Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:322

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-01-2018
Datum publicatie
30-01-2018
Zaaknummer
451447 / HA RK 17-283
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Lelystad

Zaaknummer/rekestnummer: 451447 / HA RK 17-283

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 26 januari 2018

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoekster).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 12 december 2017 aan de centrale balie van de rechtbank afgegeven wrakingsverzoek;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter mr. J.P. Killian;

  • -

    de e-mail van 20 december 2017 van verzoekster;

  • -

    de schriftelijke reactie van 21 december 2017 van [A] ;

  • -

    de correspondentie betreffende een nadien door verzoekster gedaan verzoek tot uitstel van de behandeling van het wrakingsverzoek, waarbij verzoekster als bijlage in een e‑mail van 11 januari 2018 een schriftelijke reactie heeft meegezonden betreffende de reactie van [A] van 21 december 2017.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 12 januari 2018 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer). De wrakingskamer heeft het verzoek tot uitstel van verzoekster afgewezen.

1.3.

Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is [A] met diens advocaat mr. A.F.M. Oudijk verschenen. Verzoekster en mr. Killian zijn niet verschenen.

1.4.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. Killian als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter) in de zaak met zaaknummer 5820486 / UC EXPL 17-4337. Deze zaak betreft een civiele procedure die door [A] is aangespannen tegen [stichting] ( [stichting] ). Verzoekster is voorzitter van [stichting] en is in die hoedanigheid bij voormelde procedure betrokken.

2.2.

Verzoekster heeft aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:

  1. dat de rechter ondanks het door verzoekster op grond van haar ernstige gezondheidssituatie gedane verzoek om uitstel, de op 25 oktober 2017 geplande comparitie in de zaak met zaaknummer 5820486 / UC EXPL 17-4337 (in haar afwezigheid) heeft laten doorgaan;

  2. dat de rechter niet direct een proces-verbaal van de zitting van 25 oktober 2017 heeft opgemaakt en heeft toegezonden alsmede dat het proces-verbaal pas op het tweede verzoek van de advocaat van verzoekster is verstuurd;

  3. dat uit het proces-verbaal van de zitting van 25 oktober 2017 blijkt dat [A] meerdere ‘negatieve diffamerende stellingen’ over verzoekster heeft geuit, zonder dat de rechter zijn taak heeft vervuld om naar de onderbouwing van de stellingen van [A] te vragen;

  4. at de rechter het pleidooi in voormelde zaak heeft vastgesteld op 12 december 2017 (om 16:00 uur) ondanks het bericht van verhindering van haaradvocaat wegens de gezondheidssituatie van verzoekster;

  5. dat er mogelijk een directe familieband bestaat tussen de rechter en M.J.P. (Matthijs) Killian PhD MSc.

2.2.1.

Verzoekster heeft in de als bijlage van de e-mail van 11 januari 2018 meegezonden schriftelijke reactie – voor zover voor dit wrakingsverzoek relevant – nog gemeld:

  • -

    dat het op 12 december 2017om 16.00 uur gehouden pleidooi als niet gehouden dient te worden aangemerkt, nu verzoekster het wrakingsverzoek 20 minuten voor die zitting bij de centrale balie van de rechtbank heeft ingediend;

  • -

    dat het alarmerend en in strijd met de op de rechter rustende plicht is, dat de rechter weigert mee te delen of er sprake is van een familieband met M.J.P. Killian . M.J.P. Killian is namelijk al jaren werkzaam in de medische sector en betrokken geweest bij experimenteel hersenonderzoek.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking en heeft gesteld dat er geen enkele schijn van partijdigheid is gewekt en dat hij ook niet bevooroordeeld is ten opzichte van een der partijen in de zaak met zaaknummer 5820486 / UC EXPL 17-4337. In het vervolg van deze beslissing zal nader op zijn schriftelijke reactie worden ingegaan.

2.4.

[A] heeft in zijn schriftelijke reactie van 21 december 2017 alsook ter zitting van de wrakingskamer betoogd dat er - kort gezegd - geen enkele grond is voor toewijzing van het wrakingsverzoek.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek

van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts

gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de

mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het

Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan

onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging

vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden

voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat

het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de

rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn

aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke

omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat

een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die

procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.4.

Op grond van artikel 37, eerste lid, Rv dient een wrakingsverzoek terstond of kort na het kenbaar worden van de betreffende omstandigheid te worden ingediend. De onder 2.2. onder a. genoemde wrakingsgrond (het laten doorgaan van de comparitie op 25 oktober 2017) was (de gemachtigde van) verzoekster op die datum reeds bekend. Uit de reactie van de rechter blijkt dat de griffier van de rechtbank daarover die dag nog contact heeft gehad met de gemachtigde. De gemachtigde heeft verder reeds bij brief van 30 oktober 2017 om een proces-verbaal verzocht. Verzoekster heeft deze wrakingsgrond pas op 12 december 2017 aangevoerd, hetgeen te laat is. Dit betekent dat de wrakingskamer de door verzoekster onder 2.2 onder a. genoemde wrakingsgrond als niet tijdig buiten beschouwing zal laten.

3.5.

Voor wat betreft de onder 2.2. onder b. genoemde wrakingsgrond geldt dat de door verzoekster gestelde feiten en omstandigheden (nog daargelaten of de gemachtigde inderdaad een herhaald verzoek om een proces-verbaal heeft gedaan, van een herhaald verzoek blijkt namelijk niet uit het procesdossier in de zaak met zaaknummer 5820486 / UC EXPL 17-4337) geen blijk geven van (een schijn van) partijdigheid. De rechter heeft in zijn reactie gesteld dat van comparities in kantonzaken zoals deze geen proces-verbaal wordt opgemaakt maar zittingsaantekeningen worden bijgehoudenen dat, nadat de gemachtigde van [stichting] bij fax van 30 oktober 2017 daarom verzocht heeft, de zittingsaantekeningen alsnog in een proces-verbaal zijn opgenomen dat aan partijen is verstrekt.

3.6.

Voor wat betreft de onder 2.2. onder c. genoemde wrakingsrond geldt het volgende. Het is aan de rechter op welke wijze hij invulling geeft aan de comparitie. Van de door verzoekster gestelde algemeen geldende plicht van de rechter om een (weder)partij onderbouwing van zijn stellingen te vragen kan niet worden uitgegaan. Het van de zitting van 25 oktober 2017 opgemaakte proces-verbaal levert ook geen enkel aanknopingspunt op van enige vooringenomenheid van de rechter ten opzichte van een van de partijen.

3.7.

Voor de onder 2.2. onder d. genoemde wrakingsgrond geldt dat dit een procesbeslissing is. Een procesbeslissing levert op zichzelf geen grond voor wraking op, tenzij deze beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze niet anders kan worden verklaard dan vanuit een gebrek aan onpartijdigheid. Die situatie doet zich hier naar het oordeel van de wrakingskamer niet voor. Uit de reactie van de rechter en uit hetgeen mr. Oudijk tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek naar voren heeft gebracht, kan worden opgemaakt dat pleidooi is bepaald aan de hand van de door partijen opgegeven verhinderdata. De gemachtigde van [stichting] had 12 december 2017 niet als verhindering opgegeven terwijl verzoekster zelf stelde dat zij de gehele maand december 2017 verhinderd was. Dat de rechter het pleidooi dan bepaalt op 12 december 2017 is niet onbegrijpelijk en levert geen enkel aanknopingspunt op voor de conclusie dat sprake is van een gebrek aan onpartijdigheid van de rechter.

3.8.

Ook de onder 2.2. onder e. genoemde wrakingsgrond leidt niet tot toewijzing van het verzoek. Zoals onder 3.3. is vermeld, is uitgangspunt dat een rechter, behoudens bijzondere omstandigheden, uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. De enkele omstandigheid dat de rechter dezelfde achternaam heeft als M.J.P. Killian die een opleiding Msc Medical Biology en PhD aan de universiteit van Utrecht heeft gevolgd en volgens verzoekster op zijn LinkedIn pagina als professional experience ‘Experimental research (brain, ear heart, stomach, bladder) with the focus on active implantable devices’ heeft vermeld levert geen (schijn van) subjectieve partijdigheid op. Andere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn niet gesteld of gebleken.

3.9.

Conclusie is dat de feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van haar verzoek naar voren heeft gebracht geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, ook niet wanneer deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang worden beschouwd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

3.10.

Met betrekking tot hetgeen verzoekster heeft gesteld over het op 12 december 2017 gehouden pleidooi en het verzoek van de rechter in zijn schriftelijke reactie om te bepalen in welke stand de procedure met zaaknummer 5820486 / UC EXPL 17-4337 zich na een afwijzende beslissing bevindt wordt het volgende opgemerkt.

3.10.1.

Voor het aanhangig zijn van een wrakingsverzoek is voldoende dat dit verzoek is ingediend en door de rechtbank is ontvangen. In deze procedure kan er van uit worden gegaan dat het wrakingsverzoek op 12 december 2017 om (ongeveer) 15.40 uur bij de rechtbank (door middel van afgifte bij de centrale balie) is ingediend. Op grond van artikel 37, vijfde lid, Rv. is de behandeling van de zaak op dat moment geschorst. De omstandigheid dat de rechter geen kennis heeft gehad van het wrakingsverzoek toen hij op 12 december 2017 om 16.00 uur het pleidooi heeft geopend, maakt dit niet anders.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel recht en Bestuursrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van [stichting] met zaaknummer 5820486 / UC EXPL 17-4337 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing van de behandeling door het indienen van het wrakingsverzoek zoals hiervoor onder 3.10.1 is aangegeven.


Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, en mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. N.M. Spelt als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. T. Stokvis, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.