Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2124

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
17-05-2018
Zaaknummer
16/700187-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 59-jarige man uit Bunschoten heeft zich tussen 2004 en 2016 schuldig gemaakt aan mishandeling van 10 van zijn 19 kinderen. Ook heeft hij een aantal van zijn kinderen opgesloten in een zeecontainer of op zolder. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 2 jaar.

De vader uit Bunschoten mishandelde 10 van zijn kinderen door ze stelselmatig te slaan. Dit deed hij met een lat of zijn vlakke hand. De rechtbank spreekt hem vrij van de mishandeling van 5 andere kinderen, omdat dit in ieder geval voor de tenlastegelegde periode viel. Daarnaast heeft hij één van zijn zonen een week opgesloten op de zolder in de schuur. Diezelfde zoon heeft hij met twee anderen zonen één of twee dagen opgesloten in een zeecontainer. Ook twee van zijn dochters zijn afzonderlijk opgesloten op de zolders van de schuur en woning. Het is niet strafbaar om een kind in het kader van opvoeding zo nu en dan naar zijn of haar kamer te sturen, maar daar is in deze zaak geen sprake van.

De man zou zich ook schuldig hebben gemaakt aan een poging tot doodslag door een kettingzaag in de buurt van zijn vastgebonden zoon te houden. De rechtbank spreekt hem hiervan vrij omdat uit het dossier niet blijkt dat hij hem wilde doden, of dat er een aanzienlijke kans was dat zijn zoon zou overlijden. De rechtbank vindt net als de officier van justitie en de verdediging dat hij moet worden vrijgesproken van een tweede verdenking van poging tot doodslag.

Eén van zijn dochters zegt dat er een moment is geweest waarop zij in het bed van haar vader lag en hij haar seksueel heeft misbruikt. Haar broer verklaart dat zij dit tegen hem heeft verteld. Er is geen ondersteunend bewijs. De rechtbank spreekt de man daarom vrij van deze verdenking.

De man ziet zijn strafbare handelen niet in nu hij ervan overtuigd is dat hij uitvoering geeft aan het woord van God. De kinderen zijn opgegroeid in een onveilige thuissituatie. Grotendeels in een sociaal isolement. De constante dreiging van geweld moet beklemmend zijn geweest. De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie vanwege de vrijspraak van twee verdenkingen. Verder legt de rechtbank een contactverbod op voor alle minderjarige (klein)kinderen en vier van de volwassen kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0445
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/700187-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 17 mei 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1959] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11 januari 2017, 22 februari 2017, 22 mei 2017, 5 juli 2017,

21 september 2017, 6 december 2017 en 25 april 2018. Op 7 mei 2018 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie, mr. G.P.N. Robben, van hetgeen verdachte en mr. J.W.D. Roozemond, advocaat te Utrecht naar voren hebben gebracht en van hetgeen door mr. F.A. ten Berge, advocaat te Utrecht, namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] ,

[slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , naar voren is gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de terechtzitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1, in de periode van 27 september 1996 tot en met 31 december 2005 te

primair Bunschoten-Spakenburg heeft geprobeerd zijn zoon [slachtoffer 1] te doden door hem op een tafel vast te binden en een in werking zijnde motorkettingzaag bij zijn nek en/of buik te houden;

feit 1, in de periode van 27 september 1996 tot en met 31 december 2005 te

subsidiair Bunschoten-Spakenburg heeft geprobeerd zijn zoon [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem op een tafel vast te binden en een in werking zijnde motorkettingzaag bij zijn nek en/of buik te houden;

feit 1, meer in de periode van 27 september 1996 tot en met 31 december 2005 te

subsidiair Bunschoten-Spakenburg zijn zoon [slachtoffer 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd door hem op een tafel vast te binden en een in werking zijnde motorkettingzaag bij zijn nek en/of buik te houden;

feit 2, in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 te

primair Bunschoten-Spakenburg heeft geprobeerd zijn zoon [slachtoffer 5] te doden door zijn keel dicht te knijpen;

feit 2, in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 te

subsidiair Bunschoten-Spakenburg heeft geprobeerd zijn zoon [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door zijn keel dicht te knijpen;

feit 3 in de periode van 27 september 2004 tot en met 27 september 2016 te

Bunschoten-Spakenburg meermalen en/of stelselmatig in vereniging zijn vijftien oudste kinderen heeft mishandeld door hen met een lat en/of (tot vuisten gebalde) handen en/of met de vlakke hand(en) te slaan en door hen te schoppen;

feit 4 in de periode van 27 september 1996 tot en met 31 december 2008 te Bunschoten-Spakenburg in vereniging zijn kinderen [slachtoffer 5] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 2] wederrechtelijk van hun vrijheid heeft beroofd door hen een of meer weken en/of dagen in het aardappelhok, een zeecontainer en/of op de zolder opgesloten te houden;

en/of

in de periode van 27 september 2004 tot en met 31 december 2008 te

Bunschoten-Spakenburg in vereniging de gezondheid van zijn kinderen [slachtoffer 5] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 2] te benadelen door hen gedurende langere tijd op te sluiten in een onverwarmde ruimte zonder daglicht, hen niet van voldoende voeding te voorzien en/of hen te dwingen hun behoeften te doen in een kamer waarin zij waren opgesloten;

feit 5 in de periode van 14 april 2003 tot en met 13 april 2005 te Bunschoten seksueel is binnen gedrongen bij zijn dochter [slachtoffer 2] , die toen nog geen twaalf jaar was, door zijn vinger in haar vagina te brengen en te bewegen.

3 VOORVRAGEN

3.1

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Algemeen

Het recht tot vervolging vervalt indien een strafbaar feit is verjaard. De verjaringstermijn verschilt per feit en hangt – in het geval van misdrijven – af van de strafbedreiging die op het betreffende feit staat. Deze strafbedreiging kan bij wet worden verhoogd. In een dergelijk geval geldt met betrekking tot verjaring het uitgangspunt dat deze veranderde wetgeving direct (tenzij anders is bepaald) van toepassing is, met dien verstande dat in het geval van een reeds verjaard feit het recht op strafvervolging niet herleeft (HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998). In artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht zijn de verjaringstermijnen wettelijk vastgelegd. Dit artikel is op 1 april 2013 gewijzigd, in die zin dat een aantal verjaringstermijnen is verlengd. Deze wetswijziging heeft onmiddellijke werking, met dien verstande dat reeds verjaarde misdrijven verjaard blijven. Artikel 72, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat een daad van vervolging de verjaring stuit. In het geval van verdachte heeft dit plaatsgevonden op 27 september 2016, de dag waarop op vordering van de officier van justitie de rechter-commissaris de woning van verdachte doorzocht.

De rechtbank constateert dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van de hieronder te noemen feiten voor een deel van de tenlastegelegde periode niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van het onder 1. subsidiair en meer subsidiair en 4. ten laste gelegde

Op wederrechtelijke vrijheidsberoving en (poging) zware mishandeling, zoals onder 1., subsidiair en meer subsidiair en 4. ten laste gelegd, stond op 27 september 1996, de meest in het verleden liggende tenlastegelegde datum, een strafbedreiging van maximaal acht jaren gevangenisstraf. Het strafmaximum van deze feiten is nadien niet gewijzigd. Artikel 70, eerste lid onder 3 van het Wetboek van Strafrecht (oud) bepaalde dat voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van meer dan drie jaren was gesteld een verjaringstermijn van twaalf jaren gold. Op 1 april 2013 is de verjaringstermijn voor misdrijven met een strafmaximum van acht jaren verlengd naar twintig jaren. Wel geldt dat voor feiten die op dat moment al waren verjaard, de verjaring wordt geëerbiedigd. Gelet op de tot 1 april 2013 geldende verjaringstermijn van twaalf jaren gaat dit op voor feiten die zijn gepleegd vóór 1 april 2001. Aldus dient het Openbaar Ministerie voor de periode voorafgaande aan die datum

niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van verdachte voor het ten laste gelegde, te weten de periode van 27 september 1996 tot en met 31 maart 2001.

De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken dat het Openbaar Ministerie in de vervolging van verdachte voor de overige tenlastegelegde feiten niet-ontvankelijk is door verjaring. Specifiek ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat het strafmaximum van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht met ingang van 1 februari 2006 is verhoogd naar drie jaren gevangenisstraf, waardoor het strafmaximum op artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht vier jaren en vier maanden is gaan belopen. Gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad is de verjaringstermijn per februari 2006 derhalve verlengd van zes tot twaalf jaren. De verjaring is gestuit op

27 september 2016, zodat de tenlastegelegde periode de periode betreft die niet is verjaard.

