Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2350

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
16/652479-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 46-jarige man uit Amstelhoek die maandenlang zijn ex-vriendin lastig viel is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor belaging en bedreiging. De rechtbank gaat mee met de eis van de officier van justitie en veroordeeld de man tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een werkstraf van 120 uur.

De man heeft in 2016 meerdere keren pornografisch materiaal van zijn ex-vriendin gestuurd naar de huidige partner van zijn ex-vriendin en zijn zoon. Ook heeft hij gedreigd om de beelden op het internet te publiceren. Daarnaast heeft hij zijn ex-vriendin en haar nieuwe partner maandenlang lastig gevallen met een aanzienlijke hoeveelheid berichten en telefoontjes.

Via berichtendienst iMessages heeft de man gedreigd zijn ex-vriendin om het leven te brengen. De berichten waren zeer beangstigend en bedreigend voor de slachtoffers. Op deze dreigende manier wilde de man in contact komen met zijn ex-partner en haar huidige vriend. Hij heeft zich daarbij niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen. De rechtbank legt een proeftijd op van 3 jaar, om te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw in de fout gaat. Ook mag hij de komende 3 jaar geen contact opnemen met zijn ex-vriendin en haar huidige partner. Doet hij dat wel dan moet hij alsnog maximaal 2 maanden celstraf uitzitten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/652479-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 mei 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 mei 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R. Leuven en van hetgeen verdachte en diens raadsvrouw, mr. C. Lammers, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

in de periode van 22 april 2016 tot en met 25 juli 2016 te Vleuten, gemeente Utrecht en/of Amstelhoek, gemeente De Ronde Venen, en/of Den Dolder, gemeente Zeist, althans in Nederland, [aangeefster 1] heeft belaagd.

Feit 2:

in de periode van 22 april 2016 tot en met 25 juli 2016, te Vleuten, gemeente Utrecht en/of Amstelhoek, gemeente De Ronde Venen, althans in Nederland, [aangeefster 1] heeft bedreigd.

Feit 3:

in de periode van 11 juli 2016 tot en met 19 juli 2016 te Vleuten, gemeente Utrecht en/of Amersfoort en/of Rijpwetering, gemeente Kaag en Braassem, en/of Amstelhoek, gemeente De Ronde Venen, althans in Nederland, [aangever 2] heeft belaagd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft partiële vrijspraak bepleit van hetgeen onder feit 1, vierde tot en met achtste gedachtestreepje ten laste is gelegd, met uitzondering van het eerste citaat onder het vijfde gedachtestreepje. Daarnaast heeft de raadsvrouw partiële vrijspraak bepleit van feit 2.

De raadsvrouw heeft daartoe allereerst aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte aangeefster in de periode van 22 april 2016 tot en met 25 juli 2016 heeft belaagd en bedreigd. Volgens de raadsvrouw kan enkel tot een bewezenverklaring worden gekomen van een periode vanaf eind juni 2016, nu aangeefster op 19 juli 2016 heeft verklaard dat verdachte haar vanaf eind juni 2016 bleef lastigvallen.

De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat alle bewijsmiddelen ter zake van het onder feit 1 tenlastegelegde vierde gedachtestreepje zijn terug te voeren naar slechts één bron, te weten aangeefster [aangeefster 1] . Ook is ten aanzien van dat gedachtestreepje sprake van een gebrek aan overtuigend bewijs, gelet op de wisselende verklaringen van aangeefster en de geluidsopname van het gesprek tussen aangeefster en verdachte op 21 juli 2016, waaruit blijkt dat geen sprake was van angst bij aangeefster.

Verder vindt de verklaring van aangeefster [aangeefster 1] over het onder gedachtestreepjes zes en zeven ten laste gelegde onvoldoende steun in het dossier, terwijl de verklaring van verdachte over het incident in Den Dolder voor een groot deel overeenkomt met die van getuige [getuige] . De raadsvrouw heeft voorts vrijspraak bepleit van het onder gedachtestreepje acht ten laste gelegde, nu verdachte slechts één keer naar de woning van [aangeefster 1] is gegaan om bepaalde goederen aan haar te retourneren. Het opzet van verdachte was op dat moment dan ook niet gericht op het maken van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster 1] . Voor de bedreigingen die onder zowel feit 2 als feit 1, vijfde gedachtestreepje (tweede, derde en vierde citaat) ten laste zijn gelegd, bevat het dossier in het geheel geen bewijs.

De verdediging heeft de rechtbank tot slot verzocht er bij de beoordeling van de feiten rekening mee te houden dat de manier waarop verdachte contact zocht met aangeefster en de hoeveelheid berichten die verdachte aan aangeefster heeft gestuurd, aansloten bij de wijze waarop het contact tussen hen verliep vóór de tenlastegelegde periode.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1 De bewijsmiddelen worden telkens slechts gebruikt voor het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

4.3.1

Bewijsmiddelen voor feit 1

Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis worden de bewijsmiddelen besproken per onderdeel (gedachtestreepje) van het onder feit 1 ten laste gelegde. De bewijsmiddelen worden echter gebezigd voor het gehele tenlastegelegde feit.

Ook worden ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis tussendoor reeds bewijsoverwegingen opgenomen ten aanzien van de verschillende onderdelen van feit 1. Deze bewijsoverwegingen zijn cursief weergegeven. Tot slot zijn bewijsoverwegingen opgenomen over het gehele tenlastegelegde feit.

4.3.1.1 Ten aanzien van het eerste en tweede gedachtestreepje

Op 19 juli 2016 heeft [aangeefster 1] aangifte gedaan tegen [verdachte] . Zij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

In mei 2016 begon [verdachte] mij te verzoeken om meer informatie over [aangever 2] , mijn huidige partner. Eind juni 2016 werden deze verzoeken steeds dwingender. [verdachte] heeft onder andere naaktfoto’s van mij naar [aangever 2] en zijn zoon [A] gestuurd.2

Hij heeft op 11 juni 2016 een WhatsApp groep aangemaakt met mij en [aangever 2] . De groep was genaamd: ‘ [aangeefster 1] is mijn slet’. Via deze groep heeft hij ook weer pornografisch materiaal meegestuurd.

