Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2218

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-04-2018
Datum publicatie
11-01-2019
Zaaknummer
AWB - 17/2889-V
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet gegrond; beroep gegrond; vernietiging bestreden besluit op bezwaar; opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar; vergoeding griffierecht; veroordeling proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 17/2889-V en UTR 17/2889

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2018 op het verzet van

[opposante/eiseres] , te [woonplaats] (Tanzania), opposante,

(gemachtigde: drs. P.J. Nes).

en

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2018 op het beroep van

[opposante/eiseres] , te [woonplaats] (Tanzania), eiseres,

(gemachtigde: drs. P.J. Nes)

en

Belastingdienst / Toeslagen, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Chattou)

Procesverloop

Bij uitspraak van 20 november 2017 heeft deze rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep van opposant, gericht tegen het besluit van de Belastingdienst / Toeslagen (geopposeerde) van 5 september 2016, niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is hiertoe overgegaan, omdat opposant niet voldaan heeft aan de verplichting tijdig beroep in te dienen bij de rechtbank.

Tegen deze uitspraak heeft opposante verzet gedaan.

Opposante en verweerder hebben zich ter zitting van 14 maart 2018 laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Het verzet

1. Op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb –voorzover hier van belang– kan een belanghebbende tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Awb verzet doen bij de rechtbank. Indien de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan op grond van artikel 8:55, achtste lid, van de Awb in stand.

2. In het verzetschrift en ter zitting is door opposante naar voren gebracht dat het besluit van 5 september 2016 door geopposeerde naar een foutief adres in Tanzania is verzonden. Naar aanleiding van dit standpunt heeft de rechtbank bij brief van 22 augustus 2017 verzendadministratie opgevraagd bij geopposeerde. Geopposeerde heeft bij brief van 30 augustus 2017 gereageerd op het verzoek van de rechtbank. In deze brief geeft geopposeerde aan geen verzendadministratie bij te houden van beslissingen op bezwaar. Daarnaast geeft hij aan dat beslissingen op bezwaar niet-aangetekend worden verstuurd. Voorts heeft geopposeerde gewezen op gedingstuk 11.0. Geopposeerde is van mening dat hij de beslissing op bezwaar van 5 september 2016 correct bekend heeft gemaakt door voornoemde beslissing naar het adres van de gemachtigde van opposante te sturen. De rechtbank volgt geopposeerde niet in dit standpunt. Uit processtuk 11.0 vallen geen aanwijzingen op te maken die erop wijzen dat de beslissing op bezwaar van 5 september 2016 daadwerkelijk is verzonden. De rechtbank overweegt daarom dat redelijkerwijs niet gesteld kan worden dat opposante te laat was met het indienen van haar beroepschrift. De rechtbank heeft daarom het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in de uitspraak van 20 november 2017. Derhalve ziet de rechtbank aanleiding het verzet gegrond te verklaren. Ingevolge artikel 8:55, negende lid, van de Awb, vervalt dientengevolge de uitspraak waartegen verzet was gedaan.

3. Op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb kan de rechtbank, indien hij het verzet gegrond verklaart, tevens uitspraak doen op het beroep indien nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, en de partijen in de gelegenheid zijn gesteld op een zitting te worden gehoord en daarbij zijn gewezen op de bevoegdheid om tevens uitspraak te doen op het beroep. Met toepassing van voornoemde bepaling zal de rechtbank in het vervolg van deze uitspraak het beroep behandelen.

Het beroep

4. Bij beslissing op bezwaar van 5 september 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, wegens een niet-verschoonbare overschrijding van de termijn voor het indienen van bezwaar. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat tegen de definitieve huurtoeslag met beschikkingnummer 1181.23.841.T.14.6.0132 bezwaar gemaakt kon worden tot 8 juli 2016. Het bezwaar van eiseres is op 12 augustus 2016 door verweerder ontvangen. Dit is buiten de bezwaartermijn, aldus verweerder.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiseres niet in de gelegenheid heeft gesteld de reden voor het te laat indienen van het bezwaarschrift aan te voeren en niet kenbaar heeft beoordeeld of de – door verweerder gestelde – termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Gelet hierop heeft verweerder geen toepassing gegeven aan het bepaalde in de artikelen 6:6 en 6:11 van de Awb. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

6. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Eiseres heeft in beroep betwist dat zij de berichtenbox waar verweerder het besluit van 27 mei 2016 in zou hebben geplaatst heeft geactiveerd. Verweerder kon desgevraagd geen antwoord geven op de vraag of het dan wel mogelijk was om een besluit in de berichtenbox te plaatsen. Verweerder zal dit eerst nader moeten onderzoeken. Verder heeft verweerder weliswaar betoogd dat het besluit van 27 mei 2016 ook per post naar Tanzania is gestuurd, maar verweerder heeft daarvan geen verzendadministratie overgelegd. Gelet op de betwisting van eiseres van een tijdige ontvangst van het besluit, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval duidelijk moet worden wanneer het besluit is verzonden. Daarover bestaat thans geen duidelijkheid, omdat in het dossier geen verzendadministratie van het primaire besluit zit. Gelet op het voorgaande is onduidelijk wanneer de bezwaartermijn is aangevangen en is daardoor op dit moment niet te beoordelen of het bezwaar al dan niet tijdig is ingediend.

7. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verweerder opdragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van het verzet, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het verzet gegrond;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit op bezwaar;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.252,50 te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Falkmann, rechter, in aanwezigheid van

G. van Luling LLB, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open voor zover dit de uitspraak in verzet betreft. Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.