Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:235

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
16/660382-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 26-jarige vrouw uit Utrecht is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, voor het zogenoemde ‘schuldwitwassen’. Zij heeft ruim 130.000 euro crimineel geld in haar bezit gehad en uitgegeven. De rechtbank oordeelt dat zij had moeten weten dat dit geld een criminele herkomst had. Een 24-jarige medeverdachte uit Andijk is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar voor internationale drugshandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer:

Vonnis van de meervoudige kamer van 24 januari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1991] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 december 2017 (inhoudelijke behandeling) en 10 januari 2018 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N.T.R.M. Franken en van hetgeen verdachte en mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting nader omschreven. De tenlastelegging, zoals weergegeven in de nadere omschrijving van de tenlastelegging, is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:

feit 1 primair:

verdachte in de periode van 30 mei 2016 tot en met 14 november 2016, samen met een ander, in (onder meer) Eemnes MDMA, MDA, amfetamine en cocaïne heeft verkocht (naar het buitenland);

feit 1 subsidiair:

[medeverdachte] zich, samen met een ander/anderen, in de voornoemde periode heeft schuldig gemaakt aan de verkoop van MDMA, MDA, amfetamine en cocaïne (naar het buitenland) en verdachte hierbij behulpzaam is geweest door een woning te huren in Eemnes, bestellingen van harddrugs klaar te maken, postpakketten aan te bieden voor verzending en de frankeringskosten te betalen;

feit 2 primair:

verdachte in de periode van 30 mei 2016 tot en met 14 november 2016, samen met een ander, in (onder meer) Eemnes hasjiesj en hennep heeft verkocht (naar het buitenland);

feit 2 subsidiair:

[medeverdachte] zich, samen met een ander/anderen, in de voornoemde periode heeft schuldig gemaakt aan de verkoop van hasjiesj en hennep (naar het buitenland) en verdachte hierbij behulpzaam is geweest door een woning te huren in Eemnes, bestellingen van softdrugs klaar te maken, postpakketten aan te bieden voor verzending en de frankeringskosten te betalen;

feit 3: verdachte, samen met een ander, in de periode van 14 tot en met 18 november 2016 te Eemnes een hoeveelheid MDMA, MDA, amfetamine en cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 4: verdachte, samen met een ander, in de periode van 14 tot en met 18 november 2016 te Eemnes een hoeveelheid hennep en hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 5: verdachte zich, samen met een ander, in de periode van 1 juli 2014 tot en met 14 november 2016 heeft schuldig gemaakt aan opzet- dan wel schuldwitwassen van een Jaguar, een horse-truck, debetcards, een geldbedrag van 501.165,38, omvattende onder andere € 21.930 aan contante stortingen en € 50.366,- aan girale bijschrijvingen, almede van totaal € 15.000,- aan waarborgsom en huur voor een woning.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 VRIJSPRAAK FEITEN 1, 2, 3 EN 4

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van feit 1 primair en subsidiair en van feit 2 primair en subsidiair. De officier van justitie acht feit 3 en feit 4 wel wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de omstandigheid dat medeverdachte [medeverdachte] verdachte tijdens het binnentreden van de politie verweet dat ze hun de ruimte (waarin de drugs werden aangetroffen) liet zien. Daarnaast was de omvang van de handel zo groot dat verdachte als huisgenoot, volgens de officier van justitie, wel op de hoogte moet zijn geweest van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning. Bovendien moeten de drugsgerelateerde spullen, gelet op de periode waarin gehandeld werd, zijn meeverhuisd naar de woning in Eemnes en is het bijna niet voorstelbaar dat verdachte dit niet heeft gezien. Verdachte had beschikkingsmacht over de verdovende middelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van de onder 1 (primair en subsidiair), 2 (primair en subsidiair), 3 en 4 ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Op basis van het dossier kan volgens de raadsman niet worden bewezen verklaard dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van drugs in de woning, en al helemaal niet dat zij zou weten dat er drugs verhandeld werden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak handel in hard- en softdrugs