Vanaf eind juni 2016 blijft [verdachte] mij lastig vallen en blijft hij dreigen dat hij pornografische filmpjes en foto’s van mij online gaat zetten. Hij belt ook regelmatig naar mijn [bedrijf] in [vestigingsplaats] . Vanaf 4 juli heb ik screenshots gemaakt van WhatsApp berichten die hij heeft verstuurd. U ziet daarop dat hij om 09.29 al 40 berichten heeft gestuurd. De WhatsApp berichten worden steeds dreigender. Hij wil een brief naar mijn moeder en broer [B] sturen met wat extra foto’s en video’s.3

Na het incident van 12 juli 2016 heeft hij mij direct geprobeerd te bellen en heeft hij mij berichtjes gestuurd. Op 19 juli 2016 heeft [verdachte] weer een WhatsApp groep aangemaakt en mij, [aangever 2] en diens zoon [A] toegevoegd. Hij heeft via deze groep weer pornografisch materiaal naar ons verstuurd.4

Op 25 juli 2016 heeft [aangeefster 1] opnieuw aangifte gedaan tegen [verdachte] .

In deze aangifte heeft zij – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

[verdachte] benaderde mij na het incident in mei dagelijks. Hij belde en appte mij heel veel.5

De afgelopen drie weken kreeg ik heel veel berichtjes van hem. Hij heeft ook dreigende voicemails achtergelaten. [verdachte] heeft verschillende keren gedreigd naar mij. Telefonisch en in een gesprek.6

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verdachte op 12 juli 2016 in diens woning gesproken. Hij hoorde verdachte zeggen dat hij de afgelopen drie weken iedere dag tussen de dertig en honderd berichtjes naar zijn ex-partner [aangeefster 1] heeft gestuurd.7


Verbalisant [verbalisant 2] heeft op 26 juli 2016 een USB stick ontvangen van aangeefster [aangeefster 1] met daarop – onder meer - afbeeldingen van WhatsApp berichten, mails en chatgesprekken via iMessage. Deze afbeeldingen zijn aan het proces-verbaal gehecht.8

Op 22 april 2016 heeft [aangeefster 1] een e-mailbericht aan [verdachte] gestuurd, waarin staat:

‘Stop met seks gerelateerde berichten te zenden. Stop met bellen en berichten sturen’.9

Op 22 april 2016 is met het e-mailadres [e-mailadres] gereageerd op de

e-mail van [aangeefster 1] .10

Op een bij het proces-verbaal van bevindingen gevoegd screenshot van een iMessage bericht is het volgende te zien:

‘ [verdachte] : Ik zal met een brief aan je moeder beginnen. Ook naar [B] ! Stuur ik ook daar een ouderwetse brief naar met wat extra foto’s en video’s’.11

Op een screenshot van een WhatsApp gesprek van 4 juli is het volgende te zien:

‘ [verdachte] : Over 5 minuten ga je online’, en

‘ [bijnaam] : Je hebt 5 minuten om te bellen. Of ik gooi alles online’.12

Op een screenshot van een sms-bericht van 7 juli 2016, verzonden door telefoonnummer

[telefoonnummer 1] , staat: ‘ik heb het gedaan! Al is het maar 1 je bent online’.13

Op 20 juli 2016 heeft [aangever 2] aangifte gedaan van stalking tegen [verdachte] . Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Op 19 juli 2016 heb ik 49 WhatsApp berichten van hem ontvangen met video- en beeldmateriaal van [aangeefster 1] in compromitterende houdingen. Ik heb via mijn werkmail ook videomateriaal ontvangen van [verdachte] . Ook hier gaat het weer om pornografisch materiaal van [aangeefster 1] .14

Verdachte heeft op 13 juli 2016 – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik woon in [woonplaats] .15 Ik moet eerlijk bekennen dat ik tot het uiterste ben gegaan om dat gesprek met [aangeefster 1] af te dwingen. Ik ben begonnen berichten te sturen waarin ik zei dat ik het recht had. Toen daar niet op werd gereageerd ben ik steeds een stapje verder gegaan om dat gesprek af te dwingen. Ik ben steeds dwingender geworden in mijn eis richting [aangeefster 1] . Een paar dagen daarvoor heb ik gesproken berichten gestuurd. Ik heb toen ergens zelfs gezegd: ‘ik sleur je aan je haren mee de auto in en dan gaan we het gesprek hebben’.16

Op 12 juli 2016 heb ik gebeld naar het bedrijf van [aangeefster 1] in [vestigingsplaats] . Ik besef heus wel dat ik dingen heb gezegd die wettelijk niet toelaatbaar zijn.17

Op 28 juli 2016 heeft verdachte – zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

Het nummer van mijn mobiele telefoon is [telefoonnummer 1] .18

Ik benaderde [aangeefster 1] met heel veel berichten over een periode van ik denk een maand of twee à drie. Ook hier was altijd het verzoek om dat ene gesprek, dat ik uiteindelijk op 21 juli 2016 kreeg.19

Verdachte heeft op 28 juli 2016 – gevraagd naar de berichten die hij aan [aangever 2] heeft gestuurd – het volgende verklaard:

Het gaat om berichten met beelden waarmee ik wil aantonen dat wij in dezelfde periode een
relatie hadden met [aangeefster 1] . Het begint met een bericht, erna met een fotootje en daarna met een filmpje, waarin aangetoond wordt dat ik op dat moment met [aangeefster 1] ben samen geweest. Daarop is te zien dat wij seks hebben met elkaar.20

Verdachte heeft ter zitting – zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

Ik heb [aangeefster 1] veel berichten gestuurd via iMessage en WhatsApp. Ik heb ook gemaild. Ik heb uiteraard ook voicemails ingesproken.

