Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3346

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
C/16/408037 / HA ZA 16-57
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur en terugvordering geldlening door holding samenhangend met echtscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/408037 / HA ZA 16-57

Vonnis van 25 juli 2018

in de zaak van

1 [eiseres sub 1] ,

wonend in [woonplaats] ,

en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

2. [eiseres sub 2] B.V.,

3. [eiseres sub 3] B.V.,

beiden gevestigd in [vestigingsplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. H. Braak in Veenendaal,

tegen

[gedaagde] ,

wonend in [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. C.J. van Dijk in Ede.

Eisers zullen hierna [eiseres sub 1] , [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] genoemd worden, en samen ook wel eisers. Gedaagde zal [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties en beslagstukken;

  • -

    de conclusie van antwoord met eis in reconventie, met een niet-aangekondigde incidentele eis en met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 30 maart 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie en in het incident, met producties, en de afzonderlijke akte met aanvullende vorderingen in conventie.

1.2.

De zaak is behandeld op de zitting van 15 september 2016. Van die zitting is proces-verbaal gemaakt. De behandeling is aangehouden in afwachting van een mediationpoging.

1.3.

Na de zitting zijn nog gevolgd:

  • -

    de akte waarin eisers de aanvullende vorderingen weer hebben ingetrokken, met producties;

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde] met wijziging van de eis in reconventie;

  • -

    de akte met bezwaar tegen de wijziging van eis in reconventie.

1.4.

Beide partijen hebben verklaard geen behoefte te hebben aan voortzetting van de comparitie. Zij hebben vonnis gevraagd.

2 De feiten

2.1.

[eiseres sub 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres sub 3] . [eiseres sub 3] is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres sub 2] .

2.2.

[eiseres sub 1] en [gedaagde] zijn in 1990 in Boekarest, Roemenië, gehuwd. Beiden hebben de Roemeense nationaliteit en [eiseres sub 1] ook de Nederlandse. [gedaagde] spreekt geen Nederlands. [eiseres sub 1] en [gedaagde] zijn uit elkaar; de echtscheiding is uitgesproken in Roemenië.

2.3.

Voor de echtscheiding woonden [eiseres sub 1] en [gedaagde] samen in [woonplaats] , [adres 1] . Zij zijn samen eigenaar van dat huis, en ook van het pand [adres 2] . Zij hadden een hypotheek bij ABN AMRO. In 2009 hebben zij die gedeeltelijk afgelost met € 125.000 uit een lening van [eiseres sub 3] .

2.4.

[eiseres sub 1] en [gedaagde] verhuurden [adres 2] aan [eiseres sub 2] voor € 5.000 per maand. Er is geen schriftelijke huurovereenkomst. Zij factureerden allebei € 2.500 per maand. Deze facturen werden tot oktober 2015 door [eiseres sub 1] opgesteld. Vanaf april 2012 trok zij op de facturen van [gedaagde] een bedrag af voor de hypotheekrente van [adres 2] , vanaf februari 2014 ook voor energie van [adres 1] , en vanaf september 2014 hield zij de rest in voor aflossing van de lening bij [eiseres sub 3] . Vanaf oktober 2015 stelt [gedaagde] eigen facturen op voor [eiseres sub 2] .

2.5.

Op 16 december 2015 heeft de kantonrechter van deze rechtbank in kort geding geoordeeld dat [eiseres sub 2] tot september 2014 mocht aannemen dat [eiseres sub 1] op die manier mocht verrekenen, maar daarna niet meer. [eiseres sub 2] is veroordeeld om aan [gedaagde] onder meer € 22.506,32 aan achterstallige huur te betalen (september 2014 tot en met september 2015).

2.6.

De belastingdienst heeft op beide panden conservatoir beslag gelegd in verband met een belastingschuld van [gedaagde] van € 538.914. Verder hebben partijen over en weer conservatoir beslag gelegd: [eiseres sub 1] ten laste van [gedaagde] (derdenbeslag onder [eiseres sub 2] ), [gedaagde] ten laste van [eiseres sub 1] (maritaal beslag) en ten laste van [eiseres sub 2] (derdenbeslag op bankrekeningen), [eiseres sub 3] ten laste van [gedaagde] (derdenbeslag onder [eiseres sub 2] ). De vordering in kort geding van [gedaagde] tot opheffing van het beslag gelegd door [eiseres sub 1] is afgewezen op 29 januari 2016 en in hoger beroep op 19 juli 2016. Het beslag van [gedaagde] op bankrekeningen van [eiseres sub 2] is wel opgeheven.