De rechtbank stelt vast dat eventuele betrokkenheid van verdachte bij de drugshandel uitsluitend naar voren komt uit de verklaringen die zijn afgelegd door medeverdachte [medeverdachte] . De rechtbank acht deze verklaringen, waarin [medeverdachte] uiteindelijk verklaart dat verdachte de handel initieerde en hij alleen hand- en spandiensten verrichtte, echter niet betrouwbaar. [medeverdachte] heeft niet alleen wisselend verklaard over de rol van verdachte, maar heeft ook verklaard dat verdachte met betrekking tot de drugshandel contact onderhield met een zekere [A] , terwijl uit politieregistraties blijkt dat [medeverdachte] zelf een relatie heeft gehad met deze [A] en dat zij niet voorkomt in relatie met verdachte.

Andere bewijsmiddelen dan de verklaring van [medeverdachte] ontbreken.

Dat verdachte als medepleger betrokken was bij de handel in hard- en softdrugs, dan wel medeplichtig is geweest aan deze handel kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 (primair en subsidiair) en 2 (primair en subsidiair) ten laste gelegde.

Vrijspraak aanwezig hebben hard- en softdrugs

De rechtbank is van oordeel dat er eveneens onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is dat verdachte de aangetroffen hard- en softdrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad. Bij de verklaring van verdachte dat zij niets heeft meegekregen van de intensieve drugshandel, die zich afspeelde in de woning waarin zij verbleef, kunnen vraagtekens worden gesteld. Voor een bewezenverklaring is echter nodig dat positief kan worden vastgesteld dat verdachte over die wetenschap beschikte. Daarvoor ontbreekt in dit dossier het bewijs. Ook de aanknopingspunten die de officier van justitie naar voren heeft gebracht acht de rechtbank hiervoor onvoldoende nu daaruit onvoldoende kan worden afgeleid dat verdachte de wetenschap had van de aanwezigheid van hard- en softdrugs in de woning. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 3 en 4 ten laste gelegde.

5 WAARDERING VAN HET BEWIJS

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 5 ten laste gelegde medeplegen van opzetwitwassen wettig en overtuigend te bewijzen, met uitzondering van de debetcards.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot feit 5 betoogd dat de samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] onvoldoende intensief is geweest om van medeplegen te kunnen spreken. Nu verdachte met betrekking tot de aanbetaling van de horsetruck, de debetcards en de verzilverde bitcoins (voor zover niet op haar rekening gestort) zelf geen witwashandelingen heeft gepleegd, kunnen deze onderdelen volgens de raadsman niet bewezen worden verklaard. De raadsman heeft met betrekking tot de bankrekening eindigend op [rekeningnummer] gesteld dat de bankpas van deze rekening in gebruik was bij medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte heeft op deze rekening geen zicht gehouden, zodat de geldbedragen die zijn overgemaakt op deze rekening en de betalingen die zijn gedaan vanaf deze rekening (de huurbetaling) niet door verdachte zijn witgewassen.

Ten aanzien van de Jaguar en de geldbedragen die zijn overgemaakt op het rekeningnummer eindigend op 6466, heeft de raadsman zich wat betreft het schuldwitwassen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Bewijsmiddelen 1

De rechtbank leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.

Legale inkomsten

Uit inkomensgegevens van de Belastingdienst blijkt dat [medeverdachte] over 2014 een uitkering heeft genoten van het UWV van in totaal € 3.586,-. Tevens kreeg hij in dat jaar studiefinanciering van € 969,54. Over 2015 zijn er geen inkomensgegevens bekend bij de Belastingdienst. Uit de aangifte omzetbelasting blijkt dat [medeverdachte] over 2012 en 2013 een totale omzet heeft gehad van € 54.180,-. Op peildatum 31 december 2014 en 31 december 2015 hebben alle bij de Belastingdienst bekende rekeningnummers van [medeverdachte] geen of een negatief saldo.2

Verder blijkt uit gegevens van de Belastingdienst dat [verdachte] en [medeverdachte] vennoot waren van het bedrijf V.O.F. [rijschool] . Deze vennootschap is op 3 september 2012 opgericht en op 19 maart 2014 opgeheven. Er is geen omzet geweest in voornoemd tijdvak. Over 2014 blijkt [verdachte] € 1.746,- aan loon te hebben gehad bij respectievelijk [bedrijf 1] , [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. Over 2015 had [verdachte] geen inkomsten.3

