Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2351

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
16/659083-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 31-jarige man uit Almere en een 36-jarige vrouw uit Den Haag zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een werkstraf van 180 uur. Eind januari van dit jaar hebben verdachten elkaar met een mes gestoken in een woning in Almere.

Verdachten woonden in hetzelfde huis, maar hadden allebei hun eigen kamer. Op 28 januari kregen de man en de vrouw ruzie in de woonkamer de woning. De vrouw is vervolgens naar haar eigen kamer gerend, achtervolgd door de man. In de kamer ging de ruzie verder waarbij de vrouw haar huisgenoot heeft gestoken met een mes. Hij heeft het mes afgepakt en daarna de vrouw gestoken.

Beide verdachten doen een beroep op noodweer, maar de rechtbank vindt dat hier geen sprake van is. De vrouw heeft in haar kamer zelf het mes gepakt en is richting haar huisgenoot gelopen. Ze heeft verklaard de man te willen steken om hem minder sterk te maken.

Ook bij haar huisgenoot is geen sprake van noodweer. De man is, nadat hij het mes afgepakt had, weggelopen uit de kamer, maar vervolgens teruggekomen om haar terug te steken. Hij heeft zelf voor de aanval gekozen.

De rechtbank legt beide verdachten dezelfde straf op; een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast zijn de man en vrouw veroordeeld tot een werkstaf van 180 uur en hebben ze een contactverbod opgelegd gekregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/659083-18

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 mei 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] (Verenigde Staten),

wonende te [woonplaats] , [adres]

hierna te noemen: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

9 mei 2018 en 16 mei 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N.M. Collenburg, van hetgeen mr. R.G.M. Rijkhof, advocaat te Almere, namens verdachte naar voren heeft gebracht en van hetgeen mr. R. Schreudering, advocaat te Utrecht, namens de benadeelde partij naar voren heeft gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:

primair

verdachte op 28 januari 2018 in Almere opzettelijk heeft geprobeerd [benadeelde partij] van het leven te beroven, door haar met een (vlees/keuken)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp

- met kracht in de hand en de arm te steken en/of

- met kracht in het bovenbeen te steken en vervolgens dit (vlees/keuken)mes met kracht heeft bewogen terwijl dit nog (deels) in het been zat.

subsidiair

verdachte op 28 januari 2018 in Almere opzettelijk [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (te weten een slagaderlijke bloeding aan het bovenbeen waarvoor twee keer operatief ingrijpen noodzakelijk is geweest), door voornoemde [benadeelde partij] opzettelijk

- met een (vlees/keuken)mes in haar hand te snijden en/of

- met een (vlees/keuken)mes te steken in haar bovenbeen en vervolgens, terwijl dit (vlees/keuken)mes zich nog (deels) in haar been bevond dit mes met kracht te bewegen.

meer subsidiair

verdachte op 28 januari 2018 in Almere [benadeelde partij] opzettelijk heeft mishandeld door met een (vlees/keuken)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp

- in de hand en de arm, althans het lichaam te steken en/of

- in het bovenbeen te steken en vervolgens dit mes met kracht heeft bewogen terwijl dit nog (deels) in het been zat.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit. Zij acht de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling wel wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw betwist dat de handelingen van verdachte tot de dood van [benadeelde partij] zouden hebben kunnen leiden en daarnaast is er geen overtuigend bewijs dat verdachte de opzet heeft gehad om [benadeelde partij] van het leven te beroven. Ten aanzien van het (meer) subsidiair ten laste gelegde feit ontbreekt eveneens overtuigend bewijs dat verdachte opzet heeft gehad op het (zwaar) verwonden van [benadeelde partij] , dan wel willens en wetens de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. De handelingen van verdachte waren gericht op het afpakken van het mes.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Op 28 januari 2018 heeft in de woning aan de [adres] te [woonplaats] een steekincident plaatsgevonden. [benadeelde partij] is in een enorme plas bloed aangetroffen. Zij heeft tegenover de verbalisant verklaard dat zij in haar been was gestoken. ‘Ik zag dat er flinke bloedstolsels uit de wond schoten’.2

[benadeelde partij] heeft verklaard dat verdachte haar in haar been heeft gestoken. De eerste keer lukte dit niet, maar de tweede keer stak hij en trok hij het mes naar beneden. Het ging heel diep. ‘Het bloed spoot er zo hard uit dat haar jurk opbolde van het bloed’.3