3 De beoordeling

3.1.

In deze zaak lopen verschillende verhoudingen door elkaar. [gedaagde] is voormalig echtgenoot van [eiseres sub 1] , hij is voormalig werknemer én verhuurder van [eiseres sub 2] , en hij is (mogelijk) schuldenaar van [eiseres sub 3] . [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] zijn als rechtspersoon van [eiseres sub 1] te onderscheiden, maar hebben wel een heel nauwe relatie met haar. Partijen hebben de rechtbank ook een groot aantal geschilpunten voorgelegd, die onderling allerlei verbanden vertonen.

Een deel van de geschilpunten gaat over huurbetalingen, maar het is niet een ‘zaak betreffende een huurovereenkomst’ zoals bedoeld in artikel 93 sub c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De huurovereenkomst zelf staat niet ter discussie en de huurverplichting ook niet. Het gaat om de vraag welke bedragen daarmee verrekend mochten worden, en vooral om de geldlening bij [eiseres sub 3] . Er is daarom geen noodzaak om de zaak naar de kantonrechter te verwijzen.

De verschillende geschilpunten zullen hierna afzonderlijk genoemd en dan ook meteen besproken worden. [gedaagde] heeft bovendien een incidentele vordering ingediend, namelijk een voorlopige voorziening tot opheffing van het door [eiseres sub 1] gelegde beslag. Deze is aanvankelijk niet opgemerkt, doordat het incident in de kop van het processtuk niet vermeld is. Inmiddels is in kort geding over die kwestie beslist, en zelfs in twee instanties. Een tussentijdse beslissing is dus niet zinvol meer; het punt zal aan het eind van dit vonnis beoordeeld worden.

3.2.

Het centrale probleem van deze zaak is niet de huurbetaling en ook niet de geldlening, maar de echtscheiding van [eiseres sub 1] en [gedaagde] en hun boedelscheiding, dat wil zeggen: de afwikkeling van hun huwelijksvermogensrechtelijke verhouding (waarbij ook niet helemaal duidelijk is of daarop Roemeens of Nederlands recht van toepassing is). Alle andere geschilpunten hangen samen met die boedelscheiding. Partijen hebben echter geen vaststelling daarvan gevorderd en ook geen beeld gegeven van de situatie als geheel; zij hebben een aantal geschilpunten uit het verband getrokken en als losse beslispunten aan de rechtbank voorgelegd. Dat maakt de beoordeling moeilijk, omdat veel informatie ontbreekt.

3.3.

Om orde te scheppen zal de rechtbank eerst de geldlening als zodanig bespreken en de vraag wie tegenover [eiseres sub 3] aansprakelijk is; daarna de verrekening van de aflossingen met de huurbetalingen aan [gedaagde] ; dan de consequenties daarvan en tenslotte andere kwesties. Daarbij worden conventie en reconventie samengevoegd. Over de toelaatbaarheid van de laatste eiswijziging zal geoordeeld worden in paragraaf 3.23.

3.4.

Bij de beoordeling van de afzonderlijke geschilpunten gelden enkele algemene regels als uitgangspunt. In de eerste plaats zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (artikel 21 Rv). Daarmee is ook bedoeld dat zij niet kunnen volstaan met conclusies of met algemeenheden, maar dat zij voldoende precies en concreet de gegevens moeten verstrekken waarop zij hun conclusies baseren.

3.5.

Verder geldt als hoofdregel van bewijslastverdeling dat de partij die bepaalde feiten stelt en daaraan rechten wil ontlenen, de bewijslast draagt van die feiten (artikel 150 Rv). De bewijslast houdt ook in het bewijsrisico: als het bewijs niet geleverd wordt en het feit dus niet komt vast te staan, wordt de vordering die daarop gebaseerd is afgewezen. Maar voordat men aan bewijs toekomt, moeten dus eerst de feiten waarop men zich beroept voldoende concreet worden gesteld en toegelicht.

