Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2315

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-05-2018
Datum publicatie
29-05-2018
Zaaknummer
6535363 UV EXPL 17-357
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding tot ontruiming van de laatst overgebleven boot aan het Zandpad in Utrecht; opzegging huurovereenkomst voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 7:228 lid 2 BW; voeging huurder aan de zijde van gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6535363 UV EXPL 17-357 MCE/30660

Kort geding vonnis van 18 mei 2018

inzake

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen het Waterschap,

eisende partij,

gemachtigde: mr. S. van Dijk-Elsinga,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: de heer [gemachtigde] ,

met als voegende partij aan de zijde van [gedaagde] :

[gevoegde partij] ,

verder ook te noemen [gevoegde partij] ,

gemachtigde: mr. M. Rotgans.

1 De procedure

1.1.

Het Waterschap heeft [gedaagde] op 28 december 2017 in rechte betrokken; de zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2018.

1.2.

[gevoegde partij] heeft per fax van 23 januari 2018, die voorafgaand aan de zitting is binnengekomen, verzocht om zich te mogen voegen aan de zijde van [gedaagde] .

1.3.

[gedaagde] heeft de kantonrechter tijdens de zitting van 23 januari 2018 gewraakt. Het wrakingsverzoek is op 23 februari 2018 door de Wrakingskamer ongegrond verklaard. Vervolgens is de mondelinge behandeling van het kort geding voortgezet. Het vervolg van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 april 2018. Na afloop van deze mondelinge behandeling heeft [gedaagde] opnieuw een verzoek tot wraking van de kantonrechter ingediend. Dit verzoek is op 1 mei 2018 ongegrond verklaard. De kantonrechter heeft vervolgens vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het Waterschap is eigenaresse van de waterbodem, het oppervlaktewater en de ondergrond van de Vecht ter plaatse van het [adres] in [woonplaats] . Aan het [adres] bevond zich jarenlang een prostitutiezone met boten. De gemeente Utrecht heeft, in verband met ernstige vermoedens van mensenhandel, de exploitatievergunningen van deze boten ingetrokken. Daarop heeft het Waterschap de huurovereenkomsten die zij met de exploitanten van de boten had in december 2013, maart 2016 en augustus 2016 opgezegd.

2.2.

[gedaagde] is eigenaar van enige overgebleven boot aan het [adres] . Zijn boot is gelegen aan [adres] . Met de andere exploitanten heeft het Waterschap overeenkomsten gesloten met betrekking tot de vrijwillige verwijdering van de boten. In dat kader is in december 2017 de laatste boot verwijderd.

2.3.

Sinds 1 november 2017 huurt [gevoegde partij] woonruimte op de boot van [gedaagde] . Hij heeft daartoe een tijdelijke huurovereenkomst gesloten met [naam B.V.] (hierna: [naam B.V.] ). Op de boot is daarnaast een kapperszaak gevestigd.

2.4.

Het Waterschap heeft met de gemeente Utrecht afgesproken dat op de locatie van de voormalige prostitutiezone aan het [adres] milieuvriendelijke oevers worden aangelegd.

3 Het geschil

3.1.

Het Waterschap vordert:

(1) de veroordeling van [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis het/de (voorheen) gehuurde perceel/percelen met al degenen die en al datgene dat zich ter plaatse namens hem bevinden of bevindt te ontruimen, overeenkomstig de bepalingen daarover in de huurovereenkomst en de wet, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke mocht blijven gedurende de eerste veertien dagen, € 7.500,00 per dag gedurende de volgende twee weken en € 10.000,00 per dag gedurende de periode hierna, tot een maximum van € 100.000,00, althans op bedragen zoals de kantonrechter die in goede justitie zal vaststellen, onverminderd de bevoegdheid van het Waterschap tot tenuitvoerlegging door de gerechtsdeurwaarder;

(2) [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure;

(3) De veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, voor zover de wet dat toelaat.

3.2.

Het Waterschap legt aan haar vorderingen – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Zij heeft, op basis van een huurovereenkomst voor onbepaalde duur, aan [gedaagde] ruim 80 m2 aan oppervlakte water en ondergrond aan het [adres] te [woonplaats] verhuurd. [gedaagde] mocht het gehuurde gebruiken als ligplaats voor een woonschip en het hebben van vier vlonders/steigers. Het Waterschap heeft de huurovereenkomst op 2 december 2013 opgezegd tegen 3 maart 2014 respectievelijk 1 april 2014. Sindsdien wordt de locatie zonder recht of titel door [gedaagde] gebruikt.

3.3.

[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen. Zijn verweer wordt, voor zover van belang, hierna weergegeven.

4. De beoordeling

de dagvaarding

4.1.

[gedaagde] meent dat hij niet op de juiste wijze is gedagvaard omdat niet hij, maar [naam B.V.] de dagvaarding heeft ontvangen. De dagvaarding is volgens hem bovendien in delen aangeleverd. Nu de dagvaarding aan het woonadres van [gedaagde] op de [adres] in [woonplaats] is betekend, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] op de juiste wijze is gedagvaard. Als [gedaagde] de dagvaarding al niet ontvangen zou hebben als gevolg van een gebrek in de dagvaarding, dan zou de kantonrechter geen nietigheid hebben uitgesproken. [gedaagde] en zijn gemachtigde zijn immers op de zittingen aanwezig geweest. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagde] in dat geval niet onredelijk in zijn belangen zou zijn geschaad. Voor zover [gedaagde] met het aanleveren in delen doelt op de aanvullende producties van het Waterschap, heeft te gelden dat zij die – gelet op artikel 6.2 van het Procesreglement kort gedingen – op tijd heeft ingediend.

het verzoek tot voeging

4.2.

[gevoegde partij] heeft voeging gevorderd aan de zijde van [gedaagde] . [gevoegde partij] stelt daartoe dat hij belang heeft bij afwijzing van de vordering van het Waterschap. Hij huurt immers een woning op de woonark van [gedaagde] en meent daarom huurbescherming te genieten. Zijn belangen zijn zodanig essentieel dat de vordering van het Waterschap daarvoor dient te wijken.

4.3.

Het Waterschap heeft, onder verwijzing naar artikel 7 van het Procesreglement kort gedingen, verweer gevoerd tegen het verzoek tot voeging. Het verzoek van [gevoegde partij] is kort voor de zitting van 23 januari 2018 binnengekomen en moet dus als te laat ingediend worden afgewezen.

4.4.

Op grond van artikel 217 Rv kan ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding vorderen zich daarin te mogen voegen. Op grond van artikel 7 van het Procesreglement kort gedingen dient die vordering zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 24 uur vóór de terechtzitting schriftelijk aan de wederpartij en de rechter te worden meegedeeld. Wat de sanctie moet zijn op het niet-tijdig aankondigen van een incidentele vordering, valt volgens de voetnoot bij het artikel in algemene zin niet te zeggen. In dit geval is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een eenvoudig te beoordelen incidentele vordering. Het Waterschap heeft niet aangevoerd dat toewijzing van de vordering in strijd is met de goede procesorde of het beginsel van hoor en wederhoor. Het Waterschap heeft ter zitting bovendien aangegeven dat zij op de hoogte was van het feit dat [gevoegde partij] als huurder op de boot van [gedaagde] verblijft. Nu het belang van [gevoegde partij] bij afwijzing van de vordering jegens [gedaagde] voorts evident is, zal de kantonrechter het verzoek van [gevoegde partij] tot voeging aan de zijde van [gedaagde] toestaan.

de vordering tot ontruiming

4.5.

De kantonrechter is van oordeel dat het Waterschap een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Duidelijk is immers dat met de werkzaamheden voor de aanleg van milieuvriendelijke oevers niet kan worden begonnen zolang de boot van [gedaagde] daar nog ligt. [gevoegde partij] heeft nog aangevoerd dat het Waterschap in ieder geval sinds de notitie AGV van juni 2017 op de hoogte is van de plannen en dat zij toen een bodemprocedure had kunnen aanspannen. Het Waterschap heeft evenwel voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de tussenliggende periode heeft gebruikt voor onderhandelingen met de booteigenaren. Dat zij toen niet heeft gekozen voor het starten van een bodemprocedure is dan ook begrijpelijk.

4.6.

De vraag waar het in deze procedure om draait is of [gedaagde] het perceel aan het [adres] waar zijn boot gelegen is, moet ontruimen. [gedaagde] vindt van niet. Hij betwist dat zijn boot voor prostitutiedoeleinden is gebruikt en wijst de beschuldigingen van mensenhandel van de hand. Voor zover [gedaagde] meent dat het Waterschap daarom geen gegronde reden had om de huurovereenkomst op te zeggen, wordt zijn verweer verworpen. Het antwoord op de vraag of [gedaagde] zich met prostitutie en/of mensenhandel bezighield, is voor de opzegging van de overeenkomst niet van belang nu het een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 7:228 lid 2 BW betreft die mocht worden opgezegd. De opzeggingsgronden die in de huurovereenkomst zijn opgenomen zijn niet limitatief.

4.7.

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat hij steeds in de veronderstelling is geweest dat hij een overeenkomst had met Rijkswaterstaat en niet met het Waterschap. De huurovereenkomst die het Waterschap heeft overgelegd is door hem niet ondertekend en vermeldt bovendien [adres] in [woonplaats] als gehuurde en niet [adres] . De kantonrechter begrijpt uit dit verweer van [gedaagde] dat hij meent dat de vordering moet worden afgewezen omdat hij geen overeenkomst heeft met het Waterschap. Dit verweer kan ook niet slagen. Het Waterschap heeft onweersproken gesteld dat er sinds 2005 huur voor het perceel aan het [adres] wordt betaald namens [gedaagde] . Daarmee is aan de voorwaarden voor een huurovereenkomst voldaan. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld dat de huurovereenkomst geen betrekking heeft op het [adres] , maar op het woonadres van [gedaagde] aan de [adres], kan dit evenmin leiden tot afwijzing van de vordering. Het was voor partijen immers steeds duidelijk dat het om het perceel aan het [adres] ging en dat [adres] een verschrijving is. Ook het feit dat de huur door [naam B.V.] is voldaan, maakt dit niet anders. [naam B.V.] heeft op de zitting bevestigd dat zij namens [gedaagde] de betalingen voor het gebruik van de ligplaats aan het Waterschap doet.

4.8.

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat áls er al een huurovereenkomst is, deze niet op de juiste wijze is opgezegd omdat de opzegging naar het verkeerde adres is gegaan. Ook dit verweer wordt verworpen. Vast staat namelijk dat het Waterschap de opzegging op 2 december 2013 aan het woonadres van [gedaagde] op de [adres] in [woonplaats] heeft laten betekenen. De opzegging is daarmee op de juiste wijze gedaan.

4.9.

Ten slotte is er ook geen grond om aan te nemen dat er na de rechtsgeldige opzegging van de oude huurovereenkomst een nieuwe huurovereenkomst is gesloten tussen het Waterschap en [gedaagde] . [gedaagde] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op basis waarvan hij had mogen aannemen dat het Waterschap een nieuwe huurovereenkomst met hem aan wilde gaan. Het enkele feit dat het Waterschap huurbetalingen (of leges, zoals [gedaagde] de betalingen noemt) heeft geaccepteerd, kan naar het voorshands oordeel van de kantonrechter niet leiden tot het oordeel dat sprake is van een nieuwe huurovereenkomst. Ook dit verweer van [gedaagde] kan dus niet slagen.

4.10.

Met betrekking tot [gevoegde partij] wordt als volgt overwogen. Vast staat dat de gemeente Utrecht [naam B.V.] op 19 januari 2018 heeft aangeschreven dat zij handhavend zal optreden tegen de bewoning van de boot. Op de boot mag namelijk niet worden gewoond; er rust geen woonbestemming op het gebied. De bewoning door [gevoegde partij] van de boot van [gedaagde] aan het [adres] kan reeds om die reden niet voortduren. De woonbelangen van [gevoegde partij] vormen daarmee evenmin grond voor afwijzing van de vordering tot ontruiming.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zou komen dat de huurovereenkomst rechtsgeldig geëindigd is en de ontruiming zou toestaan. De in deze procedure gevorderde ontruiming zal derhalve worden toegewezen. De hiermee samenhangende dwangsommen, waar geen afzonderlijk verweer tegen is gevoerd, zullen eveneens worden toegewezen.

4.12.

[gedaagde] en [gevoegde partij] zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, in de kosten van het geding worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Waterschap worden begroot op:

- dagvaarding € 106,85

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat € 500,00

Totaal € 1.224,85

5 De beslissing

De kantonrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis het perceel/de percelen aan het [adres] te [woonplaats] te ontruimen en te verlaten en met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin/daarop van zijnentwege bevindt, geheel ter vrije beschikking te stellen aan het Waterschap;

5.2.

bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder 5.1. bepaalde, aan het Waterschap een dwangsom verbeurt van € 5.000,00 per dag gedurende de eerste veertien dagen, € 7.500,00 per dag gedurende de volgende twee weken en € 10.000,00 per dag gedurende de periode hierna, tot een maximum van € 100.000,00;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] en [gevoegde partij] in de proceskosten, aan de zijde van het Waterschap tot op heden begroot op € 1.224,85, waaronder het salaris gemachtigde;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans, kantonrechter, en is in aanwezigheid van mr. M.J.E. Cremer Eindhoven in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2018.