Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:209

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-01-2018
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
16/706575-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele jaren schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van een aanzienlijk geldbedrag. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een busje pepperspray. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden een passende en geboden reactie vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/706575-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 januari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1972] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 oktober 2016, 8 februari 2017, 27 november, 28 november 2017 en 4 december 2017. Ter terechtzitting van 8 januari 2018 is het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N.M. Collenburg en van hetgeen verdachte en mr. A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 27 november 2017 gewijzigd. De tenlastelegging is met wijziging als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt, kort en feitelijk weergegeven, neer op het volgende:

1. Deelneming aan een criminele organisatie gericht op het telen, dan wel aanwezig hebben van (een grote hoeveelheid) hennep in de periode van 7 april 2014 tot en met 16 februari 2016 te Amersfoort/Almere/Zeewolde/Nijkerk, althans in het arrondissement Midden-Nederland.

2. Medeplegen van (gewoonte) witwassen, dan wel schuldwitwassen van contante geldbedragen, in totaal een bedrag van 438.363,00 euro, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 16 februari 2016 te Amersfoort/Almere/Zeewolde/Nijkerk, althans in het arrondissement Midden-Nederland en/of het arrondissement Zwolle-Lelystad.

3. Medeplegen van witwassen, dan wel schuldwitwassen van een viertal goederen (boot Gobbi, boot I-sloep, boot Jan van Gent en personenauto BMW) in de periode van 1 januari 2013 tot en met 16 februari 2016 te Amersfoort/Almere/Zeewolde/Nijkerk, althans in het arrondissement Midden-Nederland.

4. Medeplegen van het voorhanden hebben van een busje pepperspray op 1 september 2015 te Nijkerk.

3 VOORVRAGEN

Geldigheid van de dagvaarding met betrekking tot feit 3

In het onder 3 ten laste gelegde feit is als derde gedachtestreepje “een boot, type sloep, merk Jan van Gent, zonder registratienummer” opgenomen. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit gedeelte van de tenlastelegging onvoldoende specifiek is, omdat niet duidelijk is – ook niet tegen de achtergrond van het dossier – op welke boot de tenlastelegging ziet. De rechtbank verklaart de dagvaarding dan ook gedeeltelijk nietig, namelijk ten aanzien van het derde aandachtstreepje met de woorden “een boot, type sloep, merk Jan van Gent, zonder registratienummer”.

De dagvaarding is voor het overige geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft partiële vrijspraak gevraagd ter zake van feit 3, voor zover dat feit betrekking heeft op de boot, merk I-sloep. De officier van justitie acht het onder 1, 2, 3 (ten aanzien van de overige goederen) en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. De raadsvrouw voert daartoe aan dat sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Ook ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw van verdachte vrijspraak bepleit. De raadsvrouw voert daartoe allereerst aan dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte over de gelden of goederen zoals ten laste gelegd, heeft beschikt. Aan de hand van de bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat de aan verdachte toegeschreven contanten – al dan niet als medepleger – in verdachtes bezit zijn geweest. De raadsvrouw voert aan dat veel van de aan verdachte toegeschreven geldbedragen niet van hem afkomstig zijn en dat het bedrag dat overblijft verklaard wordt door het door hem verdiende, reguliere inkomen. Voor de tenlastegelegde goederen (feit 3) geldt dat niet kan worden vastgesteld dat de voorwerpen (1) uit misdrijf afkomstig zijn en (2) dat verdachte – als medepleger – opzettelijk één of meer van de tenlastegelegde verhullingshandelingen heeft gepleegd. De raadsvrouw benadrukt dat de bewijslast, ook in geval van verdenking van witwassen, bij het Openbaar Ministerie ligt en dat dus niet van verdachte mag worden verlangd dat hij bewijs voor zijn onschuld aanlevert. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

Ten aanzien van feit 1: deelneming criminele organisatie

Juridisch kader

Op grond van vaste jurisprudentie is sprake van deelname aan een criminele organisatie indien een betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (vlg. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413).

Tenlastelegging

Aan de verdachte is op de voet van (thans) artikel 11b van de Opiumwet de deelname aan een criminele organisatie tenlastegelegd met als oogmerk het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, althans aanwezig hebben van (telkens) (een grote hoeveelheid) hennep.

Gelet op deze tenlastelegging moet voor een bewezenverklaring allereerst kunnen worden vastgesteld dat er sprake was van het in georganiseerd verband - kort gezegd - telen van of bezit van hennep.

Overweging en conclusie

De betrokkenheid van verdachte bij de criminele organisatie zou er volgens de officier van justitie in hebben bestaan dat verdachte degene is geweest met het geld en dat hij als leider van de organisatie moet worden gezien.

In het dossier zitten aanwijzingen van enige samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Immers, uit de tapgesprekken, de observaties en ook uit de verklaringen van de getuige [getuige 1] volgt dat verdachte en de medeverdachten contact met elkaar onderhielden, dat zij elkaar ontmoetten, dat zij werkzaamheden voor elkaar en met elkaar verrichtten, dat daarbij geld verdiend werd en dat er mogelijk sprake was van enige mate van rangorde in die onderlinge contacten, waarbij verdachte mogelijk een leidende rol heeft gehad. Niet blijkt echter dat deze samenwerking ziet op het telen, dan wel het aanwezig hebben van hennep. Het gaat over allerlei onderwerpen en de beschikbare informatie roept wellicht vragen op, maar het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat verdachte en de medeverdachten zich in een gestructureerd samenwerkingsverband van duurzame aard hebben bezig gehouden met hennepteelt, dan wel bezit van hennep.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat de rechtbank hem daarvan zal vrijspreken.

Bewijsmiddelen 1

De hieronder weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 (witwassen) algemeen

Juridisch kader

Voor een veroordeling ter zake van witwassen is allereerst vereist dat bewezen moet worden dat het voorwerp waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft, afkomstig is uit enig misdrijf. Als echter op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp en een bepaald misdrijf (het zogenoemde gronddelict), kan naar inmiddels bestendige jurisprudentie niettemin worden bewezen verklaard dat het voorwerp een criminele herkomst heeft, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld dan wel het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat deze het vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld of de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben.

Tegen de achtergrond van voornoemde eerste stap is relevant wat de omvang is geweest van de contante geldbedragen die verdachte (en/of zijn partner) voorhanden heeft gehad, nu die omvang door de verdediging is betwist.

Voorts neemt de rechtbank als vaststaand aan dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] in de ten laste gelegde periode een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd nu zij zelf hebben aangegeven dat zij in deze periode en nog steeds een affectieve relatie hebben waaruit een zoon is geboren en zij samenwoonden in dezelfde woningen.

