Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:208

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-01-2018
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
16/661690-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich gedurende ongeveer een jaar schuldig gemaakt aan schuldwitwassen van aanzienlijke geldbedragen. De rechtbank is van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren in combinatie met een taakstraf voor de duur van 160 uren een passende en geboden reactie vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/661690-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 januari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1972] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 oktober 2016, 8 februari 2017, 27 november, 28 november 2017 en 4 december 2017. Ter zitting van 8 januari 2018 is het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. N.M. Collenburg en van hetgeen verdachte en haar raadsman, mr. R. van der Horst, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 27 november 2017 gewijzigd. De tenlastelegging is met wijziging als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt, kort en feitelijk weergegeven, neer op het volgende:

1. Medeplegen van (gewoonte) witwassen, dan wel schuldwitwassen van contante geldbedragen, in totaal een bedrag van 438.363,- euro, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 16 februari 2016 te Amersfoort/Almere/Zeewolde/Nijkerk, althans in het arrondissement Midden-Nederland en/of het arrondissement Zwolle-Lelystad.

2. Medeplegen van witwassen, dan wel schuldwitwassen van een viertal goederen (boot Gobbi, boot I-sloep, boot Jan van Gent en personenauto BMW) in de periode van 1 januari 2013 tot en met 16 februari 2016 te Amersfoort/Almere/Zeewolde/Nijkerk, althans in het arrondissement Midden-Nederland.

3. Medeplegen van het voorhanden hebben van een busje pepperspray op 1 september 2015 te Nijkerk.

3 VOORVRAGEN

Geldigheid van de dagvaarding met betrekking tot feit 2

In het onder 3 ten laste gelegde feit is als derde gedachtestreepje “een boot, type sloep, merk Jan van Gent, zonder registratienummer” opgenomen. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit gedeelte van de tenlastelegging onvoldoende specifiek is, omdat niet duidelijk is op welke boot – ook niet tegen de achtergrond van het dossier – de tenlastelegging ziet. De rechtbank verklaart de dagvaarding dan ook gedeeltelijk nietig, namelijk ten aanzien van het derde aandachtstreepje met de woorden “een boot, type sloep, merk Jan van Gent, zonder registratienummer”.

Voor het overige geldt dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevraagd van feit 3 en partiële vrijspraak ter zake van feit 2, namelijk ten aanzien van de boot Gobbi, de boot Jan van Gent en de personenauto BMW. De officier van justitie acht het onder 2 ten laste gelegde wat betreft de boot I-sloep wel wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie acht voorts het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen, behoudens wat betreft de geldbedragen betaald aan [naam] BV.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsman voert daartoe – kort gezegd - aan dat sprake is van onvoldoende bewijs, dat van een deel van de geldbedragen en goederen niet gezegd kan worden dat verdachte deze feitelijk voorhanden heeft gehad en dat voorts het opzet van verdachte ter zake van geen van de drie feiten kan worden bewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

4.3.1.

Ten aanzien van feit 1: witwassen geldbedragen, in totaal € 438.363,-

Voor een veroordeling ter zake van (schuld)witwassen is allereerst vereist dat de goederen waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft, afkomstig zijn uit enig misdrijf en voorts dat verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat die goederen van misdrijf afkomstig waren. Als echter op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp en een bepaald misdrijf (het zogenoemde gronddelict), kan naar inmiddels bestendige jurisprudentie niettemin worden bewezen verklaard dat het voorwerp een criminele herkomst heeft, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld dan wel het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

