Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3305

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
6580462 / UC EXPL 18-432
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

frauduleuze overboeking op jongerenrekening gedaagde. Vordering verjaard of is verjaring door eiseres gestuit door middel van sommatiebrieven?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Utrecht

Vonnis van 18 juli 2018

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 6580462 / UC EXPL 18-432 van

de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres, hierna ook te noemen: ING Bank,
gemachtigde: mr. T.J.P. Jager,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: Stefan Timmer Administraties en Belastingadvies.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek,

  • -

    akte uitlating productie aan de zijde van ING Bank.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 16 mei 2011 is een bedrag van € 4.253,00 bijgeschreven op de ING-Jongerenrekening van [gedaagde] (hierna: de jongerenrekening). Dit bedrag was afkomstig van een andere rekeninghouder van ING Bank (hierna: de gedupeerde) die geen toestemming voor de betaling had verricht. Voordat ING Bank de jongerenrekening had geblokkeerd, heeft [gedaagde] een bedrag van € 3.913,15 daarvan opgenomen. Het resterende bedrag van € 339,15 heeft ING Bank veiliggesteld.

2.2.

ING Bank heeft de gedupeerde op grond van artikel 7:528 BW volledig schadeloos gesteld.

2.3.

ING Bank heeft op 28 juni 2011 een brief aan [gedaagde] gestuurd waarin zij aanspraak maakt op “de onverschuldigde betaling” vanwege de “onrechtmatige bijschrijving” op zijn bankrekening die het gevolg is van “frauduleus handelen”. De incassogemachtigde van ING Bank heeft op 19 september 2011 een sommatiebrief aan [gedaagde] gestuurd waarin hij de hoogte van de vordering noemt, de reden van de vordering (onrechtmatig gebruik van een boekingsopdracht) en de mogelijkheid om een betalingsregeling te sluiten. In de beide brieven is het dossiernummer […] genoemd.

2.4. (

De incassogemachtigde van) ING Bank heeft [gedaagde] bij brieven van 23 april 2012, 20 oktober 2014, 20 april 2015, 1 juli 2015, 9 mei 2015, 26 juli 2017 en 14 augustus 2017 gesommeerd om de vordering van ING Bank te betalen. In al deze brieven is het dossiernummer […] genoemd.

2.5.

Bij sommatiebrief van 20 november 2017 heeft (de gemachtigde van) ING Bank [gedaagde] gesommeerd het bedrag te betalen dat ING Bank vordert “in verband met uw betrokkenheid bij fraude”.

3 Het geschil

3.1.

ING Bank vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:

  1. € 3.913,85 aan hoofdsom, vermeerderd met de met wettelijke rente vanaf 28 september 2017 tot de dag van voldoening

  2. € 571,81 aan verschenen rente tot 28 september 2017,

  3. € 573,57 aan buitengerechtelijke incassokosten,

  4. e proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van vonnis.

3.2.

ING Bank legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] heeft meegewerkt aan een frauduleuze overboeking en dat hij verplicht is om het bedrag terug te betalen dat hij ten onrechte op zijn jongerenrekening heeft ontvangen, primair op basis van artikel 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking), subsidiair op basis van artikel 6:203 BW (onverschuldigde betaling) en meer subsidiair op basis van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad).

3.3.

[gedaagde] voert aan dat de vordering van ING Bank is verjaard. [gedaagde] betwist dat hij bekend is met de sommatiebrieven die (de incassogemachtigde van) ING Bank voor 2017 heeft verstuurd. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat het onredelijk is dat hij rente en incassokosten zou moeten betalen omdat ING Bank te lang heeft stilgezeten en niet op een brief van (de gemachtigde van) [gedaagde] heeft gereageerd. Tot slot heeft [gedaagde] aangevoerd dat € 500,00 moet worden verrekend met de vordering omdat hij zijn ‘beloning’ aan het onderzoeksteam heeft betaald.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] beroept zich op verjaring. Dit verweer zal als het meest verstrekkende verweer eerst worden behandeld.

4.2.

ING Bank heeft haar vordering gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling en/of een onrechtmatige daad. Deze vorderingen verjaren na vijf jaar na de aanvang van de dag waarop de benadeelde zowel met de schade/vordering als met de daarvoor aansprakelijke persoon/de ontvanger van het onverschuldigde bedrag bekend is geworden (artikel 3:309 en 3:310 lid 1 BW).

4.3.

De kantonrechter overweegt dat ING Bank in ieder geval op 28 juni 2011 op de hoogte was van de door haar gestelde vordering, gelet op de sommatiebrief die zij die dag aan [gedaagde] heeft verstuurd. Dat betekent dat de vordering per 28 juni 2016 is verjaard, tenzij de verjaring tussentijds is gestuit. ING Bank heeft gesteld dat zij de verjaring heeft gestuit door middel van de diverse sommatiebrieven.

4.4.

In artikel 3:317 lid 1 BW is bepaald dat de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Het gaat er om dat de schuldeiser (ING Bank) de schuldenaar ( [gedaagde] ) voldoende duidelijk waarschuwt dat hij er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij gegevens en bewijsmateriaal moet bewaren om zich te kunnen verdedigen in een rechtszaak. Daarbij is niet nodig dat de schriftelijke mededeling de vordering nauwkeurig (met de correcte juridische grondslag) omschrijft. Wel is voor een voldoende duidelijke waarschuwing noodzakelijk dat voor de schuldenaar duidelijk is welke vordering wordt bedoeld.

4.5.

