Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2799

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-06-2018
Datum publicatie
21-06-2018
Zaaknummer
UTR 18 / 1596
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo Last onder dwangsom, instandhoudingsplicht Fabrieksgebouw Eemlandia in Bunschoten. Last is in redelijkheid opgelegd, verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7892
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/1596

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juni 2018 in de zaak tussen

Hollandsche Maatschappij voor Stadsherstel & Monumenten B.V., te Almere, verzoekster

(gemachtigde: mr. R. Lever)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten, verweerder

(gemachtigden: C. van der Krans en V. de Kieviet).

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster gelast om voor 1 oktober 2017 ter voorkoming van (meer) schade door weersinvloeden passende maatregelen te treffen en onderhoud te plegen aan het rijksmonument ‘Fabrieksgebouw Eemlandia’ aan de Veenestraat 44 in Bunschoten, kadastraal bekend als sectie G, nummer 2975. De last is opgelegd onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per week met een maximum van € 50.000,--.

Bij besluit van 23 augustus 2017 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot 1 november 2017. Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot 9 mei 2018.

Bij besluit van 27 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 26 april 2018 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2018. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde vergezeld door bouwkundige V. de Kieviet. Op de zitting heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Gelet op artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en op wat verzoekster daarover naar voren heeft gebracht, doet de voorzieningenrechter alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening en niet ook op het beroep. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemprocedure niet.

3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. Verzoekster is in 1998 eigenaar geworden van het rijksmonument ‘Fabrieksgebouw Eemlandia’. Op 21 april 2016 heeft de Monumentenwacht het gebouw aan de buitenzijde geïnspecteerd en de resultaten daarvan opgenomen in een QuickScan van dezelfde datum. Bij brief van 8 maart 2017 heeft verweerder verzoekster geïnformeerd over het voornemen om handhavend op te treden. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen die zijn vermeld onder ‘Procesverloop’.

4.1

In artikel 9, eerste lid, onder a, van de Erfgoedwet is - kort gezegd - bepaald dat tot het moment waarop de Omgevingswet in werking is getreden onder meer paragraaf 2 van hoofdstuk II, van de Monumentenwet 1988 zoals die luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing is.

4.2

In artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 staat dat het verboden is om een beschermd monument te beschadigen of te vernielen. Met artikel 10.18 van de Erfgoedwet is daaraan toegevoegd: “, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.”.

5. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat verzoekster haar instandhoudingsplicht op grond van in artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 heeft geschonden door nalaten. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op de QuickScan van 21 april 2016. Verweerder heeft de last opgelegd ter voorkoming van (meer) schade aan het pand door weersinvloeden, waarbij verzoekster is gelast de volgende herstelmaatregelen te treffen:

  1. het herstellen van beschadigde en ontbrekende beglazing;

  2. het herstellen van dichtgetimmerde gevelopeningen waarbij de beplating waarmee de huidige openingen zijn dichtgetimmerd worden verwijderd;

  3. het herstellen van lekkende goten;

  4. het herstellen van ontbrekende luiken;

  5. het herstellen van de fundering en het aanhelen van de verzakkingscheur in de muur;

  6. het herstellen van schilderwerk in eenzelfde kleurstelling;

  7. het dichten van gaten in de met pannen gedekte dakvlakken;

  8. et herstellen van lekkages en ontbrekende delen in hemelwaterafvoeren;

  9. het aanhelen van schade aan het muurwerk, ontstaan als gevolg van het ontbreken van hemelwaterafvoeren en/of lekkages.

Deze maatregelen omvatten mede de vervolgschade ten gevolge van de storm op 18 januari 2018 (dakpannen, goot en ontbrekend latje bij dakventilatie).

6.1

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de last, voor zover die ziet op de schade die aan het gebouw is ontstaan als gevolg van de storm van 18 januari 2018 niet in geschil is. Ook is de last, voor zover het de in rechtsoverweging 5. opgenomen herstelmaatregelen onder c., g., h. en i. betreft niet in geschil.

