Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:253

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
16/660103-17; 16/200262-16 (tul); 16/100989-16 (tul); 16/157082-16 (tul) en 96/148839-14 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk voor aanranding en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft met deze twee delicten op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de twee slachtoffers. Gelet op de ernst van de feiten gepleegd in lopende proeftijden en schorsing en de eerdere veroordelingen, acht de rechtbank oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats, waarbij het onvoorwaardelijke strafdeel groter is dan de tot nu toe door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd. Als bijzondere voorwaarde stelt de rechtbank dat de verdachte zich bij de reclassering moet melden en zich laat behandelen door een ambulante forensische zorginstelling. Ook moet de man een schadevergoeding betalen en een eerder opgelegde gevangenisstraf uitzitten omdat hij opnieuw in de fout is gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/660103-17; 16/200262-16 (tul); 16/100989-16 (tul); 16/157082-16 (tul) en 96/148839-14 (tul)

Vonnis van de meervoudige kamer van 25 januari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1993] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

feitelijk verblijvende op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie en van hetgeen verdachte en mr. B.H.J. van Rhijn, advocaat te Doorn, alsmede de raadsvrouw P. van der Geest, advocaat te Utrecht, van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: zich op 6 oktober 2017 te Amersfoort heeft schuldig heeft aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van [slachtoffer 1] ;

Feit 2: zich op 20 mei 2017 te Amersfoort heeft schuldig gemaakt aan een zware mishandeling van [slachtoffer 2] (primair), dan wel een poging daartoe (subsidiair), in elk geval aan een mishandeling van die [slachtoffer 2] (meer subsidiair).

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank gaat op basis van de hierna te noemen bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Feit 1 1

[slachtoffer 1] heeft op 6 oktober 2017 aangifte gedaan van aanranding, gepleegd op diezelfde datum in café [café] in Amersfoort. [slachtoffer 1] verklaart dat er in dit café een jongen was die haar bij haar kruis greep.2 Hij greep haar met zijn hand (over haar broek) tussen haar benen, bij haar vagina. Vervolgens deed hij het, nog geen minuut later, nog een keer: hij greep haar over haar kleding heen bij haar vagina. [slachtoffer 1] hoorde van een gast in het café, [getuige 1] , dat hij het had zien gebeuren.3

Getuige [getuige 1] (de rechtbank begrijpt: ‘getuige [getuige 1] ’) verklaart dat hij op 6 oktober 2017 in [café] was en zag dat een jongen [slachtoffer 1] bij haar kruis pakte.4 [getuige 1] is later opnieuw het café ingelopen en gaf de portier een teken toen hij de jongen weer zag. Hij zag vervolgens dat door de portier de juiste jongen werd meegenomen.5

Op 7 oktober 2017 wordt door de politie [getuige 2] telefonisch gehoord. [getuige 2] is bedrijfsleider van het café [café] in Amersfoort. [getuige 2] verklaart dat een jongen, [getuige 1] , had gezien wat er met [slachtoffer 1] gebeurd was. [getuige 2] is met [getuige 1] naar binnen gelopen, waarna [getuige 1] de jongen aan [getuige 2] aanwees. Toen de jongen was aangehouden door de politie zei [slachtoffer 1] tegen [getuige 2] dat die jongen haar bij haar kruis had gegrepen.6

Verbalisant [verbalisant] verklaart dat hij de beveiliger vroeg de persoon uit het café te halen. De beveiliger kwam even later naar buiten met een persoon die door [verbalisant] werd herkend als [verdachte] , geboren op [1993] . Hij is vervolgens aangehouden.7

Feit 2 primair 8

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 2 primair ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 januari 2018;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens [slachtoffer 2] , gedateerd op 20 mei 2017, genummerd PL0900-2017149945-1, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland9;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal als getuigenverklaring van [getuige 3] , gedateerd op 21 mei 2017, genummerd PL0900-2017149945-21, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland10;