Verder ten aanzien van feit 2: omvang van de contante geldbedragen

Wat betreft de contante uitgaven:

Contant betaalde reis Turkije

Uit de opgevraagde informatie bij [bedrijf 1] blijkt dat verdachte en/of de medeverdachte [medeverdachte 1] op 25 juni 2015 een bedrag van (afgerond) € 9.419,- contant heeft/hebben betaald voor een vakantie.2 Verdachte heeft erkend dat hij (dan wel de medeverdachte [medeverdachte 1] ) dit bedrag contant heeft voldaan.3

Quads

Uit de opgevraagde informatie bij [bedrijf 21] is gebleken dat verdachte en/of de medeverdachte [medeverdachte 1] op 7 april 2015 een bedrag van € 15.000,- contant heeft betaald voor de aankoop van de quad [kenteken] .4 Verdachte heeft erkend dat hij dit bedrag contant heeft voldaan.5

Uit de opgevraagde informatie bij [bedrijf 2] is gebleken dat op 21 juli 2015 een bedrag van € 8.000,- contant is betaald door verdachte voor de aankoop van de quad [kenteken] .6 Verdachte heeft erkend dat hij dit bedrag contant heeft voldaan.

In totaal heeft verdachte derhalve ter zake van de quads een bedrag van € 23.000,- contant voorhanden gehad.

Contante stortingen op bankrekeningen

Uit financieel onderzoek is gebleken dat in de periode 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2015 in totaal een bedrag van € 50.798,- aan contante stortingen hebben plaatsgevonden op een drietal bankrekeningen ten name van verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en zwemschool [zwemschool] .7

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat deze bedragen zijn gestort – en dat hij deze bedragen dus contant voorhanden heeft gehad – , maar stelt zich op het standpunt dat een deel van deze bedragen contant ontvangen inkomsten uit de zwemschool betreffen. De rechtbank komt daarop hieronder terug.

Contant betaalde facturen/bonnen

Tijdens de doorzoeking op 1 september 2015 in de woning aan de [adres] te [woonplaats] en het vakantiehuis aan de [adres] te [woonplaats] zijn diverse facturen en bonnen aangetroffen en in beslag genomen. Hieruit blijken diverse contante betalingen over de periode 2011 tot en met 1 september 2015, onder andere aan [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , [bedrijf 5] en [bedrijf 6] . In totaal gaat het om contante betalingen ter waarde van € 97.248,-.8

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting opgemerkt dat de verdediging accepteert dat de betalingen die op naam staan of op naam van verdachte en/of de medeverdachte [medeverdachte 1] zijn gesteld, aan verdachte worden toegerekend. Dat geldt niet voor bonnen die op andere namen staan, te weten ‘ [bedrijf 7] ’, ‘fam. [familie 1] ’, ‘ [bedrijf 8] ’, ‘ [bedrijf 9] ’, ‘ [naam] ’ en ‘ [A] ’. In totaal gaat het om een bedrag van € 31.654,34 dat in mindering moet worden gebracht op het bedrag van € 97.248,-, nu ten aanzien hiervan niet kan worden bewezen dat verdachte deze contante bedragen voorhanden heeft gehad.

De rechtbank gaat mee in het verweer van de raadsvrouw wat betreft de bonnen op naam van ‘ [bedrijf 7] ’9, ‘ [bedrijf 8] ’10, ‘ [bedrijf 9] ’11 en ‘ [naam] ’12, nu deze bonnen niet op naam van verdachte staan en voorts gericht zijn aan een adres dat niet aan verdachte te koppelen is. Dit is naar het oordeel van de rechtbank anders met betrekking tot de bonnen gericht aan ‘fam. [familie 1] ’13. Immers, [medeverdachte 1] is de naam van de medeverdachte en partner van verdachte, de bonnen zijn aangetroffen in de woning van verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] en zijn voornamelijk gericht aan adressen van verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] . Ook de bon ten name van ‘ [A] ’14 neemt de rechtbank mee in de berekening, nu deze tenaamstelling zeer lijkt op de naam van verdachte en bovendien gericht is aan een adres in Hoevelaken waar verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] voornemens waren te gaan wonen.

Uit het bovenstaande volgt dat op het bedrag van € 97.248,- een bedrag van € 5.634,32 in mindering moet worden gebracht, zodat resteert een bedrag van € 91.613,68 aan contant betaalde facturen/bonnen.

Stalling pony’s/paarden

Uit informatie van de manege [manage] en diens voorganger [naam] volgt dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] sinds 2010 paarden dan wel pony’s aldaar hebben gestald en dat zij ongeveer € 500,- per maand contant betaalden voor de stalling en verzorging van de dieren.15 Uitgaande van deze verklaringen zou verdachte over de periode 2011 tot en met 1 september 2015 een bedrag van € 28.000,- contant hebben betaald.

Verdachte heeft verklaard dat nooit het volledige bedrag van € 500,- werd betaald, omdat ook kosten werden verrekend. Verdachte en de medeverdachte verrichtten namelijk ook werkzaamheden voor de manage, zoals het bekleden van de stallen met rubber.16 Ook werden hun pony’s ingezet bij kinderfeestjes.

Hoewel opvalt dat de managehouders hier zelf met geen woord over reppen, zal de rechtbank, nu administratie van de manegehouders ontbreekt en de politie een schatting heeft gemaakt op basis van alleen de verklaringen van de manegehouders, in het voordeel van verdachte uitgaan van een totaalbedrag aan contant betaalde stallingskosten van € 14.000,-.

Liggeld [jachthaven]

Uit opgevraagde informatie bij de Jachthaven de [jachthaven] blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte 1] een bedrag van (afgerond) € 3.229,- contant heeft voldaan.17

De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat zij daarvan een bedrag van (afgerond) € 1.029,- heeft betaald met geld van haar vader. Ter zake van de overige betalingen heeft de verdediging opgemerkt dat dit door verdachte is betaald. Gelet hierop zal de rechtbank het bedrag van € 1.029,- in mindering brengen op het liggeld, zodat een bedrag van € 2.200,- resteert dat verdachte contant voorhanden heeft gehad.

[brasserie]

Uit opgevraagde informatie van Brasserie de [brasserie] blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op 19 juni 2015 een bedrag contant hebben betaald van afgerond

€ 861,- voor een barbecue.18 Verdachte heeft verklaard dat hij, of de medeverdachte [medeverdachte 1] , dat betaald zal hebben.19

Huur/boete [adres] te [woonplaats]

Uit de aangetroffen huurovereenkomst, kwitanties en de verklaring van de verhuurder van de woning blijkt dat in de periode 1 april 2011 tot en met 31 mei 2013 een bedrag € 32.500,- aan huur is betaald. Volgens de verhuurder ontving deze de huur altijd contant van [verdachte] . Voorts blijkt dat in de periode 17 juni 2016 tot en met 31 december 2016 in totaal € 20.000,- contant aan boete is betaald20, waarvan vier termijnen van € 3.000,- en een termijn van

€ 2.000,- door [medeverdachte 1] , een termijn van € 3.000,- door verdachte en een termijn van

€ 3.000,- door de vader van [medeverdachte 1] .21 In totaal is er dus een bedrag van € 52.500,- contant voldaan.22 Verdachte heeft erkend dat deze betalingen zijn gedaan.23

De rechtbank zal het door de vader van [medeverdachte 1] betaalde bedrag van € 3.000,- op het totaal van € 52.500,- in mindering brengen.24 Dit brengt mee dat het bedrag aan contante betalingen door verdachte en/of [medeverdachte 1] voor huur/boete kan worden gesteld op € 49.500,-.