3.6.

Een laatste algemeen punt is dat als een feit niet komt vast te staan, dat niet betekent dat het tegendeel daarvan wel vaststaat. Wanneer twee vorderingen (in conventie en in reconventie) elkaars spiegelbeeld zijn, dan is het denkbaar dat ze allebei worden afgewezen, omdat de feiten waarop ze gebaseerd zijn niet vaststaan, of onvoldoende concreet zijn uitgewerkt.

de geldlening van 2009

3.7.

Eisers vorderen in conventie sub A een verklaring voor recht:

  • -

    dat [gedaagde] mede aansprakelijk is voor de betaling van rente en aflossing op de geldlening die [eiseres sub 3] in 2009 heeft verstrekt aan hem en [eiseres sub 1] gezamenlijk,

  • -

    en dat dit meebrengt dat hij verbonden is voor een deel dat gelijk is aan dat waartoe [eiseres sub 1] is verbonden, althans dat hij hoofdelijk met [eiseres sub 1] verbonden is.

3.8.

[eiseres sub 1] stelt dat [gedaagde] zelf (niet door haar vertegenwoordigd) samen met haar de overeenkomst met [eiseres sub 3] gesloten heeft. Het geld was bedoeld om de hypotheek bij de bank gedeeltelijk te kunnen aflossen, waardoor zij een lagere rente zouden krijgen. [eiseres sub 1] verwijst naar een brief van 17 juni 2009 aan de bank over een ‘door ons ondertekende’ offerte van de bank. Uit die brief kan worden afgeleid dat [gedaagde] medecontractant was bij de bank, maar er staat niets in over een geldlening van [eiseres sub 3] aan [eiseres sub 1] en [gedaagde] . Hieruit blijkt wel dat er een bedrag beschikbaar was, maar niet waar dat geld vandaan kwam. De geldlening staat kennelijk niet op papier, en [eiseres sub 1] geeft geen concrete details over de totstandkoming of over de inhoud van de overeenkomst. Op verschillende plaatsen in de dagvaarding komt haar betoog feitelijk zelfs alleen hierop neer dat [gedaagde] van de lening afwist – niet dat hij ermee heeft ingestemd of dat hij eraan heeft meegewerkt.

3.9.

[eiseres sub 1] verstrekt zo goed als geen informatie over de afspraken die er gemaakt zijn. Over de aflossing vertelt zij alleen dat de lening binnen vijf jaar moest worden terugbetaald, en dat is in strijd met wat er feitelijk gebeurd is, namelijk dat ze na vijf jaar zijn begonnen met aflossen. Ook wat er is afgesproken over aansprakelijkheid, is onduidelijk. Als [gedaagde] mede aansprakelijk is, kan dat hoofdelijk zijn of ieder voor de helft. [eiseres sub 1] neemt daarover geen standpunt in, en haar vordering op dit punt is innerlijk tegenstrijdig. De concrete feiten die zij gesteld heeft zijn dus niet voldoende voor de conclusie dat [gedaagde] mede aansprakelijk is voor terugbetaling van de lening van [eiseres sub 3] . Deze vordering moet daarom worden afgewezen; er is geen ruimte voor een bewijsopdracht. [eiseres sub 1] heeft onvoldoende concrete gegevens verstrekt om te kunnen vaststellen dat er een overeenkomst van geldlening is gesloten tussen [eiseres sub 3] enerzijds en [eiseres sub 1] en [gedaagde] anderzijds, en zo ja om te beoordelen of [gedaagde] mede aansprakelijk is, laat staan of dat voor gelijke delen is of hoofdelijk.

3.10.

Als er daadwerkelijk geld is geleend, zal dat overigens waarschijnlijk wel betrokken moeten worden bij de boedelscheiding. Met dat geld is een gemeenschappelijke schuld gedeeltelijk afgelost. Naar Nederlands recht zou dat betekenen dat duidelijk wordt wie die schuld voor zijn of haar rekening neemt en/of dat de aflossing op de hypotheek verrekend moet worden; hoe dat naar Roemeens recht ligt, zal beoordeeld moeten worden bij de boedelscheiding. Die is hier niet aan de orde.