Stichting [stichting]

Stichting [stichting] is opgericht op 21 januari 2015 en had vanaf de datum van de oprichting tot 6 januari 2016 [medeverdachte] als enige bestuurder.4 Vanaf 6 januari 2016 betrof de enige bestuurder [bedrijf 4] .5 [medeverdachte] was vanaf 18 december 2015 directeur van laatstgenoemde vennootschap.6

Van het rekeningnummer [rekeningnummer] , op naam van Stichting [stichting]7 werd een bedrag van € 45.094,08 overgeboekt naar twee rekeningen8 op naam van [verdachte] .9

Contante stortingen

Uit de bankanalyse blijkt dat in de onderzoeksperiode van 1 juli 2014 tot en met 14 november 2016 in totaal € 21.930,- aan contant geld is gestort op de bankrekeningen van [verdachte] , te weten € 10.585,- op rekeningnummer [rekeningnummer] en € 11.345,- op rekeningnummer [rekeningnummer] .10

Jaguar F-Pace

Op 14 november 2016 werd door de politie een Jaguar F-Space met kenteken [kenteken] in beslag genomen. Op de kilometerteller stond 35 kilometer.11 Deze auto bleek gekocht te zijn bij [autobedrijf] . Door twee medewerkers van dit bedrijf werd tegenover de politie verklaard dat de koopovereenkomst voor deze Jaguar werd gesloten op 12 juli 2016. De overeenkomst werd ondertekend door zowel [medeverdachte] als [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] en [verdachte] ). Het totaalbedrag bedroeg € 72.500,-, inclusief een ingeruilde Nissan.12 Op 22 juli 2016 werd een bedrag van € 5.000,- door [autobedrijf] ontvangen afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van Stichting [stichting] . Vanaf 9 tot en met 14 november 2016 werd het resterende bedrag in deelbetalingen aan [autobedrijf] overgemaakt. Door de medewerkers van het bedrijf wordt verklaard dat [medeverdachte] over het algemeen het woord deed, maar dat [verdachte] haar specifieke wensen met betrekking tot de Jaguar goed kenbaar wist te maken.13

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat bij de aankoop van de Jaguar een Nissan Juke werd ingeruild. Deze Nissan was van de vader van verdachte.14 Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] uiteindelijk een bedrag van € 72.500,- heeft betaald voor de Jaguar.15

Betaling huur

Op 23 november 2016 heeft de officier van justitie de banktransacties gevorderd van rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van rekeninghouder [verdachte] .16 Uit de door de ING Bank verstrekte gegevens blijkt dat er op 21 juli 201617, 30 augustus 2016, 23 september 2016 en 31 oktober 201618 telkens € 2.500,- wordt overgeschreven naar [bedrijf 5] [woonplaats] met als omschrijving ‘huur [adres] [woonplaats] ’.19

[verdachte] heeft tegenover de politie verklaard dat [medeverdachte] gebruik maakt van de rekening [rekeningnummer]20 en het bankpasje bij deze rekening in zijn bezit is.21 Op de vraag van de politie op welke wijze de huur van de woning werd betaald, heeft [verdachte] verklaard dat [medeverdachte] het geld op haar rekening stortte. [verdachte] gebruikte deze rekening zelf niet, maar keek via internet wel ongeveer één keer per week op de rekening.22

Partiële vrijspraak

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van de aanbetaling van € 5.000,- voor de aankoop van de horsetruck, omdat uit het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte bij deze aankoop betrokken is geweest of hiervan wetenschap had. Ook van de aangetroffen debetcards en prepaidmastercards zal de rechtbank verdachte vrijspreken. Deze kaarten kunnen op basis van het dossier niet met verdachte in verband worden gebracht. Daarnaast acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wetenschap had van de bitcoins die door [medeverdachte] werden verzilverd voor in totaal € 501.165,38, zodat zij van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

Rekeningnummer [rekeningnummer]

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte op de hoogte was van de bedragen die naar het op haar naam staande rekeningnummer eindigend op [rekeningnummer] werden overgemaakt en contant werden gestort. Hoewel de pas van deze rekening door [medeverdachte] werd gebruikt, had verdachte wel zicht op wat er op deze rekening binnen kwam. Ze verklaart namelijk zelf dat ze via internet ongeveer één keer per week op deze rekening keek.