3.2

Overige voorvragen

Ten aanzien van het onder 1., 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is – voor zover geen sprake is van verjaring – ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1., primair, 3., 4., wat betreft de wederrechtelijke vrijheidsberoving en 5. ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en verwijst daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde overweegt de officier van justitie dat de verklaring van [slachtoffer 2] steun vindt in het gegeven dat zij heeft verklaard met verdachte een gesprek te hebben gevoerd over de situatie en dat verdachte dit bevestigt en dat [slachtoffer 5] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij van zijn moeder had gehoord dat [slachtoffer 2] met haar had afgesproken om verdachte met het verhaal te confronteren, hetgeen [slachtoffer 2] zelf ook verklaard.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 2. ten laste gelegde, van het onder 3. ten laste gelegde wat betreft het deel van de tenlastelegging dat ziet op [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] en het voegbord en van het onder 4. ten laste gelegde wat betreft het deel van de tenlastelegging dat ziet op [slachtoffer 5] . De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over de onder 4. cumulatief-alternatief ten laste gelegde benadeling van de gezondheid. Uit het requisitoir van de officier van justitie blijkt dat hij het onder 4. ten laste gelegde heeft gelezen als ware dit een primair-subsidiaire tenlastelegging en dat hij aan het subsidiair ten laste gelegde niet toekomt door een gevorderde bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1., 2., 4. en 5. ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat het niet onaannemelijk is dat de tenlastegelegde kinderen zijn opgesloten, maar wel wanneer, waar, voor hoe lang en onder welke omstandigheden dit is gebeurd, wat belangrijk is voor de vraag of dit wederrechtelijk is geweest of niet. Indien wel tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, dan geldt in de gevallen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 2] dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond, namelijk overmacht door noodtoestand. In ieder geval is bij geen van de tenlastegelegde kinderen sprake van benadeling van de gezondheid. Wat betreft het onder 5. ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 2] niet betrouwbaar zijn omdat niet meer te achterhalen valt wat daarvan wel of niet is aangedikt. Deze verklaringen kunnen dus niet voor het bewijs worden gebezigd en reeds daarom zal verdachte van het ten laste gelegde dienen te worden vrijgesproken. Indien haar verklaringen wel voor het bewijs worden gebezigd, dan is voor de inhoud hiervan onvoldoende steun te vinden in verklaringen afkomstig uit een andere bron dan [slachtoffer 2] zelf. Bij een gebrek aan wettig bewijs, heeft ook dit tot gevolg dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat slechts een klein deel van de tenlastegelegde periode bewezen kan worden verklaard, namelijk de periode tot 31 december 2006, met uitzondering van die delen van de tenlastelegging die zien op [slachtoffer 9] , het voegbord, het trappen met geschoeide voet en de stelselmatigheid. Verdachte bekent dat hij in die periode zijn kinderen heeft geslagen. Dat dit ook na 31 december 2006 zou zijn gebeurd, vindt geen steun in de verklaringen in het dossier.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

Op basis van de aangifte van [slachtoffer 1] die op wezenlijke delen wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 9] stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] op enig moment in zijn jeugd op een tafel vastgebonden heeft gelegen, waarna verdachte een draaiende motorkettingzaag in de directe nabijheid van zijn nek heeft gehouden. In de weging van de overige verklaringen in het dossier ziet de rechtbank geen aanleiding om aan deze vaststelling te twijfelen.

Deze feitelijke gedragingen zijn primair als poging doodslag ten laste gelegd. De vraag is dan of er bij verdachte sprake is geweest van – op zijn minst voorwaardelijk – opzet op het doden van zijn zoon [slachtoffer 1] . Uit het dossier blijkt dat verdachte zijn zoon [slachtoffer 1] een lesje wilde leren, hoe afkeurenswaardig de wijze waarop ook, maar niet dat hij hem daadwerkelijk wilde doden. Aldus is geen sprake van vol opzet. In het kader van voorwaardelijk opzet kan er zich in de gegeven situatie een omstandigheid voordoen die verdachte niet in de hand heeft, die maakt dat hij de aanmerkelijke kans dat hij zijn zoon [slachtoffer 1] zou doden bewust zou aanvaarden. De officier van justitie heeft in dat kader aangevoerd dat [slachtoffer 1] , omdat hij bang was, bijvoorbeeld zijn hoofd zou kunnen bewegen of zijn nek zou kunnen uitsteken, dit terwijl verdachte zich met een draaiende motorkettingzaag in de nabijheid van [slachtoffer 1] nek en hoofd zou bevinden. In de verklaringen in het dossier ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat sprake was van de aanmerkelijke kans op het daadwerkelijk overlijden van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] verklaart immers verstijfd op tafel te hebben gelegen en zelfs al zou hij zich hebben bewogen, dan is daarmee nog niet gesteld dat verdachte daarop niet had kunnen anticiperen, namelijk door de kettingzaag verder van [slachtoffer 1] nek te bewegen. In haar overweging heeft de rechtbank meegenomen dat de draaiende kettingzaag minimaal tien centimeter van de nek van [slachtoffer 1] was verwijderd. De rechtbank komt aldus niet tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging doodslag wegens het ontbreken van opzet daartoe.

Wat betreft het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft de rechtbank in rubriek 3.1 overwogen dat de feiten in een deel van de tenlastegelegde periode, vóór 1 april 2001, zijn verjaard en dat het Openbaar Ministerie wat betreft dat deel van de tenlastelegging

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daarnaast biedt het dossier voor de vaststelling van de precieze leeftijd van [slachtoffer 1] ten tijde van het ten laste gelegde onvoldoende aanknopingspunten. Hierdoor kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld of de tenlastegelegde feiten na 1 april 2001 hebben plaatsgevonden. Gelet hierop kan de rechtbank evenmin tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling of de meer subsidiair ten laste gelegde vrijheidsberoving komen en dient verdachte van het hem onder 1. ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat zowel verdachte als het slachtoffer om wie het zou gaan het dichtknijpen van de keel ontkennen en dat ook overigens uit het dossier onvoldoende blijkt dat dit is gebeurd. De rechtbank zal verdachte van het onder 2. ten laste gelegde vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde

De rechtbank overweegt dat het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige, in dit geval aangeefster. Deze bepaling strekt ertoe de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door aangeefster verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Niet is vereist dat dit andere bewijsmateriaal betrekking heeft op de tenlastegelegde delictsgedraging zelf of op de betrokkenheid van verdachte bij deze delictsgedraging. De verklaring van aangeefster dient op specifieke punten steun te vinden in ander bewijsmateriaal, waardoor deze verklaring niet langer op zichzelf staat, maar als het ware wordt ingebed in een concrete context die bevestiging vindt uit andere bron. Hiervoor is niet voldoende dat getuigen – de auditu – verklaren over wat zij (destijds) van aangeefster hebben gehoord. De bron van deze verklaringen blijft dan immers steeds aangeefster. Het door getuigen waarnemen van emoties vlak na het gebeuren kan weer wel worden aangemerkt als ander bewijsmateriaal. Het verband tussen de verklaring van aangeefster en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag voorts niet te ver verwijderd zijn.