Huur Nijkerk

Op basis van de verklaring van de verhuurder van de woning aan de [adres] te [woonplaats] blijkt dat in de periode mei 2013 tot 1 september 2015 ten behoeve van de huur van die woning een bedrag van € 35.600,- contant is betaald door verdachte.25 Verdachte heeft erkend dat hij dit bedrag contant heeft voldaan.26

Betaling [naam] en [bedrijf 10]

Uit opgevraagde informatie van de ING bank blijkt dat er in juli 2014 en augustus 2015 in totaal een bedrag van € 37.950,- overgemaakt wordt van een rekening van een bedrijf van [B] naar [naam] BV. Voorafgaand aan die betaling vinden contante stortingen plaats. Op 28 mei 2014 wordt een bedrag van € 8.367,64 overgemaakt naar [bedrijf 10] . Ook voorafgaand aan deze betaling vinden er contante stortingen plaats.27 Verdachte heeft erkend dat deze gelden van hem afkomstig zijn.28 In totaal gaat het om een bedrag van € 46.317,- aan contante betalingen in de periode mei 2014 tot 1 september 2015.

Cacaobonen

Uit opgevraagde informatie van [accountant] blijkt dat op 12 september 2013 voor een bedrag van € 23.597,- aan cacaobonen is ingekocht en dat deze bonen contant zijn betaald.29 Verdachte heeft erkend dat hij dit bedrag contant heeft betaald.30

[naam]

Uit opgevraagde informatie van [naam] blijkt dat er over de periode 1 januari 2011 tot 1 september 2015 een bedrag van € 11.526,- contant is betaald.31 De verdediging heeft ter terechtzitting erkend dat dit bedrag door verdachte is betaald.

Money Transfer

Uit opgevraagde informatie van FIU-Nederland blijkt dat verdachte op 21 april 2011 en 10 februari 2013 een bedrag van in totaal € 3.475,- contant heeft betaald voor het verrichten van een Money Transfer.32 De verdediging heeft ter terechtzitting erkend dat dit bedrag door verdachte is betaald.

Fictief dienstverband

Uit opgevraagde informatie bij de Belastingdienst blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte 1] over 2014 en 2015 looninkomsten had van [bedrijf 11] BV (€ 33.247,-) en van [bedrijf 12] BV

(€ 22.282,-).33 In totaal is een bedrag van € 48.963,82 netto aan salaris overgemaakt naar de rekening van de medeverdachte [medeverdachte 1] . De officier van justitie stelt dat deze dienstverbanden niet hebben bestaan, maar fictief waren en dat verdachte gelden afkomstig uit criminele activiteiten heeft betaald aan deze bedrijven, welke gelden vervolgens werden uitbetaald als ‘legaal’ inkomen aan de medeverdachte [medeverdachte 1] . Ter vergoeding en compensatie van de uitbetalingen door de bedrijven zou verdachte, voorafgaand aan die betalingen, een bruto equivalent van dat bedrag in contanten aan hen hebben uitbetaald. Dit bedrag wordt door de politie geschat op € 90.933,-.34

Verdachte ontkent deze bedragen te hebben betaald en dus ook dat hij deze bedragen voorhanden heeft gehad.

De rechtbank overweegt als volgt. De eigenaar van [bedrijf 11] BV heeft zich op vragen naar de aard van de werkzaamheden van [medeverdachte 1] beroepen op zijn zwijgrecht. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft zich eveneens beroepen op haar zwijgrecht. Voorts is bij een doorzoeking op 13 december 2016 in de vakantiewoning te Zeewolde van verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] een schuldbekentenis gevonden waarin staat dat [C] (de eigenaar van [bedrijf 11] BV) verklaart op 1 juni 2014 een bedrag van € 50.000,- te hebben geleend van [medeverdachte 1] (de medeverdachte [medeverdachte 1] ) en dit bedrag ontvangen te hebben.35 Deze betaling is niet terug te vinden op diverse bankrekeningen van de medeverdachte [medeverdachte 1] en is dus kennelijk contant betaald aan [C] . Nu voor deze lening geen enkele aannemelijke verklaring is gegeven en noch uit enige verklaring van [medeverdachte 1] , noch uit enige verklaring van haar beweerde werkgever of anderszins is gebleken wat de aard van haar werkzaamheden was, gaat de rechtbank ervan uit dat sprake was van een fictief dienstverband, waarbij door verdachte en/of [medeverdachte 1] een bedrag van in ieder geval

€ 50.000,- contant is betaald aan [bedrijf 11] B.V., namelijk het bedrag blijkend uit de schuldbekentenis.

Ten aanzien van het dienstverband bij [bedrijf 12] B.V. overweegt de rechtbank het volgende. Uit de opgevraagde bankmutaties van de ING bankrekening van de medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt dat zij in totaal een bedrag van € 22.282,- netto aan salaris heeft ontvangen van de rekening van [getuige 2] (de eigenaar van [bedrijf 12] B.V.).36 [getuige 2] is gehoord, maar heeft niet willen zeggen wat de medeverdachte [medeverdachte 1] precies voor werkzaamheden in zijn bedrijf verricht. Hij heeft het over ‘de boel managen’37, maar daarna wil hij er niets meer over zeggen.38 Bij de twee administratiekantoren van [bedrijf 12] B.V. is informatie opgevraagd, maar zij kenden de medeverdachte [medeverdachte 1] niet.39

Gelet op het vorenstaande, alsook gelet op de constatering dat indien de medeverdachte [medeverdachte 1] daadwerkelijk bij beide bedrijven een dienstverband heeft gehad, zij dan twee full time dienstverbanden naast elkaar zou hebben gehad, is de rechtbank van oordeel dat ook hier sprake is van een fictief dienstverband en dat op deze wijze door verdachte is geprobeerd de werkelijke herkomst van de gelden te verhullen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verdachte en/of [medeverdachte 1] een bedrag van afgerond € 33.509,- (€ 22.282,- gebruteerd volgens dezelfde berekening als de eerder vermelde € 50.000,-) contant hebben betaald aan [bedrijf 12] B.V.

Dit brengt mee dat het in totaal, wat betreft het fictief dienstverband, gaat om een bedrag van € 83.509,-.