- een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een geneeskundige verklaring met medische informatie betreffende [slachtoffer 2] , opgemaakt door [A] , arts-assistent, en [B] , neuroloog, van 21 mei 2017, met bijlage, genummerd PL0900-2017149945-1.11

Bewijsoverweging opzet

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de naar ervaringsregels aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte een aanloop nam en met enorme snelheid en kracht tegen het slachtoffer aan liep, waardoor het slachtoffer hard met zijn rug en hoofd op de grond terecht kwam. [getuige 3] omschrijft dit als een ‘rugby tackle’. Terwijl het slachtoffer op de grond lag, heeft verdachte hem nog tweemaal geslagen. Verdachte heeft op rugby gezeten en dient de gevolgen te kennen van het uitvoeren van een dergelijke ‘tackle’. Gelet op voornoemde omstandigheden acht de rechtbank de kans op zwaar lichamelijk letsel als gevolg van de gedragingen van verdachte aanmerkelijk. Blijkens de aard van de gedragingen, met name het doelbewust in versnelde pas richting het slachtoffer lopen en het geven van de ‘rugby tackle’ – bedoeld om iemand onderuit te halen – , kan het ook niet anders zijn dan dat verdachte deze aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1

op 6 oktober 2017 te Amersfoort, door een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het tweemaal onverhoeds met zijn, verdachtes, hand betasten van het (met kleding bedekte) geslachtsdeel van die [slachtoffer 1] ;

Feit 2

Primair

op 20 mei 2017 te Amersfoort, aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en een schedelfractuur, heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 2] opzettelijk

- te slaan en

- met een aanloop onverhoeds op die [slachtoffer 2] af te rennen en (met kracht) tegen hem aan te springen en (hem) in een zogenoemde 'rugbytackle' naar de grond te rammen;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;

Feit 2 primair: zware mishandeling.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 210 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 148 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met als (bijzondere) voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting;

- dadelijke uitvoerbaarheid van de op te leggen bijzondere voorwaarden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het reeds ondergane voorarrest.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft op 6 oktober 2017 [slachtoffer 1] aangerand door haar tweemaal in haar kruis te grijpen. Dit is een ernstig feit en heeft grote gevolgen gehad voor [slachtoffer 1] , die al eerder slachtoffer is geworden van een ingrijpend zedendelict. Uit de schriftelijke schadeonderbouwing bij de vordering van de benadeelde partij blijkt dat het slachtoffer daadwerkelijk problemen ondervindt door hetgeen haar is aangedaan door verdachte en deskundige hulp heeft moeten inschakelen.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] door een rugbytackle op hem uit te oefenen en hem vervolgens, terwijl het slachtoffer op de grond lag, nog twee maal te slaan. Als gevolg hiervan heeft het slachtoffer schedel- en neusletsel opgelopen en moest hij twee maanden later een twee uur durende operatie ondergaan, doordat zijn neus opnieuw gebroken moest worden om weer rechtgezet te worden. Een dergelijk feit heeft bovendien niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt, maar ook bij degenen die er ongewild getuige van zijn geweest.

Verdachte heeft met deze twee delicten op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, waarbij te verwachten valt dat zij nog geruime tijd zullen lijden onder de fysieke en psychische gevolgen van hetgeen verdachte hen heeft aangedaan. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 november 2017, waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen strafrechtelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Verdachte liep ten tijde van het ten laste gelegde in meerdere proeftijden, waaronder een veroordeling van een geweldsdelict. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij nog tijdens zijn proeftijden én schorsing van de voorlopige hechtenis opníeuw strafbaar feiten heeft begaan.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport opgemaakt door mevr. F. van der Groep en mevr. P. de Jong, op 4 januari 2018. De reclassering ziet bij verdachte een patroon van delicten en overtredingen die vrijwel allemaal plaats hebben gevonden in of rondom het uitgaansleven, al dan niet gepleegd onder invloed. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Ter voorkoming van de recidive acht de reclassering van belang de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht en een ambulante behandelverplichting.

