Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2888

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
C/16/406213 / HA ZA 15-1017
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vevolg op ECLI:NL:RBMNE:2017:2717 en 2018:887. Aanwezigheid van schade onvoldoende aannemelijk gemaakt. Producties niet weersproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/406213 / HA ZA 15-1017

Vonnis van 4 juli 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

advocaat mr. K. Dirlik te Noord-Scharwoude,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.J. Dito te Hilversum.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 maart 2018

  • -

    de akte van [eiseres]

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

Tussenvonnis 14 maart 2018

2.1.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis beslist dat de afspraak tussen [A] en [gedaagde] vaststaat inhoudende dat [gedaagde] zijn aandelen in [bedrijfsnaam] zou verpanden aan [A]. Ook heeft de rechtbank beslist dat [gedaagde] tekort geschoten is in de nakoming daarvan en hij de daardoor ontstane schade moet vergoeden aan [A] en dus aan [eiseres]. Vervolgens heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“De rechtbank moet dus vaststellen of [A] door de tekortkoming schade heeft geleden en moet vervolgens die schade begroten. In het tussenvonnis (4.19) is al overwogen dat de schade wordt bepaald door de situatie waarin [gedaagde] tekort is geschoten te vergelijken met de hypothetische situatie dat [gedaagde] die afspraak wél was nagekomen en zijn aandelen had verpand in april 2009. [eiseres] heeft over die hypothetische situatie gesteld dat [A] naar alle waarschijnlijkheid in augustus of september 2009 was overgegaan tot uitwinning van de zekerheden omdat rond die periode [eiseres] is overgegaan tot inning van haar vordering op [A]. [gedaagde] heeft daar tegenover geen feiten of omstandigheden gesteld die ertoe leiden dat van een andere hypothetische situatie moet worden uitgegaan. Dit betekent dat de rechtbank aanneemt dat, als [gedaagde] conform afspraak zijn aandelen had verpand in april 2009, [A] in september 2009 was overgegaan tot uitwinning van het pandrecht. De vraag is dan ook wat de aandelen van [gedaagde] toen bij uitwinning zouden hebben opgeleverd. Om die vraag te beantwoorden is het volgens de rechtbank in beginsel nodig om een deskundige te benoemen. Daaraan gaat echter de vraag vooraf of verkoop van de aandelen in september 2009 iets zou hebben opgeleverd en dus of enige schade aannemelijk is. Dat heeft de rechtbank weliswaar aangenomen in het tussenvonnis van 31 mei 2017, maar alleen voor wat betreft de hypotheek op de woning (omdat er overwaarde op de woning zat). Het is aan [eiseres] om te onderbouwen dát verkoop van de aandelen opbrengst zou hebben gegenereerd. De rechtbank wijst erop dat uit het eerste faillissementsverslag van [bedrijfsnaam] blijkt dat de jaarrekening over 2009 weliswaar een positief resultaat laat zien, maar dat dit in werkelijkheid een verlies van € 122.144,- is. Gecombineerd met de destijds aanzienlijke schuldenlast van [bedrijfsnaam] is de vraag gerechtvaardigd of de aandelen iets zouden hebben opgebracht. [eiseres] krijgt de gelegenheid om zich daarover uit te laten en [gedaagde] mag daarop reageren.”

Aktes [eiseres] en [gedaagde]

2.2.

[eiseres] heeft in haar akte uiteengezet dat de aandelen een behoorlijke waarde hadden voor haar. Volgens [eiseres] was de meest reële optie geweest om destijds aan [A] te vragen de aan hem verpande aandelen aan [eiseres] over te dragen. [eiseres] zou dan volledige controle hebben gehad over [bedrijfsnaam] en had een doorstart kunnen faciliteren waarmee zij de terugbetaling van haar lening zou kunnen “terugverdienen”, aldus [eiseres]. [eiseres] heeft voor de waardebepaling van de aandelen een rekenopzet laten maken door haar financieel adviseur, de heer [B]. Volgens die rekenopzet zou [eiseres] destijds € 650.000,- hebben betaald voor de aandelen.