3.11.

In conventie sub B vorderen eisers veroordeling van [gedaagde] om met ingang van oktober 2015 zijn deel van rente en aflossing voor de lening van 2009 aan [eiseres sub 3] te betalen. Dat is niet toewijsbaar, omdat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] aansprakelijk is voor die lening (zie boven). Overigens is de vordering ook onvoldoende bepaald. Als [gedaagde] niet aansprakelijk is voor de lening, is zijn aandeel nul en hoeft hij dus niets te betalen. Toewijzing hiervan betekent dus niets; [eiseres sub 3] heeft daarbij geen belang. Het is overigens denkbaar dat [eiseres sub 1] recht heeft op verrekening van wat zij aflost, maar dat zal beoordeeld moeten worden bij de boedelscheiding.

3.12.

In reconventie tegen [eiseres sub 1] sub II vordert [gedaagde] voorwaardelijk (alleen voor het geval een betalingsverplichting op grond van de lening zou worden aangenomen) een verklaring voor recht dat [eiseres sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld door hem onbevoegd te vertegenwoordigen tegenover [eiseres sub 2] en namens [gedaagde] een geldlening aan te gaan. Deze voorwaardelijke vordering hoeft niet beoordeeld te worden, omdat de voorwaarde niet vervuld is. Overigens beroept [eiseres sub 1] zich er niet op dat zij namens [eiseres sub 2] mocht handelen, maar dat hij zelf heeft meegewerkt aan de lening.

verrekening

3.13.

De volgende serie vorderingen gaat over de facturen die [eiseres sub 1] namens [gedaagde] verstuurd heeft, en over de vraag of zij bevoegd was om namens hem te factureren. Wat daarmee bedoeld wordt, wordt niet goed toegelicht. In principe is factureren het opstellen en versturen van facturen. Dat is meer een administratieve handeling dan een rechtshandeling: de betalingsverplichting ontstaat niet door de factuur. Het is de vraag waarom [gedaagde] er bezwaar tegen zou hebben dat [eiseres sub 1] zijn facturen opstelde (of liet opstellen). Het bezwaar zal gericht zijn tegen het feit dat zij daarop bepaalde verrekenposten vermeldde. Maar die vermelding heeft op zich geen rechtsgevolg. Het gaat erom dat die bedragen feitelijk niet aan hem werden uitbetaald, en dat zou hij eerder [eiseres sub 2] moeten verwijten. Daarbij is het natuurlijk wel zo dat [eiseres sub 2] bestuurd werd door [eiseres sub 1] , en dat alle kennis die [eiseres sub 1] had over de onderlinge verhoudingen ook aan [eiseres sub 2] kan worden toegerekend.

3.14.

In conventie sub C vorderen eisers een verklaring voor recht dat [eiseres sub 1] bevoegd was om voor en namens [gedaagde] te factureren, althans mocht uitgaan van (de schijn van) aan haar verleende bevoegdheid, tot en met de maand september 2015 ‘voor (ook) het in de op naam van [gedaagde] (als crediteur) aan [eiseres sub 2] (als debiteur) gerichte facturen opgenomen bedrag gemoeid met het gedeelte van de aflossing van de lening bij [eiseres sub 3] ’. De hierboven beschreven begripsverwarring is hier goed te zien. Aangenomen mag worden dat [gedaagde] er geen bezwaar tegen had dat [eiseres sub 1] de facturen opstelde, en dat zij daartoe dus bevoegd was. Of zij daarop de verrekenposten mocht opnemen, is minder duidelijk. Zij legt niet uit op grond waarvan zij daartoe bevoegd was. Het argument dat zij dat al jaren deed overtuigt in ieder geval niet, omdat zij op bepaalde momenten nieuwe posten ging verrekenen. Dit onderdeel is daarom niet toewijsbaar.

3.15.