In de eerste plaats constateert de rechtbank dat van slechts een zeer beperkt aantal ten laste gelegde contante uitgaven kan worden vastgesteld dat verdachte deze bedragen daadwerkelijk voorhanden heeft gehad en deze uitgaven daadwerkelijk heeft gedaan. De rechtbank kan daarom niet van al die uitgaven vaststellen dat verdachte ervan op de hoogte was dat deze (door haar medeverdachte [medeverdachte] ) werden gedaan. Voorts kan – behoudens ten aanzien van de hierna te bespreken uitgaven betrekking hebbend op de dienstverbanden van verdachte bij [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. - niet worden vastgesteld dat verdachte van de contante bedragen die zij wel voorhanden heeft gehad en/of heeft uitgegeven, wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat deze bedragen van misdrijf afkomstig waren. Daarvoor bevat het dossier onvoldoende bewijs. De officier van justitie heeft gesteld dat, nu het om hoge contante bedragen ging en verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] een gezamenlijke huishouding voerden, het niet anders kan dan dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van de misdadige herkomst van de bedragen. Verdachte heeft echter ter terechtzitting gesteld dat zij nooit anders heeft geweten dan dat medeverdachte [medeverdachte] , haar levenspartner, een zeer geslaagde en gefortuneerde zakenman was. Sinds zij hem kende had hij immers een veelheid aan banen (directiefuncties) en bedrijven gehad. Er is nooit gesproken over enige vorm van strafbaar handelen en zij heeft ook nooit reden gehad om dit te vermoeden. Daarbij komt dat de medeverdachte traditioneel was ingesteld in die zin dat hij vond dat hij de kostwinner was en dat als er geld nodig was, hij dat regelde. Ook de medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de financiën regelde binnen hun relatie en dat hij de kostwinner was.

Nu er geen bewijs is voor de stelling dat verdachte wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat de gelden van misdrijf afkomstig waren, dient zij van het onder 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken wat betreft alle contante uitgaven, behoudens de uitgaven die betrekking hebben op de dienstverbanden van verdachte bij [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Uit opgevraagde informatie bij de Belastingdienst blijkt dat verdachte over 2014 en 2015 looninkomsten had van [bedrijf 1] BV

(€ 33.247,-) en van [bedrijf 2] B.V. (€ 22.282,-). In totaal is een bedrag van

€ 48.963,82 netto aan salaris overgemaakt naar de rekening van verdachte.2

De officier van justitie stelt dat deze dienstverbanden niet hebben bestaan, maar fictief waren en dat de medeverdachte [medeverdachte] gelden afkomstig uit criminele activiteiten heeft betaald aan deze bedrijven, welke gelden vervolgens werden uitbetaald als ‘legaal’ inkomen aan verdachte. Ter vergoeding en compensatie van de uitbetalingen door de bedrijven zou de medeverdachte [medeverdachte] , voorafgaand aan die betalingen, een bruto equivalent van dat bedrag in contanten aan hen hebben uitbetaald. Dit bedrag wordt door de politie geschat op € 90.933,-.3

De eigenaar van [bedrijf 1] B.V., de heer [getuige 1] , heeft zich op vragen naar de aard van de werkzaamheden van [verdachte] beroepen op zijn zwijgrecht. Verdachte heeft zich eveneens beroepen op haar zwijgrecht. Beiden hebben dus niets willen zeggen over de omvang en inhoud van de werkzaamheden. Voorts is bij een doorzoeking in de vakantiewoning te Zeewolde van verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] op 13 december 2016 een schuldbekentenis gevonden waarin staat dat [getuige 1] (de eigenaar van [bedrijf 1] BV) verklaart op 1 juni 2014 een bedrag van € 50.000,- te hebben geleend van [verdachte] (verdachte) en dit bedrag ontvangen te hebben.4 De betaling is niet terug te vinden op diverse bankrekeningen van verdachte en is dus kennelijk contant betaald aan [getuige 1] . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard niet op de hoogte te zijn van deze schuldbekentenis.5

Nu voor deze lening geen enkele aannemelijke verklaring is gegeven en noch uit enige verklaring van [verdachte] , noch uit enige verklaring van haar beweerde werkgever of anderszins is kunnen blijken wat de aard van haar werkzaamheden was, gaat de rechtbank ervan uit dat sprake was van een fictief dienstverband, waarbij door [verdachte] en/of [medeverdachte] in ieder geval € 50.000,- contant is betaald aan [bedrijf 1] B.V.

