Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3248

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
6489481 AC EXPL 17-4449
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koop tweedehands auto. Non-conformiteit. Veiligheid; onderdelen die op termijn een veiligheidsrisico kunnen gaan vormen. Geruststellende mededeling van verkoper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 6489481 AC EXPL 17-4449 nig/1449

Vonnis van 18 juli 2018

inzake

[eiser] ,

wonend in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: J.A.M. Drinkenburg (D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.),

tegen:

[gedaagde] ,

handelend onder de naam [naam] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [naam] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A.A. Alciyan (SRM Rechtsbijstand).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

[eiser] heeft op 25 juni 2016 van [naam] een auto gekocht: een Suzuki Swift, met bouwjaar 2007. De prijs was € 6.295. Na de koop merkte hij dat de auto zwaar stuurde en er gingen storingslampjes branden. [eiser] heeft dat op 12 juli 2016 telefonisch gemeld bij [naam] . Die heeft de auto op 13 juli 2016 nagekeken, maar volgens hem was er niets aan de hand. [eiser] heeft [naam] daarover opnieuw benaderd in een brief van 18 juli 2016 en nogmaals op 1 augustus 2016 en op 30 augustus 2016.

2.2.

[eiser] vordert nu betaling van € 1.735 als vergoeding voor reparatie van het stuurhuis (€ 1.135) en de ABS-module (€ 600). Dat zijn de gebreken die volgens hem een veiligheidsrisico vormden. Verder vordert hij € 707,85 als vergoeding van onderzoekskosten, € 373,18 aan buitengerechtelijke incassokosten, rente en een proceskostenvergoeding.

2.3.

[eiser] beroept zich op artikel 6:74 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW):

Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.

De tekortkoming bestaat eruit dat de auto niet beantwoordt aan de overeenkomst, zoals omschreven in artikel 7:17 lid 2 BW:

Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.

Voor tweedehands auto’s heeft de Hoge Raad dit uitgewerkt in een arrest van 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1338, NJ 1995/614:

Ingeval een (tweedehands) auto wordt gekocht om daarmee, naar de verkoper bekend is, aan het verkeer deel te nemen, beantwoordt de auto niet aan de overeenkomst, indien als gevolg van een eraan klevend gebrek dat niet op eenvoudige wijze kan worden ontdekt en hersteld, zodanig gebruik van de auto gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren. Niet uitgesloten is dat deze regel uitzondering lijdt, bij voorbeeld wanneer de koper het risico van zodanig gebrek had aanvaard.

Maar het is niet zo dat een koper het risico van onveiligheid aanvaardt alleen al door een tweedehands auto te kopen, zoals [naam] lijkt te denken. In die zaak ging het om een 22 jaar oude auto, terwijl de koop gesloten werd tussen twee liefhebbers van oude Citroëns en het gebrek zich pas ruim een jaar later openbaarde. Dat vond de Hoge Raad toen niet voldoende om aan te nemen dat het gebrek voor rekening van de koper kwam.

2.4.

[eiser] heeft de auto op 2 maart 2017 laten onderzoeken door expertisebureau CED Nederland B.V. Volgens [eiser] is [naam] uitgenodigd om bij het onderzoek aanwezig te zijn, en [naam] heeft dat niet weersproken. Dat wil niet zeggen dat dat onderzoek niet serieus genomen hoeft te worden. Als hij de resultaten daarvan wil betwisten, zal hij tenminste duidelijk moeten aangeven wat er niet klopt van de geconstateerde feiten of van de conclusies. Het is niet voldoende om in algemene zin aan te voeren dat CED misschien niet onpartijdig was.

2.5.

Het eerste gebrek waarop [eiser] zich beroept is dat het stuurhuis inwendig versleten is, waardoor de auto zwaar stuurt. Daarover schrijft CED:

Wij hebben bij onze proefrit vastgesteld dat het sturen inderdaad zwaar gaat en. nog vervelender, het stuur komt niet goed terug in de rechtuit stand na een bocht. Het stuurhuis draait te zwaar. De bekrachtiger werkt wel normaal maar kan deze extra weerstand niet compenseren. Dit is geen acuut gevaar maar omdat de besturing toch anders is wordt het rijgedrag van de auto wel negatief beïnvloed. Met name in paniek situaties, snel uitwijken of iets dergelijks, kan dit net het verschil zijn tussen een aanrijding maken of voorkomen.

(…)

Wat betreft het stuurhuis zien wij wel een veiligheids risico. Het sturen gaat te zwaar.

[eiser] heeft dat bij de proefrit al opgemerkt, maar de verkoper heeft toen gezegd dat sportauto’s nu eenmaal altijd zwaarder sturen. [naam] zegt nu ook dat het zwaarder sturen geen gebrek is maar gewoon een eigenschap van deze auto, maar dat is te algemeen. Uit zijn stellingen blijkt niet dat en hoe grondig hij dit (voor de verkoop of op 13 juli 2016) zelf heeft onderzocht en hij legt ook niet concreet uit waarom de conclusie van CED niet klopt.

2.6.

Het zwaarder sturen was bij de proefrit al merkbaar, maar dat het een mankement was, kon [eiser] niet eenvoudig vaststellen, juist doordat de verkoper zei dat dit normaal was voor sportieve auto’s. Het is niet vreemd dat een consument met relatief weinig verstand van auto’s zich laat geruststellen door zo’n soort mededeling van een professionele verkoper. Het kon ook niet eenvoudig worden hersteld: volgens CED was daarvoor vervanging van het stuurhuis nodig, en dat heeft [naam] niet concreet weersproken.

2.7.

[naam] betwist dat het zwaarder sturen een veiligheidsrisico is. CED zag dat er wel in, en [naam] heeft niet concreet toegelicht waarom dat onjuist is. Daarom mag worden aangenomen dat dit inderdaad een gebrek is zoals bedoeld door de Hoge Raad, waardoor de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt.

2.8.

[eiser] heeft het gebrek binnen drie weken gemeld bij [naam] . Daarom moet worden aangenomen dat het bij levering al aanwezig was, op grond van artikel 7:18 lid 2 BW:

Bij een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet.

[naam] onderbouwt niet dat het gebrek toch pas na de koop ontstaan zou zijn, en dat ligt ook niet erg voor de hand, omdat slijtage gewoonlijk tijd nodig heeft.

2.9.

[naam] ontkent niet dat [eiser] hem in gebreke gesteld heeft (met de brief van 30 augustus 2016), en dat hij aan die aanmaning niet voldaan heeft. Hij is dus in verzuim. Hij betwist ook de hoogte van de schade niet. Dit deel van de vordering is daarom toewijsbaar (€ 1.135).

2.10.

Dat geldt niet voor de kosten van herstel van de ABS-module. Daarover schrijft CED:

Het lampje van het ESP/ABS systeem brandde inderdaad (…) na uitlezing door autobedrijf [autobedrijf] blijkt dat er een storing in de ABS Module aanwezig is. Het ABS systeem werkt wel gewoon, er is dus geen acuut veiligheidsprobleem. (…) Het ESP/ABS lampje behoort niet te branden. Er is dus een storing en die kan alleen worden verholpen met een nieuwe ABS module. (…) Wat betreft het ESP/ABS lampje is er nu nog geen veiligheids risico maar er komt een moment dat het systeem meer storingen gaat geven en dan kan er wel een veiligheids risico ontstaan.

Of dit een gebrek is zoals bedoeld door de Hoge Raad, hangt ervan af op welke termijn dit een veiligheidsrisico zou kunnen worden. Een auto heeft wel meer onderdelen die op den duur meer mankementen kunnen gaan vertonen en dan een veiligheidsrisico kunnen gaan vormen. Op dit punt heeft [eiser] dus onvoldoende concreet gemaakt dat dit inderdaad een gebrek is dat hij – ook bij een tien jaar oude auto – niet hoefde te verwachten.

2.11.

Dan de onderzoekskosten. Op grond van artikel 6:96 lid 2 BW komen ‘redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid’ voor vergoeding in aanmerking. [naam] heeft in deze procedure niet betwist dat dit redelijke kosten zijn. Daarom kan ook dit worden toegewezen (€ 707,85).

2.12.

[eiser] vordert een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Hij heeft voldoende onderbouwd dat hij (althans zijn gemachtigde) inderdaad moeite heeft gedaan om de zaak zelf te regelen. Het bedrag zal worden berekend op basis van het toewijsbare deel van de hoofdsom en de onderzoekskosten. Dat wordt dan € 276,43.

2.13.

Omdat [naam] grotendeels in het ongelijk gesteld wordt, zal hij ook in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 106,85

- griffierecht € 223,00

- salaris gemachtigde € 300,00 (2 punten x tarief € 150,00)

Totaal € 629,85

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [naam] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.135,00 aan hoofdsom, € 707,85 voor de onderzoekskosten en € 276,43 voor de buitengerechtelijke incassokosten, met de wettelijke rente over hoofdsom en onderzoekskosten vanaf 7 juni 2017 tot de voldoening;

3.2.

veroordeelt [naam] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 629,85, waarin begrepen € 300,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na dit vonnis, en als er niet binnen 14 dagen betaald wordt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.