Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:207

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-01-2018
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
16/705291-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich (samen met anderen) schuldig gemaakt aan het bewerken van een aanzienlijke hoeveelheid hennep. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan het in voorraad hebben van valse merkgoederen. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een onderdeel van een wapen en munitie. De rechtbank veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 8 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/705291-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 januari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1962] te [geboorteplaats] ,

wonende [adres] , [woonplaats] , Tsjechië,

verblijvende aan de [adres] , [woonplaats] , gemeente Amersfoort.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 oktober 2016, 8 februari 2017, 27 november 2017, 28 november 2017 en 4 december 2017. Ter terechtzitting van 8 januari 2018 is het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. N.M. Collenburg en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt, kort en feitelijk weergegeven, neer op het volgende:

1. Deelneming aan een criminele organisatie gericht op het telen, dan wel aanwezig hebben van (een grote hoeveelheid) hennep in de periode van 7 april 2014 tot en met 16 februari 2016 in de gemeente Amersfoort.

2. Medeplegen van het bereiden en/of bewerken en/of verwerken, dan wel aanwezig hebben van 35,5 kilogram hennep op 23 januari 2015 te Hoogland.

3. Aanwezig hebben van 680 gram hennep(gruis) op 23 januari 2015 te Hoogland.

4. Medeplegen van witwassen, dan wel schuldwitwassen, van een boot, merk Gobbi, en een boot, merk I-sloep in de periode van 1 januari 2013 tot en met 16 februari 2016 te Amersfoort/Almere/Zeewolde/Nijkerk.

5. Het in-/door-/uitvoeren/verkopen/te koop aanbieden/afleveren/uitdelen en/of in voorraad hebben van valse merkgoederen op 23 januari 2015 te Hoogland.

6. Het in-/door-/uitvoeren/verkopen/te koop aanbieden/afleveren/uitdelen en/of in voorraad hebben van valse merkgoederen op 1 september 2015 te Hoogland.

7. Voorhanden hebben van een onderdeel van een pistool (patroonmagazijn) en/of munitie, te weten 9 scherpe patronen en/of 50 pyrotechnische patronen op 1 september 2015 te Hoogland.

3 VOORVRAGEN

3.1.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de feiten

5 en 6

Ten aanzien van de feiten 5 en 6 heeft de raadsman primair bepleit dat het Openbaar ministerie (hierna: OM) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De raadsman voert daartoe aan dat de verdediging geen effectieve mogelijkheid heeft gehad voor het laten verrichten van een tegenonderzoek, omdat de partijen goederen door het OM zijn vernietigd. Hierdoor is het beginsel van ‘equality of arms’ zoals dat is neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) geschonden, en is dus (ook) sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft betoogd dat de verdediging in een vrij laat stadium heeft verzocht om een contra-expertise en dat daarvoor bovendien geen argumenten zijn aangedragen. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte er zelf voor heeft gekozen om zich op zijn zwijgrecht te beroepen en derhalve geen verklaring af te leggen over de aanwezigheid van de goederen bij hem thuis, aan de hand waarvan de politie nader onderzoek had kunnen doen. Daarnaast stelt de officier van justitie dat de vernietiging van de goederen op grond van artikel 117 Sv rechtmatig was nu de kosten van de bewaring niet in een redelijke verhouding stonden tot hun waarde.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 23 januari 2015 en op 1 september 2015 is een partij goederen, voorzien van verschillende merken, in de woning van verdachte aangetroffen en in beslag genomen. Op respectievelijk 23 januari 2015 en 9 september 2015 is door de coöperatieve vereniging [coöperatieve vereniging] U.A. (hierna: [coöperatieve vereniging] ) een rapportage opgemaakt met als conclusie dat de in beslag genomen goederen vals waren. Uit een proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 30 september 2015 (pagina’s 16 en 17 van zaaksdossier 2) blijkt dat de op 23 januari 2015 gehele in beslag genomen partij goederen ten tijde van het opmaken van het proces-verbaal reeds was vernietigd.

Ter terechtzitting van 26 oktober 2016 heeft de raadsman van verdachte verzocht om een contra-expertise te laten verrichten. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 8 februari 2017 laten weten dat alle goederen zijn vernietigd en er derhalve geen contra-expertise meer kon plaatsvinden. Op diezelfde terechtzitting heeft de rechtbank ambtshalve beslist dat [getuige 1] als getuige moest worden gehoord door de rechter-commissaris om aan de hand van foto’s een nadere toelichting te geven op de geconstateerde valsheid van de goederen. Vervolgens is [getuige 2] , werkzaam als controleur bij [coöperatieve vereniging] en tevens de opsteller van de rapportage van 23 januari 2015, op 22 maart 2017 door de rechter-commissaris als getuige gehoord. De raadsman van verdachte was hierbij aanwezig en is in de gelegenheid gesteld vragen te stellen.

In artikel IV.2 van de Aanwijzing inbeslagneming (artikel 94 Sv) is onder meer bepaald dat een in het kader van de waarheidsvinding in beslag genomen voorwerp dient te worden bewaard zolang nog onderzoek aan het voorwerp wordt gedaan of niet uitgesloten kan worden dat nog onderzoek aan het voorwerp moet worden gedaan, dan wel indien het voorwerp nodig is of kan zijn voor contra-expertise. Dit kan meebrengen dat het voorwerp bewaard moet blijven tot aan het moment dat in de strafzaak onherroepelijk is beslist.

Het door de verdediging gestelde verzuim betreft de vernietiging van de inbeslaggenomen partijen goederen. Dit is een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv nu (in ieder geval een deel van) de goederen voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting is vernietigd, terwijl niet uitgesloten kon worden dat daaraan nog onderzoek zou moeten worden gedaan, dan wel deze goederen nodig waren of konden zijn voor contra-expertise. Door het vernietigen van de goederen is gehandeld in strijd met voormelde voorschriften. Daarmee is een in het kader van het recht op een eerlijk proces belangrijk beginsel geschonden, namelijk dat in beslag genomen voorwerpen beschikbaar moeten blijven voor (tegen)onderzoek.

De rechtbank komt echter tot het oordeel dat het vernietigen van de inbeslaggenomen goederen in dit geval niet dient te worden gekwalificeerd als een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde die zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Uit de zich in het dossier bevindende processen-verbaal waarin over de vernietiging van de goederen wordt gerelateerd, komt niet naar voren dat de betrokken politiefunctionarissen en/of het OM bij de vernietiging van de goederen doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak hebben gehandeld. Ook anderszins is daarvan niet gebleken. Bovendien heeft de rechtbank met het horen van de rapporteur van [coöperatieve vereniging] als getuige in de aanwezigheid van de raadsman van verdachte, aan de verdediging een alternatief geboden om nadere vragen te stellen over de bevindingen van de rapporteur over geconstateerde valsheid van de goederen. Dit maakt dat de ernst van het verzuim en het nadeel dat verdachte daarvan heeft ondervonden, beperkt is gebleven.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank evenzeer van oordeel dat het gevoerde 359a-verweer niet kan leiden tot de conclusie dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Het OM is ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

3.2.

De overige voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is – ook ten aanzien van de andere feiten - ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ter zake van alle ten laste gelegde feiten. De raadsman voert daartoe aan dat sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 7 heeft de raadsman subsidiair betoogd dat het vereiste opzet ontbreekt, omdat verdachte geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de hennep in de schuur en het hennepgruis en het patroonmagazijn en de munitie in zijn woning. Ten aanzien van feit 1 merkt de raadsman nog op dat een mogelijk medeplegen niet betekent dat sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband zoals vereist voor deelneming aan een criminele organisatie en dat verdachte en de medeverdachten weinig overlap van feiten hebben. Ten aanzien van feit 4 stelt de raadsman dat geen sprake is van verhullen, maar van een normale manier van zakendoen. Ten aanzien van de feiten 5 en 6 heeft de raadsman nog aangevoerd dat hij de wijze waarop de partij goederen beoordeeld is, arbitrair vindt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

De hieronder weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Ten aanzien van feit 2: medeplegen bereiden/verwerken/bewerken, dan wel aanwezig hebben van 35,5 kilo hennep en feit 3: aanwezig hebben van 680 gram hennep(gruis)

Proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2015

Op 23 januari 20152, kwamen wij, verbalisanten, bij een woonboerderij op de [adres] te [woonplaats] .3 Wij zagen vanaf de voorzijde dat links een schuur was gesitueerd waar licht brandde. Wij zagen vervolgens drie personen aan een tafel zitten. Wij zagen op de tafel een groot wit droognet staan met daarop henneptakken en -toppen. Wij zagen dat er meerdere netten met henneptoppen en henneptakken rondom de tafel stonden.4

Wij zagen en hoorden dat collega’s een verdachte bij de woning aanhielden. Dit bleek [verdachte] te zijn.5 Wij, verbalisanten, hebben vervolgens alle hennep en restanten van hennep in beslag genomen. Wij hebben deze hennep in vuilniszakken verplaatst en voor onderzoek naar het politiebureau gebracht. Ook hebben wij de materialen die gebruikt werden om de hennep te bewerken of vervaardigen in beslag genomen. Wij zagen dat het acht vuilniszakken betrof. Wij zagen dat wij drie vuilniszakken alleen met toppen van hennep en vijf vuilniszakken met takken en daaraan toppen hadden verzameld.6

Proces-verbaal van bevindingen van 1 februari 2015

Op 23 januari 2015 was ik, verbalisant, in mijn hoedanigheid van hennep coördinator, op het adres [adres] te [woonplaats] in verband met een doorzoeking naar aanleiding van het aantreffen van een bedrijfsruimte waarin een aantal personen bezig waren om vers geoogste hennepplanten te ‘toppen’.7

Ik ben vervolgens naar de woning van [verdachte] gegaan.8

Ik zag dat er in de woonkamer een trap was gemaakt. Ik liep vervolgens de trap op. Ik zag dat er op deze verdieping een deur was, welke niet was afgesloten. Ik opende de deur en zag dat daarachter een droogruimte was gemaakt voor henneptoppen. Ik zag op de vloer veel resten liggen van geoogste, gedroogde hennepplanten. Ik zag op de vloer een kartonnen doos staan. Ik keek erin en zag daar een zak met zogenaamd KIF liggen, dat is hennepgruis, dat van de droogrekjes af wordt gehaald na droging van de henneptoppen.9

Proces-verbaal van bevindingen van 24 januari 2015

Op 23 januari 2015 testte ik, verbalisant, een 8-tal Cannabisproducten afkomstig van de [adres] te [woonplaats] . De collega’s namen in totaal acht vuilniszakken in beslag. Vijf van deze vuilniszakken zaten vol met planten en drie zaten vol met toppen. Uit elke vuilniszak heb ik een monster genomen welke ik getest heb. De Cannabistest werd uitgevoerd. Ik zag dat er een verkleuring ontstond. Hiermee werd bevestigd dat het om hennepplanten, dan wel delen of producten daarvan, ging, en wel van het soort Cannabis. Ik zag tevens aan de kleur en het uiterlijk, en rook aan de geur dat het delen van hennepplanten waren van het soort Cannabis, vermeld op lijst 2 van de Opiumwet. Tevens heb ik de hennep gewogen. Ik zag dat de totale hoeveelheid planten in de vijf vuilniszakken 20,6 gram betrof. Ik zag dat de totale hoeveelheid henneptoppen in de drie vuilniszakken 14,9 kilogram betrof. In totaal is er dus 35,5 kilogram hennep in beslag genomen.10

Proces-verbaal van bevindingen van 26 januari 2015

Op 23 januari 2015 testte ik, verbalisant, een aantal Cannabisproducten, afkomstig uit een hennepknipperij-drogerij in een woning en naastgelegen loods aan de [adres] te [woonplaats] .

Tijdens een doorzoeking heb ik op diverse locaties delen van hennepplanten aangetroffen: op de zolder van de loods, op de zolder van de woning net bovenaan de trap en in een drogerij.

