Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2780

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-06-2018
Datum publicatie
20-06-2018
Zaaknummer
6463243 AC EXPL 17-4265
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht – artikel 7:610b BW – arbeidsomvang – overeenkomst voor bepaalde tijd – representatieve periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0706
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 6463243 AC EXPL 17-4265 JES/1267

Vonnis van 20 juni 2018

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiseres],

eisende partij,

gemachtigde: mr. G.R. Dorhout-Tielken,

tegen:

de stichting

Stichting Indra Ouderenhuisvesting Midden Nederland,

gevestigd te Leusden,

verder ook te noemen Indra,

gedaagde partij,

procederend bij: [A], bestuurder.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek,

- de akte uitlating producties van [eiseres],

- de akte uitlating producties van Indra.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft op 25 januari 2017 een arbeidsovereenkomst gesloten met Indra. In die arbeidsovereenkomst is opgenomen dat [eiseres] op 1 januari 2017 in dienst treedt van Indra, in de functie van zorgverlener, voor minimaal vier uur per week, tegen een loon van € 13,36 bruto per uur. De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van een half jaar, derhalve tot 1 juli 2017.

2.2.

Bij e-mailbericht van 31 januari 2017 vraagt de directeur van Indra aan [eiseres] het volgende:

"Ik wil je vragen of je vier dagen voor de stichting wilt werken. Ik wil continuïteit en op deze wijze lukt het me niet. Ik wil 2 vaste medewerkers in Soest die 5 cliënten kunnen bedienen. Te veel versnippering levert onrust op en rooster technisch is het ook niet te doen. Ik ben nu gedwongen 3-4 mensen in dienst te nemen, terwijl het met 2 kan.

Jou vaste vrije dagen worden dag donderdag en vrijdag. Zou je mij vanmiddag erover willen bellen. Ik heb nu weer een rooster 1 week. Verder kom ik deze wijze niet."

2.3.

Bij brief van 12 mei 2017 heeft [eiseres] de arbeidsovereenkomst met Indra opgezegd tegen 1 juli 2017.

2.4.

Bij brief van 29 mei 2017 heeft [eiseres] aan Indra meegedeeld dat zij in de maanden februari, maart en april 2017 gemiddeld 20 uur per week heeft gewerkt, dat zij een beroep doet op het rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 7:610b BW en aanspraak maakt op een aanvulling van haar loon voor de maand mei 2017 tot het bedrag dat hoort bij een gemiddelde van 20 uur per week.

2.5.

Indra antwoordt bij ongedateerde brief dat het aantal door [eiseres] in die maanden gewerkte uren geen structurele situatie betreft, omdat het extra werk tijdelijk was en gerelateerd aan het aantal cliënten en uren volgens indicatiebesluit.

2.6.

Bij brief van 5 juli 2017, derhalve na het eindigen van de arbeidsovereenkomst, verzoekt (de gemachtigde van) [eiseres] om nieuwe loonstroken voor de maanden mei en juni 2017, waarbij wordt gerekend met 20 gewerkte uren per week, vermeerderd met de weekendtoeslagen voor de door [eiseres] daadwerkelijk gewerkte weekenden. Daarnaast dient het vakantiegeld volgens (de gemachtigde van) [eiseres] opnieuw berekend en uitbetaald worden.

2.7.

[eiseres] heeft van week 1 tot en met week 26 heeft [eiseres] het volgende aantal uren gewerkt (week 24 tot en met 26 heeft zij verlof opgenomen):

week 1

15,5 uur

week 14

15,5 uur

week 2

15,5 uur

week 15

15,75 uur

week 3

15 uur

week 16

12,25 uur

week 4

15 uur

week 17

22,5 uur

week 5

14,5 uur

week 18

11,42 uur

week 6

21,58 uur

week 19

17 uur

week 7

25,25 uur

week 20

10,92 uur

week 8

16,5 uur

week 21

14,75 uur

week 9

27 uur

week 22

14,75 uur

week 10

18,5 uur

week 23

5,75 uur

week 11

22,75 uur

week 24

0 uur

week 12

25,25 uur

week 25

0 uur

week 13

10,25 uur

week 26

0 uur

3. Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Indra om aan [eiseres] te voldoen:

  • -

    € 1.664,56 bruto aan loon over de maanden januari tot en met juni 2017;

  • -

    de wettelijke verhoging van € 822,28 bruto;

  • -

    de wettelijke rente vanaf 19 juli 2017 tot de dag van volledige betaling, over voornoemde bedragen;

  • -

    de proceskosten.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij gedurende de drie maanden februari, maart en april 2017 gemiddeld 20 uur per week heeft gewerkt, zodat zij op grond van het rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 7:610b BW over de hele arbeidsovereenkomst recht heeft op loonbetalingen die behoren bij 20 uur per week werken.

Uitgaande van een werkweek van 20 uur en een uurloon van € 13,36 stelt [eiseres] dat zij over de periode januari tot en met juni 2017 aanspraak had op loonbetalingen van in totaal € 6.947,20 (20 uur x € 13,36 x 26 weken). Daar behoort de onregelmatigheidstoeslag voor de gewerkte zaterdagen en zondagen nog bij opgeteld te worden. Dit bedrag is € 255,27 voor de zaterdagen en € 511,92 voor de zondagen. In totaal had [eiseres] aanspraak op een betaling van € 8.331,54 bruto, aldus [eiseres]. Zij heeft een bedrag van € 6.686,98 bruto ontvangen, zodat [eiseres] aanspraak maakt op een bedrag van € 1.644,56 bruto.

[eiseres] betwist dat zij alleen dan meer dan vier uur per week kon werken als 'het aantal cliënten in verhouding tot het aantal beschikbare medewerkers, dat vereist'. Daarnaast betwist zij dat zij niet structureel beschikbaar was, omdat zij op de donderdagen en vrijdagen niet zou kunnen werken.

3.3.

Indra erkent dat [eiseres] in de maanden januari tot en met mei 2017 iedere week meer dan vier uur heeft gewerkt. Indra stelt dat zij daarbij duidelijk heeft gemeld aan [eiseres] dat alleen meer dan vier uur per week gewerkt kon worden, indien het aantal te verzorgen cliënten, in verhouding tot het aantal beschikbare medewerkers, dat vereist. Indra stelt daarnaast dat het afhankelijk was van vakanties en ziekte van collega's. Het extra werk was dan ook tijdelijk en niet structureel. Indra stelt de loonbetalingen conform het aantal daadwerkelijk gewerkte uren te hebben uitgevoerd.

3.4.

De kantonrechter overweegt als volgt. In de memorie van toelichting van het wetsvoorstel dat tot het huidige artikel 7:610b BW heeft geleid is het volgende opgenomen: "In artikel 610b is het weerlegbaar rechtsvermoeden voor de omvang van de arbeid opgenomen. Het vermoeden is van toepassing op arbeidsverhoudingen die tenminste drie maanden hebben geduurd. Het beoogt houvast te bieden in situaties waarin de omvang van de arbeid niet of niet eenduidig is overeengekomen, alsmede in situaties waarin de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau bevindt dan de oorspronkelijk overeengekomen arbeidsduur. Net als bij het rechtsvermoeden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst houden partijen alle mogelijkheden om tegenbewijs te leveren, en behoudt de rechter zijn bevoegdheid de bewijslast om te draaien wanneer er geen feiten zijn die het rechtsvermoeden opleveren." (Kamerstukken II 1996-97, 25263, 3, p. 22)

3.5.

Uit de door [eiseres] overgelegde urenstaten kan worden afgeleid dat [eiseres] structureel meer heeft gewerkt dan vier uur per week. Hieruit blijkt echter niet dat dit structureel neerkwam op 20 uur per week, zoals [eiseres] stelt. De kantonrechter is van oordeel dat de drie door [eiseres] gekozen maanden geen representatief beeld van de arbeidsomvang opleveren, nu daarin net een paar piekweken vallen waarin [eiseres] meer dan 25 uur per week werkte. Deze piekweken worden door Indra verklaard met de omstandigheid dat er collega's vakantie hadden of ziek waren. De kantonrechter acht een periode van een half jaar representatiever, nu [eiseres] bijvoorbeeld in de maanden januari en mei 2017 beduidend minder heeft gewerkt. Indien naar een periode van een half jaar wordt gekeken, dan komt de gemiddelde arbeidsomvang neer op zo'n 15 uur per week. Voor zover de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 1 juli 2017 voortgezet zou zijn, dan zou de arbeidsomvang derhalve op grond van artikel 7:610b BW op 15 uren per week kunnen worden vastgesteld. De arbeidsovereenkomst tussen partijen duurde echter precies dat half jaar, zodat de representatieve periode is vastgesteld op de duur van de arbeidsovereenkomst. Het voorgaande maakt dat Indra betaling verschuldigd was van gemiddeld 15 uren per week, zijnde het aantal uren dat [eiseres] gemiddeld per week werkte. [eiseres] niet heeft betwist dat Indra de door haar gewerkte uren heeft uitbetaald, zodat de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.

3.6.

Gelet op het voorgaande behoeft de stelling van Indra dat [eiseres] niet structureel beschikbaar zou zijn voor meer werkuren per week geen bespreking.

3.7.

[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van Indra, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 300,00 aan salaris gemachtigde.

4 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Indra, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 300,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2018.