Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:263

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
5704991
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pensioenzaak. Pensioenfonds Z en W neemt verplichtstellingsbesluit mbt werkgever vanaf 1 januari 2017 onder gelijktijdige vrijstelling voor de periode 2007-2017. Formele rechtskracht vrijstellingsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/588
PJ 2018/44
AR-Updates.nl 2018-0171
PR-Updates.nl PR-2018-0013
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5704991 UC EXPL 17-2238 JH/1050

Vonnis van 24 januari 2018

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. A.F. Wilson,

tegen:

1. de stichting

de stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn,

gevestigd te Zeist,

verder ook te noemen PFZW,

gedaagde partij

gemachtigde: Prof. dr. E. Lutjens,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Kliniek ViaSana B.V.,

gevestigd te Mill,

verder ook te noemen ViaSana,

gedaagde partij

gemachtigde: mr. J.W. de Bruin.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de op 26 januari 2017 aan ViaSana betekende dagvaarding

- de op 30 januari 2017 aan PFZW betekende dagvaarding

- de conclusie van antwoord van ViaSana

- de conclusie van antwoord van PFZW

- de conclusie van repliek tevens eiswijziging/vermeerdering

- de conclusie van dupliek van ViaSana

- de conclusie van dupliek van PFZW

- de akte uitlating producties van [eiseres] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

PFZW is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet. De deelneming in PFZW is voor werkgevers en werknemers in de sector Zorg en Welzijn verplicht gesteld op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000). De verplichtstelling van PFZW is in 2006 (geldend vanaf 1 januari 2007) uitgebreid met de verplichte deelneming van zelfstandige klinieken.

2.2.

ViaSana is onderdeel van een zelfstandig behandelcentrum dat medische-specialistische diensten aanbiedt op het gebied van orthopedie, neurochirurgie en anesthesiologie.

2.3.

[eiseres] , geboren op [1951] , is op 15 maart 2007 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij ViaSana in de functie van […] .

2.4.

Vóór 15 maart 2007 was [eiseres] via een dienstverband bij een vorige werkgever aangesloten bij het pensioenfonds PGGM (thans: PFZW). Na indiensttreding bij ViaSana is zij gaan deelnemen in de pensioenregeling van ViaSana. Het pensioen van [eiseres] is door ViaSana ondergebracht bij de rechtsvoorgangers van Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V., N.V. Interpolis Verzekeringen (hierna te noemen: Interpolis). De pensioenopbouw vindt bij Interpolis plaats op basis van een beschikbarepremieregeling. De pensioenregeling voorziet in een partnerpensioen en wezenpensioen op risicobasis en een premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. [eiseres] heeft bij indiensttreding een afschrift van de arbeidsvoorwaarden en het pensioenreglement van ViaSana ontvangen.

2.5.

Op 30 december 2015 heeft PFZW op basis van artikel 13 Wet Bpf 2000 en de artikelen 6 en 7 van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet BPF 2000 (VBB) aan ViaSana vrijstelling verleend van de verplichte deelneming in PFZW voor de periode van

1 januari 2007 tot 1 januari 2017.

2.6.

Bij brief van 14 juni 2016 heeft de gemachtigde van [eiseres] aan ViaSana bericht dat [eiseres] ten onrechte vanaf 15 maart 2007 geen pensioen opbouwt bij PFZW en heeft zij ViaSana verzocht [eiseres] alsnog aan te melden bij PFZW en alle achterstallige pensioenpremies voor haar af te dragen. Bij brief van 31 augustus 2016 heeft ViaSana afwijzend gereageerd op dit verzoek en [eiseres] meegedeeld dat PFZW aan ViaSana op 30 december 2015 vrijstelling heeft verleend voor de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2017 (hierna: het verplichtstellingsbesluit).

2.7.

Bij brief van 26 augustus 2016 heeft PFZW in het kader van een door Alternatief voor Vakbond (AVV) gedaan verzoek gegrond op de Wet Openbaarheid Bestuur aan AVV het volgende bericht:

“Bij zo’n vrijstelling “voor het verleden” hanteert PFZW de kwalitatieve gelijkwaardigheidstoets zoals genoemd in artikel 7 lid 5 van het Vrijstellingsbesluit. Het Vrijstellingsbesluit stelt geen voorwaarden aan de kwalitatieve toets. Deze onverplichte vrijstelling “voor het verleden” voor klinieken vindt zijn grondslag in de actualisering van de verplichtstelling per 1 januari 2007. Deze actualisering was noodzakelijk omdat de Wet Bpf 2000 en het daarop gebaseerde Toetsingskader Wet Bpf 2000 met zich meebracht dat de werkingssfeer van de verplichtstelling werd omschreven aan de hand van bedrijfsactiviteiten. Dat was nog niet het geval. (…) PFZW bleek (…) niet bij machte, zonder medewerking van de klinieken, in deze dynamische markt exact aan te tonen welke klinieken op basis van de financiering van de door hen verleende zorg onder de verplichtstelling vielen. (…) PFZW besloot de bij de verplichtstelling betrokken sociale partners te vragen de werkingssfeerbepaling te verduidelijken. Dit is gerealiseerd per 1 juli 2016. Ook besloot PFZW, gegeven het voorgaande, een onverplichte vrijstelling “voor het verleden” voor klinieken mogelijk te maken en daarbij aan te nemen dat wordt voldaan aan de kwalitatieve gelijkwaardigheidstoets.(…)

Bijlage 1 (…)

Personeel in dienst van Kliniek ViaSana BV werkt ten behoeve van Stichting ViaSana. Eind 2014 heeft ViaSana BV contact opgenomen omdat ze per 2017 wil overstappen van een bij een verzekeraar ondergebrachte pensioenregeling naar PFZW. PFZW zag (na onderzoek) in 2010 aanvankelijk geen aanleiding om tot verplichte aansluiting van Kliniek ViaSana BV te concluderen. In die zin heeft PFZW ViaSana ook bericht. Op 14 oktober 2015 informeert PFZW Kliniek ViaSana BV dat zij vanaf 1 januari 2007 verplicht dient te worden aangesloten. Op 18 november 2015 verzoekt de werkgever vrijstelling voor de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2017 op grond van artikel 6 Vrijstellingsbesluit, aanvoerend dat de eigen pensioenregeling pas per 2017 kan worden opgezegd. Op 30 december 2015 besluit PFZW vrijstelling te verlenen over het verleden voor de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2017. Als onderdeel van de beoordeling van het verzoek tot vrijstelling is de gelijkwaardigheid van de eigen pensioenregeling kwalitatief getoetst ex artikel 7 lid 5 Vrijstellingsbesluit en gelijkwaardig bevonden.”

Een afschrift van deze brief is op 21 oktober 2016 door ViaSana aan de gemachtigde van [eiseres] toegezonden.

2.8.

Bij brief van 12 oktober 2016 heeft (de gemachtigde van) [eiseres] PFZW bericht dat het ten onrechte een vrijstelling aan ViaSana heeft verstrekt en heeft zij om een kopie van de vrijstelling(en) en de daarbij behorende stukken verzocht. PFZW heeft niet inhoudelijk op dit verzoek gereageerd.

2.9.

Vanaf 1 januari 2017 is ViaSana verplicht aangesloten bij PFZW. De pensioenopbouw vindt bij PFZW plaats op basis van een netto geïndexeerde middelloonregeling.

2.10.

[eiseres] heeft op 21 april 2017 bezwaar gemaakt bij de commissie van bezwaar van PFZW tegen de op 30 december 2015 verleende vrijstelling van de verplichte deelneming in PFZW over de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2017. Bij beslissing op bezwaar van 4 juli 2017 is het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. In de beslissing op bezwaar staat onder meer het volgende:

“Het besluit van 30 december 2014 (de kantonrechter begrijpt: 2015) is een besluit in de zin van de Awb. Door het besluit van het fonds om ViaSana een vrijstelling te verlenen wordt bewerkstelligd dat mevrouw [eiseres] gedurende de periode van vrijstelling geen pensioenaanspraken opbouwt bij het fonds. Mevrouw [eiseres] wordt daardoor rechtstreeks in haar belang geraakt en is daarmee belanghebbende. De commissie kan mevrouw [eiseres] derhalve niet volgen in haar zienswijze dat zij geen belanghebbende is. (…)

Onomstreden is dat mevrouw [eiseres] in ieder geval op 14 september 2016 bekend was met het besluit van 30 december 2015 en de termijn van de vrijstelling. Voorts is onomstreden dat mevrouw [eiseres] eerst met de conclusie van antwoord het besluit van 30 december 2015 heeft ontvangen. Onomstreden is ook dat het besluit op 30 december 2015 bekend is gemaakt aan ViaSana.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekengemaakt. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Het bestreden besluit is door PFZW op 30 december 2015 bekend gemaakt aan de aanvrager ViaSana. Daarmee is de termijn om bezwaar in te stellen aangevangen. Mevrouw [eiseres] is weliswaar belanghebbende, maar is geen belanghebbende tot wie het vrijstellingsbesluit is gericht als bedoeld in artikel 3:41 Awb, zodat de aanvang van de termijn om bezwaar in te stellen niet afhankelijk was van de bekendmaking van het besluit aan mevrouw [eiseres] . Dat betekent dat mevrouw [eiseres] binnen zes weken na 30 december 2015 een bezwaarschrift had moeten indienen, hetgeen zij niet heeft gedaan.”

[eiseres] heeft tegen deze beslissing op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam op welk beroep voor zover de kantonrechter bekend thans nog niet is beslist.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na wijziging van haar eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. PFZW primair te veroordelen haar alsnog per 15 maart 2007 als deelnemer aan de PFZW-pensioenregeling te accepteren en haar vanaf 15 maart 2007 bij PFZW volledig pensioenopbouw toe te kennen, waarbij haar deelname aan de pensioenopbouw bij Interpolis kan worden stopgezet en de waarde van dit pensioen bij Interpolis mag worden overgedragen aan PFZW, dan wel subsidiair PFZW te veroordelen de schade te vergoeden die zij lijdt doordat zij ten onrechte vanaf 15 maart 2007 tot 1 maart 2017 geen pensioen bij PFZW heeft opgebouwd, welke schade nader bij staat moet worden bepaald;

  2. ViaSana te veroordelen haar alsnog per 15 maart 2007 als deelnemer aan de PFZW-pensioenregeling aan te melden en voor haar vanaf 15 maart 2007 alle pensioenpremies inclusief misgelopen winst dan wel wettelijke rente af te dragen, waarbij haar deelname aan de pensioenopbouw bij Interpolis kan worden stopgezet en de waarde van dit pensioen bij Interpolis mag worden overgedragen aan PFZW, dan wel subsidiair ViaSana te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij lijdt doordat zij ten onrechte vanaf 15 maart 2007 tot 1 maart 2017 geen pensioen bij PFZW heeft opgebouwd, welke schade nader bij staat moet worden bepaald;

  3. PFZW en ViaSana te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij al vanaf haar indiensttreding bij ViaSana op 15 maart 2007 bij PGGM/PFZW had moeten worden aangemeld en daar pensioen had moeten opbouwen. PFZW heeft laakbaar en onrechtmatig gehandeld door op 30 december 2015 in strijd met de VBB aan ViaSana een vrijstelling te verlenen van de verplichte deelneming in PFZW. [eiseres] stelt voorts dat ViaSana haar bij indiensttreding onjuist heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om deel te (blijven) nemen aan de pensioenregeling van PFZW. Daarnaast heeft ViaSana niet als goed werkgever gehandeld door na te laten [eiseres] tijdig mee te delen dat er bij besluit van 30 december 2015 door PFZW een vrijstelling is verleend, tegen welk besluit bezwaar kon worden gemaakt.

3.3.

ViaSana voert verweer. Zij stelt dat PFZW bij het verlenen en intrekken van vrijstellingen handelt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 lid 1 sub b Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het door PFZW genomen vrijstellingsbesluit formele rechtskracht heeft. Nu er een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, waarvan [eiseres] als belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt, dient van de rechtmatigheid van het vrijstellingsbesluit te worden uitgegaan.

Het was [eiseres] bij indiensttreding overigens volkomen duidelijk dat zij deelnam aan de ViaSana-pensioenregeling en niet aan de pensioenregeling van PFZW. [eiseres] heeft jaarlijks pensioenoverzichten van Interpolis ontvangen. Wanneer [eiseres] het niet eens was geweest met deze gang van zaken, had zij zich op grond van artikel 6:89 BW hierover binnen bekwame tijd behoren te beklagen. [eiseres] heeft tussen maart 2007 en juni 2016 niet geprotesteerd, als gevolg waarvan haar recht is vervallen. Daarnaast is er sprake van rechtsverwerking en heeft [eiseres] geen eigen belang bij premieafdracht door ViaSana aan PFZW, aldus steeds ViaSana.

3.4.

PFZW voert (net als ViaSana) als verweer dat het vrijstellingsbesluit onherroepelijk vaststaat en rechtens onaantastbaar is. PFZW merkt voorts op dat het verlenen van vrijstelling is overgelaten aan de beleidsvrijheid van PFZW en dat dit slechts marginaal kan worden getoetst. PFZW heeft de pensioenregeling van ViaSana kwalitatief gelijkwaardig geacht aan die van PFZW en het besluit tot vrijstelling rechtmatig genomen. [eiseres] is bij haar indiensttreding bovendien met ViaSana overeengekomen dat het pensioenreglement van ViaSana op haar arbeidsovereenkomst van toepassing is. Eerst bij brief van 12 oktober 2016 heeft [eiseres] aanspraak gemaakt op toekenning van pensioenaanspraken door PFZW. Hiermee heeft [eiseres] volgens PFZW haar rechten verspeeld (rechtsverwerking en/of schenden klachtplicht en/of verjaring).

4 De beoordeling

4.1.

Het geschil tussen partijen betreft de vraag of [eiseres] vanaf haar indiensttreding bij ViaSana op 15 maart 2007 verplicht bij het pensioenfonds van PFZW aangesloten had moeten zijn. De vorderingen van [eiseres] jegens PFZW en ViaSana zullen hierna afzonderlijk worden beoordeeld.

De vordering jegens PFZW

4.2.

In de kern komt het geschil neer op de vraag of de door PFZW op 30 december 2015 verleende vrijstelling van de verplichte deelneming rechtmatig is. Tussen partijen staat (terecht) vast dat de vrijstellingsbeslissing van 30 december 2015 een besluit is in de zin van de Awb en dat tegen deze beslissing bezwaar en beroep openstond. Vast staat voorts dat [eiseres] van deze gelegenheid gebruikt heeft gemaakt door op 21 april 2017 bezwaar te maken bij de commissie van bezwaar van PFZW. Bij beslissing op bezwaar van 4 juli 2017 is dit bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard, waarna [eiseres] beroep heeft ingesteld bij de bestuursrechter in de rechtbank Rotterdam.

4.3.

PFZW heeft zich beroepen op de formele rechtskracht van haar besluit tot vrijstelling. De kantonrechter overweegt daarover het volgende. Indien tegen een bestuursrechtelijk besluit een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan welke rechtsgang niet dan wel zonder succes is gebruikt, dient de burgerlijke rechter ervan uit te gaan dat dat besluit zowel wat haar wijze van totstandkoming als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen.

Indien de bestuursrechter [eiseres] als belanghebbende aanmerkt, zal hij het vrijstellingsbesluit op rechtmatigheid beoordelen en is er voor de kantonrechter geen taak weggelegd. Indien de bestuursrechter niet aan deze beoordeling toekomt vanwege termijnoverschrijding (in de bezwaarfase) door [eiseres] is er evenmin een taak voor de kantonrechter weggelegd. Ook in het geval de gewone bezwaartermijn van 6 weken na toezending van het besluit reeds verstreken is (volgens [eiseres] is dit het geval omdat het besluit eerst na het verstrijken van die termijn aan haar bekend is geworden) stond voor [eiseres] de mogelijkheid open om alsnog bezwaar te maken, zoals zij ook heeft gedaan. Het is dan aan de bestuursrechter om te beoordelen of de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is of niet. Is de termijnoverschrijding volgens de bestuursrechter niet-verschoonbaar, dan heeft niettemin een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang opengestaan. Indien de bezwaartermijn vervolgens niet-verschoonbaar is overschreden komt dat voor risico van [eiseres] .

4.4.

In het geval de bestuursrechter tot het oordeel komt dat [eiseres] niet als belanghebbende moet worden aangemerkt en haar om die reden niet-ontvankelijk in haar beroep verklaart, heeft geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang tegen het vrijstellingsbesluit voor haar opengestaan. De kantonrechter dient in dat geval haar vordering te beoordelen. Ook dan geldt echter als uitgangspunt dat het vrijstellingsbesluit rechtmatig is, nu daartegen (kennelijk) ook door wél belanghebbende partijen geen rechtsmiddelen zijn ingesteld. Het ligt dan op de weg van [eiseres] om aan te tonen dat het vrijstellingsbesluit niettemin (tegenover haar) onrechtmatig is. Het door [eiseres] aangevoerde argument dat de totstandkoming van het vrijstellingsbesluit is geschied in strijd met de bepalingen van het VBB kan daarbij geen rol spelen. (In beginsel) moet immers van de rechtmatigheid van het besluit worden uitgegaan. Nu [eiseres] geen andere argumenten tegen de rechtmatigheid van het besluit heeft aangevoerd, moet haar vordering ook in deze situatie worden afgewezen. Zij zal in de proceskosten van PFZW worden veroordeeld, welke worden begroot op € 500,-- aan salaris gemachtigde.

De vordering jegens ViaSana

4.5.

[eiseres] heeft haar vordering jegens ViaSana gegrond op onrechtmatig handelen, dan wel handelen in strijd met goed werkgeverschap. Zij heeft hiertoe allereerst gesteld dat ViaSana haar bij indiensttreding onjuist heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om deel te (blijven) nemen aan de pensioenregeling van PFZW. Deze stelling treft naar het oordeel van de kantonrechter geen doel. Uit het door [eiseres] gestelde kan niet worden afgeleid dat er ten tijde van de indiensttreding van [eiseres] bij ViaSana op 15 maart 2007 al sprake was van mogelijke (verplichte) aansluiting van ViaSana bij PFZW. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt dat PFZW zelfs in 2010 nog geen aanleiding zag om tot verplichte aansluiting van ViaSana te concluderen. PFZW heeft hiertoe eerst op 14 oktober 2015 besloten. De stelling van [eiseres] dat ViaSana haar op of omstreeks 15 maart 2007 onjuist heeft geïnformeerd treft dan ook geen doel.

4.6.

[eiseres] verwijt ViaSana voorts dat zij haar niet tijdig heeft geïnformeerd dat PFZW op 30 december 2015 een vrijstellingsbesluit had genomen en dat daartegen bezwaar kon worden gemaakt. Ook dit argument gaat niet op. Zoals hiervoor overwogen had [eiseres] de mogelijkheid om bezwaar te maken en heeft zij die ook gebruikt. Indien de bestuursrechter oordeelt dat [eiseres] niet als belanghebbende is aan te merken lijdt zij geen schade doordat ViaSana haar niet over het vrijstellingsbesluit heeft geïnformeerd. Ook indien [eiseres] wel was geïnformeerd zou zij immers niet-ontvankelijk zijn verklaard. Indien de bestuursrechter oordeelt dat sprake is van een niet-verschoonbare termijnoverschrijding komt dit voor risico van [eiseres] . Indien de bestuursrechter oordeelt dat de termijnoverschrijding wel verschoonbaar is zal hij het vrijstellingsbesluit op rechtmatigheid beoordelen. In geen van deze gevallen is eventueel door [eiseres] geleden schade echter door ViaSana veroorzaakt en aan ViaSana toe te rekenen.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen. Zij zal in de proceskosten van ViaSana worden veroordeeld, welke worden begroot op € 500,-- aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering jegens PFZW

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van PFZW, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 500, aan salaris gemachtigde;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

de vordering jegens ViaSana

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van ViaSana, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 500, aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [eiseres] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door ViaSana volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100, aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2018.