Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3247

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
C/16/446118 / HA ZA 17-733
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2018-0128
JIN 2018/161 met annotatie van J.R. Everhardus
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/446118 / HA ZA 17-733

Vonnis van 18 juli 2018

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

OFFSHORE SUPPORT VESSELS 12 PTE LTD,

gevestigd te Singapore,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.M. van Leeuwen te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. R. Horstman te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Offshore Support Vessels en (in mannelijk enkelvoud) [gedaagde sub 1] c.s. worden genoemd. Wanneer op gedaagden in conventie, eisers in reconventie, afzonderlijk wordt gedoeld, zullen zij [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 7 maart 2018

  • -

    productie 2 van [gedaagde sub 1] c.s.

  • -

    de akte overlegging producties 6 tot en met 10 van Offshore Support Vessels

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 24 mei 2018

  • -

    de brief van Offshore Support Vessels van 4 juni 2018 waarin op het proces-verbaal is gereageerd

  • -

    de brief van [gedaagde sub 1] c.s. van 5 juni 2018 waarin op de brief van Offshore Support Vessels is gereageerd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] is sinds 1 juli 2015 de enige bestuurder van de besloten vennootschap [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam] ). [gedaagde sub 1] is gehuwd met [gedaagde sub 2] .

2.2.

Op 26 augustus 2015 heeft [gedaagde sub 1] namens [bedrijfsnaam] een overeenkomst gesloten met Offshore Support Vessels . Op grond van deze overeenkomst heeft [bedrijfsnaam] een zeeschip dat aan Offshore Support Vessels toebehoort in bevrachting genomen voor een periode van aanvankelijk zestig dagen. Op 6 oktober 2015 is deze overeenkomst door middel van een addendum bij de overeenkomst verlengd tot 30 november 2015. Op 20 november 2015 is de overeenkomst middels een tweede addendum nog een keer verlengd, deze keer tot 31 december 2015.

2.3.

[bedrijfsnaam] heeft in november 2015 door middel van verschillende overboekingen in totaal een bedrag van USD 200.000,- aan Offshore Support Vessels betaald. [bedrijfsnaam] is haar betalingsverplichting echter niet volledig nagekomen. Bij arbitraal vonnis van 27 juli 2016 is zij daarom veroordeeld om een bedrag van USD 795.785,94 aan Offshore Support Vessels te betalen, te vermeerderen met USD 37.477,24 aan rente tot 5 april 2016 en met USD 12,32 aan rente per dag vanaf 6 april 2016 tot aan de dag van betaling. Daarnaast is zij veroordeeld om een bedrag van GBP 2.950 aan arbitragekosten aan Offshore Support Vessels te vergoeden, met rente.

2.4.

[bedrijfsnaam] heeft aan deze veroordeling nog niet voldaan.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Offshore Support Vessels vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad (1) voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] in de vervulling van zijn taken als bestuurder tekort is geschoten, dat hem daarvan een ernstig verwijt te maken is en daarnaast dat hij onrechtmatig tegenover Offshore Support Vessels heeft gehandeld, met veroordeling van [gedaagde sub 1] tot vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, (2) voor recht verklaart dat [gedaagde sub 2] dient te gehengen en te gedogen dat op zaken of vorderingen behorend tot de huwelijksgemeenschap verhaal wordt genomen, (3) [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten en de nakosten veroordeelt en (4) [gedaagde sub 1] c.s. veroordeelt om de beslagkosten (die, zoals tijdens de comparitie verklaard, nog niet zijn gemaakt) te vergoeden.

3.2.

[gedaagde sub 1] c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Offshore Support Vessels in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde sub 1] c.s. vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad (1) voor recht verklaart dat Offshore Support Vessels jegens [gedaagde sub 1] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door misbruik te maken van haar (proces)recht, (2) Offshore Support Vessels veroordeelt tot betaling aan [gedaagde sub 1] van een bedrag van € 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en (3) Offshore Support Vessels in de proceskosten veroordeelt.

3.5.

Offshore Support Vessels voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten.

3.6.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Offshore Support Vessels heeft in de dagvaarding het volgende gesteld. [gedaagde sub 1] heeft Offshore Support Vessels verteld dat [bedrijfsnaam] het schip dat zij van Offshore Support Vessels had gehuurd, had doorverhuurd aan een onderbevrachter (Cairn). [bedrijfsnaam] liet weten dat zij Offshore Support Vessels niet meer kon betalen omdat Cairn de huur op een gegeven moment niet meer voldeed. Op vragen die Offshore Support Vessels hierover stelde, antwoordde [gedaagde sub 1] ontwijkend. Informatie over het geschil met de onderbevrachter gaf hij niet. Daarom ontstond bij Offshore Support Vessels het vermoeden dat de werkelijkheid anders was dan [gedaagde sub 1] deed voorkomen. Aannemelijk is dat de onderbevrachter wel degelijk heeft betaald. Omdat [gedaagde sub 1] nooit heeft aangegeven dat de reden voor de wanprestatie een gevolg was van problemen in de algemene bedrijfsvoering, maar altijd heeft laten weten dat het probleem werd veroorzaakt doordat de onderbevrachter niet betaalde, is de conclusie, althans is het aannemelijk, dat [gedaagde sub 1] geld heeft onttrokken aan [bedrijfsnaam] en/of dat [gedaagde sub 1] verplichtingen namens [bedrijfsnaam] is aangegaan waarvan hij wist of had behoren te weten dat [bedrijfsnaam] deze niet zou kunnen nakomen. Daarnaast heeft [gedaagde sub 1] teweeg gebracht dat [bedrijfsnaam] haar verplichtingen jegens Offshore Support Vessels niet kon nakomen terwijl [bedrijfsnaam] geen verhaal biedt. Het vermoeden bestaat dat andere schuldeisers wel zijn voldaan en uit het feit dat [bedrijfsnaam] niet reageert op de arbitrale uitspraak moet volgens Offshore Support Vessels worden afgeleid dat de vennootschap is leeg gehaald.

4.2.

Tijdens de comparitie heeft zij hieraan nog het volgende toegevoegd. [gedaagde sub 1] heeft op 26 augustus 2015 namens [bedrijfsnaam] een overeenkomst met Offshore Support Vessels gesloten. [bedrijfsnaam] had toen nog geen enkele betaling van de onderbevrachter, Cairn, ontvangen en uit een bankafschrift dat [gedaagde sub 1] c.s. heeft overgelegd, blijkt dat [bedrijfsnaam] toen niet over geld uit een andere bron beschikte. Hierop is namelijk een saldo van € 18.000,- te zien. Van belang is daarnaast dat [bedrijfsnaam] voor haar inkomsten kennelijk volledig afhankelijk was van Cairn. Op het genoemde bankafschrift is namelijk te zien dat er geen bedragen op de rekening van [bedrijfsnaam] zijn bijgeboekt, behalve dan door Cairn. [bedrijfsnaam] is een verplichting tegenover Offshore Support Vessels aangegaan voor (in eerste instantie) zestig dagen, waarbij zij in totaal USD 540.000,- aan Offshore Support Vessels moest betalen. Dat komt neer op USD 9.000,- per dag. Op 30 september 2015 had zij al een eerste termijn moeten voldoen van USD 135.000,-. Dat geld had zij toen niet. Toen het eerste addendum op 6 oktober 2015 werd ondertekend, waarbij de overeenkomst met Offshore Support Vessels tot 30 november 2015 werd verlengd, had zij ook nog geen geld van Cairn ontvangen. Volgens Offshore Support Vessels moet uit de verklaring van [gedaagde sub 1] tijdens de comparitie worden afgeleid dat dit wel had gemoeten. [gedaagde sub 1] heeft tijdens de comparitie namelijk verteld dat Cairn op 15 september 2015 een zogeheten “mobilisation fee” had moeten voldoen van USD 180.000.-. [gedaagde sub 1] is dus niet alleen op 26 augustus 2015 een verplichting namens [bedrijfsnaam] aangegaan waarvan hij wist dat [bedrijfsnaam] deze niet kon nakomen, maar ook op 6 oktober 2015. Daarnaast heeft [gedaagde sub 1] namens [bedrijfsnaam] op 20 november 2015 nog een tweede addendum ondertekend, waarbij de overeenkomst is verlengd tot 31 december 2015. Hij moet toen hebben geweten dat [bedrijfsnaam] ook de verplichtingen die op grond van dat addendum zouden ontstaan, niet kon nakomen. Hierbij is van belang dat Cairn de overeenkomst met [bedrijfsnaam] volgens [gedaagde sub 1] op 9 december 2015 heeft opgezegd. Dat moet [gedaagde sub 1] hebben zien aankomen: aan een opzegging gaan meestal ingebrekestellingen vooraf, aldus nog steeds Offshore Support Vessels

4.3.

Vanwege het voorgaande moet volgens Offshore Support Vessels voor recht worden verklaard dat [gedaagde sub 1] in zijn taken als bestuurder van [bedrijfsnaam] tekort is geschoten, dat hem daarvan een ernstig verwijt te maken is en dat hij onrechtmatig tegenover Offshore Support Vessels heeft gehandeld.

4.4.

Volgens [gedaagde sub 1] c.s. moet deze vordering van Offshore Support Vessels , die naar zijn mening is gebaseerd op (onjuiste) aannames, wegens gebrek aan onderbouwing worden afgewezen. Daarnaast heeft hij het volgende naar voren gebracht. [bedrijfsnaam] had zich ingeschreven voor de aanbesteding van een groot offshore project in een olie- en gasveld in zee ten oosten van India. Dit olie- en gasveld wordt geëxploiteerd door een joint venture, waarvan Cairn India deel uitmaakt, een van de grootste oliemaatschappijen in India. Omdat [bedrijfsnaam] niet over eigen schepen beschikt, was zij een samenwerking aangaan met een reder. [bedrijfsnaam] heeft de aanbesteding gewonnen en heeft voor de duur van vier jaar een zogeheten Charter Party Agreement met Cairn gesloten. Deze overeenkomst had een waarde van USD 20.000.000,-; het bedrag dat Cairn bij volledige uitvoering daarvan aan [bedrijfsnaam] had moeten betalen. Het schip van de toen betrokken reder bleek niet te voldoen aan de nieuwe eisen die Cairn aan de brandveiligheid stelde. Er moest een upgrade van dat schip worden uitgevoerd, waardoor het op de korte termijn niet kon worden gebruikt. [bedrijfsnaam] heeft toen Offshore Support Vessels benaderd en tijdelijk, voor de tussentijd, een schip bij haar gecharterd. Op 9 december 2015 berichtte Cairn [bedrijfsnaam] uit het niets dat zij de overeenkomst beëindigde. [bedrijfsnaam] heeft daartegen meteen geprotesteerd. Zij heeft Indiase advocaten ingeschakeld, die bij Cairn betaling van alle openstaande facturen hebben gevorderd en een schadevergoeding die gelijk is aan het positieve contractsbelang. Er is vervolgens meerdere keren met Cairn over een schikking gesproken. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. is Cairn bereid om een financiële regeling te treffen en wordt daarover nog steeds onderhandeld.

4.5.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft verder naar voren gebracht dat [bedrijfsnaam] in de financiële problemen kwam doordat Cairn niet langer betaalde en [bedrijfsnaam] daarnaast aanzienlijke advocaatkosten moest maken om Cairn aan te spreken en onderhandelingen te voeren. Hierdoor kon [bedrijfsnaam] haar betalingsverplichting tegenover Offshore Support Vessels niet nakomen. [gedaagde sub 1] heeft tijdens de comparitie verklaard dat toen hij op 26 augustus 2015 namens [bedrijfsnaam] de overeenkomst met Offshore Support Vessels sloot, hij er geen enkele twijfel over had dat Cairn zou betalen en dat [bedrijfsnaam] daarmee aan haar verplichtingen tegenover Offshore Support Vessels zou kunnen voldoen. Cairn zou meteen bij aanvang van de overeenkomst op 15 september 2015 namelijk een “mobilisation fee” van USD 180.000,- ontvangen en elke dertig dagen zou Cairn een termijn voldoen. Ook toen [gedaagde sub 1] namens [bedrijfsnaam] op 6 oktober 2015 het eerste addendum ondertekende, wist hij volgens hem niet dat [bedrijfsnaam] haar betalingsverplichting die zij tegenover Offshore Support Vessels op grond van dit addendum zou hebben, niet zou kunnen nakomen. Dat de mobilisation fee toen nog niet was betaald, maakt dat niet anders. In India kan een betaling namelijk even op zich laten wachten. Cairn heeft in november 2015 uiteindelijk een bedrag aan haar voldaan, waarvan diezelfde maand in totaal USD 200.000,- aan Offshore Support Vessels is doorbetaald. Dat [bedrijfsnaam] niet aan haar verplichtingen op grond van het tweede addendum kon voldoen, wist [gedaagde sub 1] toen hij dit addendum op 20 november 2015 ondertekende, ook niet en hij hoefde dat volgens hem ook niet te weten. [gedaagde sub 1] heeft tijdens de comparitie verklaard dat hij Offshore Support Vessels in het begin wel over het conflict met Cairn heeft geïnformeerd, maar dat hij hiermee is gestopt toen bleek dat Offshore Support Vessels contact met Cairn had opgenomen. Hierdoor werd [bedrijfsnaam] in de onderhandelingen met Cairn belemmerd.

4.6.

De rechtbank overweegt dat dit geschil een internationaal karakter heeft. Op grond van artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is de rechtbank bevoegd om hierover te oordelen en op grond van artikel 10:119 sub e van het Burgerlijk Wetboek moet daarbij Nederlands recht worden toegepast.

4.7.

Uit de stellingen van Offshore Support Vessels moet worden afgeleid dat zij meent dat [gedaagde sub 1] als bestuurder onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld. De rechtbank zal de vordering (die hiervoor in 3.1 en 4.3 is weergegeven en breder is geformuleerd) daarom in die zin begrijpen.

4.8.

Wanneer een vennootschap wanprestatie pleegt, kan, onder bijzondere omstandigheden, behalve de rechtspersoon zelf ook een bestuurder van die rechtspersoon aansprakelijk zijn voor de schade. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder geldt echter een hoge drempel. Dit wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de rechtspersoon en door het maatschappelijke belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Een bestuurder kan tegenover een benadeelde contractspartij slechts aansprakelijk zijn als hem ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Volgens de Hoge Raad kan een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt als de bestuurder namens de rechtspersoon verbintenissen is aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Dat is alleen anders als de bestuurder omstandigheden aanvoert op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt (het zogenoemde Beklamelcriterium).

4.9.

Zoals vermeld, heeft Offshore Support Vessels gesteld dat [gedaagde sub 1] een ernstig verwijt kan worden gemaakt omdat “aannemelijk” is dat hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [bedrijfsnaam] haar betalingsverplichting tegenover Offshore Support Vessels niet zou kunnen nakomen, toen hij op 26 augustus 2015 namens [bedrijfsnaam] de overeenkomst met haar sloot. Offshore Support Vessels had hier niet mogen volstaan met een aanname. Dat zij ten opzichte van [gedaagde sub 1] c.s. over een informatieachterstand beschikt, maakt dat niet anders. Zij had namelijk gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die Rv voor een dergelijke situatie biedt. Het is niet zo dat het aan de bestuurder is om duidelijk te maken dat een aanname onterecht is omdat deze niet overeenkomt met de feiten. Pas als een eiser voldoende (in de zin van: meer kan niet van hem of haar worden verwacht) heeft gesteld, kunnen er namelijk pas eisen worden gesteld aan het verweer van gedaagde. Het verweer dat [gedaagde sub 1] c.s. heeft gevoerd, kan, anders dan Offshore Support Vessels tijdens de comparitie heeft gesteld, ook niet als een bevrijdend verweer worden gekwalificeerd. Ook in dat opzicht kan Offshore Support Vessels dus niet achterover leunen.

4.10.

Tijdens de comparitie heeft Offshore Support Vessels naar aanleiding van het verweer dat [gedaagde sub 1] c.s. heeft gevoerd, haar aanname verwisseld voor enkele stellingen. Als de rechtbank deze stellingen in aanmerking neemt, kan echter (ook) niet worden vastgesteld dat [gedaagde sub 1] , toen hij namens [bedrijfsnaam] de overeenkomst op 26 augustus 2015 sloot, wist of had moeten begrijpen dat [bedrijfsnaam] de betalingsverplichting uit deze overeenkomst niet kon nakomen. Daarvoor is het volgende van belang.

