Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:3031

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
6250537 UC EXPL 17-11094
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2018:1982
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBMNE:2018:1982. Betaling voor werkzaamheden ter voorkoming van het faillissement moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid buiten toepassing van 47 Fw blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2018-0175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6250537 UC EXPL 17-11094 NRV/31465

Vonnis van 11 juli 2018

inzake

C.A. Hage q.q., handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam vennootschap onder firma] V.O.F.,

kantoorhoudende te Ede ,

verder ook te noemen de curator,

eisende partij,

gemachtigde: mr. I.J.G.H. Hage,

tegen:

de besloten vennootschap

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M. Mos.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 april 2018

  • -

    de akte van [gedaagde]

  • -

    de antwoordakte van de curator met productie

  • -

    de akte n.a.v. productie van [gedaagde] .

1.2.

Daarna is de datum voor het vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde] het aan haar betaalde bedrag van € 1.815,00 aan de curator moet betalen vanwege faillissementspauliana. In het tussenvonnis van 11 april 2018 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter geoordeeld dat de betaling buiten toepassing van artikel 47 Fw moet blijven voor zover deze ziet op werkzaamheden die gericht waren op het bereiken van een buitengerechtelijk akkoord (zie 3.5). Daarnaast heeft de kantonrechter geoordeeld dat dit niet geldt voor werkzaamheden die zijn verricht ten aanzien van het 287a-verzoek (zie 3.6). [gedaagde] heeft vervolgens de kans gekregen om toe te lichten welke van de op de door [gedaagde] overgelegde urenspecificaties van productie 1 bij conclusie van antwoord vermelde werkzaamheden gericht waren op het bereiken van een buitengerechtelijk akkoord met de schuldeisers van de vof.

2.2.

[gedaagde] heeft allereerst opnieuw beargumenteerd waarom zij van mening is dat ook de werkzaamheden die zij heeft besteed aan het opstellen van het 287a-verzoekschrift strekten tot het verkrijgen van een buitengerechtelijk akkoord, maar zij mocht die toelichting in deze fase van de procedure niet meer doen. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis namelijk al geoordeeld dat de curator de betaling ten aanzien van deze werkzaamheden rechtsgeldig heeft vernietigd (zie 3.6).

2.3.

Volgens [gedaagde] heeft zij tot aan het faillissement in totaal 9,3 uur besteed aan het overleggen met cliënten en wederpartijen (zoals de aanvrager van het faillissement), het onderzoeken van stukken en het opstellen van correspondentie en achterliggende stukken waarin onder meer het akkoord (de kantonrechter begrijpt: het buitengerechtelijk akkoord) werd aangeboden en nader werd toegelicht en heeft zij daarvoor € 1.883,75 in rekening gebracht inclusief kantoorkosten en btw. Het had op de weg van de curator gelegen om gemotiveerd te betwisten dat deze werkzaamheden zijn besteed aan het bereiken van een buitengerechtelijk akkoord en dat heeft hij niet gedaan, zodat vast is komen te staan dat de door [gedaagde] gestelde 9,3 uur daaraan is besteed.

2.4.

De curator heeft aangevoerd dat de voorschotdeclaratie (ten aanzien waarvan de betaling is gedaan) is verrekend met de declaratie 171138 die betrekking heeft op werkzaamheden die zijn verricht na het faillissement. Volgens de curator is deze verrekening in strijd met de wet omdat een schuld die is ontstaan voor het faillissement niet kan worden verrekend met een schuld ontstaan na het faillissement. Ook is het voorschot volgens de curator verrekend met een schuld van de vennoten en niet een schuld van de vof. De kantonrechter vindt deze stellingen niet relevant. Vaststaat immers (zie hiervoor) dat de vof een bedrag van € 1.883,75 verschuldigd was aan [gedaagde] in verband met werkzaamheden voorafgaand aan het faillissement. Dat bedrag (althans een iets lager bedrag, te weten
€ 1.815,00) heeft de vof op 16 december 2016 aan [gedaagde] betaald (zie 2.3 van het tussenvonnis) en dat bedrag van € 1.815,00 heeft [gedaagde] geweigerd te betalen aan de curator. Daartoe was [gedaagde] gerechtigd, zo oordeelt de kantonrechter in deze procedure.

2.5.

Ook voor de stelling van de curator dat de declaratie van de urenspecificatie 170054 niet in het geding is gebracht en dat deze op naam is gesteld van de heer [naam (voormalig) vennoot] geldt dat de kantonrechter deze passeert als niet relevant om dezelfde reden.

2.6.

De rechtbank concludeert dat de betaling van € 1.815,00 door de vof aan [gedaagde] is gedaan voor werkzaamheden die zijn besteed aan het proberen te bereiken van een buitengerechtelijk akkoord ten behoeve van de vof, zodat de betaling buiten toepassing van artikel 47 Fw moet blijven. Dat betekent dat de vordering van de curator wordt afgewezen.

2.7.

De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Die kosten worden begroot op € 375,00 (2,5 punten x tarief € 150,00) aan salaris gemachtigde. De nakosten waarvan [gedaagde] betaling heeft gevorderd worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn. De wettelijke rente over de (na)kosten zal als volgt worden toegewezen. De curator heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering om de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zodat ook die vordering wordt toegewezen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

veroordeelt de curator tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 375,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.3.

veroordeelt de curator, onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 75,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening;

3.4.

verklaart de (na)kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2018.

Type: NRV/31465

Coll: HAB/17443