Schilderijen

Uit opgevraagde informatie bij de ING Bank NV blijkt dat eind juli 2015 een bedrag van

€ 40.000,- wordt ontvangen door de medeverdachte [medeverdachte 1] afkomstig van [D] voor de verkoop van een aantal schilderijen.40 De politie vermoedt dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] daaraan voorafgaand schilderijen hebben aangekocht en contant hebben betaald ten bedrage van € 50.000,-. Over de wijze en het moment waarop de schilderijen in het bezit zijn gekomen van verdachte en/of [medeverdachte 1] bevat het dossier geen informatie. Verdachte heeft het voorhanden hebben van voormeld bedrag ontkend. Bij die stand van zaken acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] in de ten laste gelegde periode een bedrag van € 50.000,- hebben besteed aan de aanschaf van schilderijen. Dit bedrag zal dan ook niet worden meegenomen in het totaal dat verdachte aan contanten voorhanden heeft gehad.

Uitgaven gemeenschappelijke huishouding

Verdachte heeft bij het verhoor bij de rechter-commissaris als getuige verklaard: “Ik regelde de financiële zaken. Dat zat ook in de relatie, dat ik dat regelde.”41

Overweging

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat vastgesteld kan worden dat verdachte en/of [medeverdachte 1] in totaal in de ten laste gelegde periode een bedrag van

€ 445.415,68 aan contanten hebben uitgegeven.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of met die omvang aan contante uitgaven een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen is ontstaan. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Op basis van bij de Belastingdienst opgevraagde informatie is niet gebleken van enige legale inkomstenbron van verdachte in deze periode.

Uit onderzoek is niet gebleken dat [medeverdachte 1] , naast een bedrag van € 1.134,50 aan contante privé-onttrekkingen uit haar eenmanszaak [eenmanszaak] , een andere legale bron van contante inkomsten heeft gehad.

Wel is er sprake van contante opnamen van een drietal bankrekeningen ten name van verdachte, [medeverdachte 1] en [zwemschool] van in totaal € 33.950.42

Anders dan het Openbaar Ministerie gaat de rechtbank niet uit van contante inkomsten uit verkoop van de Gobbi. De rechtbank komt hierop terug bij de bespreking van feit 3.

Uit het vorenstaande volgt dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] in de ten laste gelegde periode in totaal een bedrag van (afgerond) € 35.085,- (€ 33.950,- + € 1.134,50) aan contante inkomsten hebben ontvangen.

Voorts is gebleken dat tijdens de doorzoeking op 1 september 2015 van de woningen aan de [adres] te [woonplaats] en de [adres] te [woonplaats] een contant geldbedrag is aangetroffen van in totaal € 6.945,-. Dit contante geldbedrag was derhalve nog niet uitgegeven.

Uitgaande van een bedrag van € 35.085,- aan contante inkomsten, verminderd met het bedrag van € 6.945,- dat zij nog contant beschikbaar hadden, hadden verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] aan contanten in de ten laste gelegde periode in totaal beschikbaar een bedrag van € 28.140,-.

Zij hebben echter uitgegeven in contanten een bedrag van € 445.415,68. Dit betekent dat een bedrag van € 417.275,68 contant is uitgegeven zonder dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] daarvoor verklaarbare (contante) inkomsten hebben gehad.

Nu verdachte heeft verklaard dat hij de financiële zaken regelde, rekent de rechtbank deze uitgaven aan verdachte toe.

Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van de witwastypologie dat de verrichte transacties niet in verhouding staan tot de inkomsten. Voorts is de herkomst van de contante inkomsten niet terug te vinden in enige administratie, noch kunnen zij worden verantwoord met stukken van reguliere handelsactiviteiten of met onderliggende overeenkomsten. Ook blijkt niet dat er vanwege bedrijf of beroep noodzaak bestond om zoveel contant geld voorhanden te hebben, waarbij het een feit van algemene bekendheid is dat het voorhanden hebben van grote bedragen aan contant geld grote veiligheidsrisico’s meebrengt.

Al het bovenstaande rechtvaardigt het vermoeden dat de geldbedragen die verdachte en/of zijn partner [medeverdachte 1] voorhanden hebben gehad – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn, zodat van verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld.

Verklaring van verdachte over de herkomst van het geld

Verdachte noemt in dat verband: geld uit de verkoop van een woning, geld ontvangen van de Belastingdienst, inkomsten uit China, inkomsten uit bitcoins, inkomsten uit de zwemschool, inkomsten van de motoroutlet, giften/schenkingen van zijn schoonouders de heer en mevrouw [medeverdachte 1] , giften/schenkingen van de oma van medeverdachte [medeverdachte 1] , mevrouw [E] en inkomsten uit verhuur van de vakantiewoning te Zeewolde.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Geld uit verkoop van een woning

Verdachte heeft gesteld dat hij begin 2010 € 46.000,- heeft ontvangen uit de verkoop van een woning, van welk geldbedrag hij aansluitend € 30.000,- contant heeft opgenomen. Deze opname is te zien op een bankafschrift van 20 januari 2010.

De rechtbank overweegt dat verdachte niet verklaart welk bedrag na een jaar (aan het begin van de ten laste gelegde periode) van deze inkomsten nog over zou zijn en waarom hij een dergelijk groot bedrag een jaar lang contant in zijn bezit zou hebben gehad. Ook is deze verklaring van verdachte niet verifieerbaar gebleken. Uit opgevraagde informatie bij de Belastingdienst blijkt immers niet dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] op 1 januari 2011 de beschikking hadden over contant geld.43 De rechtbank houdt daarom geen rekening met deze (gestelde) inkomsten.

Geld van de Belastingdienst

Verdachte heeft gesteld dat hij in 2010 een bedrag van ongeveer € 10.000,- heeft ontvangen van de Belastingdienst en dat hij ook dit bedrag aansluitend contant heeft opgenomen.

De rechtbank overweegt zoals hiervoor: verdachte verklaart niet welk bedrag in 2011 nog over zou zijn van die € 10.000,- en waarom hij een dergelijk groot bedrag een jaar lang in zijn bezit zou hebben gehad. De verklaring van verdachte is niet verifieerbaar gebleken, nu uit informatie van de Belastingdienst niet blijkt dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] op 1 januari 2011 de beschikking hadden over contant geld.

Ook met deze (gestelde) inkomsten houdt de rechtbank geen rekening.

Inkomsten uit China

Verdachte heeft gesteld dat hij contante inkomsten heeft gehad uit de handel in China. Deze handel bestaat volgens verdachte uit enerzijds de verkoop van gadgets en anderzijds het verrichten van bemiddelingsdiensten voor bedrijven in China.

Ten aanzien van de bemiddelingsdiensten overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank constateert allereerst dat verdachte, ondanks eerdere toezeggingen, pas in een laat stadium van de procedure, in de loop van 2017, stukken heeft aangeleverd ter zake van de gestelde inkomsten uit China. Voorts betreft het geen originele bescheiden, maar steeds kopiestukken.

Ten aanzien van de ‘agent agreement’ met [bedrijf 13] Co en de daarbij horende drie kwitanties, constateert de rechtbank dat deze kwitanties zien op een periode na de ten laste gelegde periode, namelijk 29 oktober 2015, zodat deze inkomsten geen rol kunnen spelen in onderhavige zaak.

