Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3129

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
6957746 AE VERZ 18-55
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsontbinding e- en g-grond. Afwijzing op de e-grond(re-integraiteverplichtingen) vanwege niet overleggend deskundigenoordeel. Beoordeling of g-grond verband houdt met opzegverbod: ja. Volgt afwijzing verzochte ontbinding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0809
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6957746 AE VERZ 18-55 CS/30362

Beschikking van 4 juli 2018

inzake

de besloten vennootschap

[verzoekster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verzoekster] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. H.T.M. Bartels,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerder] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. J.L.F. van der Kamp.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Hoe de procedure is verlopen, blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van [verzoekster] , op de griffie ontvangen op 5 juni 2018;

  • -

    het verweerschrift van [verweerder] , op de griffie ontvangen op 13 juni 2018;

  • -

    de pleitnota’s van beide partijen.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.

1.3.

Daarna is een datum bepaald voor deze uitspraak.

1.4.

Tegelijk met deze procedure is de kort gedingprocedure met het kenmerk 6886056 UV EXPL18-131 behandeld, waarin ook vandaag uitspraak wordt gedaan.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is een productiebedrijf van honden- en kattensnacks.

2.2.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1965, is sinds 31 januari 2005 in dienst van [verzoekster] , laatstelijk als Allround Operator tegen een salaris van € 2.147,95 bruto per maand op basis van 40 uur per week, exclusief toeslagen. De arbeidsovereenkomst geldt als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd.

2.3.

In de arbeidsovereenkomst is een personeelshandboek van toepassing verklaard, waarin een verzuimreglement is opgenomen. Hierin is het volgende bepaald:

“Bij arbeidsongeschiktheid van werknemer zal de werkgever 70% van het overeengekomen loon doorbetalen of minimaal het voor de werknemer geldende minimumloon betalen. (…)”

2.4.

In een aanvullende bepaling die zich bevindt in stukken van de ondernemingsraad van [verzoekster] , is opgenomen:

“We hebben afgesproken een clausule uit te werken waarin de mogelijkheid geboden wordt om bij speciale omstandigheden (bedrijfsongeval, terminale ziekte etc.) tot 100% uit te keren gedurende een nader vast te stellen periode en wel indien het vastgestelde behandelingsplan aangehouden wordt. Dit zal per werknemer worden beoordeeld en enkel na goedkering door de directie worden doorgevoerd. Aan deze conclusie kunnen nooit specifieke rechten worden ontleend.”

2.5.

Op 27 juni 2017 is [verweerder] op de werkvloer in een door een niet goed bevestigd rooster niet of onvoldoende afgedekt gat gestapt en gevallen, waarbij hij letsel heeft opgelopen aan zijn schouder. Toen hij na twee weken afwezigheid weer kwam werken, heeft hij opnieuw een bedrijfsongeval gehad, waarbij zijn hand in een machine kwam. De bedrijfsverzekeraar van [verzoekster] heeft namens [verzoekster] de aansprakelijkheid voor deze bedrijfsongevallen begin juni 2018 erkend.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 1 onder a en artikel 7:669 lid 3 sub e en (subsidiair) g Burgerlijk Wetboek (BW) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen op een zo kort mogelijke termijn, zonder toekenning van een vergoeding.

3.2.

[verzoekster] voert daartoe aan dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door niet mee te werken aan zijn re-integratieverplichtingen. Volgens [verzoekster] heeft [verweerder] namelijk geweigerd passende werkzaamheden te verrichten en, toen hij dit wel deed, deze gestaakt zonder terug te gaan naar de bedrijfsarts. Ook heeft [verweerder] volgens [verzoekster] hardnekkig geweigerd mee te werken aan een mediationtraject dat de bedrijfsarts nodig vond. Volgens [verzoekster] is door de weigerachtige houding van [verweerder] ook de arbeidsverhouding verstoord. Ook op die grond vraagt [verzoekster] dus om ontbinding.

4 Het verweer

4.1.

[verweerder] voert verweer. Ten eerste is het verzoek tot ontbinding volgens hem niet ontvankelijk omdat [verzoekster] heeft nagelaten een deskundigenoordeel mee te sturen zoals in dit geval door de wet vereist is. Hij beroept zich daarnaast op een opzegverbod en stelt zich op het standpunt dat geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch zou worden ontbonden, verzoekt [verweerder] onder meer om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding.

4.2.

[verweerder] voert daartoe aan dat [verzoekster] probeert een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te forceren terwijl [verweerder] arbeidsongeschikt is en sprake van een opzegverbod. Ook heeft [verweerder] niet verwijtbaar gehandeld en is er geen sprake van een verstoorde arbeidsverhouding in de zin van de wet, volgens [verweerder] .

5 De beoordeling

5.1.