Ik heb gedreigd naaktbeelden van haar aan [aangever 2] te sturen. Ik zie op het screenshot van een bericht op pagina 13 van het procesdossier de naam [bijnaam] staan. Ik heb ooit een ander telefoonnummer gebruikt en mijzelf op die telefoon [bijnaam] genoemd.

Ik heb [aangever 2] inderdaad fotomateriaal gestuurd. Ik wilde aantonen dat [aangeefster 1] en ik seks hadden in de periode dat hij een relatie met [aangeefster 1] had. Ik heb op een gegeven moment een WhatsApp groep aangemaakt met [aangeefster 1] , [aangever 2] en diens zoon [A] . Ik heb de appgroep de naam ‘ [aangeefster 1] is mijn slet’ gegeven. Zo is het materiaal ook bij die zoon gekomen.21


4.3.1.2 Ten aanzien van het derde gedachtestreepje

Aangeefster [aangeefster 1] heeft op 19 juli 2016 het volgende verklaard:

Op 10 juli 2016 kreeg ik een iMessage bericht van [verdachte] waarin staat: ‘Maar wie ik echt aanpak als het moet is [aangever 2] . Die ga ik echt lichamelijk mishandelen als je niet heel snel contact met me opneemt’. Van dit bericht heb ik een screenshot gemaakt dat ik u zal overhandigen.22

Op het bij de aangifte gevoegde screenshot van het bericht is te lezen:

‘Maar wie ik echt aanpak als het moet is [aangever 2] . Die ga ik echt lichamelijk mishandelen als je niet heel snel contact met me’.23

Op de screenshots die verbalisant [verbalisant 2] op 26 juli 2016 van aangeefster [aangeefster 1] heeft ontvangen is een aantal iMessage berichten afgebeeld, afkomstig van een afzender met de naam [verdachte] .24 In die berichten staat het volgende:

‘Of je doet dat niet en dan ga ik je zoeken. En als ik dan zie trek je aan je haren m’n auto in. En omdat je me dat hebt laten doen spuug ik je dan in je gezicht. En laat je dan alsnog de waarheid opbiechten’.25

Op 21 december 2016 is onderzoek gedaan naar de telefoon van aangeefster [aangeefster 1] .26

Uit dat onderzoek blijkt dat aangeefster op 4 juli 2016 een bericht heeft gekregen van het nummer [telefoonnummer 2] waarin onder meer staat:

‘ [aangeefster 1] ik ga je spreken. Ten koste van alles als het moet’.27

Uit onderzoek van het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] wordt gebruikt door [bedrijfsnaam].28 Uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat [bedrijfsnaam] een eenmanszaak is van [verdachte] .29

Verdachte heeft ter zitting het volgende verklaard:

Het klopt dat ik heb geschreven dat ik [aangeefster 1] aan haar haren de auto in zou slepen.30

Bewijsoverweging

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij aangeefster het volgende bericht heeft gestuurd: ‘Maar wie ik echt aanpak als het moet is [aangever 2] . Die ga ik echt lichamelijk mishandelen als je niet heel snel contact met me opneemt’. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij vermoedt dat aangeefster dat bericht zelf heeft gefabriceerd.

De rechtbank volgt verdachte daarin niet en acht de verklaring van verdachte dat aangeefster het bericht over het lichamelijk mishandelen van [aangever 2] zelf zou hebben gefabriceerd ongeloofwaardig, te meer nu verdachte ter terechtzitting heeft bekend alle berichten te hebben verstuurd die op de screenshots vóór en na dat bericht zijn afgebeeld. Daar komt bij dat de screenshots als bewijsmiddel moeten worden beoordeeld in samenhang met het overige bewijs voor feit 1. Daaruit volgt dat verdachte aangeefster veelvuldig en op allerlei manieren heeft verzocht contact met hem op te nemen. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij tot het uiterste is gegaan om een gesprek met aangeefster af te dwingen. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij veelvuldig contact heeft gezocht met [aangever 2] , degene die in het bericht wordt bedreigd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank er van overtuigd dat de tekst, opgenomen onder het derde gedachtestreepje, door verdachte is geschreven en verzonden aan aangeefster [aangeefster 1] .

4.3.1.3 Ten aanzien van het vierde gedachtestreepje

Aangeefster [aangeefster 1] heeft op 25 juli 2016 – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Gedurende de gesprekken op 24 juni 2016 heeft [verdachte] meerdere keren tegen mij gezegd dat hij zichzelf van het leven zou beroven als ik niet voor hem zou kiezen. Ik voelde mij onder dwang gezet.31

Toen [aangever 2] wegging, op 22 juli 2016, kwam [verdachte] bij mij thuis. Hij zei tegen mij: ‘Ik had eigenlijk een pistool met geluidsdemper besteld. Ik zou daarmee naar jou en [aangever 2] zijn gegaan. Eerst zou ik [aangever 2] doodschieten, dan jou, en daarna mijzelf’.32

Op 23 juli 2016 heeft een anonieme melder op het politiebureau een geluidsopname overhandigd van een telefoongesprek dat de melder die ochtend had gevoerd met een goede vriendin, [aangeefster 1] . Verbalisant heeft de opname beluisterd en uitgeschreven en heeft – voor zover van belang – het volgende geverbaliseerd:

Het gesprek start op 23 juli 2016.