Witwasvermoeden

Allereerst concludeert de rechtbank op basis van de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] dat zij een gemeenschappelijke huishouding voerden en de kosten deelden. De rechtbank zal daarom bij haar beoordeling zowel de legale inkomsten van verdachte als van [medeverdachte] betrekken.

Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat verdachte in 2014 en 2015 slechts € 1.746,- aan inkomen heeft genoten. De bij de Belastingdienst bekende inkomsten van [medeverdachte] bedragen over deze periode nog geen € 5.000,-.

Door verdachte en [medeverdachte] is in de periode van 1 juli 2014 tot en met 14 november 2016 een bedrag van € 72.500,- uitgegeven aan de aankoop van een Jaguar. Daarnaast is door [medeverdachte] € 45.094,08 overgemaakt op de rekening van verdachte en is in totaal € 21.930,- op verdachtes rekening gestort (waarvan ten minste € 10.000,- is uitgegeven aan de betaling van de huur van de woning aan de [adres] in [woonplaats] ). Deze geldbedragen, van in totaal ruim € 130.000,-, kunnen niet worden verklaard door de legale inkomsten die verdachte en [medeverdachte] in de onderzoeksperiode hebben genoten. Zelfs al zou het legale inkomen van [medeverdachte] over 2012 en 2013, te weten € 54.180,-, hierin worden meegenomen, dan kan nog maar een deel van het totale geldbedrag worden verklaard. Bovendien wordt dan nog geen rekening gehouden met alle vaste lasten en de kosten aan levensonderhoud die verdachte en [medeverdachte] in die periode hebben gehad.

Nu uit het onderzoek geen legale inkomstenbronnen zijn gebleken die het geldbedrag van ruim € 130.000,- kunnen verklaren, is een vermoeden van witwassen zonder meer gerechtvaardigd. Niet alleen staan de transacties niet in verhouding tot de inkomsten van verdachte, er is ook geen legale economische verklaring voor de girale bijschrijvingen op de rekeningen van verdachte. Bovendien bewoonde verdachte samen met [medeverdachte] een woning waarvan de huur € 2.500,- per maand bedroeg, terwijl beiden niet beschikten over een legale inkomstenbron.

Nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het bedrag van in totaal € 130.000,-. Deze verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn.

Andere inkomstenbronnen?

Verdachte heeft verklaard dat het bij de Belastingdienst bekende inkomen niet het enige inkomen was dat zij had. Verdachte heeft, zo verklaart ze, ook geld verdiend met het oppassen op kinderen en het berijden van paarden voor anderen.

De politie heeft onderzoek gedaan naar de verklaring van verdachte met betrekking tot het oppassen. Uit dit onderzoek is niet gebleken dat verdachte heeft opgepast en hiermee geld heeft verdiend.

Van de inkomsten die verdachte zou hebben gehad met het berijden van paarden voor anderen is geen administratie aangetroffen. Verdachte heeft in haar verklaring enkele namen genoemd, maar heeft niet concreet verklaard over welke periode zij welke bedragen heeft ontvangen. Bovendien is door verdachte niet onderbouwd dat er daadwerkelijk betalingen zijn ontvangen die te maken hadden met het berijden van paarden voor anderen.

Conclusie

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden zijn de verklaringen die verdachte geeft voor de herkomst van (een deel van) het geldbedrag van ruim € 130.000,- naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet en onvoldoende verifieerbaar. Op grond hiervan acht de rechtbank geen andere conclusie mogelijk dan dat het niet anders kan zijn dan dat de ten laste gelegde bedragen en Jaguar onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Vrijspraak opzetwitwassen

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist dat de geldbedragen en de Jaguar afkomstig waren uit enig misdrijf.