Ten aanzien van de ‘agent agreement’ met [bedrijf 14] Co voor de periode van 1 maart 2014 tot 1 maart 2015 constateert de rechtbank dat hierbij geen kwitanties zijn bijgevoegd, zodat de rechtbank onvoldoende aannemelijk acht dat verdachte hieruit inkomsten heeft genoten.

Ten aanzien van de ‘agent contract’ met [bedrijf 15] Co en de daarbij behorende kwitanties constateert de rechtbank dat de contractdatum niet is ingevuld en dat een ondertekening door het Chinese bedrijf ontbreekt. Voorts constateert de rechtbank dat in het contract wordt vermeld dat de beloning in euro’s zal geschieden, terwijl de kwitanties RMB (Chinese Yuan Renminbi) vermelden. Ook de verklaring van verdachte hierover is tegenstrijdig: tijdens zijn verhoor op 13 april 2016 heeft verdachte verklaard dat hij uitbetaald kreeg in euro’s44, terwijl hij ter terechtzitting van 27 november 2017 heeft verklaard dat hij werd uitbetaald in RMB, maar dat hij dit zelf omwisselde in euro’s.45

Uit de informatie van de Belastingdienst blijkt niet van deze inkomsten en in het dossier is ook anderszins geen bevestiging te vinden voor de stelling van verdachte dat hij van deze opdrachtgever contante inkomsten zou hebben genoten. Voorts heeft verdachte geen contactgegevens van zijn opdrachtgevers dan wel enige vorm van correspondentie aangedragen, noch van de partijen waartussen hij bemiddeld zou hebben, zodat zijn stellingen niet kunnen worden geverifieerd.

Van de import van en handel in onder andere gadgets uit China waarvoor verdachte volgens eigen zeggen vanaf 2013 enkele keren per jaar een bedrag van € 7.000,- à € 8.000,- contant ontving, is in het geheel niets gebleken. Verdachte noemt daarbij Albert Heijn en Intertoys, maar gevraagd naar contactpersonen en/of gegevens dan wel onderliggende administratie of correspondentie komt hij niet met concrete en verifieerbare gegevens.

De rechtbank houdt daarom geen rekening met deze (gestelde) inkomsten.

Inkomsten uit bitcoins

Verdachte heeft gesteld dat hij contante inkomsten heeft ontvangen uit de verkoop van bitcoins. Verdachte heeft verklaard dat hij daarmee onder meer de quad [kenteken] ad

€ 15.000,- heeft betaald. Verdachte heeft verklaard dat hij drie ‘wallets’ (bitcoin adres) had, maar heeft slechts een link naar een van die ‘wallets’ heeft verstrekt. Verdachte heeft gesteld dat hij tot eind 2012 bitcoins heeft gemined en deze uiteindelijk in 2015 heeft verkocht. Het zou volgens hem gaan om 65 btc. Uit het proces-verbaal aanvulling zaaksdossier witwassen van 30 oktober 2017 blijkt dat de verklaring van verdachte dat hij de bitcoins in 2015 heeft verkocht niet juist kan zijn, aangezien na 25 februari 2012 geen transacties meer hebben plaatsgevonden met betrekking tot eerdergenoemde wallet. Hiermee geconfronteerd heeft verdachte, pas ter terechtzitting, verklaard dat hij de bitcoins wel verkocht heeft, maar dat dit door middel van de overdracht van een usb-stick is gegaan. Dit doet echter niets af aan het voorgaande, immers, hoe de feitelijke gang van zaken ook is geweest, niet blijkt dat de overdracht is geregistreerd in de ‘blockchain’ (de datastructuur achter het bitcoin netwerk), waarin iedere overdracht wordt geregistreerd. Nu van die registratie niets is gebleken en er sinds 25 februari 2012 geen transacties meer hebben plaatsgevonden, gaat de rechtbank ervan uit dat geen sprake is geweest van (contante) inkomsten uit de verkoop van bitcoins. De rechtbank zal daarmee geen rekening houden.

Inkomsten uit zwemlessen

Tijdens zijn verhoor op 29 maart 2016 heeft verdachte gesteld dat hij vanaf 2009 tot 2014 met de medeverdachte [medeverdachte 1] een eigen bedrijf is begonnen: ‘ [bedrijf 16] ’, met als bedrijfsactiviteit het geven van zwemles en sportles. Verdachte heeft verklaard dat zij de omzet via de bank, maar ook een gedeelte contant ontvingen. Verdachte vindt het lastig om in te schatten hoeveel er destijds contant is ontvangen, om dat vast te stellen zou hij de leskaarten moeten opzoeken. Ondanks herhaald verzoek daartoe van de politie en het Openbaar Ministerie zijn de leskaarten niet aangeleverd. De verdediging heeft verwezen naar het dossier voor wat betreft de omzet van [bedrijf 16] .

De rechtbank merkt echter op dat het in dit verband niet gaat om de omzet, maar om contante inkomsten. Door verdachte is niet concreet gemaakt welk deel contante inkomsten betrof en ook uit de financiële administratie is dat niet gebleken. Voor zover daarvan wel is gebleken, is daarmee reeds rekening gehouden doordat alle contante opnamen, inclusief die van de bankrekening van de onderneming [bedrijf 16] , alsook de privé onttrekkingen die zijn gedaan in de ten laste gelegde periode, zijn meegenomen bij de berekening van de verklaarbare contante inkomsten.

Voor zover verdachte stelt dat deze contante inkomsten buiten de boekhouding om zijn gegaan, is dat, nu geen leskaarten zijn aangeleverd, niet verifieerbaar gebleken.

De rechtbank houdt om die reden geen rekening met deze (gestelde) contante inkomsten.

Inkomsten motor outlet

Tijdens zijn verhoor op 29 maart 2016 heeft verdachte zich op het standpunt gesteld dat hij contante inkomsten heeft gehad uit hoofde van werkzaamheden met betrekking tot de verkoop van motorkleding. Verdachte heeft gesteld dat hij eind 2012 [bedrijf 17] in [woonplaats] heeft geopend, welk bedrijf van een kennis was, [getuige 3] , waar hij gedurende een jaar werkte op basis van van € 250,- per week. Daarnaast heeft hij in 2013 op een motorbeurs gestaan met de medeverdachte [medeverdachte 1] waarvoor zij € 2.500,- hebben ontvangen.

Op 22 maart 2017 is de getuige [getuige 3] door de rechter-commissaris gehoord. [getuige 3] ontkent dat hij verdachte weekgeld heeft betaald en verklaart dat zij daarover ook geen afspraken hadden gemaakt. Voorts verklaart [getuige 3] dat verdachte volgens hem niets heeft gekregen voor werk op een motorbeurs en dat de medeverdachte [medeverdachte 1] wel eens een paar honderd euro heeft gekregen, omdat zij actief had meegeholpen. Met deze verklaring geconfronteerd, heeft verdachte ter terechtzitting van 27 november 2017 verklaard dat hij zelf inkomsten uit verkoop van de motorkleding had en dat hij dit contant ontving. Getuige [getuige 3] heeft echter verklaard dat er praktisch niets verkocht was.

