Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2343

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-04-2018
Datum publicatie
14-01-2019
Zaaknummer
UTR - 17 _ 4361
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Subsidieregeling energiebesparing eigen huis; bedrijfspand; geen bestaande woning i.d.z.v. de subsidieregeling; ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/4361

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.C. Zweistra),

en

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidieaanvraag van eiser in het kader van de Subsidieregeling energiebesparing eigen huis (Subsidieregeling) afgewezen.

Bij besluit van 29 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 1 september 2016 een gebouw en onderliggend perceel aan de [adres] , te [woonplaats] gekocht. Op 2 februari 2017 heeft eiser een subsidieaanvraag in het kader van de Subsidieregeling ingediend voor de toepassing van energiebesparende maatregelen in het gebouw.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen, omdat daarin subsidie werd gevraagd voor het energiezuiniger maken van een bedrijfsgebouw dat zou worden omgebouwd tot een woning en verweerder die subsidie, gelet op de Subsidieregeling, slechts kan verlenen voor het energiezuiniger maken van bestaande koopwoningen. Het moet volgens verweerder gaan om gebouwen die ten tijde van de subsidieaanvraag al een woning zijn en niet om gebouwen die dat nog moeten worden. Hiervan is in het geval van eiser sprake en daarom beantwoordt eisers aanvraag, naar het oordeel van verweerder, niet aan het doel van de Subsidieregeling als omschreven in artikel 2, waardoor geen subsidie kan worden verleend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn afwijzing van de subsidieaanvraag gehandhaafd.

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat het gebouw waarvoor de subsidie is aangevraagd geen bestaande koopwoning is in de zin van de Subsidieregeling. Volgens eiser is het gebouw historisch gezien een woning die na verloop van tijd in gebruik is genomen als een bedrijf, waardoor er een bedrijfsbestemming aan is gegeven. Eiser betoogt dat er ten tijde van de subsidieaanvraag geen sprake was van een omvorming van een bedrijfsgebouw tot een woning, maar van een verfraaiing van een bestaande woning. Zo was er op dat moment al een keuken en een badkamer aanwezig in het voorste deel van het gebouw en waren alle ruimtes voorzien van ramen. De woning was volgens eiser dan ook bewoonbaar op het moment dat hij de subsidie aanvroeg. Eiser woonde er alleen nog niet omdat hij zijn huis in [woonplaats] nog niet had verkocht. De energiebesparende maatregelen zijn toegepast in overeenstemming met het doel van de Subsidieregeling en de daarin gestelde voorwaarden, waardoor hij recht heeft op subsidie, aldus eiser.

4. Ingevolge artikel 2 van de Subsidieregeling is het doel van de regeling energiebesparing te stimuleren in bestaande koopwoningen in de particuliere sector en in bestaande gebouwen van verenigingen van eigenaars, woonverenigingen en wooncoƶperaties, waarvan een of meer leden eigenaar-bewoner zijn. In artikel 1, eerste lid van de Subsidieregeling staat dat een koopwoning een woning is van een eigenaar-bewoner. Een woning wordt omschreven als een bestaande gebouwde onroerende zaak, die een zelfstandige woongelegenheid vormt en een eigenaar-bewoner is, gelet op artikel 1, tweede lid, onder a, van de Subsidieregeling, een natuurlijke persoon die een woning in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben, direct na realisatie van de activiteiten waarvoor op grond van deze regeling subsidie is aangevraagd.

5. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het gebouw aan de [adres] , te [woonplaats] op het moment van de subsidieaanvraag een bestaande koopwoning was en overweegt als volgt.

6. De rechtbank oordeelt allereerst dat de stelling dat het gebouw vroeger een woning was niet leidt tot de conclusie dat het ten tijde van de subsidieaanvraag een bestaande koopwoning was. De bestemmingswijzigingen en het gebruik van het gebouw als smederij staan daaraan in de weg. Het perceel met daarop het gebouw had ten tijde van de aankoop daarvan door eiser op 1 september 2016 een bedrijfsbestemming, zo blijkt uit het door verweerder overlegde bestemmingsplan dat door de gemeente Soest bij besluit van 29 september 2016 is vastgesteld. Uit het genoemde besluit volgt dat de gemeente Soest de bedrijfsbestemming heeft gewijzigd naar woonbestemming, zodat de voormalige smederij voor staalproducten en kunstwerken kon worden verbouwd tot een woning met een werkruimte aan huis.

7. Ter zitting heeft eiser uitgelegd dat de verbouwing in twee rondes heeft plaatsgevonden en dat het gebouw, gelet op de afronding van de eerste verbouwing in november 2016, bewoonbaar was toen hij op 2 februari 2017 een subsidieaanvraag indiende. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat de omvorming van de voormalige smederij tot een woning daarmee voltooid was en dat de verbouwing die nadien heeft plaatsgevonden slechts een verfraaiing van die woning betrof. Ter zitting is namelijk gebleken dat tijdens de tweede verbouwingsronde pas het achterste deel van de woning, de voormalige loods, bewoonbaar is gemaakt. Dat dit geen verfraaiing betrof, blijkt uit eisers eigen verklaring dat hij (ook) voor deze verbouwing een omgevingsvergunning nodig had. Daarnaast blijkt uit de door eiser overgelegde offerte van [bouwbedrijf] 21 november 2016, dat de toen nog te verrichten werkzaamheden bedoeld waren om een woning te maken in een industriƫle hal, waarmee het achterste deel van de woning wordt bedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank was ten tijde van eisers subsidieaanvraag daarom nog sprake van een omvorming van een bedrijfsgebouw naar een woning. Eisers stelling dat hij ten tijde van de subsidieaanvraag al wel in een deel van de woning kon wonen doet daar niet aan af. Naar het oordeel van de rechtbank hebben alle verbouwingen tezamen geleid tot het ontstaan van een woning.

8. De rechtbank overweegt verder dat uit de toelichting op de Subsidieregeling (Staatscourant 2016, nr. 45219, p. 10, van 1 september 2016) volgt dat de wetgever niet heeft bedoeld subsidie te verlenen voor maatregelen die particulieren ook zonder subsidie zouden nemen. In de toelichting op de Regelingswijziging van 9 december 2016 (Staatscourant 2016, nr. 68352, p. 4, van 15 december 2016) heeft de wetgever verduidelijkt dat uitsluitend energiebesparende maatregelen worden gesubsidieerd die zijn toegepast in bestaande delen van een woning, omdat uitbreiding van een woning al moet voldoen aan de geldende energetische eisen en dit vaak niet tot energiebesparing leidt, maar eerder tot een grotere te verwarmen oppervlakte. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat de omgevingsvergunning, die hij nodig had voor de verbouwing van het gehele gebouw, voorschreef dat de verbouwing aan de eisen in het Bouwbesluit 2012 moest voldoen. In afdeling 5.1, van het Bouwbesluit 2012 worden, onder andere, eisen gesteld aan de energiezuinigheid van een gebouw. Eiser was op grond daarvan dus al verplicht om energiebesparende maatregelen te nemen en hoefde daartoe niet gestimuleerd te worden. In zoverre beantwoordt de subsidieaanvraag van eiser naar het oordeel van de rechtbank ook niet aan doel van Subsidieregeling. Dat eiser bij het energiezuinig maken van het gebouw, zoals hij zelf heeft gesteld, verder is gegaan door aansluiting te zoeken bij de Subsidieregeling komt voor zijn rekening en risico en kan niet leiden tot een ander oordeel. Het stond eiser na de afwijzing van zijn subsidieaanvraag immers vrij om te kiezen voor energiebesparende maatregelen in overeenstemming met het Bouwbesluit 2012. Tot slot leidt de rechtbank, net als verweerder, uit de toelichting op de Regelingswijziging van 9 december 2016 af dat verbouwingen moeten plaatsvinden in bestaande delen van een woning om voor subsidie in aanmerking te komen. Nu bij verbouwing van het achterste gedeelte van het gebouw nog geen sprake was een woning, moet worden geconcludeerd dat eisers subsidieaanvraag niet strookt met het doel van de Subsidieregeling.

9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van eisers subsidieaanvraag nog geen sprake was van een bestaande koopwoning in de zin van de Subsidieregeling. Verweerder heeft de subsidieaanvraag van eiser terecht afgewezen omdat niet is voldaan aan de voor verlening van de subsidie vereiste voorwaarden. De beroepsgronden slagen niet.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.M. Heppe, rechter, in aanwezigheid van J. Broere, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.