6.2

Over de herstelmaatregelen onder d. en e. heeft verweerder op de zitting aangegeven dat verzoekster wat betreft de herstelmaatregel onder d. kan volstaan met het aftimmeren van de gevelopening waar voorheen (deur)luiken in hebben gezeten, als daar voorheen geen beglazing in heeft gezeten. Ten aanzien van de herstelmaatregel onder e. kan verzoekster volstaan met het aanhelen van de verzakkingsscheur en het plaatsen van stutten. De fundering hoeft dan niet (meer) te worden hersteld. De voorzieningenrechter stelt vast dat hiermee ook deze onderdelen van de last niet meer in geschil zijn tussen partijen. Voor zover mocht blijken dat de gevelopening met de (deur)luiken voorheen was voorzien van beglazing, geldt daarvoor wat hierna wordt overwogen over de herstelmaatregelen a. en b.

6.3

Gelet op het voorgaande zijn de herstelmaatregelen onder a., b. en f. nog onderwerp van geschil tussen partijen.

Beglazing en dichtgetimmerde gevelopeningen (a. en b.)

7. Verzoekster voert aan dat herstel van de beschadigde en ontbrekende beglazingen niet van haar kan worden gevergd. Reparatie is kostbaar en zinloos omdat herstelde beglazing toch weer zal worden ingegooid door vandalen. Ook zal het gebouw naar verwachting binnenkort worden verkocht, waarna de koper het gebouw, inclusief beglazing, waarschijnlijk in zijn geheel zal renoveren. Het dichttimmeren van de gevelopeningen is voldoende om het monument in stand te houden, aldus verzoekster.

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat herstel van beschadigde en ontbrekende beglazing nodig is voor de instandhouding van het pand. Uit de QuickScan blijkt onder meer dat 80% van de beglazing ontbreekt en gedeeltelijk is dichtgetimmerd. Hierdoor kan hemelwater en wind het gebouw binnendringen. Ter zitting heeft bouwkundige V. de Kieviet hierover toegelicht dat het enkel dichttimmeren van de gevelopeningen onvoldoende is om aantasting door vocht van het hout en de muren van het gebouw tegen te gaan. Het staat verzoekster vrij om de gevelopeningen, nadat de beschadigde en ontbrekende beglazing is hersteld, alsnog dicht te timmeren, aldus De Kieviet. De voorzieningenrechter kan dit betoog van verweerder volgen, zodat verweerder bevoegd was op deze punten een last onder dwangsom met genoemde herstelmaatregelen op te leggen. Vandalisme en de mogelijk toekomstige verkoop van het monument zijn geen omstandigheden zijn die kunnen afdoen aan de instandhoudingsplicht die op verzoekster als eigenaar van het monument rust. Gelet op het voorgaande heeft verweerder verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid gelast tot herstel van beschadigde en ontbrekende beglazing. Hetzelfde geldt voor herstel van de gevelopeningen die al zijn dichtgetimmerd en waarachter beschadigde of ontbrekende beglazing zit. Gelet op de toelichting van De Kieviet mag de beplating, nadat de beschadigde en ontbrekende beglazing daarachter is hersteld, blijven zitten of, voor zover die moet worden verwijderd tijdens de bedoelde werkzaamheden, opnieuw worden aangebracht. Het betoog van verzoekster slaagt niet.

Schilderwerk (f.)

9. Verzoekster voert aan dat achterstallig schilderwerk geen schending van de instandhoudingsplicht oplevert.

10. Ter zitting heeft verweerder ten aanzien van dit onderdeel van de last aangegeven dat het gaat om het schilderen van te vervangen onderdelen en dat schilderen in een soortgelijke kleurstelling voldoende is om aan de last te voldoen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder, mede gelet op de toelichting van De Kieviet op de zitting, voldoende heeft gemotiveerd dat het schilderwerk, zoals hiervoor nader omschreven, nodig is voor de instandhouding van het monument, omdat de verflaag noodzakelijk is om aantasting en houtrot door vocht tegen te gaan. Het betoog van verzoekster slaagt niet.

11. In wat verzoekster tot slot naar voren heeft gebracht over de koopovereenkomst tussen partijen, de afgegeven bankgarantie, mogelijke financiële consequenties voor verzoekster en het ontbreken van een hekwerk om het perceel, ziet de voorzieningenrechter geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van handhaving had moeten afzien. De betogen van verzoekster slagen niet.

12. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit in beroep geen stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Wijna, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.