[aangeefster 1] : Ik ben bij [verdachte] . Hij had gewoon het plan liggen om met een pistool bij [aangever 2] en mij te komen. Eerst [aangever 2] dood te schieten, dan mij dood te schieten en dan zichzelf dood te schieten.33 Ik ben zo bang. (verbalisant: ik hoor dat [aangeefster 1] huilt).34

Hij heeft me verteld dat hij een pistool en demper heeft besteld.35

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor het onder gedachtestreepje vier ten laste gelegde. De rechtbank ziet dit anders en is van oordeel dat de verklaring van aangeefster [aangeefster 1] voldoende wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen waarin het door de anonieme melder opgenomen gesprek met aangeefster van 23 juli 2016 is uitgeschreven. Aangeefster belde met een goede vriend en wist niet dat het gesprek werd opgenomen. Bovendien heeft aangeefster nadien meermalen overeenkomstig dat opgenomen gesprek verklaard. De rechtbank hecht – anders dan de verdediging – geen waarde aan het tussen verdachte en aangeefster opgenomen gesprek van 21 juli 2016, nu aangeefster herhaaldelijk heeft verklaard dat zij tijdens dat gesprek toneel heeft gespeeld uit angst voor verdachte. Gelet op het voorgaande, in samenhang met het overige bewijs voor feit 1, acht de rechtbank het onder het vierde gedachtestreepje ten laste gelegde, wettig en overtuigend bewezen.

4.3.1.4 Ten aanzien van het vijfde gedachtestreepje

Op de USB stick die verbalisant [verbalisant 2] op 26 juli 2016 van aangeefster [aangeefster 1] heeft ontvangen, is een screenshot te zien van het volgende bericht van afzender ‘ [verdachte] ’:

‘Geloof me [aangeefster 1] ik neem je mee m’n graf in als je dit doet’.36

Verdachte heeft ter zitting – zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

Het klopt dat ik [aangeefster 1] in de tenlastegelegde periode een bericht via iMessage heb gestuurd waarin stond:

‘Geloof me [aangeefster 1] ik neem je mee m’n graf in als je dat doet’.37

Partiële vrijspraak

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van de overige bedreigingen onder het vijfde gedachtestreepje, nu voor de verklaring van aangeefster geen steun is gevonden in het dossier. Verdachte zal eveneens partieel worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder gedachtestreepjes zes en zeven, nu het procesdossier geen bewijsmiddel bevat dat de verklaring van aangeefster ondersteunt.

4.3.1.5 Ten aanzien van het achtste gedachtestreepje

Aangeefster [aangeefster 1] heeft op 25 juli 2016 het volgende verklaard:

Ik woon in [woonplaats].38 In de afgelopen drie weken heeft [verdachte] ook bij mij aan de deur gestaan om cadeautjes achter te laten.39

Verdachte heeft ter zitting – zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

Ik heb in de tenlastegelegde periode een tas met spullen voor de deur van [aangeefster 1] gezet.40

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft partiële vrijspraak bepleit, omdat het opzet van verdachte enkel gericht was op het teruggeven van aan aangeefster toebehorende goederen en niet op het maken van inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer.

De rechtbank volgt deze redenering niet. Het achterlaten van spullen bij de woning van aangeefster moet worden beoordeeld in het licht van het overige bewijs voor feit 1. Gelet op de omstandigheden waaronder het onder gedachtestreepje acht ten laste gelegde heeft plaatsgevonden en gelet op de invloed daarvan op aangeefster, is de rechtbank van oordeel dat het achterlaten van spullen bij de woning van aangeefster onderdeel was van de opzettelijke inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer.

4.3.1.6 Overige bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat enkel kan worden bewezen dat verdachte aangeefster heeft belaagd in de periode vanaf eind juni 2016 tot en met 25 juli 2016. De rechtbank acht echter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster in de periode van 22 april 2016 tot en met 25 juli 2016 heeft belaagd. Aangeefster heeft verdachte al op 22 april 2016 per mail verzocht haar met rust te laten. Verdachte heeft haar desondanks haar diezelfde dag nog een e-mailbericht gestuurd. Daarnaast heeft hij aangeefster verschillende berichten gestuurd in de maanden mei en juni 2016.
De raadsvrouw heeft de rechtbank voorts verzocht er bij de beoordeling van de feiten rekening mee te houden dat de manier waarop verdachte contact zocht met aangeefster en de hoeveelheid berichten die hij haar stuurde, aansloten bij de wijze waarop het contact tussen hen verliep vóór de tenlastegelegde periode. De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of verdachte met de hiervoor bewezen verklaarde handelingen wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Zoals door de verdediging aangevoerd, blijkt uit het procesdossier dat aangeefster en verdachte veelvuldig contact met elkaar hebben gehad in de jaren vóór de tenlastegelegde periode. Uit de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden komt echter ook naar voren dat verdachte in de tenlastegelegde periode op indringende en intensieve wijze heeft geprobeerd met aangeefster in contact te komen, terwijl aangeefster in díe periode niet tot nauwelijks heeft gereageerd op de berichten en telefoontjes van verdachte. Bovendien heeft aangeefster verdachte op 22 april 2016 al verzocht haar geen (al dan niet seks gerelateerde) berichten meer te sturen. Verdachte heeft echter verklaard dat hij tot het uiterste is gegaan om een gesprek met aangeefster af te dwingen toen zij niet op zijn berichten reageerde. Zo heeft verdachte niet alleen pornografisch beeldmateriaal van aangeefster naar aangeefster zelf, maar ook naar anderen gestuurd. Ook heeft verdachte aangeefster bedreigende teksten gestuurd. Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat het onder feit 1 ten laste gelegde daadwerkelijk grote psychische gevolgen heeft gehad voor aangeefster.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster - naar objectieve maatstaven bezien – zodanig zijn geweest dat sprake was van een wederrechtelijke, stelselmatige en opzettelijke inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer.