In dit beoordelingskader neemt de rechtbank hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd mee, namelijk dat de verklaring van aangeefster steun vindt in de verklaring van verdachte dat zij op kantoor samen een gesprek hebben gevoerd. Verder heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van [slachtoffer 5] dat aangeefster één keer tegen hem heeft gezegd dat hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) aan haar heeft gezeten en dat zij met hun moeder had afgesproken verdachte met het misbruik te confronteren. [slachtoffer 5] weet niet wanneer aangeefster dit aan hem heeft verteld. De overige gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden toen aangeefster ongeveer achttien jaar oud was, dit terwijl het misbruik zou hebben plaatsgevonden toen aangeefster tien of elf jaar oud was. De rechtbank is van oordeel dat zich in dit geval niet een situatie voordoet waarbij de concrete context door ander bewijsmateriaal wordt bevestigd. Van belang hierbij is dat het gesprek met verdachte en de gemaakte afspraak tussen aangeefster en haar moeder daarvoor te weinig specifiek en te ver verwijderd van de ten laste gelegde periode zijn. Deze steunbewijsmiddelen bevestigen daarmee onvoldoende de concrete context dat aangeefster, toen zij tien of elf jaar oud was, in het bed van haar vader zou hebben gelegen en dat hij toen aldaar een vinger in haar vagina zou hebben geduwd. Dat zij aan [slachtoffer 5] van het misbruik heeft verteld, is evenmin steunbewijs nu dit zonder verdere context alleen aangeefster als bron heeft. De rechtbank is ook overigens niet gebleken van voldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster. Nu geen sprake is van voldoende wettig bewijs, dient verdachte van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde

4.3.2

Bewijsmiddelen 1

Algemeen

[slachtoffer 1] verklaart dat er geen dag voorbij ging dat er niet werd geslagen.2

[slachtoffer 2] verklaart dat zij niet beter weet dan dat zij van kleins af aan is mishandeld door haar vader.3 Totdat zij achttien jaar was, sloeg hij alle kinderen die toen nog geen twaalf jaar oud waren.4 Als [slachtoffer 13] wordt gevraagd of hij zich kan herinneren wanneer het slaan met de lat is begonnen, antwoordt hij dat dit altijd zo is geweest, zo lang als hij zich kan herinneren.5 [slachtoffer 9] verklaart dat de kinderen vanaf hun tweede jaar werden geslagen en dan tot een jaar of zestien.6 [slachtoffer 4] verklaart dat het slaan meestal stopte als je van school af ging, rond een jaar of twaalf à dertien. Sommigen hebben na hun twaalfde of dertiende jaar nog wel klappen gekregen,7 maar dan moest je wel echt wat gedaan hebben.8 [slachtoffer 7] verklaart dat het stopte toen hij zeventien of achttien jaar oud was. Dan vreet je bepaalde dingen niet meer uit.9 [slachtoffer 6] denkt dat de kinderen om en nabij de tien jaar tot een jaar of vijftien à zestien zijn als ze klappen krijgen.10 Toen hij een jaar of zeventien à achttien was, gebeurde het slaan haast niet meer.11

Verdachte heeft verklaard dat hij meerdere van zijn kinderen12 wel eens een paar goede klappen heeft gegeven. Zij waren dan grofdadig uit de bocht gevlogen.13 Als verdachte ze een paar keer had gewaarschuwd, zij dan niet wilden luisteren en zij toch doorgingen met hetgeen waarvoor hij ze had gewaarschuwd, dan kregen ze een paar tikken op de kont. Dit was met de vlakke hand of met de lat. Het ging dan bijvoorbeeld om dingen kapot maken of om gebeurtenissen die niet konden. Als voorbeeld noemt verdachte het in elkaar rijden van een auto een aanleiding om een paar tikken te geven. Verdachte heeft dit tot en met 2006 gedaan.14

Bewezenverklaring per kind of kinderen

[slachtoffer 1] , geboren op [1988] 15 , [slachtoffer 6] , geboren op [1989] 16 en [slachtoffer 7] , geboren op [1992] 17

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat iedereen wel klappen heeft gehad, maar dat hij de meeste heeft gekregen.18 [slachtoffer 3] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] geld hadden gestolen bij de buurman. Zij zijn toen opgesloten in de zeecontainer.19 [slachtoffer 13] heeft verklaard dat hij een jaar of zes was toen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] in de zeecontainer waren opgesloten. Dat ging over het geld dat ze bij de buurman hadden gestolen.20 Zij kregen toen vol op hun donder.21 [slachtoffer 14] heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7] een broodje heeft gebracht toen zij in de zeecontainer opgesloten hebben gezeten. [slachtoffer 14] was toen zes jaar oud.22 [slachtoffer 14]23 en [slachtoffer 13]24 zijn geboren op [1999] . Zij waren zes jaar oud in de periode van [2005] tot en met [2006] .

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij wel eens een paar tikken kreeg. Je kreeg dan een pak op je donder. Dit was met een latje op je reet.25 De ene keer kreeg je er tien, de andere keer twaalf, dertien of veertien.26 Toen hij zeventien of achttien jaar oud was, gebeurde het haast niet meer.27 [slachtoffer 6] is zeventien jaar geworden op [2006] . Hij is achttien jaar geweest tot en met [2008] . [slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat broertjes en zusjes met de lat werden geslagen. [slachtoffer 6] zat daar bij.28

[slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij wel eens klappen van zijn vader heeft gehad.29 Als je met de vlakke hand werd geslagen, stelde het niets voor wat je uitgevreten had. Als het wel iets meer voorstelde, dan was het met de lat.30 Hij heeft klappen gehad met een lat die onder een bed vandaan kwam. Dit was in de periode dat hij dertien of31 veertien jaar oud was. Toen [slachtoffer 7] zestien jaar oud was, werd hij niet meer met de lat geslagen.32 [slachtoffer 7] is dertien jaar geworden op [2005] . Hij is zestien jaar geworden op [2008] .

[slachtoffer 2] , geboren op [1993] 33

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij vanaf haar vierde jaar is geslagen. Dat ging door totdat zij twaalf jaar oud was.34 Tot haar twaalfde jaar werd zij ongeveer één keer per week met de lattenbodem geslagen.35 [slachtoffer 2] is in de periode van [2005] tot en met [2006] twaalf jaar geweest.

[slachtoffer 12] , geboren op [1994] 36

[slachtoffer 12] heeft verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij vanaf zijn dertiende à veertiende werd geslagen. Dit was met een lat en het waren dan een paar klappen op je reet. [slachtoffer 12] had met [slachtoffer 7] pallets omgegooid. Toen was hij een jaar of zestien à zeventien. Hij heeft toen een paar tikken op zijn reet gehad van zijn vader.37 Dit was met de lat.38 [slachtoffer 12] heeft ook wel eens met sneeuwballen naar auto’s gegooid. Hij heeft toen tikken gehad omdat er schade was aan die auto’s.39 [slachtoffer 13] heeft verklaard dat [slachtoffer 12] en [slachtoffer 7] pallets hadden omgegooid en dat ze toen klappen kregen.40 [slachtoffer 12] is dertien jaar oud geworden op [2007] . Hij is in de periode van [2011] tot en met

[2012] zeventien jaar oud geweest.

[slachtoffer 3] , geboren op [1996] 41

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat het slaan over het algemeen met de lat was. Er werd ook wel met de hand geslagen. Het gebeurde soms dagelijks, dan was het weer rustiger en gebeurde het wekelijks.42 De laatste drie jaar is [slachtoffer 3] niet meer geslagen.43 [slachtoffer 3] heeft haar verklaring afgelegd op 20 juni 2017.44 [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 3] vanaf haar vierde jaar tot haar twaalfde jaar regelmatig werd geslagen.45 [slachtoffer 3] is vier jaar geworden op [2000] . Zij is in de periode van [2008] tot en met [2009] twaalf jaar geweest.

[slachtoffer 4] , geboren op [1997] 46

[slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij een jaar of twee à drie was toen zij voor het eerst door haar vader werd geslagen. Vanaf toen is zij soms met de hand geslagen en soms met de lat.47 [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 4] vanaf haar vierde jaar tot in ieder geval haar twaalfde jaar werd geslagen.48 [slachtoffer 4] is twee jaar geworden op [1999] . Zij is in de periode van [2009] tot en met [2010] twaalf jaar geweest.

