Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2195

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-05-2018
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
C/16/457418 / KG ZA 18-169
Rechtsgebieden
Aanbestedingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding. Er is niet gehandeld in strijd met beoordelingsmethodiek. Reikwijdte motiveringsplicht ten aanzien van gunningsbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/457418 / KG ZA 18-169

Vonnis in kort geding van 18 mei 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

G4S SECURITY SERVICES B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. M. Chatelin,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRORAIL B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mrs. S. Sarić en T.T.A. Oudenhoven te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROFI-SEC SECURITY B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,
voegende partij aan de zijde van ProRail,

advocaat mr. J.C. Verlinden-Bijlsma.

Partijen zullen hierna G4S, ProRail en Profi-Sec worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 7,

  • -

    de incidentele conclusie houdende een verzoek tot tussenkomst, subsidiair houdende een
    verzoek tot voeging van Profi-Sec,

  • -

    de mondelinge behandeling van 3 mei 2018,

  • -

    de pleitnota van G4S

  • -

    de pleitnota van ProRail,

  • -

    de pleitnota van Profi-Sec.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling

2.1.

Het gaat in deze zaak om een door ProRail georganiseerde Europese openbare aanbesteding met betrekking tot de inkoop van beveiligings- en receptiediensten in en rondom vierentwintig van haar panden.

De spelregels voor deze aanbestedingsprocedure zijn vastgelegd in de aanbestedingsleidraad met bijlagen (productie 2 van G4S).


Het gunningscriterium is de economische meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding. Deze beste prijs-kwaliteitsverhouding wordt bepaald door de inschrijfprijs te verminderden met de totale meerwaarde die kan worden verkregen voor de kwaliteitsaspecten. De inschrijving met de laagste evaluatieprijs is de inschrijving met de beste prijs-kwaliteitsverhouding.
De kwalitatieve subgunningscriteria zijn:
1. Organisatie van dienstverlening (maximale meerwaarde € 300.000,--),
2. Gastvrijheid (maximale meerwaarde € 100.000,--),
3. Implementatieplan (maximale meerwaarde € 100.000,--), en
4. Duurzaamheid (maximale meerwaarde € 100.000,--).


G4S (de huidige contractant) en Profi-Sec hebben aan deze aanbesteding deelgenomen en tijdig hun inschrijving ingediend.
Bij brief van 19 februari 2018 heeft ProRail aan G4S meegedeeld dat zij op basis van de evaluatieprijs als tweede is geëindigd en dat zij voornemens is de opdracht aan Profi-Sec
te gunnen. ProRail heeft daarbij vermeld dat Profi-Sec een evaluatieprijs heeft gescoord van € 2.564.788,72 (de inschrijfprijs van € 2.869.788,22 verminderd met de totale gescoorde meerwaarde van € 305.000,--) en dat G4S een evaluatieprijs heeft gescoord van
€ 2.566.167,87 (de inschrijfprijs van € 3.016.167,87 verminderd met de totale gescoorde meerwaarde van € 450.000,--).

G4S is het niet eens met dit voorlopig gunningsvoornemen en heeft daarom, nadat het klachtenmeldpunt van ProRail haar bezwaren ongegrond had verklaard, dit kort geding aanhangig gemaakt.
In dit kort geding heeft G4S twee van haar drie bezwaren die zij bij het klachtenmeldpunt had aangevoerd laten varen. Het gaat in dit kort geding alleen nog om de beoordeling van subgunningscriterium 2 (Gastvrijheid) en niet zoals bij het klachtenmeldpunt het geval was ook nog om de beoordeling van subgunningscriteria 1 en 3.

Interventie van Profi-Sec

2.2.

Profi-Sec wil mee doen aan (interveniëren in) dit kort geding, primair op grond van tussenkomst en subsidiair op grond van voeging. Dit is toegestaan wanneer zij daarbij belang heeft. Het is evident dat zij dit belang heeft, aangezien ProRail van plan is om de opdracht aan Profi-Sec te gunnen en G4S dit door middel van dit kort geding wil voorkomen. G4S en ProRail hebben verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat Profi-Sec aan dit kort geding meedoet.

De voorzieningenrechter heeft daarom tijdens de mondelinge behandeling al beslist dat de interventie van Profi-Sec zal worden toegestaan. Er is alleen nog niet beslist of dit op grond van tussenkomst of voeging zal zijn en ook is er nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat materieel sprake is van een voeging. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat Profi-Sec hetzelfde verlangt als ProRail, namelijk gestanddoening van het oorspronkelijke gunningsvoornemen. Profi-Sec maakt niet duidelijk waarom zij zou mogen menen dat ProRail dit voornemen niet (meer) zou hebben. Profi-Sec wordt daarom als voegende partij aangemerkt en toegelaten. De proceskosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten in het incident draagt.


De vordering van G4S

2.3.

G4S vordert – kort gezegd – :

a) een verbod om uitvoering te geven aan het gunningsvoornemen, en daarnaast
primair een gebod dat de opdracht aan G4S wordt gegund, althans een verbod om de
opdracht aan een ander dan aan G4S te gunnen,
subsidiair dat de inschrijving van G4S met betrekking tot subgunningscriterium 2
wordt herbeoordeeld door een nieuwe en onafhankelijke beoordelingscommissie,
meer subsidiair dat alle inschrijvingen met betrekking tot subgunningscriterium 2
worden herbeoordeeld door een nieuwe en onafhankelijke beoordelingscommissie,
uiterst subsidiair staking van de aanbestedingsprocedure, en voor zover ProRail de
opdracht nog wenst te vergeven, een gebod tot heraanbesteding van de opdracht, en
b) een gebod om een eventueel hoger beroep tegen dit kort geding van G4S af te wachten
alvorens gevolg te geven aan het gunningsvoornemen.

Dit alles onder versterking van een dwangsom.

2.4.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft G4S haar eis nog willen vermeerderen,
in die zin dat door een nieuwe beoordelingscommissie (ook) tot integrale herbeoordeling van de inschrijving van Profi-Sec moet worden overgegaan. Ter onderbouwing van die eis heeft G4S aangevoerd dat ProRail de motiveringsplicht heeft geschonden doordat zij in de voorlopige gunningsbeslissing geen onderbouwing heeft gegeven voor de score van
Profi-Sec.

De voorzieningenrechter heeft deze eis- en grondslagvermeerdering, nadat ProRail en
Profi-Sec daartegen bezwaar hadden gemaakt en alle partijen daarover hun visie hebben kunnen geven, niet toegestaan. Het gaat hier om – zoals ProRail en Profi-Sec aanvoeren – een geheel nieuw punt van geschil dat niet in de dagvaarding is vermeld en ook niet speelde bij het klachtenmeldpunt van ProRail. ProRail en Profi-Sec hoefden bij de voorbereiding van het kort geding daarom niet op deze eis- en grondslagvermeerdering bedacht te zijn en hebben zich daarop onvoldoende kunnen voorbereiden. De eis- en grondslagvermeerdering is onder die omstandigheden in strijd met de goede procesorde.


De beoordeling van de vorderingen van G4S
2.5. G4S heeft aan haar vorderingen (zoals verkort weergegeven in 2.3) in haar dagvaarding ten grondslag gelegd dat – samengevat – ten aanzien van haar inschrijving de beoordelingsmethodiek niet is gevolgd. Het gaat daarbij om subgunningscriterium 2 (Gastvrijheid). Vier beoordelaars hebben haar voor dit subgunningscriterium een “goed” gegeven en één beoordelaar een “voldoende”. De laatste beoordelaar had volgens G4S gelet op de beoordelingsmethodiek ook een “goed” moet geven.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft G4S de grondslag voor haar vorderingen in de dagvaarding nog aangevuld, in die zin dat zij zich ook nog op het standpunt stelt dat ProRail de motiveringsplicht heeft geschonden, doordat zij in de gunningsbeslissing niet de relevante redenen voor de individuele scores van de leden van de beoordelingscommissie heeft bekend gemaakt.
De voorzieningenrechter heeft deze uitbreiding van de grondslag, nadat ProRail en
Profi-Sec daartegen bezwaar hadden gemaakt en alle partijen zich daarover hebben uitgelaten, toegestaan. Reden hiervoor is dat deze uitbreiding in het verlengde ligt van wat G4S al in de dagvaarding heeft aangevoerd en zowel ProRail als Profi-Sec ter zitting desgevraagd hebben laten weten inhoudelijk te kunnen reageren op deze uitbreiding en dat ook hebben gedaan. Er is onder die omstandigheid geen sprake van strijd met de goede procesorde.

Is de beoordelingsmethodiek met betrekking tot subgunningscriterium 2 nageleefd?
2.6. Partijen verschillen van mening over de beantwoording van de vraag of de beoordelingsmethodiek met betrekking tot subgunningscriterium 2 door alle beoordelaars van de beoordelingscommissie is nageleefd.

2.7.

In hoofdstuk 5 van de aanbestedingsleidraad is deze beoordelingsmethodiek beschreven. Deze methodiek houdt – samengevat – het volgende in.

2.7.1.

De inschrijvers moeten met betrekking tot elk subgunningscriterium een uitwerking (ook wel plan van aanpak genoemd) indienen (zie 5.2.2 aanbestedingsleidraad).

Ten aanzien van de uitwerking met betrekking tot subgunningscriterium 2 geldt dat in de uitwerking moet worden ingegaan op de vraag wat de aanpak is gedurende de looptijd van de overeenkomst om de gastvrijheid in de beleving en klantwaardering te verhogen.

2.7.2.

Deze uitwerking (plan van aanpak) wordt vervolgens door de (leden van de) beoordelingscommissie beoordeeld.

2.7.3.

Bij die beoordeling zal worden getoetst op vier beoordelingsaspecten, namelijk
i) volledigheid, ii) concreetheid en invulling, iii) realiteitsgehalte en iv) toegevoegde waarde. Al deze beoordelingsaspecten hebben invloed op de hoogte van de score; hoe vollediger, concreter, realistischer en meer toegevoegde waarde, hoe hoger de score (zie 5.2.2 aanbestedingsleidraad). Deze beoordelingsaspecten zijn in de aanbestedingsleidraad omschreven. Zo luidt de omschrijving van toegevoegde waarde als volgt:

“ Toegevoegde waarde: om waarde toe te voegen dient uw aanpak ten aanzien van gastvrijheid
daadwerkelijk iets toe te voegen aan hetgeen al is vastgelegd in het Programma van eisen. Des te
hoger de toegevoegde waarde des te hoger de score.”

2.7.4.

Iedere beoordelaar kent een score toe, gelegen tussen 0 en 4, waarbij 0 staat voor “slecht”, 1 voor “matig”, 2 voor “voldoende”, 3 voor “goed” en 4 voor “uitstekend”.

In 5.2.3. van de aanbestedingsleidraad is onder “toelichting” omschreven wanneer daarvan sprake is.

Zo is bij de toelichting van een “voldoende” het volgende vermeld:

“De beantwoording is volledig, concreet en realistisch, de vraagstelling is uitgewerkt op een wijze die voldoende aansluit op de behoefte en/of uitgangspunten zoals omschreven in de aanbestedingsdocumenten. De toegevoegde waarde is echter beperkt.”.

Bij de toelichting van een “goed” is het volgende vermeld:

De beantwoording is volledig, concreet en zeer realistisch, de vraagstelling is uitgewerkt, in onderlinge samenhang, op een wijze die goed aansluit op de behoefte en/of uitgangspunten zoals omschreven in het Programma van Eisen. De beantwoording biedt toegevoegde waarde.”.

2.7.5.

De door de beoordelaars toegekende individuele score levert dan weer een maximale meerwaarde op, bij slecht is dit 0%, bij matig 25%, bij voldoende 50%, bij goed 75% en bij uitstekend 100%.

2.7.6.

Vervolgens komt de beoordelingscommissie onder begeleiding van een procesbegeleider bij elkaar en worden de door hen individueel toegekende scores besproken. Dit kan voor leden van de beoordelingscommissie aanleiding zijn de toegekende scores aan te passen (het is hierbij dus geen doel om tot consensus te komen). Deze individuele scores worden vervolgens vastgesteld waarna de gemiddelde score per subgunningscriterium wordt berekend.

2.7.7.

Aan de hand van de volgende formule wordt de meerwaarde per subgunningscriterium bepaald:

(Gemiddelde score/ maximale score) * maximale meerwaarde van het criterium = meerwaarde per gunningscriterium.

De meerwaarde wordt daarbij afgerond op hele euro’s.

2.8.

De beoordelingscommissie bestaat, zoals in het kader van de Nota van Inlichtingen door ProRail is te kennen gegeven, uit vijf personen.
Het staat vast dat G4S met betrekking tot het subgunningscriterium 2 (Gastvrijheid) – zoals G4S beredeneerd heeft aangenomen en ProRail tijdens de mondelinge behandeling heeft bevestigd – vier keer een “goed” en één keer een “voldoende” heeft gescoord.
Dat ProRail – zoals G4S aanvoert – eerder weigerachtig is geweest om dit te bevestigen, is, wat daarvan ook zij, door deze bevestiging achterhaald. Er is, anders dan G4S betoogt, geen reden waarom aan deze bevestiging in het kader van de beoordeling van dit kort geding voorbij moet worden gegaan. Een “nieuwe reden” is dit niet en G4S is op geen enkele wijze benadeeld door de bevestiging door ProRail van haar eigen aanname ter zake, waar zij nota bene haar vorderingen op heeft gebaseerd.