De werkgever kan op grond van de wet de kantonrechter verzoeken om een arbeidsovereenkomst met een werknemer te ontbinden als daarvoor een redelijke grond aanwezig is. [verzoekster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen (een grond die is omschreven in artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a BW in samenhang met artikel 669 lid 3, aanhef en onder e BW), of anders van een verstoorde arbeidsverhouding (omschreven in datzelfde wetsartikel onder g). In de wet is bepaald dat de kantonrechter moet onderzoeken of aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst is voldaan en of dus een goede reden bestaat die zwaar genoeg weegt om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

5.2.

[verweerder] heeft als eerste een beroep gedaan op artikel 7:671b lid 5 sub b BW. Volgens hem volgt uit dat artikel dat [verzoekster] een deskundigenoordeel had moeten overleggen. Aangezien [verzoekster] dat niet heeft gedaan, is het verzoek volgens [verweerder] niet-ontvankelijk.

[verzoekster] heeft aangevoerd dat de door [verweerder] genoemde verplichting niet bestaat, omdat het genoemde wetsartikelen twee alternatieve mogelijkheden biedt, en [verzoekster] wel aan de eerste heeft voldaan.

5.3.

In dit wetsartikel staat letterlijk dat, bij een verzoek om ontbinding op deze grond (verwijtbaar handelen in de vorm van het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen door de werknemer), de kantonrechter het verzoek afwijst als ófwel de werknemer hierover niet schriftelijk is aangemaand (met of zonder loonstaking), ófwel de werkgever geen deskundigenverklaring heeft van het UWV, waaruit blijkt dat de werknemer deze verplichtingen na kon komen. Dat betekent dat deze deskundigenverklaring wel degelijk vereist is, maar niet is overgelegd. Dit heeft als gevolg dat het verzoek van [verzoekster] in elk geval strandt voor zover dit gebaseerd wordt op het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen (de e-grond).

5.4.

Voor de beoordeling van de tweede grond (een verstoorde arbeidsverhouding) is eerst van belang dat [verweerder] een beroep heeft gedaan op het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 BW. Beoordeeld moet worden of de verstoorde arbeidsverhouding waar [verzoekster] haar verzoek (mede) op baseert, in verband staat met het opzegverbod tijdens ziekte. Hiervoor moet de achtergrond van het conflict worden bekeken.

5.5.

Het is niet gesteld of gebleken dat vóór de beide bedrijfsongevallen de verhoudingen tussen partijen al verstoord waren. Het enkele feit dat [verweerder] geruime tijd vóór de ongevallen een waarschuwing heeft ontvangen, doet aan die vaststelling niet af. Uit de verslagen van de bedrijfsarts aan de ene kant en wat partijen tijdens de zitting hebben verklaard aan de andere kant, leidt de kantonrechter af dat een combinatie van factoren ertoe heeft geleid dat er spanning op de arbeidsverhouding is komen te staan. Allereerst is daar de door [verweerder] als afstandelijk en ongevoelig ervaren bejegening door [verzoekster] van hem als slachtoffer van twee bedrijfsongevallen; de bedrijfsarts maakt er al in een heel vroeg stadium melding van. Vervolgens is er de gang van zaken rond de doorbetaling van het volledige salaris: vanaf de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd 70% betaald. Op verzoeken van [verweerder] tot betaling van 100% werd eerst in het geheel niet gereageerd en de uiteindelijke weigering in november was in het licht van de afspraak met de ondernemingsraad niet of nauwelijks gemotiveerd. De uiteindelijke toekenning van het volledige loon in december werd gepresenteerd als prikkel voor 'beter' re-integratiegedrag, terwijl niet blijkt dat [verweerder] niet handelde volgens de aanwijzingen en bevindingen van de bedrijfsarts. Op de derde plaats heeft [verzoekster] de adviezen van de bedrijfsarts in haar richting (mediation, re-integratie tweede spoor) goeddeels genegeerd of pas in een laat stadium en dan nog ééndimensionaal (gericht op exit) opgepakt. En tenslotte is er de loonsanctie van begin april 2018, die niet 'past' bij het meest recente advies van de bedrijfsarts.

De conclusie moet luiden dat niet kan worden volgehouden dat het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod bij ziekte betrekking heeft (artikel 671b lid 6 sub a BW), terwijl er ook geen sprake is van omstandigheden die maken dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer zou moeten eindigen (artikel 671b lid 6 sub b BW). Dat betekent dat de hoofdregel van lid 2 van artikel 671b BW hier van toepassing is en dat het verzoek niet kan worden ingewilligd.

5.6.

Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen. [verzoekster] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. Deze worden, tot deze beschikking, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 600,00.

6 De beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek af;

- veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] , tot deze beschikking begroot op € 600,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Wallis, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier mr. C.S. Schür uitgesproken op 4 juli 2018.