De rechtbank overweegt dat, voor zover verdachte concreet is geweest met zijn verklaring (contant ontvangen weekgeld), deze verklaring niet wordt ondersteund door de destijds betrokken persoon naar wie verdachte verwijst en in zoverre niet verifieerbaar is gebleken. Voor zover verdachte zich beroept op contante inkomsten uit verkoop is hij niet concreet, waardoor deze verklaring niet – ook niet door middel van enige administratie of anderszins - verifieerbaar is gebleken.

Giften/schenkingen/leningen van schoonouders

Verdachte heeft een aantal keren verklaard dat zijn schoonouders, de heer en mevrouw [medeverdachte 1] , contante uitgaven voor hem hebben gedaan, contant geld hebben gegeven, dan wel contant geld aan hem hebben geleend. De rechtbank overweegt dat voor zover verdachte doelt op facturen die contant door hen zijn betaald, zoals een termijn boetebetaling in het kader van de woning in [woonplaats] (ad € 3.000,-) hiermee reeds rekening is gehouden bij het bespreken van de omvang van de contante uitgaven. Voor zover verdachte doelt op zijn stelling dat hij het geld voor de aankoop van de cacaobonen van de heer [medeverdachte 1] had geleend, overweegt de rechtbank dat van een dergelijke lening niet is gebleken, noch uit een leningovereenkomst, noch anderszins. Voor zover verdachte stelt dat sommige betalingen zijn gedaan door de medeverdachte [medeverdachte 1] met geld van haar vader constateert de rechtbank dat hiervan na onderzoek niet is gebleken. Deze stelling is niet verifieerbaar gebleken.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte onvoldoende concreet is. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank deze contante inkomsten niet aannemelijk acht en daarmee dan ook geen rekening zal houden.

Giften/schenkingen van oma [E]

Tijdens zijn verhoor op 29 maart 2016 heeft verdachte zich op het standpunt gesteld dat twee van de facturen (nr. 123/124, de installatie Hoevelaken, ad in totaal € 4.259,65) door de oma van medeverdachte [medeverdachte 1] , mevrouw [E] zijn betaald. Verdachte stelt verder dat hij in de afgelopen jaren ongeveer € 15.000,- contant van oma [E] heeft gekregen.

De rechtbank overweegt dat deze verklaring van verdachte weliswaar concreet is, maar niet verifieerbaar is gebleken. Oma [E] heeft het bestaan van deze schenkingen niet bevestigd en ook anderszins is daarvan niet gebleken. Voorts acht de rechtbank niet aannemelijk dat dergelijke forse bedragen contant zijn geschonken zonder dat daarvan iets op papier is gezet. Ook ligt opgave bij de Belastingdienst voor de hand bij een schenking van die omvang. Hiervan is na onderzoek niet gebleken. De rechtbank zal geen rekening houden met deze (gestelde) contante inkomsten.

Inkomsten uit verhuur vakantiewoning Zeewolde

Verdachte heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat hij en de medeverdachte [medeverdachte 1] contante inkomsten hadden uit verhuur van hun vakantiewoning te Zeewolde. Verdachte stelt dat in 2010 de familie [familie 2] voor de periode van een jaar de woning heeft gehuurd voor een bedrag van € 800,- per maand. In 2011-2012 is de woning verhuurd geweest aan [F] gedurende ongeveer een jaar. Ook zij betaalde daarvoor € 800,- contant per maand. Daarnaast stelt verdachte dat hij de Arnhemseweg voor een periode van ongeveer vijf maanden heeft verhuurd aan twee jongens. Met de ontvangen huur heeft hij de facturen van [bedrijf 18] BV betaald via het GWK.

De rechtbank zal geen rekening houden met de huurinkomsten uit 2010, nu deze buiten de ten laste gelegde periode valt en gesteld noch gebleken is dat van dit geld aan het begin van 2011 nog iets over was.

De rechtbank zal wel rekening houden met de gestelde huurinkomsten in 2011-2012, nu verdachte hierover een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd. Uitgaande van € 800,- per maand gedurende een jaar zal de rechtbank rekening houden met een bedrag van € 9.600,- aan contante inkomsten gedurende de ten laste gelegde periode.

Ook de verklaring van verdachte ten aanzien van huurinkomsten uit de Arnhemseweg is concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk, zodat de rechtbank ook met deze gestelde inkomsten – ten bedrage van € 1.678,50, te weten twee facturen van [bedrijf 18]46, rekening zal houden.

Uit het bovenstaande volgt dat de rechtbank aan extra contante inkomsten zal meenemen een bedrag van € 11.278,50 (€ 9.600,- + € 1.678,50).

Dat brengt mee dat het totaal aan verklaarbare contante inkomsten komt op een bedrag van

€ 46.363,50 (de eerder genoemde contante inkomsten van € 35.085,- + de extra contante inkomsten van € 11.278,50).

Uitgaande van een bedrag van € 46.363,50 aan contante inkomsten, verminderd met het bedrag van € 6.945,- dat zij nog contant beschikbaar hadden, hadden verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] in de ten laste gelegde periode in totaal besteedbaar aan contanten een bedrag van € 39.418,50.

Zij hebben echter uitgegeven in contanten een bedrag van € 445.415,68.

Dit betekent dat een bedrag van € 417.275,68 contant is uitgegeven zonder dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] daar tegenover staande verklaarbare (contante) inkomsten hebben gehad.

Conclusie

Zoals hiervoor beschreven is er voor het verschil van € 417.275,68 geen verklaring en kan het naar het oordeel van de rechtbank gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden niet anders zijn dan dat deze gelden afkomstig zijn uit enig misdrijf, zodat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van die gelden, te weten in totaal een bedrag van

€ 417.275,68.

Gewoontewitwassen

Verdachte heeft gedurende een periode van enkele jaren vele geldbedragen witgewassen. Gelet hierop, het telkenmale herhalen van deze handeling op zeer regelmatige basis gedurende een langere periode, acht de rechtbank de strafverzwarende omstandigheid van het maken van een gewoonte van witwassen bewezen.

Verder ten aanzien van feit 3: witwassen goederen

Vrijspraak

Algemeen

Voor een veroordeling ter zake van witwassen is allereerst vereist dat bewezen moet kunnen worden dat het voorwerp waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft, uit misdrijf afkomstig is en dat verdachte (als medepleger) opzettelijk één of meer van de ten laste gelegde verhullingshandelingen heeft gepleegd.

