Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3113

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
C/16/399830 / HA ZA 15-752
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis. Goed onderbouwd vermoeden van een schijnhandeling, onvoldoende concreet weersproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/399830 / HA ZA 15-752

Vonnis van 11 juli 2018

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 1] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

2. MR. JOHANNES CASPAR MARIA SILVIUS

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijfsnaam] B.V.,

kantoorhoudend in Groningen,

eisers,

advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker in Houten,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonend in [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. P.J.M. Brouwers in Maastricht.

Eisers zullen hierna samen [achternaam] genoemd worden (in vrouwelijk enkelvoud), en elk afzonderlijk [eiser sub 1] en mr. Silvius. Gedaagden zullen genoemd worden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de tussenvonnissen van 6 januari 2016, 4 mei 2016 en 4 oktober 2017;

  • -

    de akte van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ;

  • -

    de antwoordakte van [achternaam] .

1.2.

De rechter die de tussenvonnissen heeft gewezen, is gerouleerd naar een andere afdeling. Daarom heeft zij dit vonnis niet meer kunnen wijzen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De vaststaande feiten in deze zaak en de beoordeling tot nu toe zijn te vinden in de tussenvonnissen van 4 mei 2016 en 4 oktober 2017. Kort samengevat komt het hierop neer. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in 1991 op huwelijksvoorwaarden met elkaar getrouwd. Eind 2005 is hun huwelijk omgezet in een geregistreerd partnerschap, dat begin 2006 is ontbonden. In 2011 zijn zij hertrouwd. Zij waren samen eigenaar van een huis in Italië, [naam huis] . Het aandeel van [gedaagde sub 1] in [naam huis] is bij de scheiding toegedeeld aan [gedaagde sub 2] . Dit tot ongenoegen van [achternaam] , die een vordering heeft op [gedaagde sub 1] , en die daarvoor beslag had willen leggen op [naam huis] . [achternaam] vordert nu primair van [gedaagde sub 2] een vergoeding, omdat zij onrechtmatig gehandeld heeft tegenover [achternaam] door aan die overdracht mee te werken, of omdat zij daardoor ongerechtvaardigd verrijkt is. Subsidiair en meer subsidiair vordert zij verschillende verklaringen voor recht.

2.2.

Uit de vorderingen en uit de stellingen van partijen komen drie scenario’s naar voren. In scenario 1 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in 2005/2006 een convenant gesloten over hun boedelscheiding (eigenlijk: de afwikkeling van hun huwelijksvoorwaarden), en hebben zij door de overdracht in 2010 uitvoering gegeven aan één van de bepalingen van dat convenant. In scenario 2 heeft [gedaagde sub 1] zijn aandeel in het huis aan [gedaagde sub 2] geschonken, zonder dat hij daartoe verplicht was, om te voorkomen dat [achternaam] er beslag op kon leggen. In scenario 3 is het convenant (de akte van boedelscheiding) een schijnhandeling, en is [gedaagde sub 2] alleen in schijn enig eigenaar geworden van [naam huis] .

2.3.

In scenario 1 is niet duidelijk waarom het handelen van [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] tegenover [achternaam] onrechtmatig zou zijn. [achternaam] werkt dat niet uit. Daarom kan worden aangenomen dat hiermee niets mis zou zijn. Voor scenario 2 en 3 ligt dat anders. Dat kan tegenover [achternaam] inderdaad onrechtmatig zijn, bijvoorbeeld als het enige (of belangrijkste) doel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] was om [achternaam] te benadelen.

2.4.

In deze procedure ging het debat aanvankelijk alleen over de scenario’s 1 en 2, en de rechtbank heeft de zaak ook op die manier beoordeeld. In het tussenvonnis van 4 mei 2016 is opdracht gegeven aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om te bewijzen dat zij echt deze overeenkomst van boedelscheiding gesloten hebben, en dat zij ook uitvoering hebben gegeven aan de andere afspraken daarin. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de ondertekende akte overgelegd en getuigen laten horen. In het tussenvonnis van 4 oktober 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat zij (tegenover scenario 2, de schenking) voldoende bewezen hebben dat de overdracht gebaseerd was op het convenant. Daarmee is scenario 2 van de baan.