De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] (in ieder geval) uit de eerste drie (sommatie)brieven van ING Bank redelijkerwijs heeft moeten afleiden dat ING Bank om terugbetaling verzocht van het geldbedrag dat op frauduleuze wijze naar zijn jongerenrekening was overgemaakt. In de brieven daarna heeft ING Bank de hoogte van de vordering steeds herhaald en om betaling verzocht. Op al deze brieven is hetzelfde dossiernummer vermeld, zodat het voor [gedaagde] duidelijk moet zijn geweest dat iedere brief zag op dezelfde vordering. De kantonrechter overweegt dan ook dat deze brieven kwalificeren als een voldoende duidelijke waarschuwing aan [gedaagde] dat ING Bank haar vordering niet zou laten vallen. Indien deze brieven [gedaagde] hebben bereikt, heeft ING Bank daarmee de verjaring dus gestuit.

4.6.

[gedaagde] betwist dat de door ING Bank gestuurde sommatiebrieven – die voor 2017 zijn verstuurd – hem hebben bereikt. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.

4.7.

Uit artikel 3:37 lid 3 BW volgt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring (zoals een stuitingshandeling), die persoon moet hebben bereikt om werking te hebben. Het is dus in beginsel aan ING Bank om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de stuitingsbrieven [gedaagde] hebben bereikt. Een redelijke uitleg van artikel 3:37 lid 3 BW is dat ervan uitgegaan moet worden dat een schriftelijke mededeling de geadresseerde heeft bereikt indien de verzender feiten en omstandigheden stelt en zo nodig bewijst waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een recent adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde daar kon worden bereikt (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104). [gedaagde] heeft niet gemotiveerd betwist dat ING Bank de sommatiebrieven heeft verstuurd en hij heeft evenmin betwist dat de adresgegevens juist zijn die ING Bank heeft gebruikt om de brieven te versturen. Ook heeft [gedaagde] niet betwist dat hij op enig moment in 2017 een adreswijziging aan ING Bank heeft doorgegeven. De kantonrechter overweegt dat ING Bank daarmee voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit afgeleid mag worden dat de brieven daadwerkelijk [gedaagde] hebben bereikt. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat niet één brief door ING Bank is verstuurd – waarbij de kans aanwezig is dat deze niet door de postbezorging wordt afgeleverd – maar dat in totaal zeven brieven zijn verstuurd en [gedaagde] betwist dat ook maar één van die brieven is bezorgd. Gelet op deze omstandigheden had het op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn betwisting nader te motiveren. Dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat ook zijn vader geen incassobrieven heeft gezien, is wat dat betreft onvoldoende. Dat betekent dat de kantonrechter ervan uitgaat dat de brieven [gedaagde] hebben bereikt en de verjaring door ING Bank is gestuit.

4.8.

[gedaagde] heeft geen andere verweren gevoerd tegen de verschuldigdheid van de hoofdsom. Nu deze de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, is deze vordering in beginsel toewijsbaar.

4.9.

De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij een verrekenbare vordering op ING Bank heeft omdat hij ‘de beloning’ van € 500,00 aan ‘het onderzoeksteam’ heeft afgestaan. [gedaagde] heeft niet onderbouwd welk onderzoeksteam dit dan is en de kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [gedaagde] dat dit het onderzoeksteam van de politie betreft waaraan [gedaagde] de € 500,00 heeft afgestaan die hij had verdiend door mee te werken aan de frauduleuze transactie. Dit verweer faalt alleen al omdat deze betaling aan een derde is verricht en niet aan ING Bank.

Verschuldigdheid rente en incassokosten

4.10.

ING Bank heeft een bedrag van € 571,81 aan verschenen rente gevorderd en zij heeft verder de wettelijke rente over de hoofdsom gevorderd. [gedaagde] heeft aangevoerd dat het aan ING Bank te wijten is dat een aanzienlijk rentebedrag over de hoofdsom is opgebouwd omdat ING Bank ook eerder een procedure had kunnen beginnen. De kantonrechter deelt dat standpunt niet. ING Bank heeft [gedaagde] meermaals in de gelegenheid gesteld om de hoofdsom te betalen of om betalingsafspraken te maken. Indien [gedaagde] ervoor had gekozen om eerder een betalingsafspraak te maken, was de rente ook minder hoog opgelopen. De kantonrechter wijst de vordering van ING Bank daarom toe.

4.11.

De kantonrechter stelt vast dat ING Bank voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Dat ING Bank niet gereageerd heeft op een brief van de gemachtigde van [gedaagde] , voor zover al juist, maakt dat niet anders. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt echter niet overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) bepaalde tarief omdat ING Bank de incassokosten ook over het rentebedrag heeft berekend, terwijl de berekende rente niet langer dan een jaar is verschenen. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke incassokosten toewijzen tot € 516,39 gebaseerd op de hoofdsom zonder de verschenen rente.

4.12.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten, waaronder de nakosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ING Bank worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 97,31

  • -

    verschotten en informatiekosten € 3,74

  • -

    griffierechten € 476,00

  • -

    salaris gemachtigde € 500,00 (2 punten x tarief € 250,00)

Totaal € 1.077,05

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan ING Bank een bedrag te betalen van € 4.485,66, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 september 2017 tot de dag van voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan ING Bank een bedrag te betalen van € 516,39 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.3.

veroordeelt ING Bank in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.077,05, waaronder € 500,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis:

5.4.

veroordeelt [gedaagde] onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Leijten en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.