2.9.

G4S stelt zich op het standpunt dat de beoordelaar die een voldoende heeft gegeven voor subgunningscriterium 2 een “goed” had moeten toekennen. Zij stelt dat deze beoordelaar de in de aanbestedingsleidraad vermelde beoordelingsmethodiek kennelijk niet heeft gevolgd, hetgeen volgens haar – samengevat – blijkt uit het volgende.

Uit de beoordelingssystematiek volgt dat het enige noemenswaardige verschil tussen “voldoende” en “goed” is gelegen in de toegevoegde waarde van het plan van aanpak. Het begrip toegevoegde waarde is in de aanbestedingsleidraad zo geobjectiveerd dat er geen ruimte meer is voor subjectiviteit van de beoordelaar.

Het kan daarom volgens G4S niet zo zijn dat één beoordelaar een “voldoende” heeft gegeven, terwijl de andere vier beoordelaars een “goed” hebben toegekend. Er is in dat geval gehandeld in strijd met de door de aanbestedende dienst opgestelde spelregels, zodat er door de rechter kan worden ingrepen in de uitgevoerde beoordeling, ondanks de terughoudende toetsing die de rechter op dit punt dient uit te voeren.

2.14.

G4S kan hierin – zoals ProRail en Profi-Sec ook aanvoeren – niet worden gevolgd.

Als uitgangspunt geldt bij de beoordeling hiervan het volgende.

Enige mate van subjectiviteit is inherent aan de beoordeling van kwalitatieve criteria.

Aan de aangewezen (deskundige) beoordelingscommissie moet de nodige vrijheid worden gegund bij de beoordeling van een kwalitatief gunningscriterium. Dit klemt te meer nu van de (voorzieningen)rechter niet kan worden verlangd dat hij specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht.

De (voorzieningen)rechter moet deze beoordelingsvrijheid respecteren. Slechts indien sprake is van procedurele en/of inhoudelijke onjuistheden dan wel van onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de voorlopige gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter.

2.14.1.

Uit de in 2.7 tot en met 2.7.7. weergegeven beoordelingsmethodiek volgt dat bij de beoordeling zal worden getoetst op vier beoordelingsaspecten, namelijk i) volledigheid, ii) concreetheid en invulling, iii) realiteitsgehalte en iv) toegevoegde waarde. Al deze beoordelingsaspecten hebben invloed op de hoogte van de score; hoe vollediger, concreter, realistischer en meer toegevoegde waarde, hoe hoger de score. De hoogte van de score wordt dus – zoals ProRail en Profi-Sec ook aanvoeren – niet alleen bepaald door de toegevoegde waarde, maar ook door de hiervoor genoemde andere drie beoordelingsaspecten. Het is het totaalplaatje van deze beoordelingsaspecten dat tot een score leidt. De in de ogen van G4S te lage score met betrekking tot het subgunningscriterium Gastvrijheid is dus niet alleen gelegen in het beoordelingsaspect toegevoegde waarde.

In het bijzonder geldt daarbij dat het verschil tussen een “voldoende” en een “goed” niet alleen is gelegen in de mate van de toegevoegde waarde, maar ook in de mate van het realiteitsgehalte zoals blijkt uit de hiervoor onder 2.7.4. geciteerde toelichtingen. Bij een “voldoende” geldt dat de beantwoording “realistisch” is en bij een “goed” is deze “zeer realistisch”.

2.14.2.

Het is bovendien ook niet zo dat het beoordelingsaspect “toegevoegde waarde” in de aanbestedingsleidraad zo is geobjectiveerd dat er geen ruimte meer is voor subjectiviteit van de beoordelaar. Het is weliswaar zo dat het begrip “toegevoegde waarde” in de aanbestedingsleidraad is omschreven en dat uit die omschrijving volgt dat daarvan sprake is wanneer de uitwerking (het plan van aanpak) iets toevoegt aan hetgeen al is vastgelegd in het Programma van Eisen, maar dit neemt niet weg dat de beoordelaar daarbij nog beoordelingsruimte heeft. Bij een “voldoende” wordt die toegevoegde waarde, blijkens de toelichting op deze score, beperkt geacht. Bij een “goed” wordt die toegevoegde waarde, blijkens de toelichting op deze score, aanwezig geacht. In beide situaties is sprake van “toegevoegde waarde”, maar de mate daarvan verschilt. Er is niet concreet omschreven wanneer de toegevoegde waarde beperkt aanwezig kan worden geacht en wanneer die aanwezig kan worden geacht. In de aanbestedingsstukken is dit niet geobjectiveerd.

Het is dus aan de beoordelaar overgelaten om op basis van zijn deskundigheid de mate van die toegevoegde waarde te bepalen.

2.14.3.

Uit de aanbestedingstukken (de aanbestedingsleidraad en de Nota van Inlichtingen) volgt verder – zoals ProRail en Profi-Sec ook aanvoeren – dat het is toegestaan dat de beoordelaars verschillende individuele scores toekennen.

In 5.2.3 van de aanbestedingsleidraad is (zoals is opgemerkt in 2.7.6.) vermeld dat de beoordelingscommissie onder begeleiding van een procesbegeleider bij elkaar komt om de door hen individueel toegekende scores te bespreken en dat dit voor de beoordelaars aanleiding kan zijn de individueel toegekende scores aan te passen, maar dat het daarbij geen doel is om tot consensus te komen. Dit is nog eens bevestigd in het kader van de Nota van Inlichtingen, waarin op de vraag “Hoe gaat u om met grote verschillen in de door de beoordelaars toegekende scores? het volgende is geantwoord:
“Grote verschillen worden inhoudelijk besproken. Dit leidt, is onze ervaring, over het algemeen tot nieuwe inzichten die aanleiding kunnen zijn om scores bij te stellen. Dit is echter geen doel op zich, individuele beoordelaars worden geacht om op basis van hun kennis en ervaring tot een eigen oordeel te komen.”

Verder valt ook uit het in hoofdstuk 5 van de aanbestedingsleidraad gegeven rekenvoorbeeld op te maken dat onderlinge verschillen in de scores is toegestaan. Uit dit rekenvoorbeeld volgt dat door verschillende beoordelaars verschillende scores voor hetzelfde subgunningscriterium kunnen worden gegeven, en dat bijvoorbeeld de hier aan de orde zijnde scores van een “voldoende” en een “goed” kunnen worden toegekend.

2.15.

G4S heeft verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die maken dat het onbegrijpelijk is dat één van de vijf beoordelaars een “voldoende” heeft toegekend en de andere vier beoordelaars een “goed”. Het gaat hier ook niet om een wezenlijk verschil, zoals bijvoorbeeld het geval zou zijn wanneer vier beoordelaars een “uitstekend” hebben toegekend en één beoordelaar een “slecht”.

2.16.

De conclusie is dat niet aannemelijk is dat in strijd is gehandeld met de beoordelingsmethodiek.

Schending motiveringsplicht?
2.17. G4S voert aan dat ProRail de motiveringsplicht heeft geschonden doordat zij in de gunningsbeslissing niet de relevante redenen voor de individuele scores van de leden van
de beoordelingscommissie heeft bekend gemaakt. Zo kan G4S, zo stelt zij, niet beoordelen of de vijf beoordelaars zich ieder voor zich aan de beoordelingsmethodiek hebben gehouden. ProRail en Profi-Sec betwisten dat deze motiveringsplicht op ProRail rust en dat voor zover dit al zo zijn dit tot toewijzing van de vorderingen van G4S kan leiden.

2.18.

Zoals G4S terecht betoogt moeten in de mededeling van de gunningsbeslissing alle daarvoor relevante redenen worden gegeven. G4S kan echter niet worden gevolgd in haar stelling dat deze verplichting met zich meebrengt dat ProRail gehouden was om van iedere individuele score van elk lid van de beoordelingscommissie de relevante redenen weer te geven.

De beoordelingssystematiek – waaraan G4S zich door in te schrijven ook heeft gecommitteerd – brengt met zich mee dat op basis van telkens vijf scores één gemiddelde beoordeling per subgunningscriterium tot stand komt en niet, zoals het betoog van G4S suggereert, vijf afzonderlijk te motiveren beoordelingen per subgunningscriterium. ProRail heeft bij de gunningsbeslissing voor ieder van de vier subgunningscriteria een toelichting gegeven op het beoordelingsresultaat.

