Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2890

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
03-07-2018
Zaaknummer
C/16/429739 / HA ZA 16-966
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2018:1893
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBMNE:2018:1893. Overeenkomst van geldlening. Renteverplichtingen achtergesteld? Partij ziet af van bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/429739 / HA ZA 16-966

Vonnis van 2 mei 2018

in de zaak van

[eiser] ,

woonplaats [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.R. Jonker in Amersfoort,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. F.W. Henstra in Utrecht.

De rechtbank noemt partijen hierna [eiser] en gedaagden en apart: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 31 januari 2018

  • -

    het bericht van [gedaagde sub 2] waaruit blijkt dat zij afziet van getuigenverhoor.

[eiser] heeft verzocht om een akte te nemen over dat wat de rechtbank in het tussenvonnis heeft overwogen in onderdeel 3.3. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen en heeft bepaald dat zij vonnis zal wijzen.

2 De verdere beoordeling

in conventie

2.1.

De rechtbank blijft bij dat wat ze in het tussenvonnis heeft overwogen. In het tussenvonnis heeft de rechtbank [gedaagde sub 2] opgedragen te bewijzen dat de partijen bij de achterstellingsakte hebben afgesproken dat ook de maandelijkse renteverplichtingen onder de achterstelling vallen. [gedaagde sub 2] heeft afgezien van het houden van getuigenverhoor en heeft ook geen schriftelijke stukken in het geding gebracht. Dit betekent dat zij er niet in is geslaagd om dat bewijs te leveren.

2.2.

In onderdeel 3.15 van het tussenvonnis is al bepaald dat in dat geval de door [eiser] gevorderde rente in beginsel wordt toegewezen. In onderdeel 3.17 heeft de rechtbank echter overwogen dat de vordering verjaard is wat betreft de maandelijkse renteverplichtingen over juni 2010 tot en met augustus 2011 (15x € 833,33 = € 12.499,95). Dit deel van de vordering wordt dus afgewezen. Het overige deel, de renteverplichtingen van augustus 2011 tot 7 oktober 2016, (€ 50.578,03) wordt toegewezen. Ook de vordering om de contractuele rente over € 100.000,- vanaf 7 oktober 2016 te betalen, wordt toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

2.3.

[eiser] vordert € 1.775,- aan buitengerechtelijke kosten. Gedaagden betwisten dat zij deze kosten verschuldigd zijn. De rechtbank wijst deze vordering af. [eiser] heeft onvoldoende gesteld dat hij kosten heeft gemaakt, die meer omvatten dan een enkele (herhaalde) aanmaning.

Proceskosten

2.4.

Nu [gedaagde sub 2] buitengerechtelijk niet bereid is gebleken om enig bedrag aan [eiser] te doen, zal zij in de proceskosten van [eiser] worden veroordeeld. De rechtbank baseert de hoogte van de advocaatkosten daarbij op het bedrag dat wordt toegewezen (en dus niet op het bedrag dat [eiser] vorderde). De gevorderde beslagkosten worden afgewezen omdat het beslag is gelegd ten laste van [gedaagde sub 1] , tegen wie de vordering is afgewezen.

2.5.

De rechtbank begroot de proceskosten van [eiser] op:

- dagvaarding € 96,57

- griffierecht 1.260,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.144,57

2.6.

[eiser] is in het ongelijk gesteld in de procedure tegen [gedaagde sub 1] . Nu gedaagden wel enige kosten extra hebben moeten maken om verweer te voeren tegen de vordering van [eiser] tegen [gedaagde sub 1] , wordt [eiser] in die extra kosten van [gedaagde sub 1] veroordeeld. De rechtbank begroot die als volgt:

- salaris advocaat € 760,50 (1,0 punten × factor 0,5 × tarief € 1.421,00)

Totaal € 760,50

in reconventie

2.7.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank al beslist dat de vordering in reconventie wordt toegewezen.

2.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (waaronder de gevorderde nakosten) worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] worden begroot op:

- salaris advocaat 1.421,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 1.421,00)

Totaal € 1.421,00

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 50.578,03 (vijftig duizendvijfhonderdachtenzeventig euro en drie eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 10% per jaar over het bedrag van € 100.000,00 met ingang van 7 oktober 2016 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten van [eiser] , aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 3.144,57,

3.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde sub 1] , aan de zijde van [gedaagde sub 1] , tot op heden begroot op € 760,50,

3.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

3.6.

heft op het op 2 december 2016 door [eiser] gelegde conservatoir verhaalsbeslag op de aan [gedaagde sub 1] toebehorende onroerende zaak, gelegen te [vestigingsplaats] ( [postcode] ) aan de [adres] ,

3.7.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op € 1.421,00,

3.8.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.9.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2018.1

1 type: HAB (4727) coll: HvW (4232)