[slachtoffer 14] , geboren op [1999] 49

[slachtoffer 14] heeft verklaard dat het wel eens gebeurde dat je klappen kreeg.50 Je moet dan denken aan de leeftijd van negen of tien jaar. De klappen werden gegeven met de hand of met de lat.51 Als je klappen met de lat kreeg, sloeg zijn vader een stuk of tien keer.52

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij tot drie jaar geleden heeft gezien dat [slachtoffer 14] regelmatig in elkaar werd geslagen.53 [slachtoffer 2] heeft haar verklaring afgelegd op

7 september 2016.54

[slachtoffer 13] , geboren op [1999] 55

[slachtoffer 13] heeft verklaard dat de klappen met een lat werden gegeven, dat er dan een stuk of tien keer werd geslagen en dat dit op je reet gebeurde. Het waren forse tikken.56 Hoe minder erg het was wat je had gedaan, hoe minder erg de klappen waren.57 Als [slachtoffer 13] wordt gevraagd of hij zich kan herinneren wanneer dat is begonnen, antwoordt hij ‘volgens mij altijd wel’. Je kreeg ook wel eens een klap voor je hoofd. Dit was met de hand.58 De laatste keer dat hij klappen heeft gehad was drie jaar geleden. [slachtoffer 13] heeft zijn verklaring afgelegd op 21 oktober 2016.59

[slachtoffer 15] , geboren op [2001] 60

[slachtoffer 9] heeft verklaard dat [slachtoffer 15] zowel klappen kreeg met de lat als met de hand van hun vader.61 [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat [slachtoffer 15] vanaf haar vierde jaar is geslagen. Dit gebeurde met de lat. Toen [slachtoffer 15] ongeveer twaalf jaar oud was, ging [slachtoffer 2] het huis uit. Zij heeft toen ook gezien dat [slachtoffer 15] met de lat werd geslagen.62 [slachtoffer 13] heeft verklaard dat [slachtoffer 15] wel eens klappen kreeg omdat ze aan het vechten was. Dit was eens per vier maanden.63 [slachtoffer 15] is vier jaar geworden op [2005] . Zij is in de periode van [2013] tot en met [2014] twaalf jaar geweest.

Stelselmatigheid

Verdachte heeft verklaard dat het slaan een stuk van de opvoeding was. In de bijbel staat duidelijk beschreven dat iemand een paar klappen nodig heeft als er dingen gebeuren die niet kunnen. Dit dient om die persoon te verbeteren en om te laten zien dat iets niet mag.64

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat er maar iets hoefde te gebeuren, stel hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) kwam thuis en er lag een papiertje op de grond, en dan werd hij al kwaad.65 [slachtoffer 4] kan zich als één van de aanleidingen voor klappen herinneren dat haar zus [slachtoffer 11] tegen hun moeder had gezegd dat [slachtoffer 4] ‘ […] vis’ tegen [slachtoffer 11] had gezegd. [slachtoffer 4] moest toen bij haar vader komen. Haar vader sloeg net zo lang totdat zij zei dat zij dat woord had gezegd, dit terwijl dat helemaal niet zo was.66 [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 16] een keer haar eigen naam zei, maar dat haar vader zei dat [slachtoffer 16] […] zei. Dat lijkt op elkaar. [slachtoffer 16] was toen twee jaar. Haar vader heeft [slachtoffer 16] toen geslagen.67 [slachtoffer 5] heeft verklaard dat zijn vader kwaad werd toen hij zei dat het niet waar was dat [slachtoffer 16] […] zei.68

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat de lat uit de lattenbodem van het bed was. Die moesten zij (de rechtbank begrijpt: de kinderen) er zelf uithalen. Het was ook zo dat de lat klaar stond bij de kachel. Als de lat op ons (de rechtbank begrijpt: de kinderen) stuk geslagen was, moest er een andere uit de lattenbodem worden gehaald.69 Dat slaan met de lat gebeurde zo vaak, het werd gewoon normaal dat je werd geslagen.70 Als [slachtoffer 13] een foto van de dag van de doorzoeking wordt getoond waarop een houtkachel en een lat te zien zijn, antwoordt hij: ‘Ja, ja daar stond ie altijd’.71 [slachtoffer 6] heeft de lat wel eens gesloopt, maar dan stond er zo weer een nieuwe.72

[slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij tot afgelopen oud en nieuw (de rechtbank begrijpt: de jaarwisseling van 2015 naar 2016) in haar ouderlijk huis heeft gewoond.73 Zij weet niet beter dan dat haar vader alle kinderen in het gezin sloeg.74 [slachtoffer 2] heeft verklaard dat haar vader hen (de rechtbank begrijpt: de kinderen) vanaf 2004 wekelijks sloeg. Totdat de viswinkel er kwam in 2011 heeft hij alle thuiswonende kinderen regelmatig geslagen. Toen was hij vaker en langer van huis waardoor hij hen minder sloeg.75 [slachtoffer 9] heeft verklaard dat er iedere week wel iemand klappen kreeg.76 Niet alle kinderen kregen iedere week klappen, maar iedere week waren er wel één of meer kinderen die klappen kregen.77 [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij wel eens tegen haar broertjes en zusjes heeft gezegd dat het niet normaal is, maar wat moet je zeggen. Je weet niet anders dan dat het normaal is, totdat je ouder wordt en denkt: dit is helemaal niet normaal.78

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij wc-papier in zijn onderbroek heeft gedaan. Dat hielp want dan voelde je niets. Hij liep dan lachend de deur uit.79 Als [slachtoffer 12] wordt gevraagd hoe het voelde als zijn vader hem sloeg, antwoordt hij: ‘Daar hadden we wel wat trucjes voor, onder andere wc-papier of boek in je broek stoppen’. Dat was een manier die je onderling met elkaar besprak.80 [slachtoffer 12] hoorde dit van oudere kinderen. Als de officier van justitie hem voorhoudt dat die dan ook eerder geslagen moeten zijn omdat zij anders geen reden hadden om dat te doen, antwoordt [slachtoffer 12] dat dit klopt.81

4.3.3

Bewijsoverwegingen

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3. ten laste gelegde, het stelselmatig mishandelen van zijn kinderen, heeft begaan. Uit de bewijsmiddelen volgt reeds dat het verweer van de raadsman dat verdachte na 2006 zou zijn gestopt met het mishandelen van zijn kinderen dient te worden verworpen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op de kinderen

[slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 11] en

[slachtoffer 8] . Ten aanzien van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 11] overweegt de rechtbank dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat deze kinderen door verdachte zijn mishandeld, echter is gebleken dat dit vóór de tenlastegelegde periode is gebeurd. Van [slachtoffer 9] kan niet vastgesteld worden dat zij is mishandeld. Wat betreft [slachtoffer 10] overweegt de rechtbank dat als al kan worden vastgesteld dat zij is mishandeld, dat dit dan eveneens vóór de tenlastegelegde periode moet hebben plaatsgevonden. [slachtoffer 10] heeft immers in 2003 het ouderlijk huis verlaten. Ten aanzien van [slachtoffer 8] overweegt de rechtbank dat hoewel in haar geval op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat zij is mishandeld, er geen aanknopingspunten zijn die maken dat kan worden bepaald of dit in de tenlastegelegde periode is gebeurd of niet. De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van het tenlastegelegde mishandelen met een voegbord. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij twaalf jaar was toen dit gebeurde. Als bewezen kan worden verklaard dat dit opzettelijk is gebeurd, dan nog zal dit vóór de tenlastegelegde periode zijn gebeurd. De rechtbank ziet in het dossier onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat verdachte bepaalde kinderen in de tenlastegelegde periode heeft geschopt. Verdachte zal ook hiervan worden vrijgesproken. Tot slot is niet gebleken dat verdachte het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan. Aldus zal hij ook van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde

4.3.4

Bewijsmiddelen

[slachtoffer 1] op de zolder in de schuur

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij een keer een week op zolder opgesloten heeft gezeten. Hij kreeg een emmer mee waar hij zijn behoefte op kon doen. De reden voor het opsluiten was dat hij naar bed was geweest met [D] .82 Daarna werd hij door zijn vader naar

Zuid-Afrika gestuurd.83 Dit was ongeveer anderhalve week voordat hij achttien jaar werd.84 [slachtoffer 1] is achttien jaar geworden op [2006] .85

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] een week op de zolder van de schuur heeft opgesloten omdat hij heeft liggen rollebollen met [D] . In het begin was de deur van de zolder niet op slot. [slachtoffer 1] bleef echter wel op de zolder omdat verdachte dat had gezegd.86 Hij mocht er niet af.87 Toen verdachte [slachtoffer 1] zag praten met [D] heeft hij de deur van de zolder op slot gedaan.88

[slachtoffer 1] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] in de zeecontainer

[slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij één keer in de zeecontainer heeft gezeten.89 Dit was een dag of twee dagen.90 [slachtoffer 1] zat er ook bij en [slachtoffer 6] ook. Dit was voordat [slachtoffer 1] naar Zuid-Afrika was gegaan.91

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] geld hadden gestolen bij de buurman. Zij zijn toen dagen opgesloten geweest in de zeecontainer buiten. Ze kwamen er tussendoor niet uit. Ze moesten poepen en plassen op een emmer.92

[slachtoffer 14] heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7] een broodje heeft gebracht toen zij in de zeecontainer opgesloten hebben gezeten. De deur zat dicht93 met een touwtje aan de buitenkant.94 Ze zaten er een paar dagen. [slachtoffer 14] was toen zes jaar oud.95

[slachtoffer 13] heeft verklaard dat hij een jaar of zes was toen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] in de zeecontainer waren opgesloten. Dat ging over het geld dat ze bij de buurman hadden gestolen.96 [slachtoffer 14]97 en [slachtoffer 13]98 zijn geboren op [1999] . Zij waren zes jaar oud in de periode van [2005] tot en met [2006] .

[slachtoffer 8] en [slachtoffer 2] op de zolder in de schuur en woning

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat het plan was dat zij zou weglopen, daarna [slachtoffer 8] zou bellen en dat zij dan zouden worden opgehaald. Doordat haar moeder hier te vroeg achter kwam, is zij weer mee terug genomen en op de zolder boven het huis opgesloten.99 [slachtoffer 8] is op de zolder van de schuur opgesloten. Het heeft een aantal dagen geduurd. Er zat een paar dagen tussen het moment dat [slachtoffer 8] van de schuur was gesprongen en het moment dat [slachtoffer 2] vrij kwam.100 Op de kamer werd een emmer gezet waarop [slachtoffer 2] haar behoeften kon doen. [slachtoffer 2] was ongeveer vijftien jaar oud en [slachtoffer 8] was toen zeventien jaar oud.101 [slachtoffer 2] is op [2008] vijftien jaar geworden. Dit is zij geweest tot [2009] .102

[slachtoffer 8] heeft verklaard dat zij opgesloten is geweest op de zolder van de schuur. Dit heeft een dag geduurd. [slachtoffer 8] is van de zolder afgekomen door naar beneden te springen. [slachtoffer 8] was toen zestien of zeventien jaar oud.103 [slachtoffer 8] is op [2006] zestien jaar geworden. Zij is in de periode van [2007] tot [2008] zeventien jaar geweest.104

[slachtoffer 4] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] in huis op de zolder opgesloten heeft gezeten en dat [slachtoffer 8] op de zolder in de schuur opgesloten heeft gezeten. Er is een lang gesprek gevoerd met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 8] en daarna zijn ze opgesloten. [slachtoffer 4] heeft gezien105 dat die ouwe (de rechtbank begrijpt: haar vader, verdachte) de deuren op slot deed van de zolders. [slachtoffer 8] is naar beneden gesprongen. [slachtoffer 2] zat toen nog op de andere zolder.106

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 8] op de zolder van de schuur heeft gezeten. [slachtoffer 2] zat toen op de zolder van het huis. Zij zaten daar omdat ze wilden weglopen. Dit duurde een halve dag of een dag. Als verdachte de kinderen had opgesloten, was het niet de bedoeling dat ze zelf uit die ruimte kwamen. Ze zaten daar als straf.107

Achter de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats]108 is een schuur gesitueerd.109 Naast de schuur staat een zeecontainer.110

4.3.5

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 2]

De rechtbank overweegt dat slechts uitzonderlijke omstandigheden kunnen meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht. De verdediging heeft een beroep gedaan op het bestaan van een noodtoestand. Voor een geslaagd beroep op noodtoestand is vereist dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende terecht heeft laten prevaleren. Uit de stukken van het dossier en hetgeen namens verdachte is aangevoerd, is niet gebleken dat sprake is geweest van een dergelijke noodzaak. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte alles in het werk heeft gesteld wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd om te voorkomen dat hij zijn kinderen wederrechtelijk van hun vrijheid zou beroven. Het verweer tot het aannemen van een noodtoestand als rechtvaardiging voor het begaan van een deel van het ten laste gelegde wordt aldus verworpen.

Ten aanzien van de onder 4. ten laste gelegde wederrechtelijk vrijheidsberoving

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 4. ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberovingen heeft begaan. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat het handelen van verdachte jegens zijn kinderen vooral is ingegeven door pedagogische motieven is de rechtbank van oordeel dat aan dat verweer voorbij dient te worden gegaan. Het is niet strafbaar om een kind in het kader van de opvoeding zo nu en dan naar zijn of haar kamer te sturen. In zo’n geval is geen sprake van wederrechtelijke vrijheidsberoving. In onderhavig geval zijn de kinderen echter niet naar hun kamer, maar naar een zolder in de woning, een zolder in de schuur en een zeecontainer gestuurd en hebben deze opsluitingen steeds een dag of langer geduurd. Sommige kinderen zijn opgesloten geweest doordat de deur met een sleutel was afgesloten, andere kinderen hebben zich in ieder geval opgesloten gevoeld nu zij wel wisten dat zij niet uit de ruimte mochten komen, zoals door verdachte ter terechtzitting is verklaard. In alle gevallen hadden de kinderen geen grip op de situatie in die zin dat zij vooraf niet wisten hoelang zij opgesloten zouden blijven. Meerdere kinderen hebben verklaard over het moeten doen van hun behoeften op een emmer.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op

[slachtoffer 5] en het opsluiten in het aardappelhok. Hoewel op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 5] in ieder geval eenmaal in het aardappelhok opgesloten is geweest, namelijk toen hij tien jaar was (1996), geldt dat dit ofwel vóór de tenlastegelegde periode heeft plaatsgevonden ofwel in het deel van de tenlastegelegde periode waarin het Openbaar Ministerie door verjaring niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte is verklaard. Voorts is niet gebleken dat verdachte het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan. Aldus zal hij ook van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de onder 4. ten laste gelegde benadeling van de gezondheid

De rechtbank ziet in het dossier onvoldoende aanwijzingen om te oordelen dat sprake is geweest van de benadeling van de gezondheid van de tenlastegelegde kinderen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde

op tijdstippen gelegen in de periode van 27 september 2004 tot en met 27 september 2016 te Bunschoten-Spakenburg meermalen en stelselmatig (telkens) opzettelijk mishandelend zijn kinderen, te weten:

- [slachtoffer 1] (geboren [1988] ) en

- [slachtoffer 6] (geboren [1989] ) en

- [slachtoffer 7] (geboren [1992] ) en

- [slachtoffer 2] (geboren [1993] ) en

- [slachtoffer 12] (geboren [1994] ) en

- [slachtoffer 3] (geboren [1996] ) en

- [slachtoffer 4] (geboren [1997] ) en

- [slachtoffer 13] (geboren [1999] ) en

- [slachtoffer 14] (geboren [1999] ) en

- [slachtoffer 15] (geboren [2001] )

met kracht met een lat en met de vlakke hand tegen het lichaam heeft geslagen;

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde

op tijdstippen gelegen in de periode van 1 april 2001 tot en met 31 december 2008 te Bunschoten-Spakenburg telkens opzettelijk zijn kinderen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 2] , op het perceel aan de [adres] wederrechtelijk van de vrijheid beroofd heeft gehouden, door voornoemde kinderen gedurende een week of één of meer aaneengesloten dagen in een zeecontainer achter de woning en/of op de zolder op te sluiten en opgesloten te houden.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 3 telkens: mishandeling van zijn kind, meermalen gepleegd;

feit 4 telkens: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden; en

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van het voorarrest;

- een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaren, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] ,

[slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 16] ,

[A] , [B] , [C] , de pleegouders van de minderjarige kinderen en verdachtes kleinkinderen en een locatieverbod.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis van

verdachte op te heffen bij uitspraak.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de door hem bepleite beperkte duur van hetgeen bewezen kan worden verklaard, dient te worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform de duur van het voorarrest. Indien de rechtbank een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt, verzoekt de raadsman de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen bij uitspraak. In dat geval verzoekt de raadsman tevens de schorsingsvoorwaarden te wijzigen in die zin dat die – conform het advies van de reclassering – enkel nog een contactverbod en een locatieverbod omvatten.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Wat betreft de ernst van de feiten overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft zich gedurende een periode van vele jaren schuldig gemaakt aan het stelselmatig mishandelen van een groot deel van zijn kinderen en het wederrechtelijk opsluiten van een aantal van hen. Uit het dossier is gebleken dat verdachte het strafbare karakter van zijn handelen niet inziet nu hij ervan overtuigd is dat hij hiermee uitvoering heeft gegeven aan het woord van God zoals dit in de Bijbel staat weergegeven. Het is deze overtuiging die heeft gemaakt dat verdachte de mishandelingen en opsluitingen als een noodzakelijk en te rechtvaardigen onderdeel van zijn opvoeding zag.