Op het nog aan de orde zijnde onderdeel Gastvrijheid luidt die aldus:

“Uw beantwoording is (net niet) als gemiddeld “goed” beoordeeld. De gevraagde onderdelen zijn door u behandeld. Positief is dat de ambities m.b.t. gastvrijheid concreet benoemd zijn en dat er een duidelijk opleidings- en implementatieplan voor is. Een hogere score had behaald kunnen worden door een meer integrale benadering van gastvrijheid in samenwerking met andere facilitaire dienstverleners (andere facilitaire leveranciers binnen ProRail of eigen facilitaire medewerkers van ProRail). Tevens missen we aandacht voor de bouwkundige- en inrichtingsaspecten van de entree en ontvangstruimte.”

Daarmee is aan G4S voldoende inzicht geboden in de afwegingen van ProRail op de vier subgunningscriteria afzonderlijk en gezamenlijk genomen, zodanig dat zij op grond daarvan heeft kunnen beoordelen of ProRail in redelijkheid tot de gunningsbeslissing heeft kunnen komen en heeft kunnen afwegen of het aanhangig maken van een procedure zinvol is. Concrete positieve punten én verbeterpunten zijn genoemd. G4S heeft op de gegeven toelichting inhoudelijk geen enkele pijl gericht. Dat de gegeven motivering niet passend is bij het beoordelingsresultaat van een 2,8 (net niet gemiddeld goed) heeft zij niet gesteld. Er is noch in de gegeven motivering noch in de stellingen van G4S enig aanknopingspunt te vinden voor de conclusie dat de motivering in het licht van de inschrijving van G4S onbegrijpelijk of onlogisch is dan wel zodanige vragen oproept dat meer inzicht in de individuele scores was vereist.

2.19

Op basis van hetgeen G4S heeft aangevoerd kan dan ook niet worden geconcludeerd dat de motivering van de gunningsbeslissing op dit punt gebrekkig is. Ook dit betoog van G4S slaagt dus niet.


De beslissing op de vorderingen

2.20.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen zoals verkort weergegeven in 2.3. onder a moet worden afgewezen.

2.21.

Ook de vordering zoals weergegeven in 2.3. onder b die ertoe strekt dat ProRail zal worden verboden uitvoering te geven aan haar voorlopig gunningsvoornemen in afwachting van hoger beroep tegen dit vonnis, wordt afgewezen. De vorderingen van G4S worden afgewezen. Het is ProRail dan ook toegestaan om tot definitieve gunning over te gaan. Zij hoeft een hoger beroep daarvoor niet af te wachten. Het afwachten van een eventueel hoger beroep leidt bovendien tot extra vertraging van de aanbestedingsprocedure, wat alleen in het voordeel is van de zittende contractant, in dit geval G4S. G4S heeft onvoldoende gemotiveerd onderbouwd waarom van ProRail in dit geval in afwijking van de regel kan worden verlangd dat zij een hoger beroep afwacht en de opdracht nog niet definitief gunt. Het enkele feit dat G4S de aanbesteding verloor met een miniem verschil tussen haar evaluatieprijs en die van de winnaar is daarvoor onvoldoende.

2.22.

G4S zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ProRail en Profi-Sec worden ieder begroot op:

- griffierecht € 1.950,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.766,00

De door Profi-Sec gevoerde nakosten zullen op de in de beslissing te noemen manier worden begroot en de door Profi-Sec over de proceskosten en nakosten gevorderde wettelijke rente zal op de in de beslissing te noemen manier worden toegewezen.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter


in het incident:
3.1. staat Profi-Sec toe om zich te voegen in de hoofdzaak aan de zijde van ProRail,

3.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak:

3.3.

wijst de vorderingen van G4S af,

3.4.

veroordeelt G4S in de proceskosten, aan de zijde van ProRail tot op heden begroot op € 2.766,00,

3.5.

veroordeelt G4S in de proceskosten, aan de zijde van Profi-Sec tot op heden begroot op € 2.766,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis,

3.6.

veroordeelt G4S in de na dit vonnis aan de zijde van Profi-Sec ontstane nakosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat
G4S niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Profi-Sec aan het vonnis heeft voldaan
en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van
€ 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.7.

verklaart dit vonnis wat betreft 3.4 tot en met 3.6. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2018.1

1 type: BvdG (4374) coll: JMW