4.11.

Offshore Support Vessels heeft niet betwist dat [bedrijfsnaam] , toen [gedaagde sub 1] de overeenkomst op 26 augustus 2015 met Offshore Support Vessels sloot, al een overeenkomst met Cairn had gesloten. Zij heeft weliswaar gesteld dat [gedaagde sub 1] c.s. zijn stelling dat het een overeenkomst betrof voor de duur van vier jaar en dat Cairn in die periode een bedrag van USD 20.000.000,- aan haar moest betalen, niet heeft onderbouwd, maar dat er een overeenkomst met Cairn wás, heeft zij niet weersproken. Het kan bovendien uit het eerder genoemde bankafschrift worden afgeleid, waarop is te zien dat Cairn in november 2015 een bedrag van bijna USD 275.000,- aan Offshore Support Vessels heeft betaald. Dat deze overeenkomst een offshore project betrof in een olie- en gasveld in zee, dat [bedrijfsnaam] met een andere reder een samenwerking was aangegaan, maar dat het schip van deze reder op korte termijn niet kon worden gebruikt en dat [bedrijfsnaam] om die reden (tijdelijk en voor de tussentijd) een overeenkomst met Offshore Support Vessels had gesloten, heeft Offshore Support Vessels ook niet betwist. Dit is van belang, omdat uit deze stellingen van [gedaagde sub 1] c.s. moet worden afgeleid dat de overeenkomst tussen [bedrijfsnaam] en Cairn een langere duur had dan de overeenkomst die [bedrijfsnaam] met Offshore Support Vessels had gesloten en dat de waarde van de overeenkomst met Cairn die van de overeenkomst met Offshore Support Vessels overtrof.

4.12.

Dat [gedaagde sub 1] toen hij de overeenkomst op 26 augustus 2015 met [bedrijfsnaam] sloot, wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat Cairn haar betalingsverplichting tegenover [bedrijfsnaam] niet (volledig) zou nakomen, is niet komen vast te staan. Offshore Support Vessels heeft namelijk niets aangevoerd waaruit dit blijkt. Zij heeft er tijdens de comparitie naar aanleiding van het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. slechts op gewezen dat [bedrijfsnaam] op 26 augustus 2015 nog geen enkele betaling van Cairn had ontvangen. Dat is echter niet relevant, want dat hoefde toen (op 26 augustus 2015) ook nog niet. Dat [bedrijfsnaam] voor de betaling aan Offshore Support Vessels kennelijk ( [gedaagde sub 1] c.s. heeft dit niet weersproken) volledig van de betalingen door Cairn afhankelijk was, zoals Offshore Support Vessels tijdens de comparitie ook heeft aangevoerd, is ook niet van belang. Dat zou anders zijn als Cairn een dubieuze partij was of als [gedaagde sub 1] uit omstandigheden, zoals gedragingen of mededelingen van Cairn, had moeten afleiden dat zij haar betalingsverplichting niet zou nakomen. Dit heeft Offshore Support Vessels echter niet gesteld en het is de rechtbank ook niet gebleken. Integendeel: [gedaagde sub 1] c.s. heeft onweersproken gesteld dat Cairn een van de grootste oliemaatschappijen van India is.

4.13.

De rechtbank kan ook niet vaststellen dat [gedaagde sub 1] op 6 oktober 2015, toen hij namens [bedrijfsnaam] het eerste addendum ondertekende, wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat [bedrijfsnaam] de verplichtingen uit dat addendum niet kon nakomen en geen verhaal zou bieden. Offshore Support Vessels heeft er tijdens de comparitie en naar aanleiding van het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. op gewezen dat [bedrijfsnaam] op 15 september 2015 kennelijk een “mobilisation fee” van Cairn had moeten ontvangen en dat dit op 6 oktober 2015 nog niet was gebeurd. Maar ook hiervoor is relevant dat Offshore Support Vessels niet heeft betwist dat Cairn één van de grootste oliemaatschappijen is van India. Daarbij komt dat de verklaring van [gedaagde sub 1] dat betalingen in India langer op zich kunnen laten wachten, de rechtbank niet onaannemelijk voorkomt. [gedaagde sub 1] had op 6 oktober 2015 dus niet hoeven te begrijpen dat (volledige) betaling zou uitblijven.

4.14.

Ook op 20 november 2015, tot slot, had [gedaagde sub 1] dit niet hoeven te begrijpen, alleen al omdat Cairn in november 2015 twee betalingen had gedaan, van blijkens het eerder genoemde bankafschrift in totaal bijna USD 275.000,-. Zoals vermeld, heeft Offshore Support Vessels gesteld dat [bedrijfsnaam] op 20 november 2015 al ingebrekestellingen moet hebben ontvangen omdat de beëindiging van de overeenkomst op 9 december 2015 door Cairn niet uit de lucht kan zijn komen vallen. [gedaagde sub 1] c.s. heeft echter aangevoerd dat Cairn de overeenkomst plotseling en met onmiddellijke ingang had beëindigd en dat dit voor haar als een verrassing kwam.

4.15.

De opmerkingen van Offshore Support Vessels dat (1) het aannemelijk is dat Cairn wel heeft betaald, (2) [gedaagde sub 1] geld heeft onttrokken aan [bedrijfsnaam] , (3) het vermoeden bestaat dat andere schuldeisers wel zijn voldaan en (4) uit het feit dat [bedrijfsnaam] niet reageert op de arbitrale uitspraak moet worden afgeleid dat de vennootschap is leeg gehaald, hoeven vanwege hun gebrek aan onderbouwing niet te worden besproken.

4.16.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van Offshore Support Vessels zal worden afgewezen. Omdat de overige vorderingen (zie 3.1) met deze vordering samenhangen, zullen ook deze worden afgewezen.

4.17.

Offshore Support Vessels zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. begroot op:

  • -

    griffierecht € 287,-

  • -

    salaris advocaat € 1.086,- (2 punten x € 543,-)

€ 1.373,-

in reconventie

4.18.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft aangevoerd dat de dagvaarding van Offshore Support Vessels vol staat met aannames en nauwelijks stellingen bevat, laat staan onderbouwde stellingen. Offshore Support Vessels weet volgens [gedaagde sub 1] c.s. niet wat de feiten zijn en heeft nagelaten om hiernaar onderzoek te doen, bijvoorbeeld middels een voorlopig getuigenverhoor. Door [gedaagde sub 1] c.s. te dagvaarden, terwijl de vorderingen evident ongegrond waren, heeft zij misbruik gemaakt van haar procesrecht, aldus [gedaagde sub 1] c.s..

4.19.

Zoals hiervoor in 4.9 is overwogen, heeft Offshore Support Vessels inderdaad ten onrechte gedacht dat zij met het doen van aannames kon volstaan. Offshore Support Vessels heeft er, zoals vermeld, op gewezen dat [gedaagde sub 1] haar geen informatie gaf over het geschil met Cairn. Zoals hiervoor overwogen, had zij gebruik kunnen maken van de middelen die Rv in een dergelijke situatie biedt. Door [gedaagde sub 1] c.s. meteen te dagvaarden, heeft Offshore Support Vessels de verkeerde route gekozen en zij heeft daardoor niet meer kunnen doen dan het weergeven van veronderstellingen. Het gaat echter te ver om haar in dit verband misbruik van procesrecht te verwijten. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure, past, gelet op het recht op toegang tot de rechter, terughoudendheid. Van misbruik van procesrecht is volgens de Hoge Raad pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij, achterwege had behoren te blijven. Dat is het geval als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (Hoge Raad 6 april 2012, ECLI: HR2012:BV7828). De vordering van Offshore Support Vessels was (op zichzelf) niet evident ongegrond.

4.20.

De vordering in reconventie zal gezien het voorgaande worden afgewezen. [gedaagde sub 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van Offshore Support Vessels begroot op € 543,- (2 x 0,5 punt x € 543,-) aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt Offshore Support Vessels in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. tot vandaag begroot op € 1.373,-;

5.3.

verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.

wijst de vordering af;

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Offshore Support Vessels tot vandaag begroot op € 543,-;

5.6.

verklaart de beslissing onder 5.5. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.

Type: AFH/4105 Coll: JvdB/4223