiële schadevergoeding toewijsbaar.

De gevorderde immateriële schadevergoeding acht de officier van justitie toewijsbaar tot

€ 200,00.

Vordering van [benadeelde partij 3]

De officier van justitie acht de gevorderde materiële schadevergoeding toewijsbaar.

De gevorderde immateriële schadevergoeding acht de officier van justitie toewijsbaar tot

€ 200,00.

De officier van justitie heeft de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente gevorderd ten aanzien van voornoemde vorderingen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Vordering van [benadeelde partij 1]

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vordering tot immateriële schadevergoeding te matigen in verband met het gebrek aan draagkracht van verdachte.

Vordering van [benadeelde partij 2]

De raadsman heeft aangevoerd dat ter onderbouwing van de gevorderde immateriële schadevergoeding jurisprudentie wordt ingebracht die niet vergelijkbaar is met de onderhavige zaak. In de onderhavige zaak is namelijk door zowel verdachte als de benadeelde partij geslagen. Het immateriële deel van de vordering dient te worden afgewezen, omdat dit deel onvoldoende is onderbouwd.

Vordering van [benadeelde partij 3]

De raadsman heeft aangevoerd dat de voorgeschreven paroxetine en de immateriële schade niet in verband staan met de klap, maar met het Afghanistan-trauma van de benadeelde partij. De gevorderde immateriële schadevergoeding dient te worden afgewezen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Algemene overweging

De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat een als een doen te beschouwen gedraging van een persoon van veertien jaren of ouder is verricht onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, geen beletsel is haar als een onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen (art. 6:165 lid 1 BW).

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vorderingen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De vordering van [benadeelde partij 1]

Vaststaat dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van het hiervoor onder 16/659967-17 primair bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank stelt voorop dat de gevorderde materiële schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] door de raadsman niet (inhoudelijk) is betwist. De door de benadeelde partij gestelde schadeposten zijn dan ook toewijsbaar, tenzij deze de rechtbank onredelijk of onbillijk voorkomen. De gevorderde materiële schadevergoeding komt de rechtbank niet onredelijk of onbillijk voor. De rechtbank beschouwt de reiskosten die benadeelde heeft gemaakt voor zijn bezoeken aan de advocaat, het Openbaar Ministerie en het bijwonen van de zitting echter als proceskosten en zal deze dan ook als zodanig toewijzen. Na aftrek van de proceskosten blijft een gevorderde materiële schadevergoeding over van € 840,80. De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding tot dat bedrag toewijzen.

De benadeelde partij heeft een vergoeding van € 35.000,- gevorderd voor de geleden immateriële schade. De raadsman heeft verzocht dit bedrag te matigen wegens het gebrek aan daadkracht van verdachte. Een draagkrachtverweer kan alleen slagen in uitzonderlijke gevallen die in deze zaak zijn gesteld noch gebleken. Dit verweer wordt derhalve gepasseerd. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 20.000,- euro. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering en zal bepalen dat de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Het totaal toe te wijzen bedrag beloopt € 20.840,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2017 over een bedrag van € 20.000,-, vanaf het moment van indiening van de betreffende vordering te weten vanaf 5 februari 2018 over een bedrag van € 706,05 en vanaf 16 april 2018 over een bedrag van € 134,75 tot de dag van volledige betaling.

De vordering van [benadeelde partij 2]

Vaststaat dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van het hiervoor onder 16/181968-16 bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank stelt voorop dat de gevorderde materiële schadevergoeding door de raadsman niet (inhoudelijk) is betwist. De door de benadeelde gestelde schadepost van € 308,50 is dan ook toewijsbaar. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank niet onredelijk of onbillijk voor.

De rechtbank acht de gevorderde immateriële schadevergoeding toewijsbaar tot een bedrag van € 200,00. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Het totaal toegewezen bedrag beloopt € 508,50, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 4 september 2016 tot de dag van volledige betaling.

De vordering van [benadeelde partij 3]

Vaststaat dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] als gevolg van het hiervoor onder 16/153745-17 bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank stelt voorop dat bij een onrechtmatige daad die bestaat in het toebrengen van letsel de gevolgen van een door de persoonlijke predispositie van het slachtoffer bepaalde reactie op die daad in het algemeen als een gevolg van de onrechtmatige daad aan de dader zullen moeten worden toegerekend (HR 8 februari 1985, NJ 1986/137).

De door de benadeelde gestelde schadepost van € 112,10 aan medische kosten is dan ook toewijsbaar. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank niet onredelijk of onbillijk voor.

De rechtbank acht de gevorderde immateriële schadevergoeding toewijsbaar tot een bedrag van € 200,00. Zij zal de vordering ter zake immateriële schade tot dit bedrag toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Het totaal toegewezen bedrag beloopt € 312,10, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 augustus 2017 over een bedrag van € 200,00 en vanaf 24 augustus 2017 over een bedrag van € 112,10 tot de dag van volledige betaling.

Kosten veroordeling

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken.

De proceskosten van benadeelde [benadeelde partij 1] worden tot op heden begroot op € 201,19. De kosten van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] worden tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal in het belang van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte jegens hen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van de bewezen geachte feiten. De maatregelen worden opgelegd voor de aan de benadeelde partijen toe te wijzen bedragen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente zoals die telkens zal worden toegewezen tot aan de dag der algehele voldoening. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. De rechtbank acht het passend en geboden om de betalingsverplichting aan te vullen met hechtenis van één dag, gelet op de geestesgesteldheid van de verdachte.

4 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 45, 266, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

5 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

16/659967-17 primair

op 26 augustus 2017 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, meermalen, in de nek en hals van die [benadeelde partij 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

16/181968-16

op 4 september 2016 te Utrecht [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door hem in zijn gezicht te slaan;

16/153745-17

op 10 augustus 2017 te Utrecht [benadeelde partij 3] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde partij 3] in het gezicht te slaan;

16/659019-18

op 4 augustus 2017 te Utrecht opzettelijk [benadeelde partij 4] , in het openbaar en in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door in het gezicht van die [benadeelde partij 4] te spugen;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als volgt:

16/659967-17 primair

poging tot doodslag;

16/181968-16 en 16/153745-17

telkens, mishandeling;

16/659019-18

belediging;

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Oplegging maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:

  • -

    Verdachte werkt mee aan de identificatieplicht.

  • -

    Verdachte houdt zich aan de voorschriften en aanwijzingen die zijn en worden gegeven door Reclassering Nederland of een soortgelijke instelling en moet zich zo frequent melden als de reclassering dat nodig acht. Daarnaast werkt verdachte mee aan huisbezoeken door de reclassering en zorgt hij ervoor dat hij te allen tijde bereikbaar is.

  • -

    Verdachte neemt zijn medicatie in zoals wordt voorgeschreven door zijn behandelend arts/psychiater en onttrekt zich niet aan controle hierop, zo frequent en zo lang de behandelaars of de reclassering dit noodzakelijk achten.

  • -

    Verdachte werkt mee aan de klinische behandeling bij GGZ Noord-Holland Noord te Heiloo of een andere, door NIFP/IFZ geïndiceerde en via de Divisie Individuele Zaken van het Ministerie van Veiligheid en Justitie geplaatste instelling. Deze behandeling zal klinisch geschieden zolang zijn behandelaars en de reclassering dit nodig achten, doch maximaal voor een periode van twee jaren.

  • -

    Verdachte houdt zich gedurende de klinische opname aan de huisregels, het vrijhedenprotocol en afspraken met de behandelaren van GGZ Noord-Holland Noord te Heiloo of soortgelijke instelling, zolang de reclassering en GGZ Noord-Holland Noord of soortgelijke instelling dat nodig achten.

  • -

    Verdachte werkt na afloop van de intramurale behandeling mee aan het voorgeschreven ambulante c.q. intramurale nazorgtraject, ook als dat inhoudt een kortdurende klinische time-out plaatsing van maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, in het kader van forensisch psychiatrisch toezicht.

  • -

    Verdachte werkt in vervolg op de klinische behandeling mee aan een eventuele plaatsing in de ambulante begeleide forensische woonvoorziening van GGZ Noord-Holland Noord te Heiloo, of een soortgelijke instelling, en zal zich houden aan de daar geldende huis- en leefregels c.q. voorwaarden die daar aan hem worden gesteld. Verdachte stelt zich hierin begeleidbaar op.

