Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3330

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
16/707164-17 en 16/652376-18 (gev. ttz.) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 28-jarige man is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 jaar en tbs met dwangverpleging voor het verkrachten, het van haar vrijheid beroven en doden van Anne Faber en het mishandelen van medewerkers van het Pieter Baan Centrum. De rechtbank wil met deze straf de man zo lang mogelijk uit de maatschappij houden en hem daarin niet onbehandeld terug te laten keren.

De man verklaart dat hij vorig jaar september bij een bospad in aanrijding kwam met Anne Faber. Hij dwong haar het pad in te lopen. Daar heeft hij haar verkracht. Vervolgens vervoerde hij haar geboeid achterop zijn scooter richting vliegbasis Soesterberg. Toen het slachtoffer begon te schreeuwen terwijl er een fietser langs reed, heeft hij haar keel doorgesneden en haar vervolgens begraven. Een dag later heeft hij haar lichaam vervoerd naar Zeewolde, sporen uitgewist en het lichaam opnieuw begraven. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zogenoemde ‘gekwalificeerde doodslag’, omdat hij Anne Faber heeft gedood om de andere feiten – verkrachting en vrijheidsberoving – te verhullen.

Tijdens zijn aanhouding is er gedreigd met geweld en geweld gebruikt en is hij niet op zijn zwijgrecht gewezen. De rechtbank stelt vast dat daarmee de rechten van verdachte zijn geschonden en dat dit een onherstelbaar vormverzuim is, maar verbindt hier geen gevolgen aan voor de strafmaat in deze zaak.

Net als de officier van justitie en de verdediging oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van voorbedachte raad. Er zijn weliswaar aanwijzingen, maar deze zijn onvoldoende om te spreken van een vooropgezet plan om Anne Faber om het leven te brengen. Wel stelt de rechtbank vast dat hij na de gestelde aanrijding doelbewust heeft gehandeld en niet impulsief vanuit woede en achterdocht. De man lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale kenmerken. Ook is hij afhankelijk van alcohol, drugs en Ritalin. De rechtbank concludeert dat hij (licht) verminderd toerekeningsvatbaar is. Dat is in deze zaak de enige omstandigheid die een matigend effect heeft op de strafmaat.

De indruk die de rechtbank van de verdachte heeft gekregen is dat hij een gewetenloze en niets ontziende man is die zijn eigen perverse wensen laat voorgaan boven het leven en welzijn van zijn medemensen. In het verleden is hij al eens veroordeeld tot een lange gevangenisstraf voor onder andere verkrachtingen. Hij heeft de feiten gepleegd nog voordat hij de hele straf had uitgezeten. Als vergelding, maar ook ter bescherming van de maatschappij is een zeer lange gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank kiest niet voor een levenslange gevangenisstraf omdat dat op termijn zou kunnen betekenen dat de verdachte zonder adequate behandeling terugkeert in de maatschappij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0586
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/707164-17 en 16/652376-18 (gev. ttz.) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 17 juli 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 10 januari 2018, 23 maart 2018, 11 en 12 juni 2018 en 3 juli 2018. De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 11 en 12 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officieren van justitie mr. R.E. Craenen en mr. H. Leepel (hierna: de officier van justitie) en van hetgeen verdachte en zijn raadslieden mr. D.C. Dorrestein en mr. S. de Korte, advocaten te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen namens de benadeelde partijen – de ouders en de broer van [slachtoffer] , allen bijgestaan door mr. R.E.H. Jager, advocaat te Amersfoort – naar voren is gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen in het kader van het spreekrecht door de ouders naar voren is gebracht. Verder heeft de vriend van [slachtoffer] , bijgestaan door mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden, zich als benadeelde partij gesteld. Hij heeft zich ter terechtzitting laten vertegenwoordigen door zijn advocaat. Hij heeft geen vordering ingediend.

2 TENLASTELEGGING

Inzake parketnummer 16/707164-17

De tenlastelegging is op de zitting van 23 maart 2018 nader omschreven en op de zitting van 11 juni 2018 gewijzigd. De nader omschreven en vervolgens gewijzigde tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

telkens op 29 september 2017 in de gemeente Soest het slachtoffer, hierna te noemen [slachtoffer] :

feit 1:
primair:

met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd;

subsidiair:

van het leven heeft beroofd, voorafgegaan van verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad zijn straffeloosheid te verzekeren;

meer subsidiair:

van het leven heeft beroofd;

feit 2:

van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden;

feit 3:

heeft verkracht, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sinds een eerdere veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor een soortgelijk misdrijf onherroepelijk is geworden;

inzake parketnummer 16/652376-18

telkens op 8 februari 2018 in Utrecht:

feit 1:

omstreeks 12:30 uur drie medewerkers van het Pieter Baan Centrum heeft mishandeld;

feit 2:

omstreeks 21:40 uur twee beveiligingsmedewerkers in het Pieter Baan Centrum heeft mishandeld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder parketnummer 16/707164-17 feit 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend te bewijzen en heeft daarvoor vrijspraak gevorderd. De officier van justitie acht het onder parketnummer 16/707164-17 feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3, alsmede onder parketnummer 16/652376-18 feit 1 en feit 2 ten laste gelegde, wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 16/707164-17 feit 1 primair ten laste gelegde. Er is geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen van het primair ten laste gelegde en voor de voorbedachte raad de bevindingen van de patholoog voor het bewijs zou gebruiken, heeft de verdediging een (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van deze deskundige gedaan. De verdediging heeft daarnaast (partiële) vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 16/652376-18 feit 2 ten laste gelegde, voor zover dit de mishandeling van de beveiligingsmedewerker AB2 betreft. Voor de bewezenverklaring van alle overige ten laste gelegde feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Inzake parketnummer 16/707164-17

4.3.1.

Inleiding

Op vrijdagmiddag 29 september 2017 is [slachtoffer] vertrokken voor een fietstocht vanuit Utrecht. Op basis van latere onderzoeksgegevens is komen vast te staan dat zij via Lage Vuursche, Baarn en Soest in de richting van Den Dolder is gefietst. Om 18:50 uur stuurt zij haar vriend vanuit Baarn nog een WhatsAppbericht met een foto van haarzelf in de regen. Hierna is niets meer van haar vernomen. Wanneer zij die avond niet thuiskomt, doen haar vriend en haar moeder aangifte van haar vermissing. Meteen daarna organiseren haar familieleden, vrienden en bekenden een zoektocht die van zaterdag 30 september 2017 tot en met donderdag 12 oktober 2017 duurt. Op dinsdag 3 oktober 2017 wordt haar jas gevonden en op donderdag 5 en vrijdag 6 oktober 2017 haar fiets en rugtas.

Op zondag 8 oktober 2017 stelt het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) vast dat zich op de jas van [slachtoffer] DNA-materiaal bevindt, dat matcht met het DNA-profiel van verdachte.

Op maandag 9 oktober 2017 wordt verdachte aangehouden op het terrein van de Willem-Arntsz Hoeve (WA-Hoeve) in Den Dolder. Verdachte verblijft daar op de afdeling Aventurijn van de GGZ-instelling Altrecht.

Nadat verdachte op woensdagavond 11 oktober 2017 verklaart waar hij haar heeft begraven, wordt het lichaam van [slachtoffer] in de daaropvolgende nacht en dag gevonden, begraven aan een bospad aan het [adres] in Zeewolde.

In de dagen daarna wordt verdachte meerdere keren uitgebreid verhoord over zijn aandeel in de verdwijning en de dood van [slachtoffer] . Zakelijk weergegeven heeft verdachte daarover verklaard dat hij op vrijdag 29 september 2017 na het avondeten wilde gaan slopen in de ‘oude keuken’. Dat is een gebouw op het terrein van de WA-Hoeve. Verdachte sloopte hier samen met enkele medebewoners van zijn instelling van tijd tot tijd achtergebleven metalen die dan voor wat geld werden verkocht aan een ijzerhandel.

Als verdachte die avond op zijn scooter op weg is naar zijn – illegale – sloopwerkzaamheden in de oude keuken ziet hij nog licht in het daartegenover gelegen pand en besluit dan eerst te gaan tanken en later terug te komen. Het gereedschap dat verdachte in een plastic tas bij zich heeft, legt hij dan weg in het bos, achter een boom, enige meters een ruiterpad/bospad in. In die tas zit ook een mes waarvan verdachte zegt dat hij dit gebruikt bij de sloopwerkzaamheden.

Na het tanken rijdt verdachte terug naar die plaats in het bos, pakt de tas met gereedschap op, keert de scooter, rijdt het bospad uit en komt dan, terwijl hij het fietspad weer oprijdt, in botsing met [slachtoffer] .

Als zij de politie wil waarschuwen, eist hij onder bedreiging met het mes dat zij haar telefoon afgeeft en dwingt hij haar het bospad in te lopen. Verder het bospad in verkracht verdachte haar.

Verdachte stelt dat hij van plan was om haar verderop in het bos achter te laten en dan zelf weg te rijden, maar omdat na de verkrachting een worsteling ontstaat, waarbij zij verdachte met zijn eigen mes in zijn hand zou hebben gestoken, besluit hij om haar geboeid achter op de scooter te vervoeren, verder het bos in. Dat gaat over allerlei paadjes, waarbij verdachte enige tijd de weg kwijt is. Bij de spoorlijn weet verdachte weer waar hij is. Via het fietspad komen zij aan bij de voormalige vliegbasis Soesterberg. Verdachte stelt dat hij haar daar over een hek tilt. Daarna loopt hij samen met haar richting een houtwal met de bedoeling om haar verderop bij de huizen vrij te laten, aldus verdachte. Op het moment dat er een fietser voorbij komt roept [slachtoffer] om hulp. Verdachte grijpt haar om de nek en samen komen ze ten val. Verdachte zegt meerdere keren dat ze stil moet zijn en zet zijn woorden kracht bij door het mes voor haar keel te houden. Als ze weer schreeuwt haalt verdachte het mes langs haar keel, zo zegt hij. Daarna is ze dood.

Verdachte is vervolgens vertrokken in de richting van de WA-hoeve, maar is weer teruggekomen en heeft haar, nadat hij haar kleren had losgesneden en uitgedaan, liggend op de buddyseat van zijn scooter, vervoerd naar een plek in het bos achter een hangar, waar hij haar eerst provisorisch begraaft onder wat bladeren en later ondiep onder het zand. Verschillende van haar eigendommen, zoals haar jas, fiets, rugtas en pasjes, heeft hij later die avond in de omgeving op verschillende locaties achtergelaten of verstopt. Verdachte stelt dat hij het mes en haar telefoon ergens onderweg is kwijtgeraakt.

Op zaterdagavond 30 september 2017 heeft verdachte de auto van zijn moeder geleend, is naar Zeewolde gereden en heeft daar een kuil gegraven. Daarna is hij terug gereden naar Soest, heeft hij haar opgegraven, in de auto gelegd en naar Zeewolde vervoerd. Daar heeft hij haar met chloor schoongemaakt en vervolgens begraven. Haar telefoon, haar sieraden, de ketting die ze vermoedelijk om had en de oorringetjes die ze droeg op de laatste foto die ze heeft gemaakt en verstuurd, zijn niet gevonden.

4.3.2

Feit 1 primair. Is er sprake van moord?

Aan verdachte is primair de moord op [slachtoffer] ten laste gelegd. Hoewel de officier van justitie heeft geconcludeerd tot vrijspraak van dit onderdeel, dient de rechtbank, nu dit feit nog steeds een onderdeel vormt van de tenlastelegging, hierover een oordeel te geven.

Moord is, kort gezegd, doodslag begaan met voorbedachte raad. Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, maar juridisch gezien is het moord als vast staat dat verdachte haar heeft gedood met voorbedachte raad, dus na kalm beraad en rustig overleg. Zo niet, dan is sprake van doodslag.

De rechtbank moet dus beoordelen of voorbedachte raad bewezen is.

Daarvoor moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit (om [slachtoffer] te doden) en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarbij moet de rechter het gewicht bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

In deze zaak heeft de politie uitvoerig onderzoek gedaan naar de omstandigheden voorafgaand aan de dood van [slachtoffer] . De rechtbank zal dan ook eerst onderzoeken of voornoemde voorbedachte raad kan worden vastgesteld op basis van deze onderzoeksresultaten.

De rechtbank stelt daarover het volgende vast.

Uit de verschillende objectieve onderzoeksresultaten die ook zijn voorgehouden bij het onderzoek ter terechtzitting zou de conclusie kunnen worden getrokken dat verdachte die avond uit de inrichting waar hij verbleef is vertrokken met andere voornemens dan het uitvoeren van sloopwerkzaamheden.

Zo blijkt uit onderzoek naar het in- en uitschakelen van de mobiele telefoon van verdachte rondom het tijdstip van de verdwijning van [slachtoffer] dat de telefoon is uitgeschakeld op het moment dat verdachte het terrein van de WA-Hoeve verlaat. Die avond blijft de telefoon gedurende meerdere uren uitgeschakeld en – anders dan verdachte zelf heeft gesuggereerd – is uit nader onderzoek gebleken dat dit uitschakelen in dit geval alleen het gevolg kan zijn van het welbewust uitzetten van de telefoon, waarvoor dus een handeling van verdachte nodig was. Dat verdachte dit deed in het kader van een plan om iemand te doden blijkt hieruit echter niet.

Verder heeft de politie aan de hand van camerabeelden en met behulp van een reconstructie onderzocht welke route verdachte en [slachtoffer] hebben gereden en welke conclusies hieruit getrokken kunnen worden voor de vraag of de door verdachte beschreven botsing tussen hem en [slachtoffer] inderdaad zo kan hebben plaatsgevonden als hij heeft verklaard. Kort gezegd acht de rechtbank op basis van dit proces-verbaal aannemelijk dat verdachte en [slachtoffer] het kruispunt Biltseweg – Wieksloterweg in Soest, (nagenoeg) op hetzelfde moment hebben gepasseerd, waardoor verdachte haar heeft kunnen zien op het moment dat hij naar dit kruispunt toe reed. Indien verdachte en zij met een normale snelheid hebben gereden, moet verdachte enkele minuten eerder dan [slachtoffer] op het bospad zijn aangekomen, hetgeen mogelijk maakt dat hij haar daar heeft opgewacht. Of dit werkelijk het geval was, kan op basis van de resultaten van het onderzoek echter niet met zekerheid worden vastgesteld. Los daarvan kan op basis van dit gegeven niet worden vastgesteld dat verdachte op dat moment van plan was om [slachtoffer] te doden. Deze omstandigheden kunnen dan ook niet bijdragen aan het bewijs van voorbedachte raad.

Dat bewijs valt naar het oordeel van de rechtbank ook niet te putten uit uitspraken die verdachte eerder in algemene zin tegen anderen heeft gedaan, zoals zijn opmerking tegen een medegedetineerde dat hij, eenmaal buiten, iemand van kant gaat maken.

En hetzelfde moet worden gezegd ten aanzien van de verklaringen van verschillende andere getuigen over opmerkingen van verdachte in het verleden of over zijn fascinatie voor IS-onthoofdingsfilmpjes. Deze uitspraken zijn te algemeen en ongericht, en voor een deel ook van te lang geleden, om hierop het bewijs te baseren dat verdachte het voornemen had om [slachtoffer] of een ander te vermoorden.

Ten slotte heeft de politie ook nog onderzoek gedaan naar de in de computer van de WA-hoeve aangetroffen zoektermen. Sommige van deze voorafgaand aan 29 september 2017 ingevoerde zoektermen, zoals: ‘hoe maak je iemand dood’ (26-07-2017) of ‘girl get executed’ (10-08-2017) lijken in het licht van de verdenkingen in deze zaak te wijzen op voorbedachte raad. Verdachte heeft toegegeven enkele zoektermen die zien op zelfdoding en op nieuws over de verdwijning van [slachtoffer] op de computer van de WA-hoeve te hebben ingevoerd. Hij ontkent echter andere zoektermen te hebben ingevoerd. Uit het onderzoek is gebleken dat niet meer is te achterhalen wie van de bewoners (de computer was voor een ieder toegankelijk) het is geweest die dergelijke zorgwekkende en alarmerende zoektermen heeft ingevoerd.

Voor wat betreft de gebeurtenissen na de gestelde aanrijding is de rechtbank, bij gebreke van ander objectief bewijsmateriaal, nagenoeg geheel afhankelijk van de verklaring van verdachte. Verdachte is de enige die kan verklaren over het verloop van de gebeurtenissen. Vanzelfsprekend moet die verklaring kritisch worden bekeken en dat heeft de rechtbank ook gedaan. En hoewel verdachtes verklaring op onderdelen vragen oproept – de rechtbank zal daar later in dit vonnis nog op terugkomen – moet worden vastgesteld dat verdachtes verklaring over het moment direct voorafgaand aan het doden van [slachtoffer] intern consistent en niet bij voorbaat onwaarschijnlijk is.

Die verklaring houdt in dat de dood van [slachtoffer] voortkwam uit de vrees voor ontdekking en dat haar dood niet het gevolg is van een vooropgezet plan, waarbij verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit. Nu het tegendeel niet bewezen kan worden, moet verdachte worden vrijgesproken van voorbedachte raad, dus van moord.

De verdediging heeft verzocht om, voor het geval de rechtbank de bevindingen van de patholoog overneemt en deze bevindingen gebruikt voor het bewijs van moord, de patholoog nader te horen en te confronteren met de bevindingen van de deskundige die het Microanalyse Invasieve Trauma’s (MIT-) onderzoek heeft uitgevoerd. Dit verzoek is niet meer aan de orde, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van moord.

4.3.3

Feit 1 subsidiair: gekwalificeerde doodslag

Bewijsmiddelen

Verdachte heeft het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit bekend en de verdediging heeft voor dit feit geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen:1

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting;2

- het pathologisch onderzoek.3

Bewijsoverweging gekwalificeerde doodslag

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het mes langs de keel van [slachtoffer] heeft getrokken omdat hij in paniek raakte toen zij begon te schreeuwen op het moment dat een fietser hen op korte afstand passeerde en hij bang was dat die fietser haar zou horen schreeuwen. Tevens heeft verdachte desgevraagd verklaard dat hij bang was om op dat moment door de fietser te worden betrapt.

Gelet op deze verklaring van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd met het oogmerk om betrapping van de eerder door hem gepleegde strafbare feiten – de verkrachting en de vrijheidsbeneming – te voorkomen. De rechtbank acht de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag dan ook bewezen.

4.3.4

Feit 2: vrijheidsberoving

Bewijsmiddelen

Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bekend en de verdediging heeft voor dit feit geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting;4

- een proces-verbaal sporenonderzoek Poort 5 PD moord/doodslag (aantreffen veter);5

- het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek.6

Op grond van de feiten en omstandigheden genoemd in bovenvermelde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden.

4.3.5

Feit 3: verkrachting

Bewijsmiddelen

Verdachte heeft het onder 3 ten laste gelegde feit bekend en de verdediging heeft voor dit feit geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting;7

- het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek;8

- het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte waaruit volgt dat hij door het Gerechtshof Arnhem op 9 oktober 2012 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaren voor onder meer twee maal een verkrachting en welk arrest op 26 november 2013 onherroepelijk is geworden.9

Op grond van de feiten en omstandigheden genoemd in bovenvermelde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sinds een eerdere veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor een soortgelijk misdrijf onherroepelijk is geworden.

Inzake parketnummer 16/652376-18

4.3.6

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen voor de feiten ten laste gelegd onder dit parketnummer zijn als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

De rechtbank acht grond van die bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 februari 2018 rond 12:25 uur aangever AM1, aangever AM2 en aangever AM3 heeft mishandeld en dat verdachte diezelfde dag rond 21:40 uur aangever AB1 en

aangever AB2 heeft mishandeld.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

inzake parketnummer 16/707164-17

feit 1: subsidiair:

op 29 september 2017 in de gemeente Soest opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een mes in de hals van die [slachtoffer] gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren.

De rechtbank leest in de derde regel van de tenlastelegging onder 1 subsidiair na de woorden “in Nederland”, het kennelijk abusievelijk weggevallen woord “opzettelijk”, nu uit het vervolg van de tenlastelegging, in bijzonder nu door opname van het woord “opzettelijk” in de vierde regel moet worden afgeleid dat de officier van justitie bedoeld heeft ten laste te leggen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd.

feit 2:

Op 29 september 2017 in de gemeente Soest opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, toen daar opzettelijk wederrechtelijk

  • -

    een mes voor het gezicht van die [slachtoffer] gehouden en

  • -

    vervolgens tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij haar telefoon aan hem moest geven, waarop die [slachtoffer] haar telefoon aan hem heeft gegeven en

  • -

    vervolgens tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij met hem, verdachte, mee moest lopen en een pad aangewezen en gezegd dat die [slachtoffer] dat aangewezen pad in moest lopen, waarna die [slachtoffer] met hem dat aangewezen pad is ingelopen, en

  • -

    de handen van die [slachtoffer] (met een tie-wrap en een veter) vastgebonden en

  • -

    die [slachtoffer] gedwongen om (met gebonden handen) op zijn scooter plaats te nemen en die [slachtoffer] vervolgens (met achterlating van haar fiets) meegenomen op die scooter en

  • -

    die [slachtoffer] naar een met een hek omheinde plek vervoerd en die [slachtoffer] over een hek getild;

feit 3:

op 29 september 2017 in de gemeente Soest, door geweld, door bedreiging met geweld en een andere feitelijkheid bestaande uit

  • -

    het dreigen met een mes en

  • -

    het gebieden om mee te lopen naar een (uit het zicht gelegen) plek en

  • -

    het gebieden om haar broek uit te doen, en

  • -

    het gebieden om op haar knieën te gaan zitten en

  • -

    het gebieden hem te pijpen

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, zijn penis in de mond en vagina en anus van die [slachtoffer] gebracht of geduwd en gehouden,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

Inzake parketnummer 16/652376-18

feit 1:

hij op 8 februari 2018 omstreeks 12:30 uur, althans in de middag, te Utrecht AM1 en AM2 en AM3, allen medewerkers van het Pieter Baancentrum, opzettelijk heeft mishandeld door:

  • -

    die AM1 tegens diens ribben te trappen, waardoor die AM1 pijn heeft ondervonden, en

  • -

    geweldshandelingen jegens die AM2 uit te oefenen, bestaande het zich (met geweld) verzetten, waardoor die AM2 letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden, en

  • -

    die AM3 in diens lichaam te bijten en meermalen tegen diens knie te trappen en meermalen tegen diens hoofd en rug en schouder te slaan, waardoor die AM3 letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

feit 2:

hij op 8 februari 2018 omstreeks 21:40 uur, althans in de avond, te Utrecht AB1 en AB2, beveiligingsmedewerkers, opzettelijk heeft mishandeld door:

  • -

    die AB1 meermalen tegen diens hoofd te slaan, waardoor die AB1 letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden, en

  • -

    die AB2 in diens rechterzij te bijten, waardoor die AB2 letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

inzake parketnummer 16/707164-17

feit 1 subsidiair: doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren;

feit 2: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

feit 3: verkrachting, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een in kracht van gewijsde gegane veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een soortgelijk misdrijf.

Inzake parketnummer 16/652376-18

feit 1: mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 2: mishandeling, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Inzake parketnummer 16/707164-17

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van 9 mei 2018 van de deskundigen R.J.P. Rijnders, psychiater en J. Heerschop, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht (PBC).

Verdachte is gedurende zeven weken in het PBC geobserveerd door een team bestaande uit deskundigen van verschillende vakgebieden. Ook heeft een milieuonderzoek plaatsgevonden, waarbij de levensgeschiedenis en de sociale omgeving van verdachte in kaart is gebracht.

Verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek. De deskundigen concluderen wel dat betrokkene beperkt zicht heeft gegeven op zijn seksuele belevingswereld. Zij kunnen een gestoorde seksualiteitsbeleving daarom niet uitsluiten.

Ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens

De deskundigen concluderen dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met zowel borderline als antisociale kenmerken. Daarnaast is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van afhankelijkheid van middelen als alcohol, cocaïne en amfetamine/Ritalin.

De deskundigen beschrijven verdachte als volgt.

Verdachte is een man die diepgaande problemen heeft met het beheersen van zijn impulsen, emoties en agressie. Zijn zelfbeeld is negatief en zijn persoonlijkheidsstructuur zeer zwak (in zijn eigen beleving is hij een speelbal van dagelijkse omstandigheden). Verdachte reageert snel agressief. Hij vertoonde al in zijn vroege jeugd ontwikkelingsstoornissen die een opmaat zijn geweest naar de ernstige persoonlijkheidsstoornis die ten tijde van het onderzoek wordt geconstateerd. Verdachte heeft de sterke neiging prikkels op te zoeken en deze zeker niet te

vermijden. De term prikkelzucht is op hem van toepassing. De combinatie van impulsiviteit

en prikkelzucht, gecombineerd met een agressieve, wraaklustige tendens als hij meent te worden benadeeld, leidt ertoe dat verdachte makkelijk kan overgaan tot agressief gedrag. Ondanks zijn normale intelligentie kan verdachte een spanningsvolle situatie niet altijd goed overzien. Naarmate de stress bij hem toeneemt, neigt hij ertoe de context waarin hij verkeert in paranoïde zin te evalueren, wat weer een aanjager kan zijn voor een zich herhalend proces met extra stressgevoelens en extra paranoïdie, dat voor hem aanleiding kan zijn tot agressief handelen. Als een spanningsvolle situatie fors is én enige tijd aanhoudt, kan het gebeuren dat verdachte een vervorming van de werkelijkheid ondergaat en op psychose gelijkende paranoïde gedachten heeft. Deze gedachten houden meestal niet heel lang aan (zoals dat bij een psychose wel het geval is), maar wel lang genoeg om op basis daarvan te handelen, niet zelden in agressieve zin. Dit geheel van gedachten, gevoelens en gedragingen vloeien voort uit verdachtes zeer zwakke persoonlijkheidsstructuur.

Daarnaast beschrijven de deskundigen ook een berekenende, antisociale kant van verdachte. Hij is beperkt in zijn gewetensfuncties en in zijn empathie, stuurt bewust aan op verwervend crimineel handelen, lijkt achteloos voorbij te gaan aan de belangen van derden, en is ook in staat over te gaan tot zogenoemde instrumentele agressie. Dus het inzetten van geweld om te verwerven. Een dergelijke vorm van agressie valt te omschrijven als meer planmatig en doelbewust, waarbij betrokkene handelt door middel van intimidatie en/of slaan om zijn positie duidelijk te maken of ter vergemakkelijking van verwervingscriminaliteit.

De persoonlijkheidsstoornis en de ziekelijke stoornis van de geestvermogens waren volgens de deskundigen aanwezig ten tijde van het plegen van de feiten. Zij zien geen aanleiding te vermoeden dat het denken en handelen van verdachte toen in belangrijke mate werd bepaald door het gebruik van Ritalin.

De rechtbank maakt uit hetgeen de deskundige Heerschop ter zitting heeft verklaard op dat de genoemde stoornissen ook aanwezig waren ten tijde van het plegen van de feiten in het Pieter Baan Centrum.

Invloed op gedrag tijdens het plegen van de feiten

Bij de vraag of en zo ja, in hoeverre de persoonlijkheidsstoornis en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens een rol hebben gespeeld bij het plegen van de feiten maken de deskundigen een onderscheid, afhankelijk van welk scenario zich in werkelijkheid heeft afgespeeld. Het oordeel daarover laten zij over aan de rechtbank.

De deskundigen zijn van mening dat de feiten verdachte minder kunnen worden toegerekend wanneer zij zijn gepleegd uit achterdocht, woede en impulsieve agressiviteit voortvloeiend uit verdachtes borderline-persoonlijkheidsproblematiek (het eerste scenario), dan wanneer zij voortkomen uit een meer planmatig, doelbewust delictscenario, voortvloeiend uit een antisociaal opportunistisch motief (het tweede scenario).

De verkrachting

Wanneer uitgegaan wordt van het eerste scenario, dat aansluit bij de verklaring van verdachte, oordelen de deskundigen dat de verkrachting verdachte verminderd kan worden toegerekend. Men gaat er dan van uit dat verdachte spanningen had voorafgaand aan het plegen van het feit in verband met zijn opleiding, ongeboren kind et cetera. De vraag van [slachtoffer] : “Je gaat me verkrachten he?” zou er vervolgens, in samenhang met die spanningen, toe hebben geleid dat hij haar impulsief seksueel heeft misbruikt. Als er echter meer planmatig is gehandeld vanuit parafilie, verkrachtingsfantasieën of hyperseksualiteit, dan is verminderd, maar ook geheel toerekenen mogelijk. Als er planmatig is gehandeld vanuit opportunistische, antisociale overwegingen (tweede scenario), dan kan dit feit verdachte volgens de deskundigen geheel of hooguit in licht verminderde mate worden toegerekend.

De vrijheidsberoving

Voor de vrijheidsberoving kunnen de deskundigen zich – uitgaande van de verklaring van verdachte – voorstellen dat hij door zijn grote stressbeleving en zijn beperkte copingvaardigheden, voortvloeiend uit zijn persoonlijkheidsstoornis, verminderd in staat was zijn wil te bepalen. Om die reden kunnen zij zich voorstellen dat verdachte tijdens de vrijheidsberoving verminderd toerekeningsvatbaar was. Echter, zij plaatsen daarbij de kanttekening dat gedurende het vele minuten durend traject van de vrijheidsberoving er enig moment van bezinning moet hebben kunnen plaatsvinden, zodat ook een volledige toerekeningsvatbaarheid of licht verminderde toerekeningsvatbaarheid tot de mogelijkheden behoort.

De doodslag

Ten aanzien van de doodslag komen de deskundigen in het eerste scenario, waarin verdachte onder grote stressbeleving ernstig impulsief agressief heeft gehandeld, tot verminderde toerekeningsvatbaarheid. Is dit feit gepleegd met een meer planmatige intentie, voortvloeiend uit de antisociale kant van de persoonlijkheidsstoornis van verdachte (het tweede scenario), dan kan het feit hem in grote mate dan wel geheel worden toegerekend.

De rechtbank onderschrijft de overwegingen en conclusies van de deskundigen en neemt deze over.

Welk delictscenario?

In het kader van de strafbaarheid van verdachte moet de rechtbank beoordelen in hoeverre de bewezen verklaarde feiten hem kunnen worden toegerekend.

Eerder in dit vonnis heeft de rechtbank geconcludeerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor voorbedachte raad ten aanzien van het doden van [slachtoffer] . Met de vrijspraak van moord is echter nog geen antwoord gegeven op de vraag of verdachte bij de verkrachting, de vrijheidsberoving en de doodslag al dan niet planmatig, in de zin van doelbewust heeft gehandeld, zoals bedoeld in de rapportage van de deskundigen. Daarbij merkt de rechtbank voor de begrijpelijkheid van het hiernavolgende op dat met de door de deskundigen gehanteerde term ‘planmatig’ dus niet hetzelfde wordt bedoeld als handelen met voorbedachte raad.

Verdachte heeft verklaard dat hij na de gestelde aanrijding tussen hem en [slachtoffer] wilde voorkomen dat zij de politie zou bellen. Hij trok een mes en droeg haar op om haar telefoon uit te zetten en aan hem te geven, waarna hij deze doormidden brak. Vervolgens beval hij haar het pad in te lopen. Nadat zij zei: “je gaat me verkrachten he?”, knapte er iets bij hem en is hij overgegaan tot de verkrachting. Hij beval haar haar broek uit te doen, op haar knieën te gaan zitten en hem te pijpen, wat ze ook deed. Na de verkrachting is hij naar de scooter gelopen, heeft haar zijn helm gegeven, beval haar die op te zetten, waarbij hij op dat moment het plan had om haar verderop op het pad af te zetten. In de worsteling die daarna ontstond, zegt verdachte [slachtoffer] met de vuist op haar gezicht geslagen te hebben. Vervolgens heeft verdachte haar handen met tie-wraps en een veter op haar rug vastgebonden, haar jas over haar heen gedaan en met de drukknopen vast gedaan, haar de helm opgedaan en haar gezegd achterop de scooter te gaan zitten. Verdachte verklaart dat het zijn bedoeling was om haar verderop bij de manege af te zetten, waarna hij zelf terug zou rijden naar de WA-hoeve. Tijdens de rit is hij de weg kwijt geraakt, zouden zij meermalen zijn afgestapt, stukken hebben gelopen, en weer zijn opgestapt. Verdachte verklaart dat hij daarbij steeds heeft nagedacht waar hij haar kon afzetten. Uiteindelijk kwamen ze bij een ecoduct en een spoorwegovergang. Vandaar is verdachte doorgereden naar de voormalige vliegbasis, waar hij haar over het hek heeft getild.

De verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer] na de verkrachting heeft vastgebonden en van die plek heeft meegenomen naar een plek waar zij later is gedood, wordt bevestigd door de bevindingen van het forensisch onderzoek op de verschillende plaatsen delict.

Beoordeling

De rechtbank leidt uit deze door verdachte geschetste gang van zaken af dat verdachte na de gestelde aanrijding in ieder stadium van de gebeurtenissen doelbewust en planmatig heeft gehandeld. Daarbij zette hij – eveneens doelbewust – op intimiderende wijze geweld in. Zo brak hij, nadat hij het mes had getrokken, de telefoon van [slachtoffer] doormidden met als doel te voorkomen dat zij de politie zou bellen. Verdachte geeft geen logische verklaring waarom hij de telefoon doormidden moest breken, nadat deze reeds door haar was uitgezet en hij haar vervolgens heeft gedwongen om, met medeneming van haar fiets en zijn scooter, het pad in te lopen, terwijl zijn doel: voorkomen dat zij de politie zou bellen, daarvoor al was bereikt. Het resultaat hiervan was echter wel dat zij verder weg kwam van het fietspad en dat de fiets en de scooter uit het zicht raakten van eventuele voorbijgangers en de telefoon definitief onbruikbaar was. Op de vraag waarom hij zo handelde heeft verdachte ter zitting niet meer gezegd dan dat het hem op dat moment een goed idee leek. Verdachte geeft geen plausibele verklaring waarom hij er niet voor heeft gekozen om [slachtoffer] op de plaats van de aanrijding achter te laten en er zelf vandoor te gaan. Verdachte legt vervolgens een onnavolgbare verklaring af over waarom hij toch is overgegaan tot de verkrachting. Dat parafilie, verkrachtingsfantasieën of hyperseksualiteit daarbij een rol hebben gespeeld, kan niet worden vastgesteld, omdat verdachte volgens de deskundigen beperkt zicht heeft gegeven op zijn seksuele belevingswereld. Verdachte heeft over de verkrachting gezegd dat hij kwaad, boos en achterdochtig werd doordat [slachtoffer] zei: “je gaat me verkrachten he?”. Dit had volgens hem te maken met het feit dat hij woede voelde naar zichzelf vanwege de verkrachtingen die hij in het verleden had gepleegd en dat er iets knapte bij hem. In een latere verklaring zegt verdachte dat haar opmerking hem pissig maakte. Verdachte kan desgevraagd niet uitleggen hoe de woede naar zichzelf, over het feit dat hij in het verleden verkrachtingen had gepleegd, kon uitmonden in juist weer een verkrachting. De rechtbank acht verdachtes verklaring op dit punt daarom niet geloofwaardig. Te meer niet, omdat zijn handelingen direct voorafgaand aan de verkrachting – zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen – wijzen op het doelbewust en planmatig handelen van verdachte. Een andere reden waarom de rechtbank niet aannemelijk acht dat verdachte bij de verkrachting werkelijk heeft gehandeld vanuit woede en achterdocht, is dat deze gevoelens in het vervolg van verdachtes verklaring als aanleiding voor zijn handelen niet meer terugkomen. De rechtbank gaat er voor de verkrachting dan ook van uit dat verdachte daarbij planmatig heeft gehandeld.

Verdachte stelt dat hij [slachtoffer] heeft meegenomen op de scooter omdat hij haar niet in de kou en regen wilde achterlaten en dat hij haar ergens in de bewoonde wereld wilde afzetten.

De rechtbank gelooft deze verklaring niet. Zo is die verklaring moeilijk te rijmen met zijn respectloze handelen daarvoor. Verder geeft verdachte geen logische verklaring waarom hij [slachtoffer] niet daadwerkelijk bij de manege heeft afgezet, zoals het plan was (verdachte zegt dat hij de manege voorbij gereden was en niet weet waarom hij niet terug gereden is) en waarom hij haar, nadat hij haar over het hek van de vliegbasis had getild, niet daar heeft achtergelaten en zelf is weggegaan. Te meer ook omdat verdachte heeft verklaard dat hij de omgeving kende, omdat hij daar vaak hard liep. Dit roept de vraag op of zijn doel niet vanaf het begin was om [slachtoffer] juist af te zonderen en afgezonderd te houden van de bewoonde wereld. Hoewel deze vraag op basis van de beschikbare informatie niet met voldoende zekerheid kan worden beantwoord, zijn er op grond van al het bovenstaande in ieder geval geen aanwijzingen dat verdachte de vrijheidsbeneming en de doodslag pleegde in een staat van woede, achterdocht of impulsieve agressiviteit.

Die planmatigheid blijkt ook uit het feit dat verdachte zijn handelingen steeds stapsgewijs uitvoert en vergezeld laat gaan van gewelddadige handelingen en van de permanente dreiging daarvan gedurende langere tijd. Als voorbeelden noemt de rechtbank het slaan na de verkrachting, het binden van de handen met tie-wraps, het laten opzetten van de helm, het rijden van het hele traject, het tillen van [slachtoffer] over het hek en het ook daar met haar meegaan.

De rechtbank concludeert gelet op al het bovenstaande dat verdachte bij alle drie de feiten planmatig, in de zin van doelbewust, heeft gehandeld, voortkomend uit een antisociaal-opportunistisch motief, en niet vanuit woede, achterdocht en impulsieve agressiviteit.

Het bovenstaande leidt de rechtbank, mede gelet op de adviezen van de deskundigen, tot de conclusie dat de bewezen verklaarde feiten verdachte licht verminderd kunnen worden toegerekend.

Inzake parketnummer 16/652376-18

De deskundigen hebben in hun rapport niet afzonderlijk geoordeeld over verdachtes toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het plegen van de feiten in het Pieter Baan Centrum. Nu moet worden aangenomen dat eerdergenoemde stoornissen ook toen aanwezig waren en de deskundige Heerschop ter zitting heeft verklaard dat verdachte daarbij, uit achterdocht, het zich benadeeld voelen, onder invloed van zijn borderline persoonlijkheidsproblematiek is overgegaan tot explosief agressief handelen, is de rechtbank van oordeel dat deze feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Er is de rechtbank niet gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 28 jaren, met aftrek van het voorarrest, en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – kort gezegd – betoogd dat de gang van zaken na de aanhouding van verdachte dient te leiden tot strafvermindering. Voorts heeft de verdediging verzocht bij het bepalen van de hoogte van een eventueel op te leggen gevangenisstraf rekening te houden met de beslissing van de rechtbank Gelderland van 15 maart 2018, waarbij besloten is af te zien van de volledige voorwaardelijke invrijheidstelling van vier jaar die samenhing met een vorige strafzaak. Nu naar de mening van de verdediging in het verleden niet alle behandelmogelijkheden zijn benut, ligt het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging voor de hand. De verdediging heeft er in dat kader op gewezen dat pas aan de behandeling van verdachte kan worden begonnen na tenuitvoerlegging van twee derde van de opgelegde gevangenisstraf. Nu de feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend, dient ook hiermee rekening te worden gehouden. De verdediging stelt zich op het standpunt dat een aanzienlijke strafvermindering op zijn plaats is.

Strafmaatverweer - onderzoek Pollux

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte is na zijn aanhouding door het arrestatieteam verhoord zonder dat hij op zijn zwijgrecht is gewezen. Daarnaast heeft het arrestatieteam tijdens het transport op diverse momenten geweld gebruikt en is verdachte zwaar gewond geraakt aan zijn schouder. Artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, dat samenhangt met artikel 3 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is daarmee geschonden. De verdediging heeft aan de hand van de in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren uiteengezet dat dit vormverzuim tot strafvermindering zou moeten leiden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verhoren zonder cautie door het arrestatieteam, de inzet van de politiehond ter dreiging en het toepassen van pijnprikkels met de handboeien door het arrestatieteam kunnen worden aangemerkt als vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Afweging van de factoren genoemd in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, leidt er volgens de officier van justitie toe dat kan worden volstaan met een enkele constatering van deze vormverzuimen en dat strafvermindering niet aan de orde is.

Onder leiding van het arrondissementsparket Noord-Holland heeft de rijksrecherche naar aanleiding van de aangifte van verdachte van bedreiging en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door leden van het arrestatieteam onderzoek verricht. Dit onderzoek is bekend onder de naam ‘Pollux’. Verdachte heeft in zijn aangifte verklaard dat hem na zijn aanhouding, – zonder dat daarbij de cautie werd gegeven – door verschillende leden van het arrestatieteam meerdere keren werd gevraagd waar [slachtoffer] was. Daarbij werden door het arrestatieteam verschillende vormen van geweld en dreiging toegepast. Na medisch onderzoek ongeveer een maand na de aanhouding is gebleken dat in de rechterschouder van verdachte sprake was van een avulsiefractuur. Een dergelijke fractuur treedt op bij hevige trekkracht waarbij een stuk bot afscheurt.

In het kader van het onderzoek Pollux zijn onder meer de verschillende leden van het arrestatieteam gehoord. Verder heeft het Nederlands Forensisch Instituut onderzoek gedaan naar de ouderdom en de oorzaak van het bij verdachte geconstateerde letsel.

Naar aanleiding van dit onderzoek heeft het openbaar ministerie (parket Noord-Holland) aan verdachte meegedeeld dat de verdachten in het onderzoek Pollux om uiteenlopende redenen niet zullen worden vervolgd. In deze sepotbeslissing wordt overwogen dat er naar het oordeel van het openbaar ministerie na de aanhouding van verdachte in de bus van het arrestatieteam diverse strafbare feiten zijn gepleegd. Ook staat volgens het openbaar ministerie voldoende vast dat de bij verdachte geconstateerde avulsiefractuur tijdens het transport in de bus is ontstaan.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

8.3.1

Onderzoek Pollux

De rechtbank leidt uit het dossier Pollux het volgende af.

De opdracht van het openbaar ministerie was dat verdachte direct na aanhouding door het arrestatieteam naar de vind- of verblijfplaats van [slachtoffer] zou worden gevraagd. Het openbaar ministerie heeft (mondelinge) toestemming gegeven dat verdachte stevig beet gepakt en in de bus geplaatst mocht worden, waarna hem zonder de cautie, het zwijgrecht, mede te delen, vragen zouden worden gesteld over de vind- of verblijfplaats van [slachtoffer] . Daarbij is volgens het openbaar ministerie gezegd dat verdachte niet mishandeld mocht worden en dat er ook niet gedreigd mocht worden met mishandeling. De bedoeling hiervan was dat verdachte door de wijze van aanhouding en de behandeling tijdens het transport iets over de verblijfplaats van [slachtoffer] zou loslaten. In andere zaken was dit een succesvolle aanpak gebleken. Uit de afgelegde verklaringen van de diverse leden van het arrestatieteam blijkt dat verdachte na aanhouding door leden van het observatieteam is overgedragen, is geboeid en in de transportbus is geplaatst. Daarbij is verdachte een neopreenbril opgezet waardoor hij geblindeerd was. In de transportbus is verdachte, overeenkomstig de toestemming van het openbaar ministerie, zonder het geven van de cautie diverse malen naar de vind- en verblijfplaats van [slachtoffer] gevraagd. Uit de verklaringen blijkt bovendien dat – anders dan waarvoor het openbaar ministerie toestemming had gegeven – meerdere vormen van geweld en dreiging met geweld hebben plaatsgevonden, namelijk dat:

  • -

    er tegen verdachte is gezegd dat hij de verblijfplaats van [slachtoffer] bekend moest maken, of dat anders de diensthond zou worden ingezet. Dat de diensthond vervolgens met muilkorf bij het gezicht van verdachte is gehouden en dat daarbij is gedreigd dat de hond zou bijten als verdachte de verblijfplaats niet bekend zou maken;

  • -

    de handboeien een aantal keer stevig zijn vastgepakt en er aan is gedraaid om een pijnprikkel toe te passen;

  • -

    een foto van [slachtoffer] en van de moeder van verdachte is getoond bij het stellen van vragen waar [slachtoffer] zich bevond.

Geen van de leden van het arrestatieteam kan het bij verdachte geconstateerde letsel in de schouder verklaren. De gedraging zoals verdachte die beschrijft, ‘het aan de handboeien omhoog trekken waarbij een overstrekking van de armen heeft plaatsgevonden’ zou niet hebben plaatsgevonden. Gelet op de aangifte van verdachte in combinatie met het door het NFI uitgevoerde onderzoek naar de mogelijke oorzaak van de alvulsiefractuur acht de rechtbank het echter aannemelijk dat dit letsel tijdens het transport aan verdachte is toegebracht. Dat dit letsel in de transportbus moet zijn toegebracht, wordt ook in de sepotbeslissing van het openbaar ministerie Noord-Holland onderschreven.

Gelet op al het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank bij de overbrenging van verdachte artikel 3 van het EVRM geschonden. Dat artikel bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Dit is een absoluut recht dat geen uitzonderingen kent.

Het bedreigen van verdachte met inzet van de diensthond als hij de verblijfplaats van [slachtoffer] niet bekend zou maken en het toepassen van dusdanig geweld dat dit heeft geleid tot een avulsiefractuur in de schouder van verdachte, moet worden aangemerkt als een onmenselijke behandeling. Bij die beoordeling is van belang dat verdachte zich op het moment dat het geweld en de dreiging daarmee werd toegepast, net door meerdere leden van het arrestatieteam was aangehouden, geboeid, geblindeerd en op zijn buik in een transportbus geplaatst. Dit is dus een wezenlijk andere situatie dan waarin tijdens de aanhouding van een verdachte door de politie (disproportioneel) geweld wordt toegepast en de vraag aan de orde is of sprake is van een onrechtmatige aanhouding.

Tevens is, door het dreigen met en toepassen van geweld, artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering geschonden dat kort gezegd bepaalt dat een verdachte een verklaring in vrijheid moet kunnen afleggen. Door verdachte eveneens niet de cautie mede te delen is voorts artikel 29, tweede lid van Wetboek van Strafvordering geschonden.

De rechtbank constateert daarom dat door schending van artikel 3 EVRM en het artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek. Voor de beoordeling of en welk rechtgevolg dit zou moeten hebben, is het volgende van belang.

De rechtbank constateert dat de aanhouding van verdachte onder zeer grote druk heeft plaatsgevonden, waarbij er op het moment van aanhouding van uit werd gegaan dat [slachtoffer] mogelijk nog zou leven. Het verkrijgen van een verklaring van verdachte over haar verblijfplaats was mogelijk van levensbelang. Het hard aanpakken en onder druk zetten van een verdachte tijdens een ondervraging kan onder bijzondere omstandigheden noodzakelijk zijn. Echter, het toepassen van deze methoden vindt zijn begrenzing waar deze overgaan in een behandeling die strijdig is met het bepaalde in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering of in artikel 3 EVRM. Het onmenselijk behandelen van een verdachte tijdens een dergelijke ondervraging kan, hoe groot het belang daarvan ook is, in geen geval worden gerechtvaardigd.

In het kader van het gevoerde verweer dient de rechtbank te beoordelen in hoeverre als gevolg van de schending van de eerder genoemde beginselen verdachte het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM is ontnomen.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat niet elke schending van artikel 3 EVRM per definitie het recht op een eerlijk proces aantast, tenzij er sprake is van door middel van die schending verkregen bewijsmiddelen (EHRM 1 juni 2010, Gäfgen, ECLI:NL:XX:2010:BN6864 en EHRM 11 juli 2006, Jalloh, ECLI:NL:XX:2006:AY9133). Het gebruik van bewijsmiddelen die het gevolg zijn van handelen in strijd met artikel 3 EVRM, maakt het strafproces als geheel oneerlijk.

Uit het dossier blijkt dat de behandeling die verdachte heeft ondergaan, niet heeft geleid tot het afleggen van een voor zijn strafzaak relevante belastende verklaring. Verdachte heeft op vragen van het arrestatieteam waar [slachtoffer] was, immers geantwoord dat hij dat niet wist. Ook in het eerste verhoor bij de politie heeft hij zijn betrokkenheid bij de verdwijning van [slachtoffer] ontkend. Pas twee dagen na zijn aanhouding, op 11 oktober 2017, heeft verdachte, in het bijzijn van raadsman, een bekennende verklaring afgelegd. De door verdachte afgelegde bekennende verklaring is dus niet het gevolg geweest van de schending van artikel 3 EVRM.

In hetgeen door de verdediging verder is aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat verdachte daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad en dat verdachte daarmee geen eerlijk strafproces heeft gehad. Verder verdient opmerking dat er naar aanleiding van de aangifte van verdachte uitgebreid onderzoek naar (onder meer) het optreden van het arrestatieteam heeft plaatsgevonden door de rijksrecherche. Voorts is enige vorm van rechtsherstel voor verdachte nog mogelijk in het kader van verschillende (civielrechtelijke) procedures die openstaan voor compensatie.

Naar het oordeel van de rechtbank dient – gelet op de voorgaande overwegingen – in deze procedure te worden volstaan met de constatering van het vormverzuim en is er naar het oordeel van de rechtbank dienaangaande geen ruimte voor strafvermindering zoals door de verdediging bepleit.

8.3.2.

Strafmaatoverwegingen

Inleidende opmerking

In het algemeen, maar zeker in zaken als deze, kan niet vaak genoeg worden herhaald dat het de rechtbank niet vrij staat om willekeurig straffen te bepalen en op te leggen. De rechter is bij de straftoemeting – op basis van wat zij bewezen acht – gebonden aan enerzijds de wettelijke bepalingen en de strafmaxima en anderzijds aan wat rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken opleggen. Zelfs als zo goed mogelijk rekening wordt gehouden met de in een zaak aanwezige bijzondere omstandigheden, zoals die ook hier spelen, kan in de ogen van de naasten van een slachtoffer en veel anderen in de samenleving met de strafoplegging nooit volledig recht worden gedaan. Het verlies van een kind of dierbare door toedoen van een ander roept om vergelding en zo een verlies kan ook niet daadwerkelijk worden gecompenseerd door enige in het Wetboek van Strafrecht neergelegde straf. De rechtbank ziet dat dit gevoel, blijkens de slachtofferverklaringen, ook leeft bij de ouders en de broer van [slachtoffer] . De rechtbank begrijpt dit. Desondanks moet de rechtbank, met inachtneming van de belangen van de nabestaanden, maar ook die van de maatschappij en niet in de laatste plaats die van de verdachte, recht spreken binnen de ruimte die de wet haar biedt. Dit fundament van de rechtspraak vormt voor alle inwoners van Nederland een van de pijlers van onze rechtsstaat.

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten en persoon van de verdachte

Bewezen is verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde doodslag, vrijheidsberoving en verkrachting van [slachtoffer] . Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van vijf personen die werkzaam waren in het Pieter Baan Centrum. Gekwalificeerde doodslag is een van de zwaarste delicten die het Nederlandse strafrecht kent. De wetgever heeft de buitengewone ernst van dit feit tot uitdrukking gebracht door daarop levenslange gevangenisstraf als strafmaximum te stellen, hetzelfde strafmaximum als voor moord.

Verdachte heeft, terwijl hij nog in een behandeltraject liep als gevolg van een eerdere veroordeling voor onder andere verkrachtingen, [slachtoffer] onder bedreiging met een mes meegenomen een bospad in en op verschillende manieren op zeer vernederende wijze verkracht. Ook heeft verdachte veel geweld toegepast. Uit het forensisch onderzoek blijkt van fors letsel – een groot aantal bloeduitstortingen – op het lichaam van [slachtoffer] , die bij leven zijn toegebracht. Hij heeft haar geboeid, haar zijn helm opgezet – waardoor zij nauwelijks iets kon zien – en achterop zijn scooter meegenomen op een rit over allerlei paden door bosachtig gebied. In de onzekerheid wat er verder met haar zou gaan gebeuren moet zij gedurende de hele rit voortdurend in grote angst hebben verkeerd. Geboeid heeft hij haar over een hek op een afgesloten en verlaten terrein gebracht waar hij haar uiteindelijk om het leven heeft gebracht door haar met het mes in de keel te snijden, omdat hij bang was om te worden ontdekt.

De opeenvolging van deze ernstige feiten, de totale duur daarvan, de onzekerheid over de afloop, het buitenproportionele geweld en de pijn die zij moet hebben ondervonden, moeten voor haar vreselijk zijn geweest. Naast de angst en pijn die zij moet hebben doorstaan, heeft zij haar laatste ogenblikken in eenzaamheid moeten doormaken.

Daarmee heeft verdachte, zoals ook blijkt uit de indrukwekkende verklaringen die zijn afgelegd door haar ouders, een eind gemaakt aan een leven van een jonge vrouw die vol levenslust haar toekomst tegemoet wilde gaan. Voor haar nabestaanden zijn de weken na haar verdwijning, met de zoektocht en de bijkomende onzekerheid over haar lot, een voortdurende kwelling geweest, waarbij voor de ouders en ook voor haar broer de directe confrontatie met (foto’s van) het lichaam van [slachtoffer] een grote schok en een niet te dragen verdriet moet zijn geweest. Verdachte heeft de ouders hun kind, de broer zijn zus, de grootouders hun kleindochter en de vriend zijn vriendin ontnomen. Verdachte heeft alle nabestaanden onnoemelijk leed aangedaan. Ook buiten de directe omgeving van [slachtoffer] zijn deze gruwelijke feiten zeer schokkend voor de rechtsorde en zorgen zij voor gevoelens van verbijstering, angst en onveiligheid in de maatschappij. Verdachtes handelen raakt in het bijzonder vrouwen in hun gevoel zich vrij en veilig te kunnen bewegen.

Gezien de ernst en de gruwelijkheid van de zaak acht de rechtbank een zeer langdurige gevangenisstraf passend en geboden.

Ten aanzien van de lengte van die straf en de vraag of nog bijkomende maatregelen dienen te worden opgelegd overweegt de rechtbank het volgende.

Nadat verdachte [slachtoffer] had gedood is hij allereerst gedurende meerdere dagen bezig geweest de sporen van zijn misdrijven uit te wissen. Hij kiest ervoor om haar lichaam meerdere malen te verplaatsen en te begraven met als enige doel om zijn eigen straffeloosheid te verzekeren. De manier waarop hij daarbij is omgegaan met het lichaam van [slachtoffer] geeft blijk van een volledig gebrek aan respect voor zijn medemens, vergaande berekening en uitzonderlijke gewetenloosheid.

Terwijl de zoektocht naar haar landelijk nieuws werd, is verdachte blijven zwijgen, waarmee hij de onzekerheid over haar lot gedurende bijna twee weken heeft laten voortbestaan.

Nadat verdachte was aangehouden en de verhoren begonnen, is hij blijven zwijgen. Anders dan hij zelf doet voorkomen heeft de rechtbank niet de indruk gekregen dat verdachte is gaan verklaren uit medeleven met de ouders van [slachtoffer] . Pas nadat verdachte geconfronteerd werd met onderzoeksbevindingen en nadat hem werd voorgehouden dat meewerken in zijn voordeel kon werken, heeft hij verteld waar haar lichaam kon worden gevonden. Vervolgens heeft hij een verklaring afgelegd over wat hij met haar heeft gedaan. Zoals ook al blijkt uit de eerdere overwegingen, plaatst de rechtbank veel vraagtekens bij de juistheid van (onderdelen van) de verklaringen van verdachte. Opvallend is, dat het in die onderdelen veelal gaat om de strafwaardigheid van het handelen van verdachte. Deze verklaringen komen op de rechtbank berekenend en onoprecht over. Verdachte is ook ter terechtzitting nog geconfronteerd met onderzoeksbevindingen die anders zijn of verder gaan dan verdachte doet voorkomen, zoals de sporen van letsel dat bij leven moet zijn toegebracht en de onmogelijkheid van de afwezigheid van bloed op de kleding van [slachtoffer] als wordt uitgegaan van zijn lezing van de feiten. Ook de verklaring van verdachte dat hij haar met een haal met het mes om het leven heeft gebracht en dat geen sprake was van een grote wond, wordt weersproken door de objectieve onderzoeksbevindingen uit de rapportages van de deskundigen waaruit blijkt dat er sprake was van meerdere snijletsels in de hals en een forse klieving in de hals tot op het bot. Verdachte is desalniettemin blijven volharden in zijn verklaring. Minst genomen geeft hij in zijn verklaringen geen volledige openheid van zaken. Daarmee hebben de nabestaanden geen volledig beeld gekregen wat er zich precies heeft afgespeeld en zullen zij daar verder mee moeten leven.

Ook heeft verdachte de nabestaanden geen duidelijkheid willen geven over wat er is gebeurd met de sieraden die [slachtoffer] droeg voordat verdachte haar ombracht. Zijn verklaring dat hij geen sieraden bij haar heeft gezien, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Daarnaast rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat hij de schuld voor zijn handelingen probeert af te schuiven op zijn slachtoffer. Dat geldt zowel voor de verkrachting (“omdat ze er zelf over begon”) als voor de vrijheidsberoving (“omdat ze hem met zijn mes stak”) als ook voor haar dood (“omdat ze schreeuwde”).

In het onderzoek is ook naar voren gekomen dat verdachte welbewust en weloverwogen behandelaars om de tuin heeft geleid over zijn middelengebruik en over zijn niet geoorloofde sloopactiviteiten. Het lijkt erop dat verdachte, ook in zijn gewone bestaan, zijn eigen wensen op de voorgrond laat staan en niet schroomt om een web van leugens te hanteren.

De indruk die de rechtbank van verdachte heeft gekregen en die achterblijft na herlezing van alles wat er voorligt is er een van een gewetenloze en niets ontziende man die zijn eigen perverse wensen laat voorgaan boven het leven en welzijn van zijn medemens.

In het vonnis van 21 juni 2011 van de toenmalige rechtbank Arnhem, waarbij verdachte voor de eerder genoemde verkrachtingen werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien jaar, is geoordeeld dat het gevaar dat uitging van de onbehandelde verdachte zo groot was dat de samenleving zo lang mogelijk tegen verdachte moest worden beschermd. Noch in die procedure, noch die bij het gerechtshof heeft verdachte inzicht willen geven in zijn persoon en ook heeft hij niet willen meewerken aan het opstellen van rapportages door het Pieter Baan Centrum. Helaas is gebeurd waarvoor de rechtbank in Arnhem vreesde. Nog voordat de gehele straf ten uitvoer was gelegd heeft verdachte de onderhavige feiten begaan.

De deskundigen stellen in hun rapportage in de onderhavige zaak vast dat verdachte, hoewel hij zijn medewerking heeft verleend aan het opmaken van rapportages omtrent zijn persoonlijkheid, beperkt zicht heeft gegeven juist op zijn seksuele belevingswereld. Zijn seksualiteitsbeleving, zo voegt de rechtbank daaraan toe, heeft mogelijk ook een rol gespeeld bij het plegen van de feiten. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat kan de rechtbank niet anders dan, net zoals eerder de rechtbank Arnhem, de gevaarzetting compenseren door bestraffing.

Bij het opleggen van de straf houdt de rechtbank er verder uitdrukkelijk rekening mee dat verdachte heeft gerecidiveerd tijdens zijn detentiefasering, nog voor de ingangsdatum van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Anders dan de verdediging heeft verzocht zal de rechtbank bij de strafbepaling geen rekening houden met het feit dat de rechtbank Gelderland inmiddels heeft bepaald dat de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege zal blijven. Daarmee moet verdachte nog een gevangenisstraf van vier jaar uitzitten. De rechtbank kan niet meegaan in het verzoek van de verdediging, nu dat een andere zaak betreft waarbij de rechtbank de mogelijkheid van het achterwege blijven van de voorwaardelijke vrijheidstelling reeds heeft ingecalculeerd.

De rechtbank is, gezien al hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat ter vergelding van de bewezen verklaarde feiten alsmede – opnieuw – ter bescherming van de maatschappij, in deze zaak een zeer langdurige gevangenisstraf moet worden opgelegd.
De rechtbank kiest niet voor een levenslange gevangenisstraf, omdat dat op termijn zou kunnen betekenen dat verdachte zonder adequate behandeling terugkeert in de maatschappij.

Psychische gesteldheid

Vastgesteld is dat verdachte, hoewel niet volledig, in overwegende mate wel heeft meegewerkt aan de totstandkoming van een rapportage door het Pieter Baan Centrum.

De deskundigen zien, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat de feiten verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend – hetgeen het geval is –, een pathologisch bepaald zeer hoog risico op een zedendelict en een hoog risico op een geweldsdelict, met daarbij ook een hoog risico op ernstig lichamelijk geweld. Zij zijn van mening dat er in verband met de ernst van de feiten en de ernst van verdachtes psychopathologie – een persoonlijkheidsstoornis en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens-, afgezet tegen de kans op herhaling, geen ruimte bestaat voor enige behandeling in een voorwaardelijk kader. Zij adviseren de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen.

De reclassering heeft een advies uitgebracht, gedateerd 31 mei 2018. Zij sluit zich aan bij de conclusies van de deskundigen.

De rechtbank onderschrijft de overwegingen en de conclusies van de deskundigen en neemt deze over, waarbij zij voor wat betreft de geweldsfeiten in het Pieter Baan Centrum eveneens uitgaat van een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid voor de feiten gepleegd op 29 september 2017 en een verminderde toerekeningsvatbaarheid voor de feiten gepleegd op 8 februari 2018 in het PBC. De (licht) verminderde toerekeningsvatbaarheid is in deze zaak de enige omstandigheid die een enigszins matigend gevolg heeft voor de op te leggen gevangenisstraf.

De deskundigen hebben ter terechtzitting desgevraagd bevestigd dat in het geval van verdachte behandeling tot de mogelijkheden behoort. Daarom zal de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen. De bewezen verklaarde feiten betreffen misdrijven waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist. De rechtbank bepaalt hierbij dat de totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging ongemaximeerd zal zijn, nu de terbeschikkingstelling wordt opgelegd voor een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon.

Op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging alleen samen worden opgelegd met een tijdelijke gevangenisstraf en dus niet samen met een levenslange gevangenisstraf. Op grond van artikel 10, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht kan een tijdelijke gevangenisstraf niet hoger zijn dan dertig jaar. Gezien al hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen zal zij dit dan ook als uitgangspunt nemen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat, rekening houdend met een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid, een gevangenisstraf van 28 jaren en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege passend en geboden is. Dit is enerzijds gestoeld op de wens om verdachte zo lang mogelijk uit de maatschappij te houden en anderzijds, gezien het feit dat de kans bestaat dat verdachte op enig moment in die maatschappij zal terugkeren, er in ieder geval voor te zorgen dat die terugkeer niet plaatsvindt zonder dat verdachte eerst intensief is behandeld.

9 BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] (de vader van [slachtoffer] ) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een totaalbedrag van € 75.359,38. Dit bedrag bestaat uit materiële en immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder parketnummer 16/707164-17 ten laste gelegde feiten. De vordering is opgebouwd uit de volgende posten:

  • -

    uitvaartkosten € 14.059,44

  • -

    reiskosten € 914,94

  • -

    shockschade immaterieel € 40.000,00

  • -

    shockschade materieel € 385,00

  • -

    affectieschade € 20.000,00.

De benadeelde partij heeft verzocht het gevorderde bedrag geheel toe te wijzen en dus het door het Schadefonds Geweldsmisdrijven uitgekeerde bedrag ad € 12.500,00 niet in mindering te brengen op de vordering.

Ook heeft hij verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) aan verdachte op te leggen.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] (de moeder van [slachtoffer] ) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een totaalbedrag van € 61.160,27. Dit bedrag bestaat uit materiële en immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder parketnummer 16/707164-17 ten laste gelegde feiten. De vordering is opgebouwd uit de volgende posten:

  • -

    reiskosten € 775,27

  • -

    shockschade immaterieel € 40.000,00

  • -

    shockschade materieel € 385,00

  • -

    affectieschade € 20.000,00.

De benadeelde partij heeft verzocht het gevorderde bedrag geheel toe te wijzen en dus het door het Schadefonds Geweldsmisdrijven uitgekeerde bedrag ad € 5.000,00 niet in mindering te brengen op de vordering.

Ook heeft zij verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht) aan verdachte op te leggen.

De benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] (de broer van [slachtoffer] ) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een totaalbedrag van € 78.335,00. Dit bedrag bestaat uit materiële en immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder parketnummer 16/707164-17 ten laste gelegde feiten. De vordering is opgebouwd uit de volgende posten:

  • -

    shockschade immaterieel € 40.000,00

  • -

    shockschade materieel

 zorgkosten € 385,00

 studievertraging € 20.450,00

- affectieschade € 17.500,00.

De benadeelde partij heeft verzocht het gevorderde bedrag geheel toe te wijzen en dus het door het Schadefonds Geweldsmisdrijven uitgekeerde bedrag ad € 5.000,00 niet in mindering te brengen op de vordering.

Ook heeft hij verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht) aan verdachte op te leggen.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partijen toe te wijzen, met uitzondering van de gevorderde vergoeding van affectieschade, nu daarvoor op dit moment een wettelijke basis ontbreekt.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de uitvaartkosten, de door de ouders gevorderde reiskosten en de door de broer gevorderde schade als gevolg van de studievertraging. De vordering tot vergoeding van het eigen risico (post ‘shockschade materieel / zorgkosten’) dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu niet is gebleken dat het eigen risico is aangesproken in verband met de onderhavige zaak. Ten aanzien van de shock- en affectieschade stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, nu behandeling van deze posten een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair is betoogd de affectieschade af te wijzen, nu op dit moment een wettelijke basis voor vergoeding ontbreekt. Wat betreft de shockschade is subsidiair bepleit om bij bepaling van de hoogte van het toe te wijzen bedrag aan te sluiten bij toegewezen bedragen in andere strafzaken.

De verdediging heeft verzocht om de vervangende hechtenis – bij het toepassen van de schadevergoedingsmaatregel – te beperken tot één dag, omdat niet te verwachten valt dat verdachte in de toekomst in staat zal zijn om aan zijn betalingsverplichting te kunnen voldoen en oplegging van vervangende hechtenis dan in de praktijk zou neerkomen op een verkapte gevangenisstraf.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 51f, tweede lid, Wetboek van Strafvordering geeft, in samenhang met de artikelen 6:106 en 6:108 Burgerlijk Wetboek (BW) een regeling voor kosten die nabestaanden kunnen vorderen als benadeelde partij in het strafproces bij het overlijden van iemand als gevolg van een strafbaar feit. Artikel 6:108 BW geeft een limitatieve (uitputtende) opsomming van wat gevorderd kan worden. Alleen de kosten die in dit artikel worden genoemd, kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de kosten van de begrafenis.

Uitvaartkosten

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze kosten voldoende onderbouwd en bovendien komen deze kosten de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal dan ook aan [benadeelde partij 1] een bedrag van € 14.059,44 toewijzen.

Reiskosten

Ook deze kosten zijn voldoende onderbouwd en komen de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal dan ook aan [benadeelde partij 1] een bedrag van € 914,94 en aan [benadeelde partij 2] een bedrag van € 775,27 aan reiskosten toewijzen.

Shockschade materieel (eigen risico zorgkosten)

Uit de door de benadeelde partijen overgelegde stukken blijkt dat zij alle drie worden behandeld door een psychotherapeut en deze kosten in rekening hebben gebracht bij de zorgverzekeraar. De rechtbank acht het aannemelijk dat bij alle drie de benadeelde partijen het eigen risico als gevolg van de behandelingen geheel is aangesproken. Het verweer dat de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard nu niet is gebleken dat het eigen risico is aangesproken, wordt dan ook verworpen. De rechtbank zal aan iedere benadeelde partij een bedrag van € 385,00 toewijzen.

Shockschade materieel (studievertraging)

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze kosten voldoende onderbouwd en bovendien komen deze kosten de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal dan ook aan [benadeelde partij 3] een bedrag van € 20.450,00 toewijzen.

Shockschade immaterieel

Shockschade komt onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking. Volgens vaste jurisprudentie moet daarvoor sprake zijn van geestelijk letsel, voortvloeiend uit een hevige emotionele schok door het waarnemen van het misdrijf of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, hetgeen zich met name voor zal doen als sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die, zoals in deze zaak, door het misdrijf om het leven is gekomen. Daarbij valt in de eerste plaats en met name te denken aan familieverhoudingen, maar uit de jurisprudentie blijkt niet dat deze band per definitie tot dergelijke verhoudingen beperkt dient te worden.


Voor de ouders moet het identificeren van hun overleden dochter zeer ingrijpend zijn geweest. Op het moment dat de ouders te horen kregen dat zij hun dochter voor de laatste keer konden zien had zij al bijna twee weken in de grond gelegen en was zij bijna niet meer te herkennen. Tegelijkertijd was het door verdachte toegepaste geweld op haar lichaam nog wel duidelijk zichtbaar. De verdediging heeft niet bestreden dat deze confrontatie voor de ouders heeft geleid tot het gestelde psychische letsel. De broer van [slachtoffer] heeft, nadat hem enkele foto’s zijn getoond, er voor gekozen om niet mee te gaan naar deze confrontatie. De verdediging heeft niet bestreden dat ook hij door het zien van de foto’s van het lichaam van zijn zus geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders en de broer als gevolg van deze confrontatie langdurig ernstige klachten zullen ondervinden waarvoor zij – naar voorstelbaar is: eveneens langdurig – zullen worden behandeld.

Nu de verdediging de hoogte van de vorderingen ten aanzien van de immateriële shockschade heeft bestreden overweegt de rechtbank daarover nog het volgende. Voor de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding is naar het oordeel van de rechtbank enerzijds de aard van de confrontatie van belang en anderzijds de ernst en de langdurigheid van de klachten die deze confrontatie heeft voortgebracht. Het betreft hier immers niet een loutere identificatie, maar de confrontatie met een dochter en zus die afschuwelijk geweld heeft ondergaan en wier lichaam in al verregaande staat van ontbinding verkeerde.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat door alle benadeelde partijen voldoende is onderbouwd dat ten gevolge van de directe of indirecte confrontatie met de ernstige gevolgen van het misdrijf sprake is van opgelopen geestelijk letsel. De rechtbank maakt voor wat betreft de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding nog wel verschil tussen de ouders enerzijds en de broer anderzijds, aangezien aan te nemen is dat de shockschade als gevolg van de confrontatie met een foto anders is dan een confrontatie met een stoffelijk overschot. De rechtbank zal dan ook aan de ouders ieder een bedrag van € 40.000,00 toewijzen en aan de broer een bedrag van € 20.000,00.

Reeds uitgekeerde schadevergoeding

Gelet op artikel 6 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven in combinatie gelezen met het door het schadefonds geweldsmisdrijven geformuleerde beleid, stelt de rechtbank vast dat het schadefonds aan de slachtoffers weliswaar een bedrag beschikbaar heeft gesteld, maar dat daaraan een einde komt of kan komen zodra en voor zover de schade wordt vergoed door de verdachte (vlg. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3129). Daarover zal het schadefonds geweldsmisdrijven een aparte beslissing nemen.

Gelet hierop acht de rechtbank geen termen aanwezig om de uitkeringen die door het schadefonds geweldsmisdrijven aan de benadeelden zijn gedaan in mindering te brengen op de vorderingen.

Affectieschade

Affectieschade betreft de immateriële schade die is veroorzaakt door het verdriet vanwege het overlijden van een dierbare. Deze schade kan niet worden vergoed onder de hierboven genoemde shockschade. Een wettelijke regeling voor vergoeding van affectieschade ontbreekt op dit moment.

Met betrekking tot de door de benadeelde partijen aangehaalde Richtlijn 2012/29 EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten (PbEU 14 november 2012, L 315) overweegt de rechtbank dat de implementatietermijn van deze richtlijn is verstreken, terwijl deze nog niet is omgezet in Nederlandse wet- en regelgeving. Dit heeft tot gevolg dat de Richtlijn in beginsel rechtstreekse werking heeft, maar alleen in verticale zin. Dit houdt in dat de Richtlijn alleen kan worden ingeroepen tussen de burger en de overheid en dus niet tussen burgers onderling. Naar het oordeel van de rechtbank kan in de Richtlijn dan ook geen grondslag gevonden worden voor toewijzing van deze specifieke schade.

De vraag die daarmee voorligt is of de rechtbank vooruit moet lopen op wetgeving die vergoeding wel mogelijk maakt, maar die nog niet in werking is getreden.

Het wetsvoorstel (nr. 34 257) dat vergoeding van affectieschade mogelijk maakt is op 10 april 2018 door de Eerste Kamer aangenomen. Uit het Taxibus-arrest (HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356) volgt dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat om in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een dergelijke genoegdoening – vergoeding van affectieschade – te bieden. Die ruimte is er ook niet wanneer deze schade het gevolg is van een opzettelijk begane normschending, bijvoorbeeld een strafbaar feit, zoals in het onderhavige geval. In eerdere procedures is met betrekking tot gevorderde affectieschade geoordeeld dat de rechter niet de vrijheid heeft om, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wetswijziging – op 1 januari 2019 – een vergoeding uit hoofde van affectieschade toe te kennen. Met inachtneming hiervan en mede nu het wetsvoorstel geen terugwerkende kracht toekent aan de wet na inwerkingtreding daarvan, zal de rechtbank zich aansluiten bij deze bestendige jurisprudentie. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partijen dan ook afwijzen.

Wettelijke rente

Ten aanzien van de toegewezen bedragen, voor zover deze zien op materiële schade, zal de wettelijke rente omwille van de eenvoud worden toegewezen telkens vanaf de datum van de eerste dag van de terechtzitting, zijnde 11 juni 2018. Voor zover het betreft de toegewezen bedragen terzake de immateriële schade stelt de rechtbank vast dat de wettelijke rente wordt toegewezen met ingang van 14 oktober 2017, de dag van de confrontatie.

Kostenveroordeling

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden op dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor de betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partijen aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag.

Nu het – gelet op de omstandigheid dat aan verdachte een langdurige gevangenisstraf wordt opgelegd, alsmede de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging – nog maar zeer de vraag is of verdachte in de toekomst in staat zal zijn om aan zijn betalingsverplichting te kunnen voldoen, zal de rechtbank, ondanks de hoogte van het toegewezen bedrag, aan het opleggen van de schademaatregel, slechts één dag vervangende hechtenis verbinden. Toepassing van de hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partijen.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 43a, 57, 242, 282, 288 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder parketnummer 16/707164-17 feit 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder parketnummer 16/707164-17 feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3, alsmede onder parketnummer 16/652376-18 feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder parketnummer 16/707164-17 feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3, alsmede onder parketnummer 16/652376-18 feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]

- wijst de vordering van [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 55.359,38;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde partij 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag voor zover dit ziet op het gedeelte van de materiële schade, zijnde in totaal € 15.359,38, met ingang van 11 juni 2018 en voor zover het ziet op de immateriële schade, zijnde in totaal € 40.000,00, met ingang van 14 oktober 2017 telkens tot de dag van volledige betaling;

- wijst af de vordering voor zover die ziet op affectieschade;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 55.359,38 te betalen, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hierboven beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

- wijst de vordering van [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 41.160,27;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde partij 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag voor zover dit ziet op het gedeelte van de materiële schade, zijnde in totaal € 1.160,27, met ingang van 11 juni 2018 en voor zover het ziet op de immateriële schade, zijnde in totaal € 40.000,00, met ingang van 14 oktober 2017 telkens tot de dag van volledige betaling;

- wijst af de vordering voor zover die ziet op affectieschade;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat

€ 41.160,27 te betalen, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hierboven beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [benadeelde partij 3]

- wijst de vordering van [benadeelde partij 3] toe tot een bedrag van € 40.835,00;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde partij 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag voor zover dit ziet op het gedeelte van de materiële schade, zijnde in totaal € 20.835,00, met ingang van 11 juni 2018 en voor zover het ziet op de immateriële schade, zijnde in totaal € 20.000,00 met ingang van 14 oktober 2017 telkens tot de dag van volledige betaling;

- wijst af de vordering voor zover die ziet op affectieschade;

- verklaart [benadeelde partij 3] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat € 40.835,00 te betalen, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hierboven beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mrs. E.H.M. Druijf en J.A. Spee, rechters, in tegenwoordigheid van I.W.H.M. Verheijen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juli 2018.

Bijlage 1: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Inzake parketnummer 16/707164-17

Feit 1 :

Primair:

hij in of omstreeks de periode van 29 september 2017 tot en met 8 oktober 2017 in de gemeente Zeist en/of Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (deels) in de keel/hals van die [slachtoffer] gesneden en/of gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 29 september 2017 tot en met 8 oktober 2017 in de gemeente Zeist en/of de gemeente Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (deels) in de keel/hals van die [slachtoffer] gesneden en/of gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten verkrachting en/of wederrechtelijke vrijheidsberoving, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 29 september 2017 tot en met 8 oktober 2017 in de gemeente Zeist en/of de gemeente Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (deels) in de keel/hals van die [slachtoffer] gesneden en/of gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

art 287 Wetboek van Strafrecht

Feit 2 :

hij in of omstreeks de periode van 29 september 2017 tot en met 8 oktober 2017 in gemeente Zeist en/of de gemeente Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers

heeft hij, verdachte, toen daar opzettelijk wederrechtelijk

  • -

    een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, voor het gezicht, althans ter hoogte van het hoofd, van die [slachtoffer] gehouden, in elk geval die [slachtoffer] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp getoond en/of

  • -

    (vervolgens) tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij haar telefoon aan hem moest geven, waarop die [slachtoffer] haar telefoon aan hem heeft gegeven dan wel hij de telefoon van die [slachtoffer] heeft afgepakt en/of

  • -

    (vervolgens) tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij met hem, verdachte, mee moest lopen en/of een pad aangewezen en/of gezegd dat die [slachtoffer] dat aangewezen pad in moest lopen, waarna die [slachtoffer] met hem dat aangewezen pad is ingelopen, en/of

  • -

    de handen van die [slachtoffer] (met een tie-rap en/of een veter) vastgebonden en/of

  • -

    die [slachtoffer] gedwongen om (met gebonden handen) op zijn scooter plaats te nemen en/of die [slachtoffer] vervolgens (met achterlating van haar fiets) meegenomen op die scooter en/of

  • -

    die [slachtoffer] naar een met een hek omheinde plek vervoerd en/of die [slachtoffer] over een hek getild.

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Feit 3 :

hij in of omstreeks de periode van 29 september 2017 tot en met 8 oktober 2017 in de gemeente Zeist en/of de gemeente Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, een of meermalen door geweld en/of een feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid bestaande uit

- het dreigen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp en/of

- het gebieden om mee te lopen naar een (uit het zicht gelegen) plek en/of

- het slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of het lichaam en/of

- het gebieden om haar broek en/of onderbroek uit te doen, en/of

- het gebieden om op haar knieën te gaan zitten en/of

- het gebieden hem te pijpen

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, zijn penis in de mond en/of vagina en/of anus van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of gehouden,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

art 43 A Wetboek van Strafrecht

art 242 Wetboek van Strafrecht

Inzake parketnummer 16/652376-18

Feit 1:

hij op of omstreeks 8 februari 2018 omstreeks 12:30 uur, althans in de middag, te Utrecht AM1 en/of AM2 en/of AM3, (allen) medewerker(s) van het Pieter Baancentrum, opzettelijk heeft mishandeld door:

  • -

    die AM1 tegens diens borst/ribben, althans diens lichaam, te schoppen en/of te trappen, waardoor die AM1 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, en/of

  • -

    die AM2 meermalen, althans eenmaal, tegen diens lichaam te slaan en/of te schoppen, althans door geweldshandelingen jegens die AM2 uit te oefenen, bestaande uit (het om zich heen) slaan en/of (het om zich heen) schoppen en/of trappen en/of het zich (met geweld) verzetten, althans (met geweld) trachten los te komen, waardoor die AM2 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, en/of

  • -

    die AM3 meermalen, althans eenmaal, in diens schouder, althans lichaam te bijten en/of meermalen, althans eenmaal, tegen diens knie te trappen en/of te schoppen en/of meermalen, althans eenmaal, op/tegen diens hoofd en/of rug en/of schouder, althans lichaam te slaan, waardoor die AM3 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Feit 2:

hij op of omstreeks 8 februari 2018 omstreeks 21:40 uur, althans in de avond, te Utrecht AB1 en/of AB2, (beveiligingsmedewerker(s)), opzettelijk heeft mishandeld door:

  • -

    die AB1 meermalen, althans eenmaal, tegen diens hoofd, althans diens lichaam, te slaan, waardoor die AB1 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, en/of

  • -

    die AB2 in diens (rechter)zij, althans diens lichaam, te bijten, waardoor die AB2 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Bijlage 2: de bewijsmiddelen voor parketnummer 16/652376-18

Aanleiding:

Verdachte was, uit hoofde van de onder parketnummer 16/707164-17 ten laste gelegde feiten, ter observatie opgenomen in het Pieter Baan Centrum te Utrecht. Op 8 februari 2018 vonden er twee geweldsincidenten plaats, één om 12:25 uur (ten laste gelegd als feit 1) en één om 21:40 uur (ten laste gelegd als feit 2). De aangevers hebben, met toestemming van de officier van justitie, hun aangifte onder nummer gedaan.

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.10

Ten aanzien van feit 1:

Aangever AM3 heeft verklaard dat hij op 8 februari 2018 werkzaam was in het Pieter Baan Centrum in Utrecht. Rond 12:21 uur spreekt hij verdachte erop aan dat hij buiten de voor zijn afdeling toegestane tijd aan het bellen was.11 Aangever AM3 verklaart als volgt:

“Ik voelde dat [verdachte] mij toen een flink aantal vuistslagen op mijn hoofd en rug en op mijn schouder gaf.12 (…) 13 (…) Ik zag kans om [verdachte] in een wurggreep te pakken en liet mij op de grond vallen. [verdachte] kwam daardoor bovenop te liggen en zag hij kans om met zijn rechterbeen mij nog een aantal malen op mijn rechterknie te trappen.14 (…) Door dit alles heb ik verwondingen opgelopen. (…) Van dit alles heb ik een paar dagen veel last van gehad.”15

Uit de geneeskundige verklaring van 14 maart 2018 volgt dat bij aangever AM3 op 9 februari 2018 een pijnlijke rechterknie, met een licht beperkte flexie en een bijtwond op het hoofd (niet door de huid heen), is geconstateerd.16

Aangever AM1 heeft verklaard dat hij op 8 februari 2018 werkzaam was in het Pieter Baan Centrum in Utrecht. Rond 12:25 uur hoort hij stemverheffing bij de telefooncel.17 Aangever AM1 verklaart als volgt. “Ik zag dat observandus los wilde komen en daarbij wild met zijn benen tekeer ging. Ik zag en voelde dat ik toen door hem met één van zijn benen in mijn ribben werd getrapt.18 (…) Ik zag echter dat observant kans zag om zijn tanden in het achterhoofd van mijn collega te zetten.19 (…) Ook heb ik een aantal dagen behoorlijk veel pijn aan mijn ribben gehad. (…) De observandus waarover ik in mijn aangifte spreek is [verdachte] .20

Aangever AM2 heeft verklaard dat hij op 8 februari 2018 werkzaam was in het Pieter Baan Centrum in Utrecht. Rond 12:25 uur hoort en ziet hij observandus tegen zijn collega schreeuwen en loopt hij naar hen toe.21 Aangever AM2 verklaart als volgt. “Ondanks dat er drie man op hem liggen bleef observandus om zich heen slaan en probeerde hij te bijten.22 (…) Doordat observandus zich hevig tegen ons verzette ben ik gewond geraakt. Ik liep daardoor spierklachten in mijn nek en rug op, een kneuzing aan mijn rechterhand tussen mijn wijsvinger en middelvinger, een kneuzing aan mijn pols. Tevens is mijn duim aan mijn rechterhand gevoelig. Mijn linkerknie is pijnlijk bij het bewegen. Voor mijn hand loop ik nu nog steeds bij de fysiotherapeut.23 (…) De observandus (…) is [verdachte] . 24

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in een worsteling is geraakt met aangever AM1, aangever AM2 en aangever AM3 en dat het zo zou kunnen zijn dat hij met zijn been één van de aangevers heeft geraakt.25

Ten aanzien van feit 2:

Aangever AB1 heeft verklaard dat hij op 8 februari 2018 werkzaam was als beveiligingsmedewerker van G4S in het Pieter Baan Centrum in Utrecht. Rond 21:40 uur zag aangever AB1 dat verdachte in de isoleercel een mitella droeg. Omdat in een isoleercel alleen een zogenoemde ‘scheurjurk’, kleding die niet kapot te scheuren is, mag worden gedragen, besluit aangever AB1 met vier collega’s naar de isoleercel te gaan.26 Aangever AB1 verklaart als volgt. “Ik zag dat mijn collega van G4S op het bovenlichaam van observandus ging liggen. Ik zag dat ook nu observandus niet rustig werd, maar dat hij met zijn armen en benen probeerde ons te raken. Ik zag en voelde dat observandus mij een aantal malen met zijn vuisten tegen mijn hoofd en mijn gezicht sloeg. (…) Later, toen ik weer beneden was, voelde ik een behoorlijke pijn aan de linkerzijde van mijn hoofd. Ook voelde ik een behoorlijke pijn aan mijn voorhoofd en daar zag ik ook een rode plek zitten (…) observandus is [verdachte] ”27

Aangever AB2 heeft verklaard dat hij op 8 februari 2018 werkzaam was als beveiligingsmedewerker van G4S in het Pieter Baan Centrum in Utrecht. Rond 21:40 uur is aangever AB2 met een aantal collega’s de isoleercel, waarin verdachte verbleef, ingegaan.28 Aangever AB2 verklaart als volgt. “Ik zag dat mijn collega een aantal malen door observandus met zijn vuisten op zijn hoofd en in zijn gezicht werd geraakt. (…) Eenmaal beneden in onze ruimte bemerkte ik dat mijn witte overhemd aan de rechterzijde, ter hoogte van mijn rug, bebloed was. Ik bemerkte dat er ook bloed over mijn rug liep. Door mijn collega werd tegen mij gezegd dat ik door observandus gebeten was.29 (…) Door dit hele incident heb ik een flinke bijtwond in mijn rechterzij opgelopen, waar ik een aantal dagen last van heb gehad. (…) De (…) observandus is [verdachte] .”30

Getuige GET1 heeft verklaard dat hij op 8 februari 2018 rond 21:40 uur werkzaam was als bewaarder in het Pieter Baan Centrum in Utrecht. Hij verklaart dat hij met een aantal collega’s naar de isoleercel is gegaan waar verdachte verbleef.31 Getuige GET1 verklaart als volgt. “Ik zag dat mijn collega door observandus in zijn rechterzij werd gebeten.32 (…) De (…) observandus is [verdachte] .”33

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij op 8 februari 2018 in een worsteling is geraakt met aangever AB1 en aangever AB2.34

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de aangifte van AB2 ten aanzien van het bijten door verdachte niet betrouwbaar is, overweegt de rechtbank dat de aangifte wordt ondersteund door de getuigenverklaring. De rechtbank ziet ook overigens geen aanwijzingen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de volgende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal: - proces-verbaal van 7 maart 2018, genummerd BVH 2017 298560C, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1146; - een 1e aanvullend proces-verbaal, van 16 april 2018, pagina 1147 tot en met 1227; - een 2e aanvullend proces-verbaal, van 15 mei 2018, pagina 1228 tot en met 1248; - een 3e aanvullend proces-verbaal, van 17 mei 2018, pagina 1249 tot en met 1281; - proces-verbaal van 28 februari 2018, genummerd BHV 2017298560, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, dienst Regionale Recherche, afdeling Forensische Opsporing, doorgenummerd pagina 1 tot en met 782 (ter verduidelijking zal indien wordt verwezen naar dit proces-verbaal voor de paginanummering de afkorting FO worden vermeld). Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 juni 2018.

3 een geschrift, te weten Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, van 15 februari 2018, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut, FO pagina’s 713 tot en met 738.

4 het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 juni 2018.

5 een proces-verbaal sporenonderzoek Poort 5 PD moord/doodslag, van 23 oktober 2017, FO pagina’s 466 tot en met 468.

6 een geschrift, te weten een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van de vermissing van [slachtoffer] (..), van 22 februari 2018, opgemaakt door dr. A.J. Kal, deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut, FO pagina’s 636 tot en met 688 (met name pagina 660).

7 het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 juni 2018.

8 een geschrift, te weten een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van de vermissing van [slachtoffer] (..), van 22 februari 2018, opgemaakt door dr. A.J. Kal, deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut, FO pagina’s 636 tot en met 688 (met name pagina 657).

9 een geschrift, te weten het uittreksel Justitiële Documentatie, van [verdachte] , van 1 mei 2018, opgemaakt door de Justitiële Informatiedienst, pagina’s 2 tot en met 6.

10 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 10 april 2018, genummerd PL0900-2018096098, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 79. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

11 een proces-verbaal van aangifte van AM3, d.d. 6 maart 2018, pagina 11.

12 een proces-verbaal van aangifte van AM3, d.d. 6 maart 2018, pagina 12.

13 een proces-verbaal van aangifte van AM3, d.d. 6 maart 2018, pagina 12.

14 een proces-verbaal van aangifte van AM3, d.d. 6 maart 2018, pagina 12.

15 een proces-verbaal van aangifte van AM3, d.d. 6 maart 2018, pagina 12.

16 een geschrift, te weten een medische verklaring, opgemaakt op 14 maart 2018, door [huisarts], huisarts, pagina 15. een geschrift, te weten een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van de vermissing van [slachtoffer] (..), van 22 februari 2018, opgemaakt door dr. A.J. Kal, deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut, FO pagina’s 636 tot en met 688 (met name pagina 660). het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 juni 2018

17 een proces-verbaal van aangifte van AM1, d.d. 27 februari 2018, pagina 18.

18 een proces-verbaal van aangifte van AM1, d.d. 27 februari 2018, pagina 19.

19 een proces-verbaal van aangifte van AM1, d.d. 27 februari 2018, pagina 19.

20 een proces-verbaal van aangifte van AM1, d.d. 27 februari 2018, pagina 19.

21 een proces-verbaal van aangifte van AM2, d.d. 27 februari 2018, pagina 22.

22 een proces-verbaal van aangifte van AM2, d.d. 27 februari 2018, pagina 22.

23 een proces-verbaal van aangifte van AM2, d.d. 27 februari 2018, pagina 22.

24 een proces-verbaal van aangifte van AM2, d.d. 27 februari 2018, pagina 23

25 de verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 11 juni 2018.

26 een proces-verbaal van aangifte van AB1, d.d. 27 februari 2018, pagina 32.

27 een proces-verbaal van aangifte van AB1, d.d. 27 februari 2018, pagina 33.

28 een proces-verbaal van aangifte van AB2, d.d. 27 februari 2018, pagina 36.

29 een proces-verbaal van aangifte van AB2, d.d. 27 februari 2018, pagina 37.

30 een proces-verbaal van aangifte van AB2, d.d. 27 februari 2018, pagina 37.

31 een proces-verbaal van verhoor getuige GET1, d.d. 27 februari 2018, pagina 43.

32 een proces-verbaal van verhoor getuige GET1, d.d. 27 februari 2018, pagina 43.

33 een proces-verbaal van verhoor getuige GET 1, d.d. 27 februari 2018, pagina 44.

34 de verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 11 juni 2018.