4.3.2

Gebezigde bewijsmiddelen voor feit 2

Aangeefster [aangeefster 1] heeft op 25 juli 2016 het volgende verklaard:

Ik woon in [woonplaats].41

Op de USB stick die verbalisant [verbalisant 2] op 26 juli 2016 van aangeefster [aangeefster 1] heeft ontvangen, is een screenshot te zien van het volgende bericht van afzender ‘ [verdachte] ’:

‘Geloof me [aangeefster 1] ik neem je mee m’n graf in als je dit doet’.42

Verdachte heeft ter zitting – zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

Ik woon nog steeds in [woonplaats]. Het klopt dat ik [aangeefster 1] in de tenlastegelegde periode een bericht via iMessage heb gestuurd waarin stond:

‘Geloof me [aangeefster 1] ik neem je mee m’n graf in als je dat doet’.43

Partiele vrijspraak

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van de overige bedreigingen onder feit 2, nu voor de verklaring van aangeefster geen steun is gevonden in het dossier.

4.3.3

Gebezigde bewijsmiddelen voor feit 3

Op 20 juli 2016 heeft [aangever 2] aangifte gedaan van stalking tegen [verdachte] . Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik heb een relatie met [aangeefster 1] . Wij woonden vanaf het begin samen in [woonplaats] en [woonplaats]. Ik werk in [woonplaats].44 Sinds eind juni 2016 word ik door [verdachte] gebeld op mijn privé- en werktelefoon. Hij spreekt ook voicemails in. De strekking van de berichten is dat [verdachte] eist dat hij mij wil spreken. Hij probeert dit op een dwingende manier af te dwingen. Er zijn dagen dat ik wel 98 WhatsApp berichten van hem krijg.

Op 19 juli 2016 heb ik 49 WhatsApp berichten van hem ontvangen met video- en fotomateriaal van [aangeefster 1] in compromitterende houdingen. Ik heb op mijn werkmail ook videomateriaal ontvangen van [verdachte] . Ook hier gaat het weer om pornografisch materiaal van [aangeefster 1] . Ik ervaar dit als zeer schadelijk.45

Verdachte heeft op 13 juli 2016 – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik woon in [woonplaats].46 In de nacht van 11 op 12 juli 2016 heb ik het nummer gebeld. Ik hoorde op de voicemail de naam: [aangever 2] .47

Op 28 juli 2016 heeft verdachte bij de politie het volgende verklaard:

- Vraag verbalisant:

Reageer eens op de aangifte van stalking die [aangever 2] tegen u heeft gedaan?

- Antwoord verdachte:

Ik heb in een periode van vier of vijf dagen [aangever 2] WhatsApp berichtjes gestuurd met het
verzoek contact met mij op te nemen.48

- Vraag verbalisant:

Ik lees een passage uit de verklaring van [aangever 2] voor.

Ik word sinds eind juni door [verdachte] gebeld op mijn privé telefoonnummer, werktelefoon,
waarop ook mijn voicemail wordt ingesproken en op mijn werkmail stuurt hij mails met
compromitterend materiaal van [aangeefster 1] .

- Antwoord verdachte:

Het zijn berichten met beelden waarmee ik wil aantonen dat wij in dezelfde periode een
relatie hadden met [aangeefster 1] . De berichten werden dan misschien steeds extremer, maar elk
bericht had als vraag: ‘neem contact met mij op’. Het begint met een bericht, erna met een
fotootje en daarna met een filmpje, waarin aangetoond wordt dat ik op dat moment met
ben samen geweest. Daarop is te zien dat wij seks hebben met elkaar.49 Ik heb een
mail gestuurd naar zijn zakelijk e-mailadres.

Ik heb hem daarna nog een paar berichtjes via de telefoon, via sms of iMessage gestuurd.

Ik heb [aangever 2] vijf dagen vrij intensief benaderd. Vanaf ongeveer twee weken geleden.

Ik deed dit dagelijks.50

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1:

op meerdere tijdstippen in de periode van 22 april 2016 tot en met 25 juli 2016 te Vleuten, gemeente Utrecht en/of Amstelhoek, gemeente De Ronde Venen, en/of Den Dolder, gemeente Zeist, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster 1] , met het oogmerk die [aangeefster 1] te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen, onder andere met het doel dat die [aangeefster 1] contact met hem opneemt door

- die [aangeefster 1] veelvuldig te bellen en voicemails in te spreken en door haar WhatsApp-
berichten, iMessage en sms-berichten te sturen en door haar te mailen, en

- ( veelvuldig) pornografisch beeld- en filmmateriaal waarop die [aangeefster 1] zichtbaar is te sturen
naar die [aangeefster 1] en anderen via WhatsApp en de mail, en te dreigen dat hij, verdachte,
pornografisch beeld en/of filmmateriaal waarop die [aangeefster 1] zichtbaar is, online gaat zetten
en aan derden gaat verstrekken, en

- die [aangeefster 1] , via iMessage en/of sms, dreigende berichten "Of je doet dat niet en
dan ga ik je zoeken. En als ik dan zie trek je aan je haren m'n auto in. En omdat je me dat
hebt laten doen spuug ik je dan in je gezicht. En laat je dan alsnog de waarheid opbiechten"
en " [aangeefster 1] ik ga je spreken. Ten koste van alles als het moet" en

"Maar wie ik echt aanpak als het moet is [aangever 2] . Die ga ik echt lichamelijk mishandelen als
je niet heel snel contact met me opneemt", en

- die [aangeefster 1] dreigend de woorden toe te voegen dat hij, verdachte, zelfmoord zou plegen als
die [aangeefster 1] bij hem weg zou gaan en dat het goed is dat zij bij hem is gebleven omdat hij
een pistool met geluiddemper had (besteld) en hiermee die [aangever 2] en/of die [aangeefster 1] en
daarna zichzelf zou doodschieten, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,
en

- voornoemde [aangeefster 1] te bedreigen door haar via iMessage een bericht te sturen met onder
meer als inhoud:

"Geloof me [aangeefster 1] ik neem je mee m'n graf in als je dit doet", en

- langs te gaan bij de woning van die [aangeefster 1] en aldaar spullen achter te laten;

Feit 2:

in de periode van 22 april 2016 tot en met 25 juli 2016, te Vleuten, gemeente Utrecht of Amstelhoek, gemeente De Ronde Venen, althans in Nederland, [aangeefster 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangeefster 1] dreigend via iMessages de woorden toegevoegd:

"Geloof me [aangeefster 1] ik neem je mee m'n graf in als je dit doet";

Feit 3:

op meerdere tijdstippen, in de periode van 11 juli 2016 tot en met 19 juli 2016 te Vleuten, gemeente Utrecht en/of Amersfoort en/of Rijpwetering, gemeente Kaag en Braassem, en/of Amstelhoek, gemeente De Ronde Venen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 2] , met het oogmerk die [aangever 2], te dwingen iets te doen en te dulden door veelvuldig contact met die [aangever 2] te zoeken

- door te bellen naar en voicemails in te spreken op zijn privénummer en zakelijke
nummer, en

- door die [aangever 2] WhatsApp-berichten en een mailbericht te sturen, inhoudende onder meer
pornografisch beeld- en filmmateriaal waarop [aangeefster 1] (partner van die [aangever 2])
zichtbaar is.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan partieel vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1, feit 3:

telkens: belaging.

Feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Eendaadse samenloop

De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is van eendaadse samenloop van de bedreiging die onder zowel feit 1 (gedachtestreepje 5) als feit 2 bewezen is verklaard. De rechtbank zal hier in de strafmotivering nader op ingaan.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte op te leggen:

- een gevangenisstraf van 2 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van

3 jaren;

  • -

    een taakstraf van 120 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis;

  • -

    een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaren, inhoudende het bevel dat verdachte zich onthoudt van contact met [aangeefster 1] en [aangever 2] .

De officier heeft gevorderd bij oplegging van de maatregel te bevelen dat deze bij iedere overtreding wordt vervangen door 3 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging ten gunste van verdachte rekening te houden met de omstandigheid dat de relatie tussen verdachte en aangeefster reeds voor de bewezenverklaarde periode turbulent was en dat ook aangeefster hierin een rol heeft gespeeld. De raadsvrouw heeft de rechtbank voorts verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit en de door de officier van justitie geëiste voorwaardelijke gevangenisstraf moet dan ook worden gematigd tot hooguit twee weken. Verder ziet de raadsvrouw geen reden om bij oplegging van een voorwaardelijke straf af te wijken van de gebruikelijke proeftijd van twee jaren.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf/maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging. Omdat sprake is van eendaadse samenloop van de bedreiging die onder zowel feit 1 (gedachtestreepje 5) als feit 2 bewezen is verklaard, heeft de rechtbank bij de straftoemeting rekening gehouden het bepaalde in artikel 55 Sr. Voor belaging zijn geen landelijke oriëntatiepunten opgesteld. Daarom heeft de rechtbank bij het bepalen van de straffen voor het bewezen verklaarde met name gelet op de straffen die doorgaans worden opgelegd in vergelijkbare zaken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging van zijn ex-vriendin, aangeefster [aangeefster 1] , en aan belaging van haar nieuwe partner, aangever [aangever 2]. Verdachte heeft hen lastig gevallen met een aanzienlijke hoeveelheid dreigende berichten, telefoontjes en pornografisch beeldmateriaal van aangeefster [aangeefster 1] . Door aldus te handelen heeft verdachte op grove en indringende wijze inbreuk gemaakt op de privélevens van beide slachtoffers. Blijkens de slachtofferverklaring heeft [aangeefster 1] het gedrag van verdachte als zeer beangstigend en bedreigend ervaren. Verdachte heeft zich hier kennelijk niet om bekommerd en heeft enkel gehandeld vanuit zijn eigen behoefte om met aangeefster in contact te komen. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan.

Anders dan door de verdediging verzocht, heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf geen rekening gehouden met de achtergrond van de relatie van verdachte en zijn ex-vriendin. De rechtbank begrijpt dat het einde van een – waarschijnlijk turbulente - relatie gepaard gaat met veel emoties. Beide partijen zullen daarin een rol hebben gespeeld. Verdachte is echter veel te ver gegaan in zijn pogingen om met aangeefster in contact te komen.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte, blijkens zijn strafblad van 4 april 2018, niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om rekening te kunnen houden met mogelijke psychische problemen van verdachte, nu hij niet heeft willen meewerken aan psychologisch onderzoek. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.


Hoewel de rechtbank minder bewezen heeft verklaard dan door de officier van justitie gevorderd, zal zij de officier volgen in zijn eis. De rechtbank acht het met de officier van groot belang verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal verdachte daarom een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee maanden. Gelet op de aard van het feit acht de rechtbank het geboden hieraan een proeftijd van drie jaren te verbinden. Daarnaast zal een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren worden opgelegd.

Tot slot moet er, gelet op de aard en ernst van het feit, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens [aangeefster 1] en [aangever 2]. De rechtbank zal verdachte daarom een contactverbod in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel (als bedoeld in artikel 38v Sr) opleggen en bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

9 BENADEELDE PARTIJ

[aangeefster 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een vergoeding van in totaal € 8.943,35 voor de schade die zij heeft geleden ten gevolge van het aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde. Dit bedrag bestaat uit € 3.843,35 materiele schade en € 5.100 euro immateriële schade. De vordering tot materiele schadevergoeding is opgebouwd uit de volgende schadeposten: kosten voor vervanging van werkzaamheden tijdens ziekte (€ 3.017), opgenomen vrije uren ten tijde van gevolgde therapie (€ 600) en parkeerkosten (€ 226,35). De benadeelde partij heeft verzocht het gevorderde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Ook heeft zij verzocht de zogenoemde schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) aan verdachte op te leggen.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen, met uitzondering van de kosten die verband houden met de therapie bij Movira. De officier heeft daarnaast gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van causaal verband tussen het handelen van verdachte en de psychische klachten van benadeelde. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier volgt dat ook gebeurtenissen uit het verleden van benadeelde bijgedragen kunnen hebben aan het ontstaan van haar psychische problemen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het immateriële schadebedrag te matigen tot een bedrag van € 1000,-. Daarnaast moet benadeelde niet-ontvankelijk worden verklaard in het gedeelte van de vordering dat ziet op de vervanging van werkzaamheden en op de therapie bij Movira, omdat deze schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De verdediging heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de gehele vordering, omdat geen sprake is van een causaal verband tussen het bewezen verklaarde en het ontstaan van de – met name – psychische schade. De rechtbank ziet dit anders en overweegt daartoe als volgt.

Nu alle materiele schadeposten verband houden met de psychische klachten van benadeelde, moet allereerst worden beoordeeld of de gevorderde immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De wet regelt in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Wanneer sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze (zoals bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder b BW), komt immateriële schade voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een dergelijke aantasting, nu benadeelde blijkens een verklaring van haar psycholoog klachten heeft ontwikkeld die passen bij een posttraumatische stressstoornis. De rechtbank is tevens van oordeel dat dit letsel het rechtstreekse gevolg is van het handelen van verdachte. Benadeelde is vlak na het bewezen verklaarde in therapie gegaan en haar psycholoog heeft vastgesteld dat benadeelde traumatische klachten heeft ontwikkeld als gevolg van haar ervaringen met verdachte.

De benadeelde partij heeft een immateriële schadevergoeding gevorderd van € 5.100,00. De hoogte van het gevorderde bedrag is ter terechtzitting betwist. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op

€ 2.000,-.

Voor opgenomen vrije uren ten tijde van therapie heeft de benadeelde partij een bedrag van

€ 600,- aan materiele schadevergoeding gevorderd. Nu niet is gebleken dat daadwerkelijk vrije uren zijn gekocht, zal de rechtbank de opgenomen vrije uren aanmerken als immateriële schade, in de vorm van gemiste vrije tijd. Gelet op het bovenstaande komt deze schade eveneens voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van

€ 15,- per opgenomen uur allerzins redelijk en zal een immateriële schadevergoeding van

€ 420,- toekennen voor de door benadeelde opgenomen vrije uren. Voor de twaalf uren die zijn opgenomen ten behoeve van de therapie bij Movira zal geen vergoeding worden toegekend, omdat deze schadepost niet is onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat deze therapie verband hield met de bewezenverklaarde feiten. Ook de parkeerkosten die benadeelde gedurende de therapie bij Movira heeft gemaakt, hoeven niet door verdachte te worden vergoed. De rechtbank is van oordeel dat de overige parkeerkosten wel voor vergoeding in aanmerking komen en zal deze toewijzen tot een bedrag van € 163,10. De schadepost ten aanzien van de vervanging van werkzaamheden tijdens ziekte is onvoldoende onderbouwd, nu niet aannemelijk is gemaakt dat benadeelde (als gevolg van het bewezenverklaarde) al dan niet volledig arbeidsongeschikt was gedurende de periode waarover de kosten zijn gevorderd. De rechtbank zal benadeelde in dat gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van in totaal € 2.583,10, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en kan dit deel aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 55, 57, 63, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder de feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht en waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid;

- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaren en beveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [aangeefster 1] en [aangever 2] ;

- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is ;

- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel wordt vervangen door 3 dagen hechtenis, met een maximum van 6 maanden;

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [aangeefster 1] toe tot een bedrag van € 2.583,10, bestaande uit

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangeefster 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 april 2016 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [aangeefster 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 1] aan de Staat
    €2.583,10 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 april 2016 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 35 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mrs. M.S. Koppert en

J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Lindeman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 mei 2018.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij, op één of meerdere tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 22 april 2016 tot en met 25 juli 2016 te Vleuten, gemeente Utrecht en/of Amstelhoek, gemeente De Ronde Venen, en/of Den Dolder, gemeente Zeist, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster 1] , met het oogmerk die [aangeefster 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, onder andere met het doel dat die [aangeefster 1] contact met hem opneemt door

- die [aangeefster 1] veelvuldig te bellen en/of voicemails in te spreken en/of door haar WhatsApp-berichten, iMessages en/of sms-berichten te sturen en/of door haar te mailen, en/of

- ( veelvuldig) pornografisch beeld- en/of filmmateriaal waarop die [aangeefster 1] zichtbaar is te sturen naar die [aangeefster 1] en/of anderen via WhatsApp, iMessage, sms en/of de mail, en/of te dreigen dat hij, verdachte, pornografisch beeld en/of filmmateriaal waarop die [aangeefster 1] zichtbaar is, online gaat zetten en/of aan derden gaat verstrekken, en/of

- die [aangeefster 1] , via WhatsApp, iMessage en/of sms, dreigend(e) (een) bericht(en) "Of je doet dat niet en dan ga ik je zoeken. En als ik dan zie trek je aan je haren m'n auto in. En omdat je me dat hebt laten doen spuug ik je dan in je gezicht. En laat je dan alsnog de waarheid opbiechten" en/of " [aangeefster 1] ik ga je spreken. Ten koste van alles als het moet" en/of

"Maar wie ik echt aanpak als het moet is [aangever 2] . Die ga ik echt lichamelijk mishandelen als je niet heel snel contact met me opneemt", en/of

- die [aangeefster 1] dreigend de woorden toe te voegen dat hij, verdachte, zelfmoord zou plegen als die [aangeefster 1] bij hem weg zou gaan en/of dat het goed is dat zij bij hem is gebleven omdat hij een pistool met geluiddemper had (besteld) en hiermee die [aangever 2] en/of die [aangeefster 1] en daarna zichzelf zou doodschieten, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- voornoemde [aangeefster 1] te bedreigen door haar mondeling de woorden toe te voegen en/of via de WhatsApp en/of iMessage en/of sms (een)bericht(en) te sturen met onder meer als inhoud:

"Geloof me [aangeefster 1] ik neem je mee m'n graf in als je dit doet" en/of "ik ga je helemaal kapot maken" en/of "ik ga je slopen" en/of "Ik sla je helemaal in elkaar maar ik maak je niet dood. Ik breek je psychisch helemaal in gruzelementen zodat je de rest van je leven als een zombie door het leven kan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- ( als bestuurder van een auto) de auto van die [aangeefster 1] klem te rijden en/of (vervolgens) uit te stappen en op de motorkap van de auto van die [aangeefster 1] te liggen en/of op de voorruit te slaan en/of (vervolgens) als bestuurder van een auto die [aangeefster 1] te achtervolgen, in elk geval achter de auto van die [aangeefster 1] aan te rijden, en/of

- op de motorkap van de auto van die [aangeefster 1] te (blijven) liggen en/of te slaan op de voorruit, terwijl die [aangeefster 1] in de auto zat, en/of

- langs te gaan bij de woning van die [aangeefster 1] en/of aldaar spullen achter te

laten;

art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij, op één of meerdere tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 22 april 2016 tot en met 25 juli 2016, te Vleuten, gemeente Utrecht en/of Amstelhoek, gemeente De Ronde Venen, althans in Nederland, [aangeefster 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangeefster 1] dreigend mondeling en/of via WhatsApp, iMessage en/of sms de woorden toegevoegd:

"Geloof me [aangeefster 1] ik neem je mee m'n graf in als je dit doet" en/of

"ik ga je helemaal kapot maken" en/of

"ik ga je slopen" en/of

"Ik sla je helemaal in elkaar maar ik maak je niet dood. Ik breek je

psychisch helemaal in gruzelementen zodat je de rest van je leven als een

zombie door het leven kan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij, op één of meerdere tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 11 juli 2016 tot en met 19 juli 2016 te Vleuten, gemeente Utrecht en/of Amersfoort en/of Rijpwetering, gemeente Kaag en Braassem, en/of Amstelhoek, gemeente De Ronde Venen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 2] , met het oogmerk die [aangever 2], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen door veelvuldig contact met die [aangever 2] te zoeken

- door te bellen naar en/of voicemails in te spreken op zijn privénummer en/of zakelijke
nummer, en/of

- door die [aangever 2] WhatsApp-berichten en/of sms-berichten en/of mailberichten te sturen, inhoudende onder meer pornografisch beeld- en/of filmmateriaal waarop [aangeefster 1]
(partner van die [aangever 2]) zichtbaar is.

art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 4 januari 2017, genummerd PL0900 2016230143, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 123 tot en met pagina 574 en pagina 1 tot en met 122. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, sub vijf, van het Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , pagina 154.

3 Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , pagina 155.

4 Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , pagina 157.

5 Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , pagina 205.

6 Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , pagina 206.

7 Een proces-verbaal van bevindingen van 12 juli 2016, pagina 497.

8 Een proces-verbaal van bevindingen van 26 juli 2016, pagina 216.

9 Een proces-verbaal van bevindingen van 26 juli 2016, pagina 220.

10 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering,
te weten een screenshot van e-mailberichten, als bijlage gehecht aan het proces-verbaal van
bevindingen, genummerd 2016228171-28, pagina’s 244 en 245.

11 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering,
te weten een screenshot van iMessage berichten, als bijlage gehecht aan het proces-verbaal van
bevindingen, genummerd 2016228171-28, pagina 226.

12 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering,
te weten een screenshot van WhatsApp berichten, als bijlage gehecht aan het proces-verbaal van
bevindingen, genummerd 2016228171-28, pagina 229.

13 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering,
te weten een screenshot van een sms-bericht, als bijlage gehecht aan het proces-verbaal van
bevindingen, genummerd 2016228171-28, pagina 228.

14 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , pagina 183.

15 Een proces-verbaal van aangifte van [verdachte], pagina 483.

16 Een proces-verbaal van aangifte van [verdachte], pagina 488.

17 Een proces-verbaal van aangifte van [verdachte], pagina 489.

18 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 144.

19 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 150.

20 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 148.

21 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 16 mei 2018.

22 Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , pagina 155.

23 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering,
te weten een screenshot van een bericht, als bijlage gehecht aan het proces-verbaal van
aangifte, genummerd 2016223743-1, pagina 175.

24 Een proces-verbaal van bevindingen van 26 juli 2016, pagina 216.

25 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering,
te weten een screenshot van iMessage berichten, als bijlage gehecht aan het proces-verbaal van
bevindingen, genummerd 2016228171-28, pagina 235.

26 Een proces-verbaal van bevindingen van 21 december 2016, pagina 553.

27 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering,
te weten een bericht in het Excel-bestand van het onderzoek naar de telefoon van aangeefster, als
bijlage gehecht aan het proces-verbaal van bevindingen, genummerd 2016228171-63, pagina 557
tot en met 559.

28 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering,
te weten een rapport van het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie, pagina 200.

29 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering,
te weten een uittreksel van de Kamer van Koophandel, pagina 202.

30 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 16 mei 2018.

31 Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , pagina 206.

32 Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , pagina 207.

33 Een proces-verbaal van bevindingen van 23 juli 2016, pagina 50.

34 Een proces-verbaal van bevindingen van 23 juli 2016, pagina 51.

35 Een proces-verbaal van bevindingen van 23 juli 2016, pagina 51.

36 Een proces-verbaal van bevindingen van 26 juli 2016, pagina 220.

37 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 16 mei 2018.

38 Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , pagina 204.

39 Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , pagina 206.

40 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 16 mei 2018.

41 Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , pagina 204.

42 Een proces-verbaal van bevindingen van 26 juli 2016, pagina 220.

43 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 16 mei 2018.

44 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , pagina 182.

45 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , pagina 183.

46 Een proces-verbaal van aangifte van [verdachte], pagina 114.

47 Een proces-verbaal van aangifte van [verdachte], pagina 119.

48 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 147.

49 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 148.

50 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 149.