Verdachte werkt - na afloop van de klinische behandeling, eventueel gevolgd door de ambulant begeleide forensische woonvoorziening van GGZ Noord-Holland Noord te Heiloo, of een andere soortgelijke instelling – mee aan een aanmelding en plaatsing in een nog te bepalen begeleide of beschermde woonvoorziening.

  • -

    Verdachte heeft gestructureerde en verifieerbare dagbesteding en werkt mee aan het
    vinden van passend werk waarbij het evenwicht tussen draagkracht en draaglast
    wordt gewaarborgd.

  • -

    Verdachte werkt mee aan bewindvoering, zolang de toezichthouder dit
    noodzakelijk acht.

  • -

    Verdachte zal zich onthouden van alcohol- en drugsgebruik en zich niet onttrekken
    aan controles hierop, zolang de reclassering dit nodig acht.

  • -

    Verdachte pleegt geen strafbare feiten.

  • -

    Verdachte geeft toestemming aan de reclassering tot het opvragen en uitwisselen
    van informatie aan alle instellingen die zij relevant acht en die van belang zijn voor
    een goede behandeling c.q. begeleiding in het kader van de terbeschikkingstelling.
    Dit geldt ook in geval van ongeoorloofde afwezigheid, calamiteiten of het niet
    nakomen van voorwaarden.

  • -

    Verdachte verleent zijn medewerking aan het maken van een digitale foto ten
    behoeve van zijn dossier.

  • -

    Verdachte begeeft zich niet zonder toestemming van de reclassering en het
    Openbaar Ministerie buiten de landsgrenzen van het Koninkrijk der Nederlanden.
    Verdachte overlegt hierover vooraf met de reclassering en het Openbaar Ministerie
    beslist.

- geeft opdracht aan Reclassering Nederland de ter beschikking gestelde bij de
naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]

- wijst de vordering van [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 20.840,80;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde partij 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2017 over een bedrag van

  • -

    € 20.000,- vanaf 5 februari 2018 over een bedrag van € 706,05 en vanaf 16 april 2018 over een bedrag van € 134,75 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [benadeelde partij 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op

€ 201,19

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat
    € 20.840,80 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2017 over een bedrag van € 20.000,- vanaf 5 februari 2018 over een bedrag van € 706,05 en vanaf 16 april 2018 over een bedrag van € 134,75 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met één (1) dag hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 508,50;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde partij 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2016 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [benadeelde partij 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat
    € 508,50 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2016 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met (één) 1 dag hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [benadeelde partij 3]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde partij 3] toe tot een bedrag van € 312,10;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde partij 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2017 over een bedrag van
    € 200,00 en vanaf 24 augustus 2017 over een bedrag van € 112,20 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [benadeelde partij 3] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat
    € 312,10 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2017 over een bedrag van € 200,00 en vanaf 24 augustus 2017 over een bedrag van € 112,10 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met één (1) dag hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en G.V.M. Veldhoen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Lindeman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 juli 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

16/659967-17

Primair

hij op of omstreeks 26 augustus 2017 te Utrecht ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1] van het leven te

beroven, met dat opzet met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de nek en/of hals, althans in het

lichaam, van die [benadeelde partij 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 26 augustus 2017 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te

weten een of meer steekwonden in de nek en/of hals en/of een zenuwbeschadiging

van de stemband(en) en/of een gedeeltelijke verlamming van het gelaat) heeft

toegebracht, door voornoemde [benadeelde partij 1] opzettelijk met een mes, althans een scherp

en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de nek en/of hals,

althans in het lichaam, te steken;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 26 augustus 2017 te Utrecht, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1] , opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans

met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de nek

en/of hals, althans in het lichaam, van die [benadeelde partij 1] heeft gestoken, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

16/181968-16

hij op of omstreeks 4 september 2016 te Utrecht

[benadeelde partij 2] heeft mishandeld door hem een of meermalen in zijn gezicht

te stompen en/of slaan;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

16/153745-17

hij op of omstreeks 10 augustus 2017 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

[benadeelde partij 3] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde partij 3] in het gezicht te slaan en/of

te stompen;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

16/659019-18

hij op of omstreeks 04 augustus 2017 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk [benadeelde partij 4] , in het openbaar en/of in zijn

tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door in het gezicht, in

elk geval op het lichaam van die [benadeelde partij 4] te spugen.

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht