Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2095

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-05-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
C/16/453951 / FT RK 18/153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek dwangakkoord toegewezen. Schuldeiser in de kosten van de procedure veroordeeld. De rechtbank heeft vanwege de aard van de procedure het tarief voor een eenvoudig kort geding toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/453951 / FT RK 18/153

uitspraakdatum: 11 mei 2018

uitspraak op grond van artikel 287a van de Faillissementswet (‘dwangakkoord’)

enkelvoudige kamer

in de zaak van

[verzoeker] ,

geboren [1952] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

tegen

de besloten vennootschap DE ELF PROVINCIËN B.V.,

gevestigd te Zeist,

deurwaarder GGN Mastering Credit te Utrecht,

verweerster.

Verzoeker zal hierna [verzoeker] , verweerster De Elf Provinciën worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 29 januari 2018 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift tot toelating tot de schuldsanering en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw.),

  • -

    de brief van 30 januari 2018 van Stadsgeldbeheer van de Tussenvoorziening inhoudende het verzoek om De Elf provinciën te veroordelen tot betaling van de op € 846,60 begrote proceskosten,

  • -

    het op 19 april 2018 door mr. A. Viergever van GGN Mastering Credit namens De Elf Provinciën ingediende verweerschrift,

  • -

    de mondelinge behandeling van genoemd verzoekschrift van 25 april 2018 en de daarvan opgemaakte aantekeningen van de griffier. Verschenen zijn [verzoeker] en mevrouw [A] , consulent Stadsgeldbeheer van de Tussenvoorziening te Utrecht. Namens De Elf Provinciën is, met bericht van verhindering van mr. A. Viergever niemand verschenen.

1.2.

De datum van het vonnis is op 11 mei 2018 bepaald.

2 De feiten

2.1.

De schuldhulpverlener heeft op of omstreeks 30 mei 2017 namens [verzoeker] een schuldregeling aangeboden aan de schuldeisers. Dit aanbod houdt in een uitdeling van 6,27 % op de concurrente schulden van € 14.480,19 en 12,54 % op de preferente belastingschulden van € 6.872,00.

2.2.

De onder 2.1. bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve De Elf Provinciën aanvaard.

2.3.

De Elf Provinciën heeft op grond van het vonnis van 7 april 2014 van de kantonrechter te Utrecht een huurvordering, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, van € 8.219,26, welke vordering 38,49 % vormt van de onder 2.1. genoemde schulden van [verzoeker] .

2.4.

In de schuldregeling van drie jaar kan, na aftrek van € 113,40 reserveringskosten,

€ 1.146,60 aan de schuldeisers uitgedeeld worden. In drie jaar WSNP is, rekening houdend met het looptijd afhankelijke en looptijd onafhankelijke salaris van de bewindvoerder, geen uitdeling aan de schuldeisers mogelijk.

2.5.

[verzoeker] heeft met hulp van De Tussenvoorziening een eigen woning gekregen. Hij ontvangt een Participatiewet-uitkering van € 937,19 per maand. Sinds maart 2017 is [verzoeker] in inkomensbeheer bij Stadsgeldbeheer.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] heeft verzocht De Elf Provinciën te bevelen in te stemmen met de onder 2.1 bedoelde schuldregeling en haar in de proceskosten te veroordelen.

3.2.

De Elf Provinciën betwist het verzoek. Op het gevoerde verweer wordt hierna ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In artikel 287a Fw is bepaald dat een verzoek dwangakkoord slechts kan worden toegewezen, indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot het onthouden van instemming met de door de schuldenaar aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van zijn bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

4.2.

Bij de beoordeling van het verzoek dient het uitgangspunt te zijn dat het iedere schuldeiser vrij staat om te verlangen dat 100 % van zijn vordering, vermeerderd met wettelijke rente en kosten, wordt voldaan. Aangezien de aangeboden schuldregeling voorziet in een aanzienlijk lagere uitdeling van 6,27 % op de vordering van De Elf Provinciën staat haar belang tot weigering van de aangeboden schuldregeling vast.

4.3.

Vervolgens komt aan de orde of De Elf Provinciën in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Beoordeeld dient te worden of door het niet instemmen met de aangeboden schuldregeling de belangen van de overige schuldeisers en [verzoeker] worden geschaad en zo ja, of die belangen voorrang hebben boven de belangen van De Elf Provinciën bij het uitoefenen van haar bevoegdheid tot weigering van de voorgestelde schuldregeling.

4.4.