Gobbi [registratienummer]

Uit het dossier volgt dat verdachte op 24 april 2014 een boot koopt, te weten een Gobbi met registratienummer [registratienummer] en dat hij daarvoor een bedrag van € 3.000,- contant betaalt. Vervolgens wordt het resterende bedrag van € 81.500,- via een bankrekening van [bedrijf 19] BV (hierna verder: [bedrijf 19] ) betaald. De veronderstelling dat verdachte het bedrag voor de aankoop van de Gobbi heeft betaald met contante bedragen van in totaal € 84.500, vindt geen steun in de bewijsmiddelen. Onduidelijk blijft van wie het geld voor de aankoop van de boot afkomstig is. Daarmee wordt evenmin inzichtelijk dat het geld dat voor de boot betaald is van misdrijf afkomstig is. Hoewel het opvalt dat sprake is van verschillende contante stortingen en betalingen voor de aankoop (en doorverkoop) en dat de boot in relatief korte tijd driemaal van eigenaar (tenaamgestelde) wisselt, bevat het dossier onvoldoende ondersteunend bewijsmateriaal om te kunnen vaststellen dat de gelden van misdrijf afkomstig zijn en wat precies de rol van verdachte bij de aankoop van deze boot is geweest. Dit brengt mee dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat hier sprake is van witwassen. De rechtbank zal verdachte op dit punt vrijspreken.

I-sloep [registratienummer]

In de woning van de medeverdachte [medeverdachte 2] is een koopovereenkomst en het registratiebewijs van de I-sloep gevonden, waarin staat dat de boot op 21 maart 2014 voor een bedrag van € 21.500 aan contanten is gekocht. De naam van de koper is niet ingevuld. In het dossier wordt verondersteld dat de boot is aangekocht met (crimineel) contant geld van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Dit laatste blijft echter een veronderstelling, die naar het oordeel van de rechtbank op basis van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet kan worden hardgemaakt. Daar komt bij dat op grond van het aanwezige bewijsmateriaal niet is vast te stellen dat verdachte wist dat het geld en/of de boot van misdrijf afkomstig was. Dit brengt mee dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte ter zake van de I-sloep [registratienummer] het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank zal verdachte hiervan, conform de eis van de officier van justitie, vrijspreken.

BMW

Uit het dossier blijkt dat in de periode juni 2014 tot 1 september 2015 de BMW met kenteken [kenteken] in gebruik is geweest bij verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] . De vorige eigenaar, [getuige 4] , heeft verklaard dat hij de BMW in bruikleen had gegeven aan verdachte. De auto staat met ingang van 5 augustus 2014 op naam van [bedrijf 19] . Op 1 september 2015 is de auto voor de woning van verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen en in beslag genomen. Op diezelfde dag wordt de BMW overgeschreven en op naam van [bedrijf 20] BV gezet. Tijdens een observatie in januari 2016 wordt waargenomen dat verdachte een gesprek heeft met de vorige eigenaar van de BMW, [getuige 4] . Ze horen verdachte onder meer zeggen: ‘Je moet niks zeggen. Heb je gezegd dat ik die auto heb overgenomen?’.

In het dossier wordt verondersteld dat verdachte de BMW van [getuige 4] heeft gekocht met crimineel contant geld. Dit kan echter op basis van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet worden vastgesteld. De rechtbank kan op grond van deze bewijsmiddelen voorts de verklaring van verdachte – dat hij de BMW van [getuige 4] in bruikleen had - niet uitsluiten. Het door het observatieteam opgevangen gesprek tussen verdachte en [getuige 4] maakt dat niet anders, omdat dit flarden van een opgevangen gesprek betreft die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, waardoor de lezing van verdachte niet kan worden uitgesloten.

Nu niet kan worden vastgesteld dat de BMW uit misdrijf afkomstig is, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte ter zake van de BMW het ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

[bedrijf 19]

De rechtbank overweegt nog als volgt. Het valt op dat [bedrijf 19] telkens op enige wijze bij de aan- en verkoop, of verzekering dan wel tenaamstelling van de tenlastegelegde voorwerpen betrokken is. Dit is opmerkelijk, omdat duidelijk uit het dossier blijkt, en verdachten en getuigen ook verklaren, dat de BV een lege BV is waarin geen activiteiten plaatsvinden. Ook valt op dat steeds dezelfde groep personen, waaronder verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] , betrokken is bij het verrichten van handelingen aangaande [bedrijf 19] en de verschillende vaar- en voertuigen. Hoewel dit op zijn minst genomen vragen oproept en het bepaald niet uitgesloten is dat de [bedrijf 19] een vehikel was om geldbedragen die van misdrijf afkomstig waren, wit te wassen, biedt het dossier onvoldoende bewijs om dit - en verdachtes betrokkenheid daarbij - te kunnen vaststellen.

Ten aanzien van feit 4: voorhanden hebben pepperspray

Aangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en de raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de navolgende bewijsmiddelen.

- Proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2016.47

- Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 1 september 2015.48

- Proces-verbaal van bevindingen van 15 oktober 2015.49

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

2.

in de periode van 1 januari 2011 tot en met 16 februari 2016,

in het arrondissement Midden-Nederland en/of het arrondissement Zwolle-Lelystad, voorwerpen, te weten contante geldbedragen in totaal ter waarde van 417.275,68 euro, heeft omgezet terwijl hij wist dat die contante geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;

4.

op 1 september 2015 te Nijkerk een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd

voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of

weerloos makende en/of traan verwekkende stof(fen) van de categorie II, onder

6°, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 2: van het plegen van witwassen een gewoonte maken

Feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit en geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat kan worden volstaan, conform de LOVS-richtlijnen, met een geldboete van € 290,-.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele jaren schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van een aanzienlijk geldbedrag. Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op de integriteit van het financieel en economisch verkeer en op de openbare orde. Met zijn handelen heeft verdachte opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst verschaft. Het betreft een ondermijnend feit dat de maatschappij veel schade toebrengt. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten, omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan criminele gelden het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn. Verdachte heeft dit op geraffineerde wijze gedaan en heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen. Met zijn houding ter terechtzitting, waar hij is voortgegaan met het verschaffen van verklaringen die ofwel afweken van eerder afgelegde verklaringen, ofwel bij verificatie onjuist bleken te zijn, dan wel in het geheel niet te verifiëren waren, heeft hij laten blijken weinig inzicht te hebben in het strafwaardige van zijn handelen.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een busje pepperspray. Dergelijk bezit verdient bestraffing, nu dat in de samenleving gevoelens van onveiligheid en angst met zich brengt.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor fraudedelicten met een benadelingsbedrag tussen € 250.000,- en € 500.000,- uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een duur tussen de 12 en 18 maanden.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 oktober 2017 waaruit blijkt dat verdachte tweemaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waarvoor hij aanzienlijke gevangenisstraffen opgelegd heeft gekregen.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het Reclasseringsrapport van 10 mei 2016, opgemaakt door L. Hermans, reclasseringswerker. De reclassering adviseert om de zaak strafrechtelijk af te doen zonder verdere reclasseringsbemoeienis. De rechtbank neemt dit advies over en maakt het tot de hare.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat op deze feiten niet anders kan worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van langere duur.