In reconventie tegen [eiseres sub 1] sub I vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat [eiseres sub 1] hem onbevoegd heeft vertegenwoordigd tegenover [eiseres sub 2] , en dat zij tegenover hem onrechtmatig heeft gehandeld door hem onbevoegd te vertegenwoordigen en door namens hem facturen op te maken. Ook dit is niet toewijsbaar, omdat de onbevoegdheid niet vaststaat. Een volmacht kan ook stilzwijgend verleend worden; zie artikel 3:61 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Als hij er jarenlang niet tegen geprotesteerd heeft dat zij zijn facturen opstelde, dan wijst dat erop dat hij daarmee instemde. [gedaagde] onderbouwt niet dat [eiseres sub 1] hem onbevoegd vertegenwoordigd heeft. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

3.16.

In reconventie tegen [eiseres sub 1] sub III vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat [eiseres sub 1] tegenover hem onrechtmatig heeft gehandeld door hem de huurbetalingen van [eiseres sub 2] te onthouden. Hij licht echter niet toe dat het [eiseres sub 1] is die hem iets onthouden heeft. Het is [eiseres sub 2] die hem de verrekende bedragen niet heeft uitbetaald. [eiseres sub 1] was wel de bestuurder van [eiseres sub 2] , maar een nalatigheid van [eiseres sub 2] is niet per definitie een onrechtmatige daad van de bestuurder van [eiseres sub 2] . Als [gedaagde] die insteek had willen kiezen, had hij dat duidelijk moeten melden. Hij licht dat niet verder toe, en daarom zal ook deze vordering worden afgewezen.

3.17.

In conventie sub D vorderen eisers een verklaring voor recht dat [eiseres sub 2] mocht uitgaan van de bevoegdheid (althans de schijn van bevoegdheid) van [eiseres sub 1] om voor en namens [gedaagde] te factureren, tot en met de maand september 2015, ‘voor (ook) het in de facturen opgenomen bedrag gemoeid met het gedeelte van de aflossing van de lening’ bij [eiseres sub 3] . Ook hier zal het gaan om de vraag of [eiseres sub 2] mocht aannemen dat zij de verrekenposten op de facturen mocht verrekenen met haar huurbetalingen. Eisers lichten niet toe op grond waarvan [eiseres sub 1] als directeur van [eiseres sub 2] mocht aannemen dat zij als echtgenote van [gedaagde] bevoegd was om die bedragen op de facturen te vermelden, en ook niet op grond waarvan [eiseres sub 2] bevoegd was om die bedragen aan [eiseres sub 3] te betalen in plaats van aan [gedaagde] . Daarom zal ook deze vordering worden afgewezen.

3.18.

In reconventie tegen [eiseres sub 1] sub VI vordert [gedaagde] voorwaardelijk – voor het geval dat de vorderingen van [eiseres sub 2] in conventie sub D geheel of gedeeltelijk worden toegewezen – betaling door [eiseres sub 1] aan [gedaagde] van ‘hetgeen [eiseres sub 2] verschuldigd zou zijn geweest uit hoofde van het vonnis in kort geding van 16 december 2015 indien [eiseres sub 2] niet had mogen vertrouwen op de vertegenwoordiging van [gedaagde] door [eiseres sub 1] ’. De voorwaarde is echter niet vervuld omdat de vordering in conventie sub D wordt afgewezen. Daarom hoeft deze vordering niet besproken te worden.

de consequenties

3.19.

In conventie sub E vorderen eisers een verklaring voor recht dat [gedaagde] jegens [eiseres sub 2] geen ongedaanmaking kan vorderen van hetgeen [eiseres sub 2] aan [eiseres sub 3] betaald heeft als rente en aflossing van zijn deel van de geldlening. Wat hiermee bedoeld wordt, is niet duidelijk. Alleen [eiseres sub 3] kan die betalingen ongedaan maken, door ze terug te betalen. [eiseres sub 2] kan niet de betalingen aan [eiseres sub 3] ongedaan maken, maar eventueel wel de verrekening, door de verrekende bedragen alsnog aan [gedaagde] te betalen. [eiseres sub 1] legt niet uit hoe zij dat ziet, en onderbouwt niet waarom [gedaagde] dat niet kan vorderen. Deze vordering zal dus worden afgewezen.

3.20.