Vaststaat dat de concurrente schuldeisers bij ongewijzigde omstandigheden, in drie jaar schuldregeling een uitdeling van 6,27 % op hun vorderingen kunnen verwachten. In de schuldsaneringsregeling is, eveneens bij ongewijzigde omstandigheden, vanwege het salaris van de bewindvoerder geen ruimte voor een uitdeling aan de schuldeisers.

4.5.

Uit de door de schuldhulpverlening overgelegde "Berekening saldo uitdeling Minnelijk traject" blijkt dat het aanbod aan de schuldeisers is gebaseerd op de volgens de aflostabel van de NVVK vastgestelde minimale afloscapaciteit van € 35,00 per maand. Dit brengt mee dat in de schuldregeling een uitdeling aan de schuldeisers mogelijk is. In de WSNP is vanwege het feit dat het vrij te laten bedrag € 195,67 hoger is dan de

bijstandsuitkering geen ruimte voor een uitdeling aan de schuldeisers mogelijk.

4.6.

Naar de mening van De Elf Provinciën zou [verzoeker] zodra hij tot de arbeidsmarkt is toegetreden zijn schuldeisers een hoger aanbod kunnen doen. De rechtbank is van oordeel dat het vinden van betaald werk op grond van het problematische verleden van [verzoeker] , zijn situatie en zijn leeftijd onwaarschijnlijk is. Bovendien bereikt [verzoeker] op 11 juli 2018 de 66-jarige leeftijd en kan aan hem in de schuldsaneringsregeling vanaf deze datum geen sollicitatieverplichting worden opgelegd. Aangezien de sollicitatieverplichting in de schuldsaneringsregeling niet langer dan twee maanden van kracht zou zijn, is redelijkerwijs niet te verwachten dat [verzoeker] in deze korte periode voor zijn schuldeisers kan sparen.

4.7.

Vanwege de geschatte waarde van de kunstvoorwerpen volgens het in de procedure bij de kantonrechter in het geding gebrachte taxatierapport, betwijfelt De Elf Provinciën dat de verkoop van de kunstcollectie slechts € 5.000,00 zou hebben opgebracht. Er zou mogelijk nog sprake zijn van vermogen. [verzoeker] had uit de opbrengst van de verkoop van zijn collectie zijn schulden kunnen aflossen, zo meent De Elf Provinciën. [verzoeker] heeft ter zitting naar het oordeel van de rechtbank echter voldoende toegelicht dat hij niet meer over kunstvoorwerpen beschikt. Wat de waarde van de kunstvoorwerpen die [verzoeker] bezat ook is geweest, vaststaat dat er geen kunstvoorwerpen meer zijn die ten behoeve van zijn schuldeisers te gelde kunnen worden gemaakt.

4.8.

Op grond van het voorgaande staat vast dat de aangeboden schuldregeling in het belang van [verzoeker] en zijn schuldeisers is. De Elf Provinciën kan daarom in redelijkheid worden verplicht om aan het akkoord mee te werken. De rechtbank zal het verzoek toewijzen.

4.9.

[verzoeker] heeft verzocht De Elf Provinciën te veroordelen in de kosten van de procedure. In de omstandigheden van dit geval waar evident is dat [verzoeker] de pensioengerechtigde leeftijd bereikt op 11 juli 2018 en waarin De Elf Provinciën niet hebben gemotiveerd op grond waarom zij menen dat hij nog zou moeten beschikken over vermogensbestanddelen waarover hij in 2006 (datum taxatierapport) de beschikking had, is de rechtbank van oordeel dat een veroordeling in de proceskosten moet worden uitgesproken. Uit de artikelen 285 Fw en 287a Fw vloeit voort dat het minnelijk traject moet worden begeleid door het college van burgemeester en wethouders, een gemeentelijke kredietbank of de krachtens de in artikel 48, eerste lid, onderdeel d van de Wet op het consumentenkrediet toegelaten personen. Gelet op deze bepalingen zal de rechtbank de proceskosten begroten naar analogie van de artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin rechtsbijstand verplicht is. Gezien de aard van deze procedure zal de rechtbank aansluiten bij het tarief voor een eenvoudig kort geding. De kosten aan de zijde van [verzoeker] worden tot op heden begroot op € 633,00.

4.10.

Aangezien het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord wordt toegewezen, komt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet meer aan de orde.

5
5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt de De Elf Provinciën in te stemmen met de onder 2.1 bedoelde schuldregeling;

5.2.

veroordeelt De Elf Provinciën in de kosten van deze procedure, tot op heden begroot op € 633,00;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2018.