Getuige [getuige] , de vriendin van verdachte die ten tijde van het ten laste gelegde ook in de woning aanwezig was, heeft verklaard dat zij [benadeelde partij] en verdachte tegen elkaar hoorde schreeuwen. Zij hoorde dat zij beiden naar boven gingen. Daarna hoorde zij spullen vallen, gillen van [benadeelde partij] , geschreeuw van verdachte, waarna het stil was. Vervolgens zag de getuige [verdachte] met een mes in zijn hand de trap afkomen. Hij zei: ‘Zij heeft mij neergestoken’ en ‘Ik heb haar terug gestoken’. Het was een groot oranje vleesmes dat [benadeelde partij] op haar kamer had liggen.4

Tijdens het sporenonderzoek werd op de tafel in de woonkamer een geelkleurig mes met een totale lengte van 33 centimeter aangetroffen. Het lemmet was ongeveer twintig centimeter lang en was bedekt met een vettige substantie en met bloed.5

Uit medische informatie van T. Schepers, geneeskundige in het AMC, volgt dat bij [benadeelde partij] sprake is van een steekwond in het linker bovenbeen met uitwendig bloedverlies en een vermoeden van inwendig bloedverlies.6 Verbalisant [verbalisant] heeft op 22 maart 2018 foto’s gemaakt van de verwondingen van [benadeelde partij] .7 Op foto 35 en 36 bij het Proces-Verbaal Sporenonderzoek is een grote en lange wond te zien op het linker bovenbeen van [benadeelde partij] .8

Bewijsoverweging

Vrijspraak poging doodslag

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [benadeelde partij] . Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [benadeelde partij] als gevolg van het handelen van verdachte een slagaderlijke bloeding heeft opgelopen aan haar been. Ook het steken dan wel snijden in de hand van [benadeelde partij] , zoals dat onder het primair en subsidiair ten laste gelegde is opgenomen, kan niet worden bewezen, nu [benadeelde partij] zelf heeft verklaard dat zij deze verwonding heeft opgelopen tijdens de worsteling om het mes nadat zij verdachte had gestoken.

Toebrengen zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [benadeelde partij] door haar met een vlees/keukenmes in haar been te steken en dit mes vervolgens met kracht in haar been te bewegen. De foto’s van het letsel aan het bovenbeen van [benadeelde partij] bevestigen dat er geen sprake is geweest van het eenmalig steken van [benadeelde partij] en ondersteunen haar verklaring dat zij is gestoken en dat verdachte het mes vervolgens naar beneden trok. Dit handelen van verdachte, waarbij hij een vlees/keukenmes met een lemmet van twintig centimeter heeft gebruikt en ook diep in het been van [benadeelde partij] heeft gesneden, levert een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Verdachte heeft met zijn handelen deze kans ook bewust aanvaard. Gelet op de aard van het letsel - [benadeelde partij] is aangetroffen liggend in een grote plas bloed - kwalificeert de rechtbank het bij [benadeelde partij] ontstane letsel als zwaar lichamelijk letsel.

Voor het steken of snijden in de hand van [benadeelde partij] spreekt de rechtbank verdachte ook hier vrij om de redenen zoals die hierboven zijn genoemd onder het bespreken van de poging tot doodslag.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

subsidiair

op 28 januari 2018 te Almere, aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, (te weten een bloeding aan het bovenbeen), heeft toegebracht, door voornoemde [benadeelde partij] opzettelijk éénmaal met een vlees/keukenmes, te steken in haar bovenbeen en vervolgens, terwijl dit vlees/keukenmes zich nog (deels) in haar been bevond dit mes met kracht te bewegen.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte met succes een beroep kan doen op noodweer. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte en [benadeelde partij] waren verwikkeld in een ruzie. Nadat verdachte [benadeelde partij] naar haar kamer volgde, pakte [benadeelde partij] een mes en stak zij verdachte hiermee. Wat verdachte vervolgens heeft gedaan was zelfverdediging.