Eisers vorderen in conventie sub F primair veroordeling van [gedaagde] ‘om te gehengen en gedogen dat [eiseres sub 2] tot en met september 2015 heeft ingehouden op het deel van de huursom dat aan hem toekwam, zoals is verantwoord in de facturen die zijn uitgeschreven op naam van [gedaagde] als crediteur en ten laste van [eiseres sub 2] als debiteur en om daarbij de veroordeling van [eiseres sub 2] bij vonnis van de kantonrechter als voorzieningenrechter d.d. 16 december 2015 buiten effect te stellen’. Deze zin is grammaticaal onjuist. Kennelijk is bedoeld dat [gedaagde] de verrekening moet gedogen, en niet achteraf betaling mag vorderen van de bedragen die op de huurbetalingen zijn ingehouden. Dat komt op hetzelfde neer als hiervoor sub E, en moet dus om dezelfde reden worden afgewezen.

3.21.

In conventie sub F subsidiair vorderen eisers veroordeling van [gedaagde] om aan [eiseres sub 1] € 22.506,32 te vergoeden, namelijk het bedrag waartoe [eiseres sub 2] in het vonnis van 16 december 2015 is veroordeeld, met rente en kosten, en meer subsidiair om aan [eiseres sub 1] te vergoeden de rente en kosten waartoe [eiseres sub 2] in dat vonnis is veroordeeld. [eiseres sub 1] stelt dat zij aan [eiseres sub 2] schadevergoeding schuldig is omdat zij tegenover [eiseres sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld door [gedaagde] te vertegenwoordigen terwijl zij die bevoegdheid niet had. Door die schadevergoeding betaalt zij feitelijk een deel van de schuld aan [eiseres sub 3] dat [gedaagde] aangaat, zodat zij dat op [gedaagde] mag verhalen. Dat veronderstelt echter wel dat [eiseres sub 1] feitelijk meer betaald heeft dan haar aandeel. [eiseres sub 1] licht niet toe hoeveel er nu in totaal is afgelost van de schuld aan [eiseres sub 3] en hoeveel zij daarvan betaald heeft. Bovendien staat, zoals gezegd, niet vast in welke verhoudingen die schuld [eiseres sub 1] en [gedaagde] aangaat. Daarom kunnen deze vorderingen niet worden toegewezen.

3.22.

In reconventie tegen [eiseres sub 2] sub I vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat [eiseres sub 2] de achterstallige huur aan [gedaagde] moet betalen over de periode 1 januari 2006 tot en met 30 november 2015, overeenkomstig het verslag van [naam administratiekantoor] van 6 januari 2016. Dit verslag is overgelegd als productie 10 bij de conclusie van antwoord. Het vermeldt een achterstand van in totaal € 231.021,42 (tot en met november 2015). Nadien heeft [gedaagde] zijn eis aangevuld met betaling van € 241.021,42 (tot en met maart 2016) met wettelijke handelsrente.

3.23.

[eiseres sub 1] maakt bezwaar tegen de eiswijziging. Dat bezwaar snijdt geen hout. [gedaagde] heeft de verwijzing naar het verslag van [naam administratiekantoor] vervangen door het bedrag dat deze berekend heeft en daar vier maanden huur bij opgeteld. Dat zijn inhoudelijk geen nieuwe elementen. Het is volstrekt onduidelijk waarom dat in dit geval strijd met een goede procesorde zou opleveren.

3.24.

Als verweer tegen deze vordering heeft [eiseres sub 1] aangevoerd dat [gedaagde] meer rekeningen had, waarvan [naam administratiekantoor] er maar één heeft onderzocht, en dat de huur in het verleden ook op andere rekeningen betaald is. Zij heeft ook stukken overgelegd met bewijs van betalingen op een andere rekening. Dit onderwerp is op de zitting niet besproken en [gedaagde] heeft niet uitdrukkelijk de gelegenheid gekregen om erop te reageren. Dat is echter in dit geval niet doorslaggevend, omdat hij die gelegenheid feitelijk wel gehad heeft. Hij heeft namelijk wel kans gezien om zijn eis te wijzigen. Bij die gelegenheid had hij de mogelijkheid om uit te leggen waarom hij het bedrag van [naam administratiekantoor] overneemt terwijl dat op maar één rekening gebaseerd is, of om op zijn minst aan te kondigen dat hij op dit punt nog verweer wilde voeren. Daarmee heeft hij zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Ook in de akte waarin hij zijn eis op dit punt wijzigde heeft hij aan dit punt geen woord vuil gemaakt. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

andere verplichtingen

3.25.