2.5.

Inmiddels heeft [achternaam] scenario 3 alsnog beter onderbouwd. Het bewijs van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is tegenover dat scenario inderdaad minder overtuigend. Het feit dat zij die akte ondertekend hebben past ook bij het scenario van een schijnhandeling. Scenario 3 zal dus alsnog beoordeeld moeten worden. Daarbij heeft [achternaam] de bewijslast. Dat is gebaseerd op artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv): de partij die zich beroept op bepaalde feiten en die daaraan rechten wil ontlenen, draagt de bewijslast van die feiten. In dit geval is het [achternaam] die stelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig gehandeld hebben door [naam huis] in schijn aan [gedaagde sub 2] toe te delen, en die daaraan onder meer een recht op schadevergoeding wil ontlenen. De bewijslast ligt dus bij [achternaam] .

2.6.

Daarbij is het wel zo dat bewijs alleen geleverd hoeft te worden van concrete feiten die voldoende concreet betwist worden. Hoe beter de stellingen van [achternaam] zijn uitgewerkt, hoe concreter die betwisting moet zijn. En in dit geval: hoe meer vragen de situatie oproept, hoe meer uitleg van [gedaagde sub 1] verwacht mag worden.

2.7.

[achternaam] onderbouwt haar standpunt met de volgende stellingen. De getuigen hebben tegenstrijdige verhalen verteld over de totstandkoming van het convenant. De pagina’s van het convenant zijn niet geparafeerd, en de verklaring van de advocaat over de echtheid van haar handtekening is merkwaardig geformuleerd, alsof zij niet wil zeggen dat zij die handtekening daar gezet heeft):

Ik bevestig hierbij dat onder de handtekeningen van partijen van 30 december 2005 een handtekening staat die van mij afkomstig is.

Het convenant deugt inhoudelijk niet. Er staat dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in gemeenschap van goederen getrouwd waren, en er wordt gesproken over een echtscheiding (in plaats van een ontbinding van een geregistreerd partnerschap). De flat in Maastricht is aan [gedaagde sub 1] toegedeeld en de certificaten Citrus Solid Fund aan [gedaagde sub 2] , terwijl beide eigendom waren van [gedaagde sub 1] alleen en dus niet toegedeeld konden worden. Er is niets geregeld over bankrekeningen en ook niet over pensioenen.

2.8.

De toescheiding van [naam huis] aan [gedaagde sub 2] in ruil voor ‘minder’ partneralimentatie is volgens [achternaam] ongeloofwaardig. Voor [gedaagde sub 1] was het gunstiger geweest om gewoon alimentatie te betalen. De getuigen spreken elkaar daarover ook tegen. In het algemeen is de verdeling volgens het convenant buitengewoon scheef. [gedaagde sub 2] werd daardoor ernstig overbedeeld, zodanig dat het ongeloofwaardig is dat de wil van [gedaagde sub 1] daarop gericht was. Ook de reden van toescheiding van [naam huis] aan [gedaagde sub 2] is vreemd. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wilde [gedaagde sub 2] om gezondheidsredenen in Italië blijven wonen, maar in feite zette zij het huis meteen te koop. Die toescheiding is ook pas in 2010 uitgevoerd. Partijen hebben onjuiste verklaringen afgelegd over de formaliteiten daarvan (bijvoorbeeld de noodzaak van een bewijs van de scheiding, terwijl het bij de notaris als schenking gepresenteerd werd).

2.9.

De certificaten Citrus Solid Fund zijn in het convenant aan [gedaagde sub 2] toegedeeld. Ze zijn niet op haar naam gezet, maar volgens de stukken wel aan haar uitgekeerd. Toch heeft [gedaagde sub 1] bij het getuigenverhoor verklaard dat ze zijn uitbetaald op ‘onze gezamenlijke rekening’, aldus nog steeds [achternaam] .

2.10.

Ten slotte heeft [achternaam] redenen om te twijfelen aan de echtheid van de scheiding. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stonden ook daarna op hetzelfde adres ingeschreven. Ze hadden tenminste één gemeenschappelijke bankrekening, of [gedaagde sub 1] had een rekening waarvan [gedaagde sub 2] geld kon opnemen. De alimentatie die [gedaagde sub 1] aan [gedaagde sub 2] betaalde was wisselend: als [gedaagde sub 2] meer geld nodig had, vroeg zij daarom, en als zij minder nodig had, stuurde hij minder geld. De bankafschriften van [gedaagde sub 2] werden naar een postadres in Nederland gestuurd: het adres van [gedaagde sub 1] . In een interview van 2009 heeft [gedaagde sub 1] het over ‘mijn vrouw’. In een interview van 2010 staat dat hij in Toscane olijven gaat verbouwen ( [naam huis] staat in Toscane en er hoort een olijfboomgaard bij).

2.11.

[achternaam] wijst er daarbij op dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voortdurend dingen anders regelden dan het echt was. Zo stond [gedaagde sub 2] in Nederland ingeschreven, terwijl ze in Italië woonde, omdat ze anders gekort zou worden op haar AOW. [gedaagde sub 1] woonde in Nederland, maar heeft zich op een bepaald moment ingeschreven in Italië vanwege het conflict met [achternaam] . De overdracht van [naam huis] is aanvankelijk niet uitgevoerd, en vervolgens bij de notaris gepresenteerd als schenking. De waarde van het huis is daar onjuist opgenomen als € 80.750, terwijl het volgens [achternaam] ten tijde van de scheiding ruim een miljoen waard was.

2.12.

Tenslotte wijst [achternaam] op het hertrouwen in 2011 en op de keus voor een ‘flitsscheiding’, die in Italië niet erkend wordt, terwijl [gedaagde sub 2] in Italië wilde blijven wonen. Beide zouden passen in een scenario waarin [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet werkelijk uit elkaar wilden.

2.13.

Voor een aantal van deze omstandigheden geven [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een verklaring. Zo hebben zij uitgelegd dat [gedaagde sub 2] vanwege haar reuma in Italië wilde blijven, maar dat dit huis na de scheiding voor haar te groot was en te afgelegen en dat zij daarom een kleiner huis in een meer verstedelijkt gebied wilde kopen. Zij hebben ook uitgelegd waarom de overdracht als schenking moest worden gepresenteerd. Zij zijn echter niet ingegaan op de vragen die [achternaam] opwerpt over de totstandkoming van het convenant. Zij hebben niet gereageerd op de bijzonder scheve verdeling die [achternaam] opmerkt, of op het ontbreken van bepalingen over (bijvoorbeeld) bankrekeningen of pensioenen. Zij stellen wel dat de interviews van 2009 en 2010 onjuist zijn, maar zonder enige verdere toelichting hoe dat misverstand bij de journalist ontstaan kan zijn. Zij geven geen toelichting op de financiële verhoudingen tussen hen in de periode dat zij niet getrouwd waren. Het is in zaken die aan de rechtbank worden voorgelegd vrij ongebruikelijk dat ex-echtgenoten geld kunnen opnemen van elkaars bankrekeningen, of dat de afspraken over alimentatie zo losjes worden nageleefd als hier kennelijk gebeurde, en zij leggen niet uit hoe dat bij hen dan zat. Zij leggen wel uit waarom [gedaagde sub 2] een postadres in Nederland nodig had, maar niet waarom dat het adres van [gedaagde sub 1] was. Kortom, zij weerspreken de omstandigheden waarop [achternaam] zich beroept maar heel gedeeltelijk.

2.14.