De rechtbank is het met de verdediging eens dat voldoende aannemelijk is geworden dat, nadat verdachte de kamer van [benadeelde partij] was binnengekomen, zij hem als eerste met een mes heeft gestoken. Op dat moment was ten aanzien van verdachte sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en bevond hij zich in een noodweersituatie. De rechtbank ziet in het dossier en met name gelet op de letselverklaring van verdachte onvoldoende steun voor zijn stelling dat hij met de eerste steek van [benadeelde partij] in zijn hartstreek zou zijn gestoken. Dit betreft slechts een oppervlakkige snijwond, en past niet bij het steken met dit mes. Na de eerste steek van [benadeelde partij] in de schouder van verdachte ontstond er een worsteling en bemachtigde verdachte het mes. De rechtbank is van oordeel dat er vanaf dat moment geen sprake meer was van een noodweersituatie waartegen verdachte zich diende te verdedigen.

Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte op het moment dat hij het mes in handen had zich volledig kunnen distantiëren van [benadeelde partij] . [benadeelde partij] lag op de grond en had geen mes meer vast. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij zich ook daadwerkelijk heeft gedistantieerd, nadat hij het mes had bemachtigd, niet geloofwaardig. De verklaring van [benadeelde partij] dat verdachte na het afpakken van het mes uit haar kamer vertrok, terugkwam, haar jurk opensneed en haar vervolgens in haar been stak, vindt meerdere aanknopingspunten in het dossier. Dat verdachte, anders dan hij ter terechtzitting heeft verklaard, [benadeelde partij] ook daadwerkelijk heeft gestoken volgt uit zijn verklaring meteen na het incident tegenover zijn vriendin, [getuige] . Daarbij heeft [benadeelde partij] verwondingen op haar dijbenen die haar verklaring ondersteunen dat verdachte haar jurk open heeft gesneden en vervolgens met het mes een grote wond heeft veroorzaakt in haar bovenbeen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de wond in het been van [benadeelde partij] is ontstaan tijdens de worsteling om het mes waarbij verdachte enkel uit zelfverdediging ter verdediging zou hebben terug gestoken. Het letsel bij [benadeelde partij] duidt juist op het tegendeel, namelijk dat verdachte wraak heeft willen nemen op [benadeelde partij] en om die reden de aanval heeft gekozen en daarbij niet alleen [benadeelde partij] in haar been heeft gestoken, maar het mes ook nog met kracht naar beneden heeft bewogen.

Gelet op het hiervoor overwogene komt verdachte geen geslaagd beroep toe op noodweer nu de noodweersituatie reeds was geëindigd en verdachte de kamer van [benadeelde partij] zelfs al had verlaten. Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

Er is derhalve geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feit op:

Zware mishandeling

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

De raadsvrouw heeft eveneens betoogd dat verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt omdat hij vanuit een hevige gemoedsbeweging, namelijk angst voor een nieuwe aanval, de grenzen van de noodzakelijke verdediging zou kunnen hebben overschreden. Nu er echter geen sprake meer was van een noodweersituatie, zoals de rechtbank onder punt 5 van dit vonnis heeft overwogen, kan evenmin sprake zijn geweest van overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging als gevolg van een hevige gemoedsbeweging aan de zijde van verdachte. Het beroep op noodweerexces wordt derhalve verworpen.

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van verdachte houdt de rechtbank voorts rekening met een psychologisch rapport van 7 april 2018, uitgebracht door J. Rozenblad, GZ-psycholoog. Uit dit rapport volgt dat verdachte toerekeningsvatbaar wordt geacht. De rechtbank neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot:

- een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering;

- een taakstraf van 180 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zij heeft er onder meer op gewezen dat verdachte geen contact meer heeft met [benadeelde partij] en dit ook niet wenst. Verdachte heeft slechts één veroordeling uit 2007. De raadsvrouw heeft verder verwezen naar het reclasseringsadvies en de uitkomsten van het Pro Justitia onderzoek. Tot slot heeft zij verzocht aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, eventueel in combinatie met een taakstraf.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door het slachtoffer met een mes in haar bovenbeen te steken en daarna naar beneden te bewegen. Hij heeft haar daarmee een ernstige verwonding toegebracht. Zijn handelen heeft bij het slachtoffer geleid tot nare gevolgen in de vorm van fysiek letsel aan haar bovenbeen. Verdachte heeft op deze manier op grove wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Verdachte had, ondanks dat hij in eerste instantie door het slachtoffer met een mes was aangevallen nooit op deze wijze het slachtoffer mogen verwonden. De rechtbank houdt er in de strafoplegging wel rekening mee dat het slachtoffer met haar aanval heeft bijgedragen aan het ontstaan en escaleren van de ruzie.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft bij de beslissing rekening gehouden met:

  • -

    een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 29 maart 2018, waaruit volgt dat verdachte eenmaal eerder is veroordeeld in 2007 voor een woningoverval en wapenbezit;

  • -

    een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 26 april 2018, opgesteld door [reclasseringsmedewerker] , waarin wordt geadviseerd aan verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling;

  • -

    een Pro Justitia psychologisch rapport van 7 april 2018, opgesteld door GZ-psycholoog J. Rozenblad. Hieruit volgt dat bij verdachte geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis of een psychiatrische stoornis, maar wel er narcistische problematiek is. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag tot matig. De reclassering adviseert een ambulante behandeling als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel aan verdachte op te leggen. De behandeling dient gericht te zijn op het beheersbaar maken van de dysfunctionele persoonlijkheidskenmerken waardoor zijn coping om adequaat met conflictueuze situaties om te gaan, verbetert.

De straf

Alles overwegende acht de rechtbank de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Aan deze voorwaardelijke straf zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. In aanvulling hierop zal de rechtbank ambtshalve aan verdachte een contactverbod met aangeefster opleggen.

Tevens zal de rechtbank verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 180 uren. Anders dan de officier van justitie heeft voorgesteld zal de rechtbank de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering brengen op deze straf.

9 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 4.719,22. Dit bedrag bestaat uit € 2.219,22 materiële schade en € 2.500,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van eigen schulden, dan wel medeschuld, aan de zijde van de benadeelde partij, en dat zij daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, en subsidiair om de vordering af te wijzen, dan wel te matigen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte en de benadeelde partij hebben over en weer een vordering tegen elkaar ingediend wegens materiele en immateriële schade die zij zouden hebben geleden als gevolg van de ruzie op 28 januari 2018. Over en weer hebben zij zich beroepen op eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij. De rechtbank kan niet verzekeren dat partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vorderingen en het verweer tegen de vorderingen kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.

Gelet op alle omstandigheden en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, en zal de rechtbank bepalen dat zij deze vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het subsidiair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich op de door de reclassering aan te geven dagen en tijdstippen zal melden bij Reclassering Nederland op het adres aan de Meent 4 te Lelystad, en zich zal blijven melden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich onder behandeling zal stellen van De Waag of een soortgelijke zorginstelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis;

Benadeelde partij

- verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ferschtman, voorzitter, mrs. N.E.M. Kranenbroek en H.B.W. Beekman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.S. Salet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 mei 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 28 januari 2018 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet met een vlees/keuken)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp

- meermalen, althans éénmaal, met kracht heeft gestoken en/of gesneden in de hand en/of de arm, althans het lichaam van die [benadeelde partij] en/of

- meermalen, althans éénmaal, met kracht heeft gestoken in het bovenbeen, althans het lichaam van die [benadeelde partij] en/of vervolgens dit (vlees/keuken)mes/voorwerp met kracht heeft bewogen terwijl dit nog (deels) in het been, althans het lichaam van die [benadeelde partij] zat,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 28 januari 2018 te Almere, althans in liet arrondissement Midden-Nederland, aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een slagaderlijke bloeding aan het bovenbeen waarvoor twee keer operatief ingrijpen noodzakelijk is geweest), heeft toegebracht, door voornoemde [benadeelde partij] opzettelijk

- meermalen, althans éénmaal, met een (vlees/keuken)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp te steken en/of snijden in haar hand en/of

- meermalen, althans éénmaal, met een (vlees/keuken)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp te steken in haar bovenbeen en/of vervolgens, terwijl dit (vlees/keuken)mes/voorwerp zich nog (deels) in haar been bevond dit mes/voorwerp met kracht te bewegen;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 28 januari 2018 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [benadeelde partij] met een (vlees/keuken)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp

- meermalen, althans éénmaal, heeft gestoken en/of gesneden in de hand en/of de arm, althans het lichaam en/of

- meermalen, althans éénmaal, heeft gestoken in het bovenbeen en/of vervolgens dit mes/voorwerp met kracht heeft bewogen terwijl dit nog (deels) in het been, althans het lichaam van die [benadeelde partij] zat.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 10 april 2018, genummerd 2018028649, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 9 tot en met 1105. Tenzij anders vermeld, zijn deze processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 1018

3 Pagina 214

4 Pagina 1027

5 Pagina 1053.

6 Pagina 1046.

7 Pagina 1084.

8 Pagina 1102 en 1103