Bewezenverklaring schuldwitwassen

Verdachte had dit echter wel redelijkerwijs moeten vermoeden. Zowel verdachte (in de ten laste gelegde periode tussen de 23 en 25 jaar oud) als [medeverdachte] (in de ten laste gelegde periode tussen de 20 en 23 jaar oud), met wie zij samenwoonde, hadden nauwelijks legale inkomsten. Toch werd er een maandelijks huurbedrag van € 2.500,- betaald, werd er een bedrag van meer dan 50.000,- op haar rekening bijgeschreven, vonden constante stortingen plaats van meer dan € 20.000,- en werden er dure aankopen gedaan (waaronder een Jaguar van € 72.500,-). Onder die omstandigheden had verdachte moeten vermoeden dat deze geldbedragen geen legale herkomst hadden. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het schuldwitwassen van de hiervoor genoemde voorwerpen.

Medeplegen

Anders dan de raadsman acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hiervoor genoemde voorwerpen “tezamen en in vereniging” met [medeverdachte] heeft witgewassen. Verdachte voerde met [medeverdachte] een gemeenschappelijke huishouding en huurde samen met hem de woning aan de [adres] . Verdachte was medeverantwoordelijk voor de betaling van het huurbedrag en had met [medeverdachte] afspraken gemaakt over hoe de betaling van de huur plaatsvond. Ook was zij op de hoogte van de betalingen die door [medeverdachte] op haar rekeningen werden gedaan en was zij nauw betrokken bij de aankoop van de Jaguar. De rechtbank acht dat op basis hiervan gesproken kan worden van een voldoende intensieve samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] .

Witwashandelingen

De rechtbank heeft onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat de voorwerpen die door verdachte zijn witgewassen afkomstig zijn van een door haar zelf begaan misdrijf. Gelet hierop is, volgens vaste jurisprudentie, niet vereist dat sprake is van een extra verhullingshandeling. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, samen met [medeverdachte] , de Jaguar en de op haar rekening overgemaakte en gestorte geldbedragen heeft verworven en voorhanden gehad. Daarnaast heeft verdachte, samen met [medeverdachte] , de huurbedragen voorhanden gehad en overgedragen. Ook is van de hiervoor genoemde bedragen en de Jaguar door verdachte en [medeverdachte] gebruik gemaakt.

6 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 5

in de periode van 1 juli 2014 tot en met 14 november 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van voorwerpen, te weten

- een (nieuwe) personenauto (merk Jaguar, F-Pace) en

- een bedrag van

  1. 21.930,- Euro (contante stortingen) en

  2. 45.094,- Euro (girale bijschrijvingen vanaf een bankrekening ten name van Stichting [stichting] ) en

- het huurbedrag van 2.500,- Euro voor de woning aan de [adres] in [woonplaats] in de maand juli 2016 en augustus 2016 en september 2016 en oktober 2016 op de bankrekening van de verhuurder,

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of van voorwerpen gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk, - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

7 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Feit 5: medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd.

8 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 OPLEGGING VAN STRAF

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft opgemerkt dat verdachte slechts enkele voorwerpen (de geldbedragen en de Jaguar) gedurende een zeer korte periode voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft na haar schorsing haar leven goed opgepakt, ze woont samen en heeft een betaalde baan. De raadsman heeft verzocht het onvoorwaardelijk strafdeel te beperken tot de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het schuldwitwassen van een bedrag van in totaal ruim € 130.000,-. Verdachte heeft deze geldbedragen in haar bezit gehad en uitgegeven, terwijl zij had moeten vermoeden dat de bedragen een criminele herkomst hadden. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Het witwassen van crimineel vermogen faciliteert de onderliggende criminaliteit. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de integriteit van het financiële handelsverkeer. Ook worden op deze wijze inkomens en vermogens aan het zicht van de belastingdienst onttrokken.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 8 november 2017;

- een reclasseringsadvies van 16 mei 2017, opgemaakt door C.P.M. Cruijen, Reclassering Nederland;

- een psychologisch rapport van 5 mei 2017, opgemaakt door F.G.M. Stadhouders, GZ-psycholoog (in opleiding) en E.J. Muller, klinisch psycholoog;

- een psychiatrisch rapport van 21 april 2017, opgemaakt door C.J.F. Kemperman, psychiater.

