Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2892

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
C/16/415291 / HA ZA 16-357
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid afgewezen. Vervolg op ECLI:NL:RBMNE:2017:1102, 2017:3161 en 2018:2

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2018-0167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/415291 / HA ZA 16-357

Vonnis van 30 mei 2018

in de zaak van

[eiser] , handelend onder de naam [bedrijfsnaam 1],

woonplaats [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. D.L.A. van Voskuilen in Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.G.D. Fleers in Utrecht.

De rechtbank noemt partijen hierna [bedrijfsnaam 1] en [gedaagde] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 januari 2018

  • -

    de akte van [gedaagde]

  • -

    de antwoordakte van [bedrijfsnaam 1] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Voor de leesbaarheid van dit vonnis herhaalt de rechtbank de overwegingen 2.5 en 2.6 van het tussenvonnis van 3 januari 2018.

“2.5. De rechtbank stelt voorop, zoals ook overwogen in het tussenvonnis van 15 maart 2017 (rechtsoverweging 4.3), dat het op de weg van de benadeelde crediteur ligt om per aangesproken bestuurder te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de betreffende bestuurder persoonlijk jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Dit betekent dat [bedrijfsnaam 1] moet stellen en zo nodig bewijzen dat de activatransactie onrechtmatig was én dat zij daardoor schade heeft geleden. De feiten en omstandigheden die daarvoor dragend (kunnen) zijn, liggen echter in het domein van [gedaagde] . Dit brengt met zich mee dat op hem een verzwaarde stelplicht ligt in die zin dat van hem verwacht mag worden dat hij de omstandigheden die het tegendeel ondersteunen, onderbouwd naar voren brengt.

Voor de vraag of het faillissement ten tijde van de activatransactie onafwendbaar was en de vraag of, de activatransactie wegdenkend, [bedrijfsnaam 1] (een deel van) de resterende leasetermijnen zou hebben ontvangen, acht de rechtbank de volgende door [gedaagde] genoemde omstandigheden vooral van belang:

er was een zwaar negatief banksaldo

[…]

er bestond een schuld van € 95.041,72 aan het personeel uit hoofde van opgebouwde vakantiedagen en vakantiegeld

[…]

[…]

het salaris over januari 2016 voor 72 man personeel kon niet meer worden betaald.

Met [bedrijfsnaam 1] is de rechtbank van mening dat het enkele feit dat er grote schulden bestaan, nog niet betekent dat een bedrijf op afzienbare termijn failliet zal gaan. Ook het feit dat de fiscus was begonnen met het executeren van dwangbevelen, leidt niet (zonder meer) tot dat oordeel. [bedrijfsnaam 2] was immers in verzet gegaan en in die zaak was een zitting gepland in juli 2016 (zie het faillissementsverslag). Dit betekent dat die executie eind 2015 voorlopig was geschorst. De omstandigheden die hiervoor onder d, f en i zijn genoemd, kunnen echter wel leiden tot de conclusie dat [bedrijfsnaam 2] op korte termijn zou failleren. Daarbij is vooral de omstandigheid onder i van groot belang. [bedrijfsnaam 1] heeft die omstandigheden (gedeeltelijk bij gebrek aan wetenschap) betwist. Bovendien heeft zij er terecht op gewezen dat [gedaagde] bij deze omstandigheden niet betrekt dat binnen [bedrijfsnaam 2] tot aan de activatransactie ook inkomsten werden gegenereerd en dat [gedaagde] dus in het midden laat of er een positieve kasstroom was om op zijn minst aan de kortlopende verplichtingen te voldoen. Uit de omstandigheid onder i lijkt te volgen dat [gedaagde] daarbij betrokken heeft dat er onvoldoende inkomsten waren, maar hij zegt daar niet specifiek iets over. Zoals gezegd, liggen deze omstandigheden in het domein van [gedaagde] en het is aan hem om een nadere onderbouwing van deze omstandigheden te geven.

De rechtbank overweegt nog dat [bedrijfsnaam 1] de stellingen van [gedaagde] zo leest dat deze omstandigheden of een deel daarvan ontstonden doordat de activatransactie werd aangegaan. Zo leest de rechtbank de stellingen van [gedaagde] echter niet. [gedaagde] stelt immers expliciet (punt 37 van de antwoordakte van 24 mei 2017): “De activatransactie wegdenkend zou de volgende situatie hebben bestaan:”, waarna de opsomming van a t/m j volgt.

2.6.

De rechtbank stelt [gedaagde] in de gelegenheid om de in 2.5 onder d, f en i genoemde omstandigheden gedocumenteerd te onderbouwen en daarbij te betrekken (eveneens gedocumenteerd) de inkomsten van [bedrijfsnaam 2] voorafgaande aan de activatransactie. [bedrijfsnaam 1] zal daarop dan mogen reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.”

2.2.