Die omstandigheden zijn voldoende om – samen met het feit dat [gedaagde sub 1] een conflict had met [achternaam] en er belang bij had om verhaal onmogelijk te maken – het vermoeden te wekken dat de toescheiding van [naam huis] aan [gedaagde sub 2] inderdaad een schijnhandeling was. Dat vermoeden wordt versterkt doordat vaststaat dat zij dingen inderdaad op papier vaak anders voorstelden dan ze in werkelijkheid waren (zoals bijvoorbeeld de inschrijvingen op adressen waar zij feitelijk niet woonden). Dat betekent dat van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verwacht mocht worden dat zij bij hun verweer ook concreet zouden uitleggen hoe het volgens hen echt zat. Dat hebben zij niet gedaan. Zij hebben de stellingen van [achternaam] maar gedeeltelijk weersproken, en zij hebben weinig tot geen inzicht gegeven in hun visie op het verloop van de gebeurtenissen. Daarom beschouwt de rechtbank de stelling van [achternaam] dat de toescheiding van [naam huis] aan [gedaagde sub 2] een schijnhandeling was, als onvoldoende weersproken.

2.15.

Wat zijn nu de gevolgen hiervan voor de eis?

2.16.

[achternaam] vordert primair betaling van € 359.892,73 door [gedaagde sub 2] , op grond van onrechtmatige daad of van ongerechtvaardigde verrijking. Hiervoor geldt dat op dit moment niet vaststaat dat [achternaam] schade geleden heeft dan wel verarmd is en zo ja, hoeveel dan. Op grond van een vonnis van de rechtbank Limburg van 3 december 2014 heeft [achternaam] (per saldo) een vordering op [gedaagde sub 1] , maar [gedaagde sub 1] heeft hoger beroep ingesteld. Het resultaat daarvan is de rechtbank niet bekend. Daarvan hangt af of [achternaam] inderdaad benadeeld is door de overdracht van [naam huis] aan [gedaagde sub 2] . Dit onderdeel is daarom niet toewijsbaar.

2.17.

[achternaam] vordert subsidiair een verklaring voor recht dat

  • -

    de toescheiding en/of schenking van het aandeel van [gedaagde sub 1] in [naam huis] aan [gedaagde sub 2] geen rechtskracht heeft

  • -

    en dat [gedaagde sub 1] mede-eigenaar is gebleven van [naam huis] .

Omdat moet worden aangenomen dat die toescheiding een schijnhandeling was, kan dit onderdeel wel worden toegewezen. Aan de meer subsidiaire vorderingen komt de rechtbank daarom niet toe.

2.18.

Hoewel de betalingsvordering wordt afgewezen, zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] materieel de in het ongelijk gestelde partij. Zij zullen daarom in de proceskosten (en nakosten) worden veroordeeld, maar die zullen worden berekend op basis van de wel toewijsbare verklaring voor recht. De kosten aan de zijde van [achternaam] worden dan begroot op:

- dagvaarding € 77,84

- griffierecht € 613,00

- getuigenkosten € 0,00

- salaris advocaat € 2.172,00 (4,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 2.862,84

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat de toescheiding dan wel schenking van het aandeel van [gedaagde sub 1] in [naam huis] aan [gedaagde sub 2] geen rechtskracht heeft en dat [gedaagde sub 1] mede-eigenaar is gebleven van [naam huis] ;

3.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat als de een betaalt ook de ander zal zijn gekweten, in de proceskosten, aan de zijde van [achternaam] tot op heden begroot op € 2.862,84, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) daarover met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat als de een betaalt ook de ander zal zijn gekweten, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat,

met € 82,00 per exploot als zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis voldoen en het vonnis vervolgens aan hen betekend is,

en in ieder geval met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over deze nakosten met ingang van veertien dagen na aanschrijving tot aan de voldoening;

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.S.K. Fung Fen Chung en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2018.1

1 type: nig (4123) coll: CFFC (1342)