Gelet op de ernst van de feiten gepleegd in lopende proeftijden en schorsing en de eerdere veroordelingen, acht de rechtbank oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats, waarbij het onvoorwaardelijke strafdeel groter is dan de tot nu toe door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd. De door de officier van justitie geformuleerde eis doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de twee bewezen verklaarde feiten, alsmede de persoon van verdachte. De rechtbank zal aan verdachte dan ook een straf opleggen die hoger is dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 7 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel, in overeenstemming met de eis van de officier van justitie, een proeftijd van 3 jaren verbinden. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd in voormeld reclasseringsadvies meldplicht en een ambulante behandelverplichting op te leggen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden dadelijke uitvoerbaar te verklaren

9 BENADEELDE PARTIJ

9.1

De vorderingen benadeelde partij

[slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 851,44. Dit bedrag bestaat uit € 251,44 materiële schade en € 600,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

[slachtoffer 2]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 5.716,98. Dit bedrag bestaat uit € 1.281,98 materiële schade en € 4.435,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

9.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van [slachtoffer 1] wat betreft het materiële gedeelte geheel toe te wijzen en wat betreft het immateriële gedeelte toe te wijzen tot een bedrag van € 400,-.

Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie opgemerkt dat de schade die wordt opgevoerd over de vakantie, dient te worden verdisconteerd in de immateriële schade. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade dient volgens de officier van justitie geheel te worden toegewezen.

9.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de vordering van [slachtoffer 1] , gelet op de bepleite vrijspraak, dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De raadsman heeft zich, wat betreft de vordering van [slachtoffer 2] , gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.4

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1]

Vaststaat dat benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 851,44 en zal de vordering daarom geheel toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 6 oktober 2017 tot de dag van volledige betaling.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 851,44, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 6 oktober 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 17 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

[slachtoffer 2]

Vaststaat dat benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het hiervoor onder 2 primair bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 5.035,98 (bestaande uit € 600,98 aan materiële schade en € 4.435,- aan immateriële schade) en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 20 mei 2017 tot de dag van volledige betaling. Daarbij overweegt de rechtbank dat de schadepost “vrije tijd” die als materiële schade is opgevoerd is verdisconteerd in de toekenning van de immateriële schade. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering, ten bedrage van € 681,-, niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan het desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.035,98 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 20 mei 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 60 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 VORDERINGEN TENUITVOERLEGGING

10.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd drie vorderingen tot tenuitvoerlegging toe te wijzen, te weten 4 weken gevangenisstraf: 16/200262-16; 16/157082-16 en 96/148839-14. Ten aanzien de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/100989-16 heeft de officier van justitie gevorderd om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege het niet onherroepelijk zijn van deze zaak.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit de vorderingen tenuitvoerlegging af te wijzen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte te weten de positieve ontwikkeling die hij nu doormaakt. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de vorderingen tenuitvoerlegging om te zetten in een taakstraf.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de stukken bevindt zich de op 26 september 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland, in de zaak met parketnummer 16/200262-16 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 25 januari 2017 van de politierechter in het arrondissement Midden-Nederland, waarbij verdachte is veroordeeld tot 1 week gevangenisstraf met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bij de stukken bevindt zich eveneens de op 26 september 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland, in de zaak met parketnummer 16/157082-16 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 19 oktober 2016 van de politierechter in het arrondissement Midden-Nederland, waarbij verdachte is veroordeeld tot 1 week gevangenisstraf met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bij de stukken bevindt zich eveneens de op 24 oktober 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland, in de zaak met parketnummer 96/148839-14 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 26 september 2014 van de politierechter in het arrondissement Midden-Nederland, waarbij verdachte is veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Deze proeftijd is op 25 januari 2017 met één jaar verlengd.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijden aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straffen te gelasten. Daarom zal de rechtbank de vorderingen voor de duur van vier weken gevangenisstraf toewijzen. Gelet op de thans bewezen verklaarde feiten alsmede de persoon van de verdachte acht de rechtbank geen termen aanwezig om in plaats van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf die thans om te zetten in een taakstraf.