De rechtbank komt niet tot het oordeel dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [bedrijfsnaam 1] en dat [bedrijfsnaam 1] daardoor schade heeft geleden. De rechtbank licht dat hierna toe.

2.3.

[gedaagde] heeft in zijn akte en de daarbij behorende stukken uitgelegd dat [bedrijfsnaam 2] in de loop van 2015 bij intensief beheer van Rabobank en het daaraan verbonden De Lage Landen (DLL) terecht is gekomen. Ook heeft hij onderbouwd gesteld dat in de maanden voorafgaand aan de activatransactie de debiteuren feitelijk niet meer werden voorgefinancierd door Rabobank/DLL zoals tot dan toe gebruikelijk was. Daardoor kon zij niet zelf meer over haar werkkapitaal beschikken en was zij voor haar inkomstenstroom en betaalcapaciteit volledig afhankelijk van Rabobank/DLL. Het saldo van de geïncasseerde debiteuren werd door Rabobank/DLL aangehouden ter dekking van de schuld bij haar. [gedaagde] wijst er in dat kader op dat het bedrag aan doorgestorte debiteuren terug is gelopen van € 580.000,- in oktober 2015 tot € 318.000,- eind december 2015. Verder heeft [gedaagde] onderbouwd dat de betaling van salarissen in november 2015 problematisch was omdat DLL niet bereid was ontvangen debiteuren door te storten voor betaling van de bruto salaris component. Door een eenmalige verhoging van de bevoorschotting konden de netto salarissen van november 2015 toch worden betaald, aldus [gedaagde] . Deze stelling wordt ondersteund door een mailwisseling tussen [gedaagde] en DLL. Uit die mailwisseling blijkt ook dat DLL een gesprek wenst over de salarisbetalingen voor december 2015. [gedaagde] stelt dat (onder andere) uit deze omstandigheden blijkt dat Rabobank/DLL de geldkraan steeds verder en sneller dichtdraaide. Door deze opstelling was [bedrijfsnaam 2] in december 2015 niet in staat te voldoen aan haar kortlopende verplichtingen, zoals de BTW-verplichtingen, salarisverplichtingen en aflossingsverplichtingen.

2.4.

[bedrijfsnaam 1] , die (zoals de rechtbank in eerdere tussenvonnissen heeft overwogen) moet stellen en (zo nodig) bewijzen dat [gedaagde] tegenover hem onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij daardoor schade heeft geleden, heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. [bedrijfsnaam 1] heeft er in zijn antwoordakte vooral op gewezen dat de inkomstenbron van [bedrijfsnaam 2] (de doorgestorte debiteuren) in de periode van oktober tot en met december 2015 fors is teruggelopen. Hij verbindt daaraan de conclusie dat het personeel van [bedrijfsnaam 2] kennelijk al eerder dan 30 december 2015 is overgegaan naar [bedrijfsnaam 3] en dat de terugval in inkomsten dus is veroorzaakt door de activatransactie. [bedrijfsnaam 1] heeft echter niet onderbouwd waarop hij deze conclusie baseert en gaat daarbij niet in op de stukken die [gedaagde] in dit kader in het geding heeft gebracht. [bedrijfsnaam 1] heeft er verder op gewezen dat [gedaagde] er onverplicht voor heeft gekozen om één van de schuldeisers, namelijk Rabobank/DLL, te bevoordelen boven alle andere schuldeisers, waaronder het personeel en [bedrijfsnaam 1] door alle activa te verkopen en daarmee Rabobank/DLL af te lossen. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft immers al in het tussenvonnis van 15 maart 2017 (r.o. 4.14) aangenomen dat de activatransactie (voorzienbaar) leidde tot benadeling van een deel van de schuldeisers, waaronder [bedrijfsnaam 1] . De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het debat over de onrechtmatigheid van de activatransactie niet volledig was en partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over een aantal kwesties, waarvan de meest recente twee aktes het slotstuk vormen.

2.5.

Samenvattend vindt de rechtbank dat [gedaagde] met stellingen en stukken heeft onderbouwd de situatie die hij al eerder heeft geschetst, namelijk dat het faillissement van [bedrijfsnaam 2] op korte termijn aanstaande was. In die omstandigheid komt de rechtbank niet tot de conclusie dat [gedaagde] , door de activatransactie te sluiten, onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 1] daardoor schade heeft geleden. [bedrijfsnaam 1] heeft daar tegenover onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld waaruit wel zo’n onrechtmatig handelen voortvloeit. Dit betekent dat de vorderingen van [bedrijfsnaam 1] worden afgewezen.

2.6.

[bedrijfsnaam 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 885,00

- salaris advocaat 3.222,00 (3,0 punten × tarief € 1.074,00)

Totaal € 4.107,00

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt [bedrijfsnaam 1] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 4.107,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2018.1

1 type: HAB (4727) coll: NG (4086)