In conventie sub G vorderen eisers veroordeling van [gedaagde] om aan [eiseres sub 1] maandelijks met ingang van oktober 2015 zijn deel te vergoeden van de rente over hun geldlening bij ABN AMRO, dat wil zeggen de helft van het bedrag dat maandelijks wordt afgeschreven van de bankrekening van [eiseres sub 1] . Dit gaat niet over aansprakelijkheid, maar over draagplicht, namelijk de vraag wie welk deel van deze gezamenlijke lasten moet dragen. Dat hangt af van het recht dat de verhoudingen tussen [eiseres sub 1] en [gedaagde] als echtgenoten regelde (Nederlands of Roemeens), en van de afspraken die zij daar zelf over gemaakt hebben. Daarover heeft de rechtbank geen gegevens, en het ligt ook veel meer voor de hand om dit te betrekken bij de afwikkeling van de echtscheiding. Daarom zal deze vordering worden afgewezen.

3.26.

In reconventie tegen [eiseres sub 2] sub II vordert [gedaagde] betaling door [eiseres sub 2] van € 2.500 per maand, voor het eerst over december 2015. Dat is zijn deel van de huur voor het bedrijfspand. Volgens [eiseres sub 1] was de oorspronkelijke huur ƒ 70.000 per jaar, terwijl de eigenaren er ook woonden. Toen zij naar elders verhuisden, werd de huur verhoogd tot € 60.000 per jaar. Volgens [eiseres sub 1] is de huur nu weer verlaagd tot ƒ 70.000 of (na indexering) € 35.199,09 per jaar (€ 2.933,25 per maand), omdat er weer één van de eigenaren woont – namelijk zij zelf. Dat laatste is merkwaardig. Het is niet vreemd dat [eiseres sub 2] minder huur betaalt omdat [eiseres sub 1] een deel van het pand in gebruik heeft, maar wel dat [gedaagde] om die reden minder huur zou krijgen. Dit moet alleen wel beoordeeld worden in samenhang met andere aspecten van de echtscheiding, waaronder het feit dat [gedaagde] kennelijk het gebruik van de echtelijke woning heeft. Dat is in deze procedure niet aan de rechtbank voorgelegd, en partijen hebben de rechtbank niet de gegevens verstrekt om hierover te kunnen oordelen. Daarom zal deze vordering worden afgewezen; de rechtbank kan niet beoordelen op welk bedrag [gedaagde] recht heeft.

3.27.

In reconventie tegen [eiseres sub 2] sub III vordert [gedaagde] de wettelijke handelsrente over de achterstallige huurbetalingen van de vorderingen sub I en II. Omdat die vorderingen worden afgewezen, hoeft de rechtbank op de rente daarover niet in te gaan.

3.28.

In conventie sub H vorderen eisers betaling door [gedaagde] aan [eiseres sub 2] van € 8.832,47 met rente op grond van een vaststellingsovereenkomst van 27 augustus 2004, en een verklaring voor recht dat [eiseres sub 2] mag verrekenen. In die vaststellingsovereenkomst, over beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [gedaagde] , staat in artikel 3:

[gedaagde] zal de vordering van [eiseres sub 2] op hem ten belope van € 8.832,47 in hoofdsom voldoen indien en zodra hij daarvoor de financiële middelen heeft.

Volgens [gedaagde] is deze vaststellingsovereenkomst vervalst, en zo niet dan is hij verjaard. Dat hoeft de rechtbank echter niet te beoordelen omdat deze vordering hoe dan ook niet kan worden toegewezen. De afspraak bevat een voorwaarde en een tijdsbepaling (‘indien en zodra’). [eiseres sub 1] stelt niet dat [gedaagde] inmiddels ‘de financiële middelen daarvoor’ heeft, en daarmee heeft zij onvoldoende gesteld voor de conclusie dat deze vordering opeisbaar zou zijn. Daarom zal deze vordering worden afgewezen.