Door aldus te handelen heeft verdachte miskend dat het mishandelen en opsluiten van een ander strafbaar is en dat het, in het geval van mishandeling, bovendien strafverzwarend is als dit plaatsvindt binnen een ouder-kindrelatie en een stelselmatig karakter heeft. Het handelen van verdachte heeft voor zijn kinderen tot gevolg gehad dat zij zijn opgegroeid in een onveilige en onvoorspelbare thuissituatie waarin zij regelmatig werden blootgesteld aan enige vorm van geweld, dat ofwel tegen henzelf was gericht ofwel tegen hun broers of zussen. Het valt verdachte kwalijk te nemen dat zijn kinderen een dergelijke thuissituatie als normaal zijn gaan beschouwen, te meer nu het gezin, onder andere vanwege verdachtes keuze om thuislezer (dat wil zeggen: een christen die thuis preken leest en geen kerkdiensten bezoekt) te worden en zijn kinderen thuisonderwijs te geven, grotendeels in een sociaal isolement is geraakt, waardoor zijn kinderen ook niet beter hadden kunnen weten. Door het geringe aantal contacten buitenshuis was het voor de kinderen bovendien moelijker om aan hun thuissituatie te ontsnappen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van huiselijk geweld psychische problemen kunnen ondervinden en dat deze problemen langdurig van aard kunnen zijn. Dat een deel van de kinderen daadwerkelijk psychische problemen heeft, is gebleken uit de slachtofferverklaringen zoals deze ter terechtzitting zijn voorgelezen. Dat anderen er minder last van lijken te hebben of niet goed in staat zijn over het huiselijk geweld te praten, maakt de strafwaardigheid van de gedragingen van verdachte niet anders. De constante dreiging om (opnieuw) te worden mishandeld of te worden opgesloten, moet beklemmend zijn geweest en tot een continue waakzaamheid hebben geleid. Verdachte heeft door zijn wijze van opvoeden bewerkstelligd dat zijn kinderen niet onbezorgd in een veilige omgeving hebben kunnen opgroeien. De rechtbank rekent verdachte dit ernstig aan.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van een rapportage pro Justitia van 24 juli 2017, opgesteld naar aanleiding van een observatie in het

Pieter Baan Centrum en opgemaakt door T. den Boer, psychiater en L. Vermeulen,

GZ-psycholoog in samenwerking met de overige leden van het onderzoekende team. Uit deze rapportage blijkt dat verdachte op advies van zijn advocaat heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek. Het contact met de onderzoekende psycholoog is nagenoeg geheel door verdachte afgehouden. De gesprekken met de psychiater hebben zich beperkt tot het bespreken van het strafdossier. Toch is door het voeren van deze gesprekken bij de psychiater zicht gekregen op een sterk op de voorgrond staande dynamiek bij verdachte, die niet (volledig) kan worden verklaard vanuit de procespositie of de onderzoeksomstandigheden. Deze dynamiek betreft het zichzelf in contact met de ander steeds in de wetende, onderwijzende of bepalende rol plaatsen, terwijl de denkbeelden, gedachten en ideeën van de ander voor verdachte niet relevant lijken te zijn. De psychiater heeft langere tijd de rol van luisteraar aangenomen, waardoor meningsverschillen niet ter sprake zijn gekomen en verdachte als het ware de psychiater heeft onderwezen over de wijze waarop het strafdossier gelezen dient te worden. In de manier waarop verdachte deze gesprekken is aangegaan, is dezelfde zelfbepalende, zelfgenoegzame, niet-zelfkritische houding gezien. Zodra door de psychiater een meer confronterende houding wordt aangenomen, kon hij niet langer een gesprekspartner van verdachte zijn. Het is de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum niet bekend geworden hoe het pad naar toenemende sociale isolatie, waaronder het breken met de kerk en de beslissing voor thuisonderwijs, is gelopen. Vanuit een deels zelf gezocht streng kerkelijk milieu heeft verdachte in een toenemend sociaal isolement gefunctioneerd, waarin hij geen tegenspraak kende. Dat nu geen tegenspraak geaccepteerd lijkt te worden en dat nu geen gezag boven verdachte – tenzij het goddelijk gezag – aanvaard lijkt te worden kan niet los worden gezien van deze ontwikkeling. Op dit moment wordt aangekeken tegen een langdurig bestaande situatie waarin verdachte vermoedelijk niet of zelden tegen werd gesproken en waarin hij zijn wet kon doen gelden, hierin niet of onvoldoende bijgestuurd door anderen. Verdachte voelt zichzelf onrecht aangedaan, gaat sterk uit van eigen gelijk, positioneert zich boven de ander en verplaatst zich niet in het perspectief van de ander. Verdachte verbreekt het contact als hem weerwoord wordt gegeven en heeft een zwart/wit beeld geschetst over mensen die loyaal aan hem zijn en mensen die tegen hem zijn. Deze dynamiek kan omschreven worden als een sterk narcistische dynamiek. In de gerechtelijke stukken is eenzelfde dynamiek teruggevonden. Opgemerkt wordt nog dat het functioneren van verdachte onvoldoende kan worden begrepen als uiting van het door hem gepraktiseerde geloof. De wijze waarop hij zich uit, hangt niet samen met geloofsthema’s, maar betreft met name de interactie tussen hem en de ander.

De onderzoekers kunnen de vraag of sprake is van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling niet beantwoorden. Hoewel de beschreven (narcistische) dynamiek ongetwijfeld een rol speelt in het functioneren van verdachte binnen het gezinsverband, is het onderzoekers niet duidelijk geworden in hoeverre verdachte grip heeft op zijn handelen, op zijn agressieregulatie en op het ontstaan van boosheid als zijn gezag niet wordt geaccepteerd door iemand die aan zijn gezag is toevertrouwd. Gelet op het niet in het geheel kunnen uitvoeren van het onderzoek kunnen de overige vragen van de rechtbank evenmin worden beantwoord, aldus de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum.

In de reclasseringsrapportage van 16 april 2018, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker, adviseert de reclassering verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen. Dit na de constateringen dat verdachte niet-ontvankelijk is voor begeleiding en/of behandeling Hij ontkent een groot deel van de tenlastegelegde feiten en acht zijn handelen niet strafbaar. Gelet op verdachtes houding ziet de reclassering geen mogelijkheid om door middel van gedragsinterventies en/of behandeling bij verdachte een gedragsverandering te bewerkstelligen. De reclassering adviseert voorts een contactverbod op te leggen met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , zoals dit op dit moment is opgenomen in de schorsingsvoorwaarden. Ook wordt geadviseerd het in de schorsingsvoorwaarden opgelegde locatieverbod te continueren. De elektronische controle op het locatieverbod wordt niet langer noodzakelijk geacht.

De rechtbank heeft tot slot kennisgenomen van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 oktober 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet recentelijk voor soortgelijke zaken met justitie in aanraking is gekomen. Dit wordt niet in het voor- of nadeel van verdachte meegenomen.

De rechtbank overweegt dat de duur, ernst en omvang van de bewezenverklaarde feiten niet anders dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Met de onderzoekers is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de houding van verdachte, geen meerwaarde wordt gezien in het opleggen van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden gericht op het bewerkstelligen van een gedragsverandering bij verdachte. De rechtbank acht minder feiten dan de officier van justitie bewezen en komt zodoende tot een lagere straf. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren passend en geboden. Hiervan dient de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht te worden afgetrokken.

De rechtbank legt ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten aan verdachte op een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaren. Hiertoe overweegt de rechtbank dat zij het, gelet op het bewezen verklaarde, niet wenselijk acht dat verdachte op korte termijn in contact komt met een deel van zijn kinderen, zeker niet als dit een pedagogische setting zou betreffen. De rechtbank beveelt aldus dat verdachte zich onthoudt van (in)direct contact met:

  • -

    [slachtoffer 1] (geboren op [1988] );

  • -

    [slachtoffer 2] (geboren op [1993] );

  • -

    [slachtoffer 3] (geboren op [1996] );

  • -

    [slachtoffer 4] (geboren op [1997] );

  • -

    [slachtoffer 15] (geboren op [2001] ) en haar pleegouders;

  • -

    [slachtoffer 16] (geboren op [2003]) en haar pleegouders;

  • -

    [A] (geboren op [2004] ) en haar pleegouders;

  • -

    [B] (geboren op [2006] ) en haar pleegouders;

  • -

    [C] (geboren op [2008] ) en haar pleegouders; en

  • -

    zijn kleinkinderen.