Tot slot bevindt zich bij de stukken de op 26 september 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland, in de zaak met parketnummer 16/100989-16. De rechtbank zal het Openbaar Ministerie ten aanzien van deze vordering niet-ontvankelijk verklaren nu niet is gebleken dat het vonnis onherroepelijk is geworden.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 246 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van drie jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder

begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

* zich binnen vijf dagen na zijn invrijheidstelling zal melden bij Reclassering Nederland, op het volgende adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht, en zich zal blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich zal laten behandelen door De Waag, of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag van € 851,44, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2017 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 851,44 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 17 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2 primair)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag van € 5.035,98, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2017 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde, te weten € 681,-, niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 5.035,98 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 60 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/200262-16

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 25 januari 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/157082-16

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 19 oktober 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 96/148839-14

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 26 september 2014 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/100989-16

- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mrs. I.P.H.M. Severeijns en J.A. Spee, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Zawierko, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 januari 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 06 oktober 2017 te Amersfoort, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, door geweld en/of een andere feitelijkheid

en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid [slachtoffer 1]

heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer

ontuchtige handelingen, bestaande uit het tweemaal, althans eenmaal,

onverhoeds met zijn, verdachtes, hand betasten van het (met kleding bedekte)

geslachtsdeel van die [slachtoffer 1] ;

art 246 Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

Voorheen parketnummer 653650-17

hij op of omstreeks 20 mei 2017 te Amersfoort,

althans in het arrondissement Midden-Nederland,

aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een

gebroken neus en een schedelfractuur, heeft toegebracht, door voornoemde ' [slachtoffer 2]

opzettelijk

- te slaan en/of te stompen en/of

- met kracht en/of met een aanloop en/of met verhoogde snelheid en/of

onverhoeds op die [slachtoffer 2] af te rennen en/of (met kracht) tegen hem aan

te springen en/of vast te pakken en/of (hem) in een zogenoemde 'rugbytackle'

naar de grond te rammen en/of te gooien, althans te duwen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 20 mei 2017 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

die [slachtoffer 2]

- te slaan en/of te stompen en/of

- met kracht en/of met een aanloop en/of met verhoogde snelheid en/of

onverhoeds op die [slachtoffer 2] af te rennen en/of (met kracht) tegen hem aan

te springen en/of vast te pakken en/of (hem) in een zogenoemde 'rugbytackle'

naar de grond te rammen en/of te gooien en/of te duwen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 20 mei 2017 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] ,

- te slaan en/of te stompen en/of

- met kracht en/of met een aanloop en/of met verhoogde snelheid en/of

onverhoeds op die [slachtoffer 2] af te rennen en/of (met kracht) tegen hem aan

te springen en/of vast te pakken en/of (hem) in een zogenoemde 'rugbytackle'

naar de grond te rammen, althans te gooien en/of te duwen,

tengevolge waarvan voornoemde zwaar lichamelijk letsel, althans enig

lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en een schedelfractuur, heeft

bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, genummerd PL0900-2017304518, van 8 oktober 2017 (proces-verbaal Voorgeleiding, pagina 1 tot en met 54) en 17 oktober 2017 (proces-verbaal Raadkamer, pagina 1 tot en met 38), beide opgemaakt door politie Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aangifte van 6 oktober 2017, pagina 33 (PV Voorgeleiding).

3 Het proces-verbaal van aangifte van 6 oktober 2017, pagina 34 (PV Voorgeleiding).

4 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 8 oktober 2017, pagina 45 (PV Voorgeleiding).

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 8 oktober 2017, pagina 47 (PV Voorgeleiding).

6 Het proces-verbaal van bevindingen van 8 oktober 2017, pagina 43 (PV Voorgeleiding).

7 Het proces-verbaal van bevindingen van 6 oktober 2017, pagina 28 (PV Voorgeleiding).

8 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2017149945, van 8 oktober 2017 (pagina 1 tot en met 54), opgemaakt door politie Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

9 Pagina 27 tot en met 29.

10 Pagina 50 tot en met 52.

11 Pagina 32 tot en met 34.