Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2229

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
16/659311-17, 16/659320-17 en 16/198923-17 (gev. ttz) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor twee pogingen tot zware mishandeling, twee mishandelingen en een vernieling. Er is sprake van een geestelijke stoornis bij de verdachte. Zij is verminderd toerekeningsvatbaar. De verdachte verblijft in een hoog beveiligde gesloten behandelsetting op basis van een Wet Bopz-machtiging. Deze machtiging loopt tot augustus 2018, maar kan zo nodig langdurig worden verlengd. De rechtbank oordeelt dat in deze omstandigheden een voortzetting van het verblijf een passende maatregel is. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf van 120 uur met een proeftijd van een jaar. De rechtbank heeft voor deze strafmodaliteit gekozen gelet op de specifieke situatie van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/659311-17, 16/659320-17 en 16/198923-17 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 mei 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 mei 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Hoogendam en van hetgeen verdachte en mr. L.A.C. ter Steeg, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 16/659311-17

Feit 1 primair: zich op 25 november 2016 te Huis ter Heide schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [aangever 1] door met haar beide handen zijn keel vast te pakken, dicht te knijpen en te houden.

subsidiair: zich op 25 november 2016 te Huis ter Heide schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [aangever 1] .

Feit 2: zich op 25 november 2016 te Huis ter Heide schuldig heeft gemaakt aan vernieling van een bril toebehorende aan [aangever 1] .

Feit 3 primair: zich op 25 november 2016 te Huis ter Heide schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [aangever 1] door een stoeptegel in de richting van het hoofd dan wel het lichaam van [aangever 1] te gooien.

subsidiair: zich op 25 november 2016 te Huis ter Heide schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [aangever 1] .

Parketnummer 16/659320-17

Feit 4: zich op 29 november 2016 te Huis ter Heide schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [aangever 2] door te slaan/schoppen tegen haar lichaam en haar bij de keel vast te pakken.

Parketnummer 16/198923-17

Feit 5: zich op 26 juli 2017 te Zutphen schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [aangever 3] door haar te slaan/stompen tegen het hoofd en aan haar haren te trekken.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair (poging zware mishandeling) en onder 3 primair (poging zware mishandeling) ten laste gelegde en heeft daartoe de hierna te bespreken bewijsverweren gevoerd. Subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van deze feiten, alsmede de onder 1 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten (mishandelingen) bepleit dat sprake was van noodweerexces, waardoor verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2, 4 en 5 ten laste gelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 16/659311-17

Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 en feit 3

Bewijsmiddelen 1

Proces-verbaal van aangifte van [aangever 1]

Op 25 november 2016 was ik in het [locatie] van [naam instelling] in [vestigingsplaats] .

Ik zag dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) op mij afkwam lopen. Op een gegeven moment werd ik door [verdachte] met beide handen bij mijn keel gegrepen. Ik voelde dat [verdachte]

door bleef gaan met mij in mijn keel te knijpen. Ik voelde dat ik heel weinig lucht

kreeg en bijna niet meer kon praten. Ik voelde de handen van [verdachte] steeds strakker om mijn keel heengaan.

Ik zag en voelde dat [verdachte] mijn bril van mijn hoofd aftrok. Ik zag dat [verdachte] mijn bril in stukken brak.

[verdachte] bleef doorgaan. Ik ben halverwege op de trap stil blijven staan. Ik zag dat [verdachte] ongeveer een meter of drie van mij afstond boven aan de trap. Ik zag dat [verdachte] met beide handen een stoeptegel boven haar hoofd hield. Ik zag dat [verdachte] een aantal treden naar beneden kwam lopen. Ik zag dat [verdachte] de stoeptegel met kracht richting mijn hoofd gooide. Ik kon mijn lichaam nog net wegdraaien. Ik voelde dat de stoeptegel op mijn linker kuit van mijn been viel.2

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1]

Op 25 november 2016 in [vestigingsplaats] zag ik dat [aangever 1] tegen een muur aan kwam te staan. Ik hoorde dat [aangever 1] iets wilde zeggen, maar ik kon hem niet goed verstaan, omdat hij

zacht en gorgelend sprak. Ik zag toen dat [verdachte] met beide handen de keel van [aangever 1]

dichtkneep. Ik probeerde de handen van [verdachte] los te maken, maar dat lukte niet direct. Ik voelde dat [verdachte] zich hier tegen verzette. Ik heb mij tussen [verdachte] en [aangever 1] in gewurmd,

waardoor [verdachte] , [aangever 1] losliet. Op het moment dat ik [verdachte] en [aangever 1] uit elkaar heb, zie ik dat [verdachte] de bril van [aangever 1] van zijn hoofd trekt. Ik zie dat zij dit doet met twee handen. Ik zie dat

[verdachte] de bril voor de neus van [aangever 1] in stukken breekt. Ik zag dat [verdachte] stukken van de

bril op straat gooide.

Ik zag dat [verdachte] boven aan de trap stond met boven haar hoofd een straattegel van 30 bij 30 centimeter. Ik zag dat [verdachte] deze tegel met beide handen vasthield. Ik zag dat [verdachte] met de straattegel boven haar hoofd een aantal traptreden naar beneden liep in de richting van [aangever 1] . Ik zag dat [verdachte] de straattegel in de richting van [aangever 1] gooide. Ik zag dat [aangever 1] zich weg draaide om de tegel te ontwijken. Ik zag dat de tegel [aangever 1] raakte. Ik zag dat [aangever 1] verwondingen had in zijn hals.3

Bewijsverweren

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de onder 1 primair en onder 3 primair ten laste gelegde pogingen tot zware mishandeling bepleit dat er op basis van het dossier niet zonder redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van opzet op en een begin van uitvoering van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De raadsvrouw verzoekt verdachte derhalve vrij te spreken van de onder 1 primair en onder 3 primair ten laste gelegde feiten.

Allereerst overweegt de rechtbank dat voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat er in beide gevallen geen sprake is geweest van een begin van uitvoering dit weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen.

De rechtbank heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 primair en het onder feit 3 primair ten laste gelegde zich de vraag gesteld of de poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Daarvan kan alleen sprake zijn wanneer de onder 4.3 vastgestelde feiten voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kunnen opleveren, nu er geen bewijs is dat verdachte met zogeheten ‘boos opzet’ zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen aan [aangever 1] .

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden en die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Kort en goed dient in het onderhavige geval op grond van de redengevende feiten en omstandigheden te worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft bestaan.

Ten aanzien van feit 1 primair

De rechtbank acht, gelet op de aangifte, de verklaring van getuige [getuige 1] en het bij verdachte geconstateerde letsel in de keel/hals, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de keel van aangever met haar beide handen en met kracht heeft dichtgeknepen en enige tijd dichtgeknepen heeft gehouden. Verdachte heeft niet uit zichzelf de keel van aangever losgelaten, maar getuige [getuige 1] moest zich tussen aangever en verdachte inwurmen, waarna verdachte aangever pas los heeft gelaten.

Aangever heeft geen zwaar lichamelijk letsel opgelopen, maar dit handelen van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank naar zijn uiterlijke verschijningsvorm wel aan te merken als een gedraging gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft derhalve bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever door haar handelen zwaar lichamelijk letsel, bijvoorbeeld letsel ten gevolge van zuurstofgebrek, op zou (kunnen) lopen.

Het onder 1 primair ten laste gelegde kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 3 primair

De rechtbank acht, gelet op de aangifte en de verklaring van getuige [getuige 1] wettig en overtuigend bewezen dat het handelen van verdachte, te weten het vanaf een hoger gelegen traptrede een stoeptegel boven je hoofd houden en deze met kracht richting het hoofd en/of het lichaam van een persoon te gooien, een handeling betreft die naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Het maakt naar het oordeel van de rechtbank niet uit of de stoeptegel het hoofd van aangever zou hebben geraakt, hetgeen hoofdletsel zou hebben opgeleverd, of dat de stoeptegel tegen het lichaam was beland. Ook in dit laatste geval was de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk. Het voorval heeft immers halverwege een trap plaatsgevonden, als gevolg waarvan de kans aanmerkelijk was dat aangever bij een val ongelukkig terecht zou zijn gekomen.

Het onder 3 primair ten laste gelegde kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Parketnummer 16/659320-17

Ten aanzien van feit 4

Bewijsmiddelen 4

Proces-verbaal van aangifte van [aangever 2]

Op 29 november 2016 in [vestigingsplaats] vloog [verdachte] mij aan. Ik voelde dat zij mij begon te slaan en schoppen. Ik kreeg meerdere klappen en schoppen van [verdachte] . Ik ben ook door [verdachte] bij mijn keel gegrepen. Ik zag en voelde dat zij mij bij mijn keel greep. Na het incident had ik pijn. Ik had krabwonden op mijn onderarmen en handen. Ik had blauwe plekken op mijn borst van de klappen. Ik had ook striemen in mijn hals.5

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2]

Op 29 november 2016 zag ik dat [verdachte] [aangever 2] sloeg. Ik zag dat [verdachte] [aangever 2] vastpakte. Ik zag dat [verdachte] [aangever 2] vast had gegrepen en ik zag dat zij [aangever 2] letsel had

toegebracht. Ik zag over de borstpartij van [aangever 2] krassen.6

Conclusie

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Parketnummer 16/198923-17

Ten aanzien van feit 5

Bewijsmiddelen 7

Proces-verbaal van aangifte van [aangever 3]

Op 26 juli 2017 te Zutphen zag ik dat [verdachte] mij met haar vuist op mijn hoofd sloeg en voelde hierna gelijk dat zij met haar handen aan mijn haren trok. Ik voelde veel pijn aan mijn hoofd toen [verdachte] met beide handen aan mijn haren trok. [verdachte] trok mij half naar beneden toe toen ze mij aan mijn haren trok.8

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] :

Op 26 juli 2017 zag ik dat [verdachte] met een vuist tegen het hoofd van [aangever 3] sloeg en haar daarna aan haar haren trok.9

Conclusie

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1. Primair

zij op 25 november 2016 te Huis ter Heide ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet met beide handen de keel van die

[aangever 1] heeft vastgepakt en vervolgens die keel met kracht heeft

dichtgeknepen en heeft dichtgehouden, zijnde de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

zij op 25 november 2016 te Huis ter Heide, opzettelijk en wederrechtelijk een bril, geheel

toebehorende aan [aangever 1] , heeft vernield, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk die bril in stukken te breken;

3.Primair

zij op 25 november 2016 te Huis ter Heide, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet vanaf een hoger gelegen traptrede een

zwaar voorwerp, te weten een stoeptegel, met kracht vanaf boven

haar, verdachtes, hoofd in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die

[aangever 1] heeft gegooid, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

voltooid;

4.

zij op 29 november 2016 te Huis ter Heide, opzettelijk mishandeld een persoon te weten [aangever 2] ,

- meermalen tegen het lichaam heeft geslagen en geschopt en

- bij de keel heeft vastgepakt,

waardoor voornoemde [aangever 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft

ondervonden;

5.

zij op 26 juli 2017 te Zutphen, [aangever 3] heeft mishandeld

door die [aangever 3] te stompen tegen het hoofd en

door die [aangever 3] aan de haren te trekken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

De verdediging heeft ten aanzien van de feiten 1 en 3 de toepassing van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht bepleit.

De rechtbank is van oordeel dat, anders dan de verdediging stelt, er geen sprake is van een voortgezette handeling, nu de feiten niet voortkomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit. De enkele omstandigheid dat de feiten met elkaar in verband staan, is daartoe onvoldoende.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

1. primair: Poging zware mishandeling;

2. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan

een ander toebehoort, vernielen;

3. primair: Poging zware mishandeling;

4. Mishandeling;

5. Mishandeling.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Beroep op noodweerexces

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde geen beroep op noodweer(exces) toekomt. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte aangever [aangever 1] zelf heeft opgezocht en hem heeft geprovoceerd. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging geboden was.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte ter zake van de onder 1 en onder 3 tenlastegelegde feiten dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsvrouw heeft daartoe betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte, door (gedragingen), weliswaar de grenzen van noodzakelijk verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door (het onmiddellijk dreigend gevaar voor) de ogenblikkelijke, wederrechtelijk aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces is allereerst vereist dat er sprake moet zijn geweest van een noodweersituatie, dat wil zeggen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waartegen de verdediging noodzakelijk en proportioneel moet zijn. De rechtbank oordeelt dat uit de feiten en omstandigheden, zoals deze uit het dossier blijken, niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een situatie waarin verdachte blootstond aan een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de aangifte van [aangever 1] en de getuigenverklaring van [getuige 1] dat het telkens verdachte is geweest die de confrontatie met aangever heeft opgezocht en door te blijven schelden provocerend gedrag heeft vertoond. Aangever is meerdere malen weggelopen bij verdachte, maar zij bleef steeds achter aangever aankomen. Dat aangever op enig moment de arm van verdachte beet heeft gepakt, is in dit geval geen omstandigheid die een noodweersituatie in het leven heeft geroepen. Ook de omstandigheid dat verdachte zich angstig voelde in de aanwezigheid van aangever in het [locatie] in verband met hun voorgeschiedenis en wellicht vanuit die emotie de confrontatie op zocht, maakt dit niet anders.

Nu geen sprake is een noodweersituatie wordt het beroep op noodweerexces reeds daarom verworpen.

Pro Justitia rapportages

Door psycholoog M.G.H. van Willigenburg is op 30 januari 2018 een Pro Justitia rapport opgemaakt betreffende verdachte. Geadviseerd wordt betrokkene het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Ook psychiater A.W.M.M. Stevens komt in haar Pro Justitia rapport van 30 januari 2018 tot het advies om verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank neemt de voormelde conclusies over en maakt deze tot de hare.

Nu uit de rapportages of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit, is verdachte strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte verminderd ontoerekeningsvatbaar te verklaren en verdachte te veroordelen tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat gelet op de mate van toerekenbaarheid, het duidelijke patroon dat zichtbaar is bij de ten laste gelegde feiten en de geconstateerde feiten, zij een straf niet op zijn plaats acht. Daarbij komt dat geen enkele straf wenselijk is voor verdachte: een gevangenisstraf zou desastreus zijn voor haar, een werkstraf kan zij niet verrichten en een geldboete kan verdachte niet betalen. De raadsvrouw heeft bepleit dat zal worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel ex artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Voorts heeft de raadsvrouw bepleit dat de rechtbank geen terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal opleggen, nu deze maatregel niet noodzakelijk is voor het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Verdachte bevindt zich vanaf 19 januari 2018 op basis van een inbewaringstelling (IBS) in het orthopedagogisch behandelcentrum (OBC) [naam instelling] in [vestigingsplaats] , onderdeel van [naam instelling] . Per 30 maart 2018 zit ze op een intensieve zorggroep binnen deze kliniek. Deze kliniek lijkt de juiste behandeling en begeleiding aan verdachte te kunnen bieden. Ze bevindt zich nu in een omgeving met duidelijke structuur. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank dit BOPZ-traject voort te laten zetten en niet te laten doorkruisen door een strafrechtelijke traject.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich binnen een kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan een tweetal pogingen tot zware mishandeling. Verdachte heeft allereerst met beide handen aangevers keel dichtgeknepen en dichtgehouden en vervolgens heeft ze een stoeptegel richting aangever gegooid. Aldus handelende heeft zij ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem angst aangejaagd. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. Bovendien worden daardoor in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid aangewakkerd.

Ook heeft verdachte de bril van aangever vernield door deze in stukken te breken. Hierdoor heeft de verdachte de benadeelde financiële schade berokkend en hem overlast bezorgd.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een tweetal mishandelingen van zorgverleners. Verdachte heeft een arts voor verstandelijk gehandicapten meermalen tegen het lichaam geslagen, geschopt en haar bij de keel vastgepakt. En verdachte heeft haar persoonlijk begeleidster tegen haar hoofd gestompt en aan haar haren getrokken. Verdachte heeft door haar handelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefsters. Verbaal of fysiek geweld tegen zorgverleners kan niet worden getolereerd, ook niet wanneer de verdachte psychische problemen heeft. Het is namelijk belangrijk dat zorgverleners hun werk goed kunnen doen en zich daarbij veilig voelen.

De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 29 maart 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten;

- een psychologisch onderzoek Pro Justitia van 30 januari 2018, opgesteld door A.W.M.M. Stevens, klinisch psycholoog;

- een psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van 30 januari 2018, opgesteld door M.G.H. van Willigenburg, psychiater.

toerekenbaarheid

Het Pro Justitia rapport opgemaakt door psychiater Stevens houdt onder meer het volgende in. Bij betrokkene is sprake van een autismespectrumstoornis en een licht verstandelijke beperking. Betrokkene kan op grond van haar ASS (sociale) situaties niet goed inschatten, dit wordt verergerd door haar verstandelijke beperking. Zij interpreteert situaties verkeerd, wordt gespannen, gefrustreerd en bij gebrek aan adequatere coping mechanismen reageert zij vervolgens boos, dreigend en agressief. Ook ten tijde van de tenlastegelegde feiten hadden haar stoornissen invloed op haar handelen. Geadviseerd wordt betrokkene het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

Ook psycholoog Van Willigenburg adviseert het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Zij komt tot dit advies nu er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een licht verstandelijke beperking en een autismespectrumstoornis. Overprikkeling, het niet kunnen omgaan met onverwachtse situaties, een hoog spanningsniveau, beïnvloedbaarheid, wantrouwen, het ontbreken van zelfreflectie en empathie en een zwakke frustratietolerantie hebben bijgedragen aan impulsieve agressie en hebben haar in haar keuzevrijheid ten tijde van het tenlastegelegde beperkt.

De rechtbank heeft de conclusies van de gedragsdeskundigen dat verdachte ten tijde van de laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar was overgenomen en zal hiermee rekening houden in de strafoplegging.

recidiverisico en terugdringing daarvan

Het recidiverisico wordt door beide rapporteurs ingeschat als hoog. Om gewelddadig gedrag te verminderen is een inperking van de vrijheden van verdachte en toename van structurering noodzakelijk. Op deze wijze wordt de voorspelbaarheid vergroot, het aantal prikkels teruggedrongen, en kan getracht worden een niveau te bereiken waarop zij enige tijd stabiel kan functioneren. Er wordt niet geadviseerd bovenstaande behandeling plaats te laten vinden in het kader van een bijzondere voorwaarde met een (deels) voorwaardelijk strafdeel achter de hand. Ingeschat wordt dat betrokkene zich niet aan de bijzondere voorwaarden zal kunnen houden gezien haar beperkingen. Een gevangenisstraf zal delinquent gedrag vervolgens in de hand werken doordat zij wordt blootgesteld aan de gevangenispopulatie. Het is onwenselijk dat betrokkene vervolgens onbehandeld weer uit detentie komt, omdat het recidiverisico dan onverminderd hoog is, of zelfs hoger. Aangezien verdachte zich niet

aan voorwaarden zal kunnen committeren, wordt ook een tbs met voorwaarden niet

haalbaar geacht. Alhoewel betrokkene nooit eerder in een strafrechtelijk kader is behandeld, is zij sinds haar vierde bekend in de gewone psychiatrie en heeft zij sindsdien zeer

veel (hooggespecialiseerde) behandelingen gehad, zonder het gewenste resultaat.

Beide deskundigen adviseren de rechtbank om verdachte tbs met dwangverpleging op te leggen.

strafoplegging

De rechtbank heeft gelet op voorgaande rapportages, de vordering van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging beraadslaagd over de vraag of, naast het opleggen van een straf, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging moet volgen.

Er is sprake van strafbare feiten, die een gevaar hebben gevormd voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Ook is er bij verdachte sprake van geestelijke stoornissen, die haar verminderd toerekeningsvatbaar maken. Toch beantwoordt de rechtbank bovenstaande vraag negatief.

Ter terechtzitting is de huidige behandelaar van verdachte bij [naam instelling] , mevrouw N.H. Kennedy, GZ-psycholoog en psychotherapeut, als deskundige gehoord. Zij heeft verklaard dat verdachte sinds 30 maart 2018 is opgenomen in een intensieve zorggroep binnen [naam instelling] , genaamd “ [...] ”. Dit betreft een zorggroep specifiek voor mensen die al veel psychiatrische trajecten achter de rug hebben maar die onvoldoende resultaat hebben gehad. Er wordt bij deze behandelgroep anders gewerkt dan bij reguliere behandelgroepen. Er wordt geprobeerd de context aan de cliënt aan te passen, hetgeen rust en stabiliteit creëert. Verdachte verblijft daar in een hoog beveiligde gesloten behandelsetting. De deskundige heeft verklaard dat verdachte goed lijkt te functioneren binnen dit systeem, er zijn sinds haar opname aldaar geen fysieke incidenten geweest. De voorlopige machtiging in het kader van de Wet Bopz van verdachte loopt tot augustus 2018, maar kan zo nodig langdurig verlengd worden. Er is voor verdachte meerzorg aangevraagd, zodat er nog meer intensieve begeleiding kan worden ingezet. Het civiele kader is hiervoor meer geschikt dan een strafrechtelijk kader.

De rechtbank is, gelet op hetgeen deskundige Kennedy ter terechtzitting heeft verklaard, van oordeel dat de hoog beveiligde gesloten behandelsetting waar verdachte op dit moment verblijft geschikt lijkt te zijn voor haar en uitzicht biedt op een adequate behandeling. Een tbs met dwangmiddel acht de rechtbank gelet hierop thans een te zwaar middel, nu het gevaar op herhaling van soortgelijke feiten op een andere, minder ingrijpende, wijze kan worden ingeperkt. Voortzetting van het verblijf in een psychiatrische setting op basis van een Wet Bopz-machtiging lijkt in deze omstandigheden vooralsnog een afdoende maatregel.

De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen, nu dit geen recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Alles afwegende zal de rechtbank verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf opleggen van na te noemen duur. De rechtbank zal daarbij slechts een proeftijd van 1 jaar opleggen, gelet op de ouderdom van de feiten. De rechtbank heeft voor deze strafmodaliteit gekozen gelet op de specifieke situatie van de verdachte.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 300, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 en 5 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;

- bepaalt dat de taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. de Stigter, voorzitter, mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en E.J. van Rijssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. den Haan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 mei 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

(parketnummer 16/659311-17)

1.

Primair

zij op of omstreeks 25 november 2016 te Huis ter Heide, gemeente Zeist,

althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet (met beide handen) de keel van die

[aangever 1] heeft (vast)gepakt en/of (vervolgens) die keel (met kracht) heeft

dichtgeknepen en/of heeft dichtgehouden, zijnde de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

zij op of omstreeks 25 november 2016 te Huis ter Heide, gemeente Zeist,

althans in het arrondissement Midden-Nederland, [aangever 1] heeft mishandeld

door voornoemde [aangever 1] met beide handen (met kracht) bij zijn keel vast te

pakken en/of vast te houden en/of door de keel van voornoemde [aangever 1] (met

beide handen) dicht te knijpe, waardoor voornoemde [aangever 1] letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 25 november 2016 te Huis ter Heide, gemeente Zeist,

opzettelijk en wederrechtelijk een bril, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door

toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk die bril in stukken te breken;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

Primair

zij op of omstreeks 25 november 2016 te Huis ter Heide, gemeente Zeist,,

althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet vanaf een hoger gelegen traptrede een

zwaar voorwerp, te weten een stoeptegel/straattegel, met kracht vanaf boven

haar, verdachtes, hoofd in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die

[aangever 1] heeft gegooid, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

zij op of omstreeks 25 november 2016 te Huis ter Heide, gemeente Zeist,,

althans in het arrondissement Midden-Nederland, [aangever 1] heeft mishandeld

door een stoeptegel/straattegel (met kracht) tegen het (linker)been en/of het

lichaam van voornoemde [aangever 1] te gooien, waardoor voornoemde [aangever 1] letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

(parketnummer 16/659320-17)

zij op of omstreeks 29 november 2016 te Huis ter Heide, gemeente Zeist,,

althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandeld een

persoon (te weten [aangever 2] ),

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) in/op/tegen het lichaam heeft

geslagen en/of geschopt en/of

- ( met kracht) bij de keel heeft (vast)gepakt,

waardoor voornoemde [aangever 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

(parketnummer 16/198923-17)

zij op of omstreeks 26 juli 2017 te Zutphen, [aangever 3] heeft mishandeld

door die [aangever 3] te slaan en/of te stompen op/tegen het hoofd en/of

door die [aangever 3] aan de haren te trekken;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 13 maart 2017, genummerd PL0900-2016385599, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 33. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar mogelijk wordt volstaan met een verkorte en zakelijke weergave.

2 een proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 1] van 28 november 2016, pagina 6.

3 een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 1 december 2016, pagina 15 en 16.

4 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 21 februari 2017, genummerd PL0900-2016387105, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 30. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar mogelijk wordt volstaan met een verkorte en zakelijke weergave.

5 een proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 15 december 2016, pagina 4.

6 een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 17 januari 2017, pagina 12.

7 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 28 augustus 2017, genummerd PL0600-2017356356, opgemaakt door politie Oost-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 14. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar mogelijk wordt volstaan met een verkorte en zakelijke weergave.

8 een proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] van 31 juli 2017, pagina 3, 4.

9 een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 15 augustus 2017, pagina 6, 7.