2.3.

[gedaagde] heeft met zijn akte een waardeanalyse van [bedrijfsnaam] per 1 september 2009 in het geding gebracht, opgesteld door twee Register Valuators van MTH. Uit deze waardeanalyse volgt dat de waarde van de aandelen in [bedrijfsnaam] per die datum op een bedrag van € 860.912,- negatief is te bepalen. In de begeleidende mail bij deze analyse is MTH ingegaan op de rekenopzet van [B].

Oordeel rechtbank

2.4.

Na deze akte van [gedaagde] is de zaak op de rol geplaatst voor uitlating door partijen over de door hen gewenste volgende proceshandeling (uitlating artikel 2.11. van het landelijk procesreglement). [eiseres] heeft niet gevraagd om nog te mogen reageren op de door [gedaagde] overgelegde producties, maar vonnis gevraagd. Dit leidt ertoe dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de door [gedaagde] in zijn laatste akte overgelegde producties en de toelichting daarop. Dit leidt -kort gezegd- tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat [eiseres] enige schade heeft geleden door de tekortkoming van [gedaagde] . De rechtbank licht dat hierna toe.

2.5.

[eiseres] constateert zelf in haar akte dat de conclusie gerechtvaardigd is dat [bedrijfsnaam] begin 2009 technisch failliet was. Ook de rekenopzet gaat daar vanuit. De rekenopzet is opgesteld door haar financieel adviseur [B]. [eiseres] heeft niet onderbouwd wat zijn deskundigheid is op het gebied van waardebepaling van aandelen. Op basis van een aantal uitgangspunten concludeert [B] in de rekenopzet dat de aandelen alleen van waarde zijn voor [eiseres] omdat de keuze is: faillissement of doorstart op basis van de genoemde uitgangspunten. Vervolgens komt hij op basis van een aantal elementen tot een “overtollige” liquiditeit van € 650.000,-. Dit bedrag beschouwt [B] als de waarde van [bedrijfsnaam].

2.6.

De waardeanalyse van MTH is opgesteld door twee Register Valuators. MTH heeft in een begeleidende mail en in de waardeanalyse uitgebreid toegelicht dat zij zoveel mogelijk heeft aangesloten bij de prognoses van [B]. Ook heeft MTH toegelicht en onderbouwd dat [B] enkele fundamentele fouten maakt bij de bepaling van de door hem gehanteerde vermogenskostenvoet. In de waardeanalyse is vervolgens uiteengezet hoe de waarde van de aandelen per 1 september 2009 berekend moet worden op basis van de bij MTH bekende gegevens. De negatieve waarde van € 860.912,- die daaruit resulteert betekent dat de onderneming redelijkerwijs niet in staat is om aan haar aflossingsverplichtingen te voldoen, aldus MTH en: “Ook betekent dit dat een eventuele theoretische koper van de aandelen pas bereid zou zijn om de onderneming voor nul euro over te nemen als de schulden op balansdatum voor een bedrag van € 860.912,- zouden worden kwijtgescholden.”

2.7.

Door deze stukken van [gedaagde] en de daarover ingenomen stellingen niet te weerspreken, hoewel [eiseres] daartoe wel in de gelegenheid was, neemt de rechtbank het door [gedaagde] gestelde als niet weersproken en dus als vaststaand aan. De rechtbank neemt dus aan dat de aandelen in [bedrijfsnaam] in september 2009 een negatieve waarde hadden en bij een hypothetische verkoop niets hadden opgebracht. Dit betekent dat [eiseres] er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat zij schade heeft geleden door de tekortkoming van [gedaagde] . Daarom zal de rechtbank de vorderingen op deze grondslag afwijzen. In de vorige tussenvonnissen heeft de rechtbank al beslist dat de vorderingen op de andere aangevoerde grondslagen worden afgewezen.

2.8.

[eiseres] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten van [gedaagde] veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 1.533,00

- salaris advocaat 19.266,00 (6,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 20.799,00

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 20.799,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en mr. M.C.J. Lommen en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2018.1

1 type: HAB (4727) coll: