Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2531

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
06-06-2018
Zaaknummer
C/16/456876 / KG ZA 18-152
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing van de vordering tot opheffing van een winkelverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/456876 / KG ZA 18-152

Vonnis in kort geding van 25 april 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. E.C.J. Ris te Amsterdam,

tegen

de vereniging

ONDERNEMERSVERENIGING WINKELCENTRUM EMICLAER

AMERSFOORT-NOORD,

gevestigd te Amersfoort,

gedaagde,

advocaat mr. H.J. Hagemans te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Ondernemersvereniging genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de producties van de Ondernemersvereniging;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van de Ondernemersvereniging.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De ondernemersvereniging behartigt de belangen van de ruim 70 winkeliers die in het winkelcentrum Emiclaer hun activiteiten ontplooien. Om de veiligheid van de winkeliers en de bezoekers te waarborgen, maakt zij gebruik van de diensten van Trigion Beveiliging. Namens deze beveiligingsdienst is [A] als Service Manager Winkelcentrum Emiclaer (hierna: de Service manager) sinds juli 2005 in operationele zin verantwoordelijk voor de beveiliging. Hij laat zich hierbij assisteren door verschillende jonge medewerkers die bij Trigion stage lopen.

2.2.

[eiser] en zijn echtgenote maken met de auto regelmatig gebruik van de Stapelgang, een naast het winkelcentrum Emiclaer gelegen straatje waar een parkeerverbod geldt maar dat wel gebruikt werd voor laden en lossen. In de Jumbo Supermarkt op het winkelcentrum is een Postagentschap gevestigd waar [eiser] en zijn vrouw regelmatig pakketjes afgeven.

[eiser] is bij verschillende gelegenheden aangesproken op zijn gebruik van de Stapelgang op momenten dat winkeliers of hun toeleveranciers belemmerd werden bij de doorgang of bij de bevoorrading. In oktober 2016 ontstond hierbij een conflict met de chauffeur van de in het winkelcentrum gevestigde bloemisterij. Op 4 februari 2017 heeft de in het winkelcentrum gevestigde bakkerij haar beklag gedaan. Op 11 februari 2017 werd de auto van de bakkerij belemmerd door de aanwezigheid van de auto van [eiser], hetgeen opnieuw tot een woordenwisseling heeft geleid.

Op 1 maart 2017 is [eiser] met zijn auto opnieuw in de Stapelgang gesignaleerd en is hij hierop aangesproken door twee stagiaires van Trigion. Aangezien dit contact dreigde te escaleren is de Service Manager ter plaatse gekomen. Deze Service Manager had [eiser] ook verschillende malen aangesproken op het gebruik van de dienstingang van de Jumbo Supermarkt en op het feit dat [eiser] af en toe de hond meeneemt op plaatsen in het winkelcentrum waar honden niet zijn toegestaan. Op vrijdag 12 januari 2018 is er een heftige woordenwisseling ontstaan tussen [eiser] en de Service Manager die samen met de wijkagent aan het surveilleren was.

Aangezien de Service Manager (en de wijkagent) daarbij werden uitgescholden heeft de Service Manager op 16 januari 2018 aangifte gedaan van belediging.

2.3.

De Wijkagent heeft daarover in e-mailbericht van 15 januari 2018 aan de Service Manager en de voorzitter van de Ondernemersvereniging onder meer het volgende vermeld:

“Ondergetekende heeft deze casus vanmorgen besproken met twee van mijn leidinggevenden. (…) De stuitende opmerkingen van [eiser] vrijdagavond kwamen uit het niets en er was totaal maar dan ook totaal geen aanleiding om zich op deze manier te uiten. De ontmoeting was toevallig en voor beide partijen een verrassing. Een ding is zeker, onze houding vrijdagavond jl kan absoluut geen aanleiding hebben gegeven om zo te reageren. Hij ziet ons en begint onmiddellijk en zonder reden te schelden. Wij, hier op het bureau, zijn van mening dat er een grens is overschreden. En dat er een duidelijke professionele reactie moet komen. Dat kan heel snel als we het over een ding eens zijn. Dit gedrag mogen en moeten we niet accepteren. Wij zijn hier van mening dat er morgen een winkelontzegging voor het gehele winkelcentrum moet worden opgesteld conform de gemaakt werkafspraken (…) Voor alle duidelijkheid, in gesprek gaan met deze man heeft in mijn beleving totaal geen zin.”

2.4.

Op 16 januari 2018 heeft de politie namens de Ondernemersvereniging een “Ontzeggen (collectief) winkelverbod” aan [eiser] uitgereikt. Daarin staat vermeld dat aan [eiser] naar aanleiding van zijn gedrag op 12 januari 2018, bestaande uit het beledigen van de winkelsurveillant, personeel en /of winkelbezoekers, de toegang wordt ontzegd tot alle winkels en ondernemingen behorend bij het Winkelcentrum Emiclaer voor de duur van 12 maanden met ingang van 16 januari 2018.

2.5.

Bij brief van 2 februari 2018 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [eiser] de Ondernemersvereniging gesommeerd het winkelverbod op te heffen.

2.6.

Bij brief van 28 februari 2018 heeft de voorzitter van de Ondernemersvereniging daarop als volgt gereageerd:

“Helaas heeft de vereniging moeten vaststellen dat u onvolledig door uw cliënt bent voorgelicht. In tegenstelling tot hetgeen u als uitgangspunt neemt, heeft uw cliënt zich herhaaldelijk onbehoorlijk gedragen en gevaarlijke situaties veroorzaakt.

Meer in het bijzonder wil ik u wijzen op het voorval dat op 1 maart 2017 heeft plaatsgevonden. Uw cliënt heeft destijds tot tweemaal toe gepoogd om beveiligers van het winkelcentrum aan te rijden toen zij hem aanspraken op het feit dat hij zijn auto buiten de parkeervakken had geparkeerd. Van dit voorval is aangifte gedaan. Tevens heeft uw cliënt toen mondeling een officiële waarschuwing ontvangen.

De vereniging heeft vast moeten stellen uw cliënt, ondanks de ontvangen waarschuwing, zijn gedrag niet heeft gebeterd. Ook nadien heeft hij diverse verboden in het winkelcentrum (o.a. dat honden conform de warenwet niet zijn toegestaan op Emiclaer Plaza) overtreden en zich beledigend uitgelaten. De vereniging is derhalve genoodzaakt geweest uw cliënt, nadat hij de wijkagent en een beveiligingsmedewerker (weer) had beledigd, een winkelverbod voor de duur van 12 maanden op te leggen.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – de ondernemersvereniging te veroordelen het winkelverbod op te heffen op straffe van een dwangsom met veroordeling van de Ondernemersvereniging in de kosten van deze procedure.

3.2.

De Ondernemersvereniging voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In een kort geding kan een vordering worden toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering zal gaan toewijzen en als van de eisende partij niet kan worden verwacht dat de uitkomst van een dergelijke bodemprocedure moet worden afgewacht. Gelet op de duur van het aan [eiser] opgelegde toegangsverbod, wordt daarom aangenomen dat hij een spoedeisend belang bij zijn vordering heeft. Ter beoordeling is vervolgens of voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter de vordering van [eiser] zal toewijzen.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het de bij Ondernemersvereniging aangesloten winkeliers vrij staat met uitsluiting van derden gebruik te maken van de door haar betrokken winkels op het winkelcentrum. De Ondernemersvereniging is gerechtigd derden de toegang tot de door haar vertegenwoordigde winkels te ontzeggen mits deze ontzegging niet strijdig is met rechten van anderen en de op de wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen.

Voor opheffing van het aan [eiser] opgelegde toegangsverbod bestaat daarom alleen aanleiding indien voldoende aannemelijk is dat het opleggen daarvan aan [eiser] onrechtmatig is geweest, althans dat is sprake is geweest van misbruik van recht door de Ondernemersvereniging.

4.3.

[eiser] heeft gesteld dat de Ondernemersvereniging onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij onduidelijkheid heeft laten bestaan over de mogelijkheid van laden en lossen in de Stapelgang waardoor de ontstane discussie voor haar rekening en risico dient te komen. Voorts stelt hij dat de Ondernemersvereniging met het opleggen van een winkelverbod misbruik van recht heeft gemaakt omdat zij a) heeft nagelaten [eiser] eerst van een waarschuwing te voorzien, b) het winkelverbod niet deugdelijk heeft gemotiveerd, c) hem niet heeft gewezen op de mogelijkheid bezwaar tegen dat verbod te maken en d) geen gelegenheid tot hoor en wederhoor heeft gegeven. Ook stelt [eiser] dat het winkelverbod geen doel treft omdat hij gewoon op het winkelcentrum mag komen maar alleen de winkels zelf niet mag betreden zodat de Ondernemersvereniging onvoldoende belang bij het verbod heeft terwijl hij juist zelf zwaar wordt getroffen omdat hij er zijn boodschappen niet meer kan doen. Ten slotte heeft [eiser] gesteld dat de Servicemanager van het winkelcentrum en de betrokken wijkagent het op hem voorzien hebben en onjuist hebben verklaard over hetgeen is voorgevallen, zodat ook om die reden het winkelverbod niet in stand kan blijven.

4.4.

Op grond van de overgelegde stukken is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] verbaal fel en ongepast reageert indien hij wordt aangesproken op de aanwezigheid van zijn auto in de Stapelgang. [eiser] heeft ter zitting ook in eigen bewoordingen erkend dat hij een opgewonden kantje heeft als hij zich onheus bejegend voelt. [eiser] heeft echter op geen enkele wijze aannemelijk kunnen maken dat hij, op zijn beurt, onheus bejegend is. Voor een oordeel dat het winkelverbod onrechtmatig is zou [eiser] immers aannemelijk moeten maken dat de verklaringen van de winkeliers, de beveiligingsmedewerkers en de wijkagent een onjuiste weergave van de gebeurtenissen behelzen. Dit heeft hij niet aannemelijk kunnen maken.

4.5.

Van misbruik van recht is evenmin gebleken. [eiser] heeft niet aannemelijk dat gemaakt dat de door hem onder 4.3. genoemde omstandigheden als vereisten voor het uitvaardigen van een winkelverbod hebben te gelden. Bovendien heeft hij niet betwist dat hij al in een eerder stadium een mondelinge waarschuwing voor zijn gedrag heeft gekregen.

4.6.

Ten slotte kan ook een belangenafweging niet tot een ander oordeel leiden. Het belang van [eiser] om de op het winkelcentrum aanwezige winkels te mogen betreden, weegt niet op tegen het belang van de Ondernemersvereniging om het gevoel van veiligheid van haar ondernemers, het werkzame personeel en de bezoekers van het winkelcentrum te waarborgen. Niet is gesteld of gebleken dat de echtgenote van [eiser], voor wie geen winkelverbod geldt, op enigerlei wijze begeleiding of ondersteuning bij haar inkopen nodig heeft.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Ondernemersvereniging worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.442,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Ondernemers-vereniging tot op heden begroot op € 1.442,00;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2018.1

1 MH (4181)