3.29.

[gedaagde] vordert in reconventie tegen [eiseres sub 2] sub IV een verklaring voor recht dat ieder vorderingsrecht van [eiseres sub 2] uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst van 27 augustus 2004 door verjaring is vervallen. Op grond van artikel 3:307 lid 1 BW verjaart een vordering als deze door verloop van vijf jaar nadat de vordering opeisbaar is geworden. Omdat ook [gedaagde] niet stelt dat de vordering inmiddels opeisbaar is, is die termijn nog niet begonnen. Deze vordering kan niet worden toegewezen.

de beslagen

3.30.

In het incident vordert [gedaagde] opheffing van het door [eiseres sub 1] gelegde beslag. Dat kan nu worden toegewezen. Voor zover [eiseres sub 1] een vordering op hem heeft, kan die in deze procedure niet worden toegewezen. Daarom moet het beslag worden opgeheven. De rechtbank kan dat zelf doen; het is niet nodig om [eiseres sub 1] daartoe te veroordelen of om daarbij een dwangsom op te leggen.

3.31.

In reconventie tegen [eiseres sub 1] sub IV vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat [eiseres sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld door conservatoir beslag ten laste van hem te doen leggen. Volgens vaste rechtspraak is het enkele feit dat achteraf gezien ten onrechte beslag is gelegd, in beginsel voldoende om te oordelen dat onrechtmatig is gehandeld. Daarom kan deze verklaring voor recht worden toegewezen. Overigens zijn de andere beslagen over en weer om dezelfde reden onrechtmatig, maar daarover is geen beslissing gevraagd.

3.32.

In reconventie tegen [eiseres sub 1] sub V vordert [gedaagde] van haar schadevergoeding wegens de onrechtmatige handelingen genoemd in zijn petitum onder I tot en met IV, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Dat is alleen mogelijk voor de beslaglegging, omdat alleen daarvan kan worden vastgesteld dat die onrechtmatig is. [gedaagde] heeft echter alleen in de meest algemene termen gesteld dat hij daardoor schade geleden heeft. Voor zover hij dat voldoende aannemelijk gemaakt heeft, is het in het belang van een goede procesorde wenselijk dat partijen dit afhandelen in samenhang met de overige geschilpunten, met name de boedelscheiding. De zaak zal daarom niet worden verwezen naar de schadestaatprocedure.

de kosten

3.33.

De zaak hangt zoals gezegd nauw samen met de echtscheiding van [eiseres sub 1] en [gedaagde] . Dat heeft invloed op de beslissing over de kosten. Het uitgangspunt is dat in zaken tussen ex-echtgenoten de kosten gecompenseerd worden. De gedachte daarachter is dat dergelijke zaken niet los gezien kunnen worden van de emotionele en relationele aspecten van de echtscheiding, en dat onredelijk gedrag van de één gewoonlijk een reactie is op gedrag van de ander, zodat niet valt vast te stellen of één van partijen daaraan meer schuld heeft dan de ander. Ook in deze zaak is de verhouding kennelijk zo verhard dat een redelijke oplossing niet meer mogelijk is. Daarmee worden dit soort procedures noodzakelijk. Het is echter vrijwel altijd zo dat beide partijen aan zo’n situatie ieder hun eigen bijdrage leveren, en de rechtbank ziet geen aanwijzingen dat het in deze zaak anders zou liggen. Daarom dienen partijen ook beiden de kosten van die procedures te dragen. De kosten zullen daarom zowel in conventie als in reconventie én in het incident worden gecompenseerd, zodat ieder de eigen kosten (inclusief beslagkosten) draagt.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in reconventie

4.3.

verklaart voor recht dat [eiseres sub 1] tegenover [gedaagde] onrechtmatig gehandeld heeft door ten laste van hem beslag te leggen;

4.4.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.6.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in het incident

4.7.

heft de door [eiseres sub 1] gelegde beslagen onder [eiseres sub 2] ten laste van [gedaagde] op;

4.8.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.1

1 type: nig (4123) coll: PD (4096)