Gelet op de duur en het stelselmatige karakter van het bewezen verklaarde is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee dient te worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens bovengenoemde personen. Daarom beveelt de rechtbank dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. De rechtbank beveelt dat, voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, de maatregel wordt vervangen door een week hechtenis voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.

De rechtbank ziet geen aanleiding om naast een contactverbod tevens een locatieverbod op te leggen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het locatieverbod een grote inbreuk maakt op de bewegingsvrijheid van verdachte, te meer nu de rechtbank heeft beslist tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar in plaats van de door de officier van justitie geëiste vijf jaar, en een locatieverbod, naar het oordeel van de rechtbank, naast het contactverbod geen meerwaarde heeft ter bescherming van de slachtoffers en anderen tegen verdachte. In haar oordeel heeft de rechtbank meegenomen dat verdachte heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan contact met de aangevers en met zijn minderjarige kinderen zo lang Samen Veilig bij hen is betrokken.

De rechtbank wijst af het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte. Het uitgangspunt is dat een verdachte een eventueel in te stellen hoger beroep in vrijheid mag afwachten. De rechtbank oordeelt dat zij in onderhavige zaak geen bijzondere omstandigheid ziet die maakt dat zij van dit uitgangspunt zal afwijken. Het verzoeken om wijziging van de schorsingsvoorwaarden wordt afgewezen.

9 BESLAG

Teruggave aan verdachte

De rechtbank zal teruggave gelasten aan verdachte van het in beslag genomen voorwerp, te weten een kettingzaag, kleur oranje, STIHL 044.

Nu verdachte ter terechtzitting afstand heeft gedaan van de inbeslaggenomen drie latten, zal de rechtbank hierop geen beslissing nemen.

10 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 5.000,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1., 3. en 4. ten laste gelegde feit.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 7.500,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3., 4. en 5. ten laste gelegde feit.

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 2.500,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3. ten laste gelegde feit.

[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 2.500,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3. ten laste gelegde feit.

De benadeelde partijen hebben tevens gevorderd verdachte, in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel of in het kader van een vrijheidsbeperkende maatregel, een contactverbod met hen en een locatieverbod op te leggen.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen in het geheel toe te wijzen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen

niet-ontvankelijk in hun vorderingen dienen te worden verklaard, nu deze vorderingen te laat zijn ingediend, namelijk een dag voor de terechtzitting rond 17.00 uur, wat tot gevolg heeft dat de verdediging niet voldoende inhoudelijk op deze vorderingen kan reageren, te meer nu verdachte zich aan een avondklok dient te houden wat de mogelijkheden tot overleg beperkt. Dit is in strijd met de goede procesorde en zorgt aldus voor een onevenredige belasting van het strafgeding omdat de verdediging alsnog in de gelegenheid zal moeten worden gesteld om op de vorderingen te reageren. Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 1] en

[slachtoffer 2] heeft de raadsman zich subsidiair op het standpunt gesteld dat zij

niet-ontvankelijk in hun vordering dienen te worden verklaard nu verdachte van een deel van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken en uit de vorderingen onvoldoende blijkt welk bedrag voor welk tenlastegelegd feit wordt gevraagd. Meer subsidiair heeft de raadsman zich ten aanzien van deze vorderingen op het standpunt gesteld dat ze onvoldoende zijn onderbouwd en dat daarom de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering dienen te worden verklaard. Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 3] en

[slachtoffer 4] heeft de raadsman zich subsidiair op het standpunt gesteld dat zij

niet-ontvankelijk in hun vorderingen dienen te worden verklaard nu deze vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen

Volgens het bepaalde in artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering kan een benadeelde partij zich in het strafgeding voegen tot aan het moment dat de officier van justitie zijn requisitoir zal voordragen. Hoewel de vorderingen van de benadeelde partijen in onderhavige zaak niet bijzonder tijdig zijn ingediend, zijn ze, conform de wettelijke voorschriften, wél op tijd ingediend. Wat betreft de inhoud van de vorderingen overweegt de rechtbank dat elk van vorderingen een vergoeding voor de geleden immateriële schade omvat. De onderbouwing van deze schade is gebaseerd op de feiten en omstandigheden zoals deze in het dossier staan weergegeven en waarvan de raadsman reeds uitvoerig kennis heeft genomen. De rechtbank oordeelt aldus dat de vorderingen relatief eenvoudig van aard zijn, zoals ook blijkt uit het gegeven dat de raadsman – ondanks de late kennisneming van de vorderingen – in staat is geweest ter terechtzitting een gemotiveerd verweer te voeren. Aldus is niet gebleken van een strijd met de goede procesorde of van een onevenredige belasting van het strafgeding. Het verweer tot niet-ontvankelijkheid wordt verworpen.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] , geboren op [1988]

De gevorderde immateriële schade komt voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van

€ 3.500,-. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [slachtoffer 1] ten opzichte van de andere kinderen vaker werd geslagen en twee keer, waarvan één keer gedurende een week, opgesloten is geweest. De rechtbank zal daarom de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. Niet is komen vast te staan dat dat deel van de vordering rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering

niet-ontvankelijk verklaren en bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 3.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 45 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] , geboren op [1993]

De gevorderde immateriële schade komt voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van

€ 2.500,-. De rechtbank zal daarom de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. Niet is komen vast te staan dat dat deel van de vordering rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering

niet-ontvankelijk verklaren en bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 35 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] , geboren op [1996]

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3. bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 2.500,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 35 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4] , geboren op [1997]

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3. bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 2.500,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 4] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 35 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 60a, 282, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder 1., subsidiair en meer subsidiair en 4. ten laste gelegde wat betreft de periode van 27 september 1996 tot en met 31 maart 2001;

Vrijspraak

- verklaart het onder 1., 2. en 5. ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 3. en 4. ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld;

- verklaart het onder 3. en 4. meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 3. en 4. bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6. is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en/of maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaren;

  • -

    beveelt dat verdachte

 zich onthoudt van contact met

  • -

    [slachtoffer 1] (geboren op [1988] );

  • -

    [slachtoffer 2] (geboren op [1993] );

  • -

    [slachtoffer 3] (geboren op [1996] );

  • -

    [slachtoffer 4] (geboren op [1997] );

  • -

    [slachtoffer 15] (geboren op [2001] ) en haar pleegouders;

  • -

    [slachtoffer 16] (geboren op [2003] ) en haar pleegouders;

  • -

    [A] (geboren op [2004] ) en haar pleegouders;

  • -

    [B] (geboren op [2006] ) en haar pleegouders;

  • -

    [C] (geboren op [2008] ) en haar pleegouders;

  • -

    zijn kleinkinderen;

- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel wordt vervangen door een week hechtenis, met een maximum van zes maanden;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het voorwerp:

 een kettingzaag, kleur oranje, STIHL 044;

Benadeelde partij

Ten aanzien van het onder 3. en 4. ten laste gelegde

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 1] , geboren op [1988] toe tot een bedrag van € 3.500,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 3.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 45 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 2] , geboren op [1993] , toe tot een bedrag van € 2.500,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 2.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 35 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 3] , geboren op [1996] , toe tot een bedrag van € 2.500,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 2.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 35 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 4] , geboren op [1997] , toe tot een bedrag van € 2.500,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 4] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat € 2.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 35 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Ebbens, voorzitter, mr. drs. J.G. van Ommeren en

mr. O.P. van Tricht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Kruijswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 mei 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op enig tijdstip gelegen in de periode 27 september 1996 tot en met 31 december 2005 te Bunschoten-Spakenburg, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zijn zoon [slachtoffer 1] van het leven te beroven met dat opzet die [slachtoffer 1] op een tafel heeft vastgebonden en/of (vervolgens) een in werking zijnde motorkettingzaag in de directe nabijheid van de nek, althans het hoofd, en/of zijn buik, in elk geval het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 287 Wetboek van Strafrecht; art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair

hij op enig tijdstip gelegen in de periode van 27 september 1996 tot en met 31 december 2005 te Bunschoten-Spakenburg, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn zoon [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] op een tafel heeft vastgebonden en/of (vervolgens) een in werking zijnde motorkettingzaag in de directe nabijheid van de nek, althans het hoofd, en/of de buik, in elk geval het bovenlichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht; art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Meer subsidiair

hij op enig tijdstip gelegen in de periode van 27 september 1996 tot en met 31 december 2005 te Bunschoten-Spakenburg, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in de woning gelegen aan de [adres] opzettelijk zijn zoon [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer 1] aan een tafel vastgebonden met (span)banden aan zijn armen en/of benen en/of over zijn bovenlichaam en/of