Ook de eigenaar van [bedrijf 2] B.V., de heer [getuige 2] , is gehoord, maar heeft niet willen zeggen wat verdachte precies voor werkzaamheden in zijn bedrijf verricht. Hij heeft het over ‘de boel managen’6, maar daarna wil hij er niets meer over zeggen.7 Bij de twee administratiekantoren van [bedrijf 2] B.V. is informatie opgevraagd, maar zij kenden verdachte niet.8 Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij ‘verschillende dingen heeft gedaan’, zij noemt dan ‘dingen uitzoeken’, ‘reclame’, ‘verkoop’ en het aandragen van ideeën.9 Nergens is verdachte echter concreet en de rechtbank acht haar verklaring dan ook niet aannemelijk.

Op grond van het bovenstaande, alsook gelet op de constatering dat indien verdachte daadwerkelijk bij beide bedrijven een dienstverband heeft gehad, zij dan twee full time dienstverbanden naast elkaar zou hebben gehad, is de rechtbank van oordeel dat ook hier sprake is geweest van een fictief dienstverband, waarbij is geprobeerd de werkelijke herkomst van de gelden te verhullen.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist, maar wel dat zij redelijkerwijs moest vermoeden dat die geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Immers, zij wist dat de dienstverbanden fictief waren, omdat zij zonder daadwerkelijk (substantiële) werkzaamheden voor die bedrijven te verrichten wel iedere maand salaris op haar bankrekening ontving. Dit maakt dat zij onderzoek had moeten verrichten naar de herkomst van die geldbedragen. Nu zij dit heeft nagelaten heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen. Omdat niet is gebleken dat verdachte wetenschap had van het daarmee gemoeide (bruto)bedrag, zal de rechtbank het witgewassen bedrag stellen op het netto door haar ontvangen bedrag van in totaal € 48.963,82.

Vrijspraak

4.3.2.

Ten aanzien van feit 2: witwassen goederen

Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd het witwassen van een viertal goederen. De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het witwassen van de boot Gobbi, van de boot Jan van Gent en van de personenauto BMW.

Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding voor wat betreft de Jan van Gent nietig dient te worden verklaard.

De rechtbank is daarnaast - met de officier van justitie en de verdediging – van oordeel dat verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van het witwassen van de boot Gobbi en de personenauto BMW.

Voorts is de rechtbank – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs ook moet worden vrijgesproken van het witwassen van de boot I-sloep. De veronderstelling in het dossier dat de boot is aangekocht met (crimineel) contant geld van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kan op basis van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet worden bewezen.

4.3.3.

Ten aanzien van feit 3: (medeplegen) voorhanden hebben pepperspray

Op 1 september 2015 is tijdens een doorzoeking in de vakantiewoning van verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] op de slaapkamer boven, in een nachtkastje, een busje pepperspray aangetroffen en in beslag genomen. De medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat het busje van hem was (en dat het aan zijn kant van het bed lag).

Verdachte heeft ontkend dat zij op de hoogte was van de aanwezigheid van het busje pepperspray. Uit het dossier kan de rechtbank niet afleiden dat verdachte die wetenschap wel heeft gehad. Dit brengt mee dat naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank zal verdachte daarom hiervan vrijspreken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 1 juni 2014 tot 1 september 2015,

in het arrondissement Midden-Nederland en/of het arrondissement Zwolle-Lelystad

voorwerpen, te weten contante geldbedragen in totaal ter waarde van 48.963,82 euro,

voorhanden heeft gehad en/of omgezet terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat die contante geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Feit 1: schuldwitwassen, meermalen gepleegd

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 6 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en

- een taakstraf van 240 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 220 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit en voorts opgemerkt dat een vrijheidsstraf voor verdachte, gezien haar persoonlijke omstandigheden, een ramp zou betekenen. Verdachte is psychisch aan het eind van haar Latijn en zij heeft de zorg voor een minderjarige zoon. Ook een taakstraf vindt de raadsman niet wenselijk, omdat met iedere bewezenverklaring de kans groot is dat verdachte in het kader van een ontnemingsprocedure alsnog zal moeten zitten.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich gedurende ongeveer een jaar schuldig gemaakt aan schuldwitwassen van aanzienlijke geldbedragen. Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op de integriteit van het financieel en economisch verkeer en op de openbare orde. Met haar handelen heeft verdachte meegewerkt aan het aan het zicht van justitie onttrekken van opbrengsten uit misdrijven en daaraan een schijnbaar legale herkomst verschaft. Het betreft een ondermijnend feit dat de maatschappij veel schade toebrengt.