De rechtbank is – alles overwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden een passende en geboden reactie vormt.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    57, 420ter van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Geldigheid van de dagvaarding

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde nietig voor zover dit betrekking heeft op de boot Jan van Gent.

Vrijspraak

Verklaart het onder 1 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart het onder 2 en 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen het meer of ander ten laste gelegde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is

vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Oplegging straf

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

Bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter,

mrs. E. Akkermans en J.A. Spee, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.S. Wijkstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 januari 2018.

Mr. E. Akkermans is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 07 april 2014 tot en met 16 februari 2016

in de gemeente Amersfoort en/of in de gemeente Almere en/of in de gemeente

Zeewolde, althans in het arrondissement Midden-Nederland en/of in de gemeente

Nijkerk en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te

weten een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, althans

aanwezig hebben, van (telkens) een grote hoeveelheid, althans van (telkens)

een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan

wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 11a Opiumwet

art 11 lid 3 Opiumwet

art 11 lid 5 Opiumwet

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 16 februari 2016,

in de gemeente Amersfoort en/of de gemeente Almere en/of de gemeente Zeewolde,

althans in het arrondissement Utrecht en/of het arrondissement Zwolle-Lelystad

en/of arrondissement Midden-Nederland en/of de gemeente Nijkerk en/of elders inNederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een of meer voorwerpen, te weten (contante) geldbedragen (totaal bedrag

waarde van 438.363 euro), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen

en/of omgezet terwijl hij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die (contante) geldbedragen geheel of

gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;

art 47 Wetboek van strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf onder b Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 16 februari

2016, in de gemeente Amersfoort en/of in de gemeente Almere en/of in de

gemeente Zeewolde, althans in het arrondissement Midden-Nederland en/of in de

gemeente Nijkerk en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, van een of meer voorwerp(en), te weten

- een boot, merk Gobbi, registratienummer [registratienummer] en/of

- een boot, merk I-sloep, registratienummer [registratienummer] en/of

- een boot, type sloep, merk Jan van Gent, zonder registratienummer en/of

- een auto, merk BMW, kenteken [kenteken]

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of

verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten voornoemde boten/boot

en/of auto, was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten voornoemde

boten/boot en/of auto, voorhanden had, terwijl hij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen/dat

voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf;

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf onder a Wetboek van Strafrecht

4.

(zaaksdossier 10)

hij op of omstreeks 01 september 2015 te Nijkerk, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd

voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of

weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder

6°, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Onderzoek 031Coel, MD3R015007, opgemaakt door politie Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar mogelijk wordt volstaan met een verkorte en zakelijke weergave.

2 Een geschrift, inhoudende een kasstaat van [bedrijf 1] , blz. 1376 en een proces-verbaal van verstrekking [bedrijf 1] FIN.BOB.034, blz. 1381 (zaaksdossier 16, map 16-III).

3 Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 maart 2016, blz. 22 van het proces-verbaal aanvulling zaaksdossier witwassen van 30 oktober 2017.

4 Een geschrift, inhoudende een factuur van [bedrijf 21] , blz. 1363 (zaaksdossier 16, map 16-III).

5 Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 maart 2016, blz. 18 van het proces-verbaal aanvulling zaaksdossier witwassen van 30 oktober 2017.

6 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 7 (zaaksdossier 16, map 16-I).

7 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 8 (zaaksdossier 16, map 16-I).

8 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 8-9 (zaaksdossier 16, map 16-I).

9 Bijlage bij proces-verbaal van 24 december 2015, blz. 258 (zaaksdossier 16, map 16-I).

10 Bijlage bij proces-verbaal van 24 december 2015, blz. 261.

11 Bijlage bij proces-verbaal van 24 december 2015, blz. 261.

12 Bijlage bij proces-verbaal van 24 december 2015, blz. 261.

13 Bijlage bij proces-verbaal van 24 december 2015, blz. 259, 260 en 261.

14 Bijlage bij proces-verbaal van 24 december 2015, blz. 261.

15 Een proces-verbaal van relaas van bevindingen van 15 september 2015, blz. 206 (zaaksdossier 16, map 16-I) en een proces-verbaal van bevindingen van 15 september 2015, blz. 208.

16 Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 maart 2016, blz. 22 bij het proces-verbaal aanvulling zaaksdossier witwassen.

17 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 9 (zaaksdossier 16, map 16-I).

18 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 9

19 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 november 2017.

20 Een proces-verbaal van bevindingen van 28 september 2015, blz. 218 (zaaksdossier 16, map 16-I).

21 Proces-verbaal van bevindingen van 28 september 2015, blz. 217.

22 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 9-10 (zaaksdossier 16, map 16-I).

23 Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 maart 2016, blz. 23 bij het proces-verbaal aanvulling zaaksdossier witwassen.

24 Proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 10.

25 Proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 10.

26 Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 maart 2016, blz. 24 bij het proces-verbaal aanvulling zaaksdossier witwassen.

27 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 10 (zaaksdossier 16, map 16-I).

28 Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 maart 2016, blz. 24-25 bij het proces-verbaal aanvulling zaaksdossier witwassen.

29 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 11 (zaaksdossier 16, map 16-I) en blz. 255A.

30 Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2016, blz. 52 bij het proces-verbaal aanvulling zaaksdossier witwassen.

31 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 11 (zaaksdossier 16, map 16-I).

32 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 11 (zaaksdossier 16, map 16-I).

33 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 11 (zaaksdossier 16, map 16-I).

34 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 13 (zaaksdossier 16, map 16-I).

35 Een proces-verbaal aanvulling zaaksdossier witwassen van 30 oktober 2017, blz. 11.

36 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 12 (zaaksdossier 16, map 16-I).

37 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] van 25 januari 2016, blz. 156 (zaaksdossier 16, map 16-I).

38 Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] van 25 januari 2016, blz. 157.

39 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 12 (zaaksdossier 16, map 16-I).

40 Proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 14.

41 Proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] van 25 september 2017, blz. 4.

42 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 6 (zaaksdossier 16, map 16-I).

43 Een proces-verbaal van 25 februari 2016, blz. 15 (zaaksdossier 16, map 16-I).

44 Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2016, blz. 64 bij het proces-verbaal aanvulling zaaksdossier witwassen van 30 oktober 2017.

45 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 november 2017.

46 Bijlage (overzicht) bij proces-verbaal van 24 december 2015, blz. 258, blz. 293 en blz. 294.

47 Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2016, blz. 55 als bijlage bij het proces-verbaal aanvulling zaaksdossier witwassen van 30 oktober 2017.

48 Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 1 september 2015, blz. 5 en 6, in combinatie met blz. 7 en 9 van de bijlage bij dat proces-verbaal (zaaksdossier 10, map 10).

49 Een proces-verbaal van bevindingen van 15 oktober 2015, blz. 11 (zaaksdossier 10, map 10).