Uit de rapportages over verdachte blijkt dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. In het psychologisch rapport wordt opgemerkt dat in de persoonlijkheidsdynamiek van verdachte opvalt dat ze de neiging heeft om ongemakkelijke en nare gevoelens aan de kant te schuiven en hier niet bij stil te staan. Het reclasseringsrapport vermeldt dat verdachte een naïeve indruk maakt als het om financiën gaat, maar dat er op dit moment geen problemen zijn op de verschillende leefgebieden. Bijzondere voorwaarden zijn volgens de reclassering niet geïndiceerd.

De rechtbank neemt de hiervoor genoemde bevindingen en adviezen over. Gelet op het feit dat verdachte de neiging heeft ongemakkelijk dingen niet onder ogen te zien en een naïeve indruk maakt als het gaat om financiën acht de rechtbank het raadzaam dat aan verdachte een deels voorwaardelijke straf wordt opgelegd.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 3 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van 2 jaren verbinden.

10 BESLAG

10.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd al het waardebeslag (met uitzondering van de motorfiets) verbeurd te verklaren, omdat niet is gebleken van legale inkomsten en alle voorwerpen daarom aan te merken zijn als geheel of grotendeels uit baten van het strafbare feit verkregen. De officier van justitie heeft gevorderd het klassieke beslag op de motorfiets op te heffen, nu niet kan worden vastgesteld dat deze motorfiets van misdrijf afkomstig is.

10.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat op alle goederen, vermeld op de beslaglijst, zowel klassiek beslag als conservatoir beslag rust.

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten een personenauto, Jaguar F-pace ( [kenteken] ), verbeurd verklaren. Verdachte is, samen met [medeverdachte] , rechthebbende van de Jaguar. Nu met betrekking tot dit voorwerp het onder 5 bewezen verklaarde feit is begaan, acht de rechtbank dit voorwerp vatbaar voor verbeurdverklaring.

Opheffen beslag 94 Sv

Zowel [verdachte] als getuige [getuige] hebben over de Yamaha motorfiets verklaard dat deze van [getuige] is. Nu niet aannemelijk is dat deze motorfiets aan verdachte toebehoort, noch dat zij dit voorwerp ten eigen bate kan aanwenden, zal de rechtbank het klassieke beslag (ex artikel 94 Wetboek van Strafvordering) opheffen. De rechtbank stelt vast dat op dit voorwerp echter nog wel conservatoir beslag rust.

Daarnaast is beslag gelegd op twee geldbedragen van in totaal € 840,- en op een ING-oranjerekening. De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot deze voorwerpen onvoldoende is gebleken dat deze zijn verkregen uit de baten van een strafbaar feit, dan wel dat met betrekking tot deze voorwerpen het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank overweegt daarbij, met betrekking tot de spaarrekening, dat niet blijkt dat naar deze rekening geldbedragen zijn overgeboekt die verband houden met het bewezenverklaarde witwassen. De rechtbank zal daarom het klassieke beslag opheffen. Ook op deze voorwerpen blijft het conservatoir beslag rusten.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 63 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair, 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 5 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 1 maand, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Beslag

- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:

 een personenauto, Jaguar F-pace, [kenteken] (goednummer: 357643);

- heft op het klassiek beslag (94 Sv) op de volgende voorwerpen:

 een motorfiets, Yamaha (goednummer: 358573);

 een vordering op ING-rekening nummer N87630316;

 een geldbedrag van € 400,- (goednummer: 358529);

 een geldbedrag van € 440,- (goednummer: 358535);

en verstaat dat op deze voorwerpen nog conservatoir beslag (94a Sv) blijft rusten;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, voorzitter, mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. E. Akkermans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 januari 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1

Primair

zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 mei 2016

tot en met 14 november 2016 te Alkmaar en/of Broek op Langedijk en/of Almere en/of