De rechtbank houdt er rekening mee dat het vooral de partner van verdachte is geweest die zich bezig heeft gehouden met witwassen, maar verdachte moet voor haar (kleinere) aandeel gestraft worden, temeer nu zij, getuige haar houding ter terechtzitting, geen blijk heeft gegeven van inzicht in het laakbare van haar handelen.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 oktober 2017 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor fraudedelicten met een benadelingsbedrag tussen € 10.000,- en € 70.000,- uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een duur tussen de 2 en 5 maanden, ofwel een taakstraf.

Gelet op het vorenstaande en met name rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, alsmede met hetgeen wordt opgelegd in vergelijkbare zaken, acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen. Hiermee wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en wordt tevens de strafwaardigheid van het feit benadrukt. Daarnaast acht de rechtbank, gelet op de ernst van het delict, het opleggen van een taakstraf van aanzienlijke duur aangewezen.

De rechtbank is – alles overwegende – van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren in combinatie met een taakstraf voor de duur van 160 uren een passende en geboden reactie vormt.

Gelet op het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan door de officier van justitie verzocht, wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 420quater van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Geldigheid van de dagvaarding

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde voor zover het betreft

de boot Jan van Gent nietig.

Vrijspraak

Verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is

vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Oplegging straf

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later

anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene

voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet

schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 160 uren.

Beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 80 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter,

mrs. E. Akkermans en J.A. Spee, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.S. Wijkstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 januari 2018.

Mr. E. Akkermans is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 16 februari 2016,

in de gemeente Amersfoort en/of de gemeente Almere en/of de gemeente Zeewolde,

althans in het arrondissement Utrecht en/of het arrondissement Zwolle-Lelystad

en/of arrondissement Midden-Nederland en/of de gemeente Nijkerk en/of elders in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een of meer voorwerpen, te weten (contante) geldbedragen (totaal bedrag

waarde van 438.363 euro), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen

en/of omgezet terwijl zij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die (contante) geldbedragen geheel of

gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

en zij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;

art 47 Wetboek van strafrecht

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf onder b Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 16 februari

2016, in de gemeente Amersfoort en/of in de gemeente Almere en/of in de

gemeente Zeewolde, althans in het arrondissement Midden-Nederland en/of in de

gemeente Nijkerk en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, van een of meer voorwerp(en), te weten

- een boot, merk Gobbi, registratienummer [registratienummer] en/of

- een boot, merk I-sloep, registratienummer [registratienummer] en/of

- een boot, type sloep, merk Jan van Gent, zonder registratienummer en/of

- een auto, merk BMW, kenteken [kenteken]

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of

verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten voornoemde boten/boot

en/of auto, was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten voornoemde

boten/boot en/of auto, voorhanden had, terwijl zij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen/dat

voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf;

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf onder a Wetboek van Strafrecht

3.

(zaaksdossier 10)

zij op of omstreeks 01 september 2015 te Nijkerk, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor

het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of

weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder

6°, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Onderzoek 031Coel, MD3R015007, opgemaakt door politie Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar mogelijk wordt volstaan met een verkorte en zakelijke weergave.

2 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 13 (zaaksdossier 16, map 16-I).

3 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 13 (zaaksdossier 16, map 16-I).

4 Een proces-verbaal aanvulling zaaksdossier witwassen van 30 oktober 2017, blz. 11.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 november 2017.

6 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] van 25 januari 2016, blz. 156 (zaaksdossier 16, map 16-I).

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] van 25 januari 2016, blz. 157.

8 Een proces-verbaal van relaas van 25 februari 2016, blz. 12 (zaaksdossier 16, map 16-I).

9 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 november 2017.