- een in werking zijnde motorkettingzaag in de directe nabijheid van de nek, althans het hoofd, en/of de buik, in elk geval het bovenlichaam, van die [slachtoffer 1] gehouden;

(art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

Primair

hij op enig tijdstip gelegen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 te Bunschoten-Spakenburg, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zijn zoon [slachtoffer 5] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 5] (met kracht) bij zijn keel heeft gepakt en/of (vervolgens) de keel van die [slachtoffer 5] heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt en/of dichtgeknepen/dichtgedrukt heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 287 Wetboek van Strafrecht; art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair

hij op enig tijdstip gelegen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 te Bunschoten-Spakenburg, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn zoon [slachtoffer 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat die [slachtoffer 5] (met kracht) bij zijn keel heeft gepakt en/of (vervolgens) de keel van die [slachtoffer 5] heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt en/of dichtgeknepen/dichtgedrukt heeft gehouden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht; art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 27 september 2004 tot en met

27 september 2016 te Bunschoten-Spakenburg, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen en/of stelselmatig (telkens) opzettelijk mishandelend zijn kind(eren), te weten:

- [slachtoffer 9] (geboren [1983] ) en/of

- [slachtoffer 10] (geboren [1984] ) en/of

- [slachtoffer 5] (geboren [1986] ) en/of

- [slachtoffer 11] (geboren [1987] ) en/of

- [slachtoffer 1] (geboren [1988] ) en/of

- [slachtoffer 6] (geboren [1989] ) en/of

- [slachtoffer 8] (geboren [1990] ) en/of

- [slachtoffer 7] (geboren [1992] ) en/of

- [slachtoffer 2] (geboren [1993] ) en/of

- [slachtoffer 12] (geboren [1994] ) en/of

- [slachtoffer 3] (geboren [1996] ) en/of

- [slachtoffer 4] (geboren [1997] ) en/of

- [slachtoffer 13] (geboren [1999] ) en/of

- [slachtoffer 14] (geboren [1999] ) en/of

- [slachtoffer 15] (geboren [2001] )

(met kracht) met een lat, althans een stuk hout en/of een voegboord en/of met de tot vuisten gebalde hand(en) en/of met de vlakke hand(en) tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of (met geschoeide voet) tegen het lichaam heeft getrapt/geschopt;

(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 27 september 1996 tot en met

31 december 2008 te Bunschoten-Spakenburg, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk zijn/haar/hun kind(eren), te weten [slachtoffer 5] en/of

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 2] , althans telkens zijn kind, op het perceel aan de [adres] wederrechtelijk van de vrijheid beroofd heeft/hebben gehouden, door voornoemd(e) kind(eren), gedurende een of meer weken en/of en aantal aaneengesloten dagen in het aardappelhok in de garage en/of een zeecontainer achter de woning en/of de zolder op te sluiten en/of opgesloten te houden;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 27 september 2004 tot en met

31 december 2008 te Bunschoten-Spakenburg, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk de gezondheid van zijn/haar/hun kind(eren), te weten [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of

[slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 2] , althans telkens zijn kind, heeft/hebben benadeeld, door met dat opzet voornoemd(e) kind(eren), gedurende langere tijd (een of meer weken en/of meerdere aaneengesloten dagen) in een onverwarmde ruimte zonder daglicht op te sluiten en/of die/dat kind(eren) niet van voldoende (gezonde) voeding te voorzien en/of die/dat kind(eren) te dwingen zijn/haar/hun behoefte te doen in een kamer waar hij/zij was/waren opgesloten;

(art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

5.

hij op enig tijdstip gelegen in de periode van 14 april 2003 tot en met 13 april 2005 te Bunschoten, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met zijn dochter

[slachtoffer 2] (geboren [1993] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte hebbende verdachte

- zijn vinger(s) in haar vagina geduwd/gebracht en/of bewogen;

(art 244 Wetboek van Strafrecht)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 13 februari 2017, genummerd MD32016001/2016-247926, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 995. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris, pagina 15.

3 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 195.

4 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 207.

5 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 890.

6 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 9] bij de rechter-commissaris, pagina 7.

7 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] bij de rechter-commissaris, pagina 5.

8 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] bij de rechter-commissaris, pagina 8.

9 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 843.

10 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 6] bij de rechter-commissaris, pagina 4.

11 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 6] bij de rechter-commissaris, pagina 5.

12 Een proces-verbaal van relaas, pagina 6.

13 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 623.

14 Het proces-verbaal ter terechtzitting van 25 april 2018.

15 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

16 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 6] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

17 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

18 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris, pagina 2.

19 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, pagina 4.

20 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 13] bij de rechter-commissaris, pagina 6.

21 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 13] bij de rechter-commissaris, pagina 4.

22 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 14] bij de rechter-commissaris, pagina 5.

23 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 14] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

24 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 13] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

25 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 761.

26 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 763.

27 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 6] bij de rechter-commissaris, pagina 5.

28 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] bij de rechter-commissaris, pagina 4.

29 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] bij de rechter-commissaris, pagina 3.

30 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] bij de rechter-commissaris, pagina 6.

31 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] bij de rechter-commissaris, pagina 3.

32 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] bij de rechter-commissaris, pagina 4.

33 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

34 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris, pagina 10.

35 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 199.

36 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 12] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

37 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 858.

38 Een proces-verbaal van verhoog getuige, pagina 859.

39 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 12] bij de rechter-commissaris, pagina 4.

40 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 13] bij de rechter-commissaris, pagina 4.

41 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

42 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, pagina 2.

43 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, pagina 10.

44 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

45 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 209.

46 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

47 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] bij de rechter-commissaris, pagina 2.

48 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 209.

49 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 14] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

50 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 14] bij de rechter-commissaris, pagina 2.

51 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 14] bij de rechter-commissaris, pagina 3.

52 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 923.

53 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 209.

54 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 207.

55 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 13] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

56 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 889.

57 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 13] bij de rechter-commissaris, pagina 5.

58 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 890.

59 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 882.

60 Een proces-verbaal van relaas, pagina 6.

61 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 138.

62 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 209.

63 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 899.

64 Het proces-verbaal ter terechtzitting van 25 april 2018.

65 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris, pagina 7.

66 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] bij de rechter-commissaris, pagina 2.

67 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris, pagina 10.

68 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 5] bij de rechter-commissaris, pagina 3.

69 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, pagina 2.

70 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, pagina 11.

71 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 898.

72 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 6] bij de rechter-commissaris, pagina 4.

73 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 212.

74 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 213.

75 Een proces-verbaal van getuige, pagina 207.

76 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 9] bij de rechter-commissaris, pagina 7.

77 Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 128.

78 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, pagina 3.

79 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 6] bij de rechter-commissaris, pagina 5.

80 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 12] bij de rechter-commissaris, pagina 4.

81 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 12] bij de rechter-commissaris, pagina 5.

82 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris, pagina 5.

83 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 158.

84 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris, pagina 9.

85 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

86 Het proces-verbaal ter terechtzitting van 25 april 2018.

87 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 642.

88 Het proces-verbaal ter terechtzitting van 25 april 2018.

89 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] bij de rechter-commissaris, pagina 10.

90 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] bij de rechter-commissaris, pagina 11.

91 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] bij de rechter-commissaris, pagina 10.

92 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, pagina 4.

93 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 14] bij de rechter-commissaris, pagina 5.

94 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 14] bij de rechter-commissaris, pagina 6.

95 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 14] bij de rechter-commissaris, pagina 5.

96 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 13] bij de rechter-commissaris, pagina 6.

97 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 14] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

98 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 13] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

99 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris, pagina 8.

100 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris, pagina 9.

101 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 198.

102 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

103 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 8] bij de rechter-commissaris, pagina 2.

104 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 8] bij de rechter-commissaris, pagina 1.

105 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] bij de rechter-commissaris, pagina 9.

106 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] bij de rechter-commissaris, pagina 10.

107 Het proces-verbaal ter terechtzitting van 25 april 2018.

108 Een proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 489.

109 Een proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 490.

110 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 647.