Nieuwegein en/of Eemnes en/of Soest en/of Soesterberg en/of Hilversum en/of

Amersfoort, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, meermalen

- opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of

- opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of

- in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of

- in elk geval (telkens) opzettelijk heeft vervaardigd,

(telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of

amfetamine en/of cocaïne,

zijnde MDMA en/of MDA en/of amfetamine en/of cocaïne (telkens) (een)

middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

Subsidiair

[medeverdachte] en/of een of meer (onbekend gebleven) ander(en) op een of meer tijdstip (pen)

in of omstreeks de periode van 30 mei 2016 tot en met 14 november 2016 te Alkmaar

en/of Broek op Langedijk en/of Almere en/of Nieuwegein en/of Eemnes en/of Soest

en/of Soesterberg en/of Hilversum en/of Amersfoort, althans in Nederland,

meermalen

- opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of

- opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of

- in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of

- in elk geval (telkens) opzettelijk heeft vervaardigd,

(telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of

amfetamine en/of cocaïne,

zijnde MDMA en/of MDA en/of amfetamine en/of cocaïne (telkens) (een)

middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1

- bij het plegen van welk boven omschreven feit zij, verdachte, in die periode en op die

plaatsen, opzettelijk behulpzaam is geweest door en/of

- tot het plegen van welk bovenomschreven feit zij, verdachte, in die periode en op die

plaatsen, opzettelijk middelen en/of gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft door

- ( mede) een (vrijstaande) woning aan de [adres] in [woonplaats] te huren en/of

- een of meer bestellingen van dat/die MDMA en/of dat/die MDA en/of die

amfetamine en/of die cocaïne voor verzending naar (een) klant(en) buiten het

grondgebied van Nederland en/of binnen het grondgebied van Nederland in/als

postpakketten/poststukken klaar te maken en/of die postpakketten/poststukken bij

het postkantoor/de balie van post.nl aan te bieden voor frankeren en verzenden

en/of betalen van frankeringskosten van die te verzenden postpakketten/poststukken;

art 48 Wetboek van Strafrecht

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

Feit 2

Primair

zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 mei

2016 tot en met 14 november 2016 te Alkmaar en/of Broek op Langedijk en/of

Almere en/of Nieuwegein en/of Eemnes en/of Soest en/of Soesterberg en/of Hilversum

en/of Amersfoort, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, meermalen

- opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of

- opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of

- in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of

- in elk geval (telkens) opzettelijk heeft vervaardigd

(telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende hasjiesj en/of hennep,

zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II;

art 3 ahf/ond A Opiumwet

art 11 lid 4 Opiumwet

Subsidiair

[medeverdachte] en/of een of meer (onbekend gebleven) ander(en)

op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 mei 2016 tot

en met 14 november 2016 te Alkmaar en/of Broek op Langedijk en/of Almere en/of

Nieuwegein en/of Eemnes en/of Soest en/of Soesterberg en/of Hilversum en/of

Amersfoort, althans in Nederland,

meermalen

- opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of

opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en! of vervoerd en/of

- in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of

- in elk geval (telkens) opzettelijk heeft vervaardigd

(telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende hasjiesj en/of hennep,

zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II,

- bij het plegen van welk boven omschreven feit zij, verdachte, in die periode en op die

plaatsen, opzettelijk behulpzaam is geweest door en/of

- tot het plegen van welk bovenomschreven feit zij, verdachte, in die periode en op die

plaatsen, opzettelijk middelen en/of gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft door

- ( mede) een (vrijstaande) woning aan de [adres] in [woonplaats] te huren en/of

- een of meer bestellingen van dat/die MDMA en/of dat/die MDA en/of die

amfetamine en/of die cocaïne voor verzending naar (een) klant(en) buiten het

grondgebied van Nederland en/of binnen het grondgebied van Nederland in/als

postpakketten/poststukken klaar te maken en/of die postpakketten/poststukken bij

het postkantoor/de balie van post.nl aan te bieden voor frankeren en verzenden

en/of betalen van frankeringskosten van die te verzenden

postpakketten/poststukken;

art 48 Wetboek van Strafrecht

art 3 ahf/ond A Opiumwet

art 11 lid 4 Opiumwet

Feit 3

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 november

2016 tot en met 18 november 2016 te Eemnes, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 1.467,90 gram MDMA en/of MDA, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of ongeveer 3.192 pillen XTC

(bevattende MDMA en/of MDA), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende MDMA en/of MDA en/of

- ongeveer 309,67 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine en/of

- ongeveer 14,58 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne,

zijnde MDMA en/of MDA en/of amfetamine en/of cocaïne (telkens) (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst T, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

Feit 4

zij op een of meer tijdstip(pen) in omstreeks de periode van 14 november 2016

tot en met 18 november 2016 te Eemnes, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 2158,29 gram hasjiesj en/of hennep, althans ongeveer 955,8 gram hasjiesj

en/of ongeveer 1202,49 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende hasjiesj en/of hennep,

zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a Opiumwet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

Feit 5

zij in of omstreeks de periode van 01 juli 2014 tot en met 14 november 2016,

te Eemnes en/of Schoon (gemeente Bergen) en/of De Weere (gemeente Opmeer)

en/of Andijk (gemeente Medemblik), althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) (een)

voorwerp(en), te weten

- een (nieuwe) personenauto (merk Jaguar, F-Pace) en/of

- de aanbetaling van 5.000,- Euro voor de koop van een horsetruck (Victory 5

excel) aan het bedrijf [bedrijf 6] B.V. en/of

- dertien, althans een of meen, zogeheten debetcard(s) en/of

prepaidmastercard(s) met een volgestorte (nominale) waarde variërend van 25,-

tot 250,- Euro en/of

- een bedrag van (ongeveer) 501.165,38 Euro (aan verzilverde bitcoins)

omvattende (onder andere)

* 21.930,- Euro (contante stortingen) en/of

* 50.366,- Euro(girale bijschrijvingen vanaf een of meer bankrekening(en) ten name van

Stichting [stichting] ) en/of

- de waarborgsom van 2.500,- Euro en/of het huurbedrag van 2.5000,- Euro voor

de woning aan de [adres] in [woonplaats] in de maand juni 2016 en/of juli 2016

en/of augustus 2016 en/of september 2016 en/of oktober 2016 en/of november

2016 op de bankrekening van de verhuurder

de werkelijke aard en/of herkomst verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of

verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) voorwerpen is, en/of

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van

voorwerpen gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die

voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk, - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf;

art 420quater Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal in het onderzoek 032WAK (zes ordners), genummerd 2016338238.EIND, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 1935, een vertaling van de reactie van US Department of Justice van 3 oktober 2017 en het proces-verbaal van bevindingen van 7 december 2017 (met bijlagen). Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van bevindingen van 7 december 2016, pagina 1192.

3 Het proces-verbaal van bevindingen van 8 december 2016, pagina 898.

4 Een geschrift, te weten een Uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 juli 2016, pagina 1528.

5 Een geschrift, te weten een Uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 juli 2016, pagina 1527.

6 Een geschrift, een uittreksel ‘Company Register Information’ van Companies House van 1 november 2016, pagina 1532.

7 Het proces-verbaal financieel relaas van 10 mei 2017, pagina 1134.

8 Bijlage 9 bij het proces-verbaal analyse bankrekeningen van 2 februari 2017, pagina 1502.

9 Het proces-verbaal analyse bankrekeningen van 2 februari 2017, pagina 1492.

10 Het proces-verbaal witwasonderzoek van 10 mei 2017, pagina 1110.

11 Het proces-verbaal financieel relaas van 10 mei 2017, pagina 1135.

12 Het proces-verbaal van bevindingen van 11 januari 2017, pagina 1524.

13 Het proces-verbaal van bevindingen van 11 januari 2017, pagina 1525.

14 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 12 januari 2017, pagina 228.

15 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 12 januari 2017, pagina 229.

16 Het proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens van 24 november 2016, pagina 868.

17 Een geschrift, te weten een bijlage transactiegegevens bij het proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens van 24 november 2016, pagina 873.

18 Een geschrift, te weten een bijlage transactiegegevens bij het proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens van 24 november 2016, pagina 872.

19 Het proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens van 24 november 2016, pagina 869.

20 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 12 januari 2017, pagina 230.

21 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 12 januari 2017, pagina 231.

22 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 12 januari 2017, pagina 226.