Ik zag dat in genoemde drogerij, op de zolder van de woning, een zak lag met daarin zogenaamde KIF. Ik woog deze zak en zag dat het om 680 gram hennepgruis (KIF) ging. Ik nam uit deze zak een monster. De Cannabistest werd uitgevoerd. Ik zag dat er een verkleuring ontstond. Hiermee werd bevestigd dat het om hennepplanten, dan wel delen of producten daarvan, ging, en wel van het soort Cannabis. Ik zag tevens aan de kleur en het uiterlijk, en rook aan de geur dat het delen van hennepplanten waren van het soort Cannabis, vermeld op lijst 2, onderdeel B, van de Opiumwet.11

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3]

Ik ben mededirecteur van [onderneming] . In Hoogland en Amersfoort bezit [onderneming] meerdere panden en percelen. Eén van deze panden/percelen in [woonplaats] is de [adres] . Dit is een boerderijwoning met meerdere bijgebouwen/schuren. Ongeveer 6 jaar geleden is bedoeld perceel met alle opstallen verhuurd aan [verdachte] . Ik kan vanuit mijn woning bedoeld perceel zien. Vandaar dat ik ook weet dat [verdachte] zelf sinds een jaar of 6 in het pand woont. Ik zie hem daar regelmatig.

Voor zover mij bekend worden de opstallen door [verdachte] niet onderverhuurd.12

Ik kom ongeveer één keer per maand bij hem op het erf en in de woning/opstallen, als de huur betaald moet worden.13

Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1]

Je bent aangehouden in een loods op de [adres] te [woonplaats] . Wat kun je verklaren over wat er is gebeurd?

Ik ben daar inderdaad geweest. Ik ben door iemand benaderd met de vraag of ik wilde knippen.14

Het klopt dat ik, voordat ik ging knippen, in de bijbehorende woning ben geweest. Toen ik daar aankwam, kreeg ik van een man te horen dat ik nog niet kon beginnen met knippen. Ik mocht toen van hem in het huis wachten. Daar waren volgens mij nog een paar andere personen die later gingen knippen. U vraagt mij door wie ik binnengelaten ben in de woning. Dat was door een man met grijs haar. Volgens mij werd de man [verdachte] genoemd door de andere aanwezigen. Ik weet niet meer met wie ik allemaal naar de schuur ben gelopen. Volgens mij werd ons wel door de grijze man medegedeeld dat we konden beginnen met knippen.15

Door de raadsman gevoerd verweer

De raadsman van verdachte heeft nog opgemerkt dat niet kan worden gezegd dat verdachte wetenschap had van het gebeuren in de loods, nu het een groot perceel betreft. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Immers, uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte (de enige) huurder en de bewoner van het gehele perceel was. Verdachte gedroeg zich ook zo: ten tijde van het aantreffen door de politie midden in de nacht lag zijn minderjarige zoon in de woning te slapen en in ieder geval een van de knippers, [medeverdachte 1] , heeft in de woning gewacht tot zij kon beginnen met knippen. Dat verdachte niet zou weten wat er zich in de loods zou afspelen, wordt bovendien door de verklaring van [medeverdachte 1] weersproken. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat haar door de man met grijs haar, [verdachte] genaamd, werd medegedeeld wanneer zij konden beginnen met knippen. Daarnaast verklaart van de [A] dat er werd geknipt in de ruimte waar verdachte zijn dierenvoederwinkel wilde beginnen. Daarbij komt dat niet alleen in de loods en omgeving, maar ook op verschillende plaatsen in de op hetzelfde erf gelegen woning van verdachte een aanzienlijke hoeveelheid hennep gerelateerde goederen is aangetroffen. Zo werd een doos met daarin hennepgruis in een ruimte boven de woonkamer van verdachte gevonden te midden van allerlei hennep gerelateerde goederen. Verdachte heeft voor de aanwezigheid van het hennepgruis noch voor de aanwezigheid van de hennep gerelateerde goederen een verklaring gegeven.

Conclusie

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte, samen met anderen hennep heeft bewerkt, alsmede dat hij 680 gram hennep(gruis) aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van feit 1: deelneming criminele organisatie

Vrijspraak

Juridisch kader

Op grond van vaste jurisprudentie is sprake van deelname aan een criminele organisatie indien een betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (vlg. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413).

Tenlastelegging

Aan verdachte is op de voet van (thans) artikel 11b van de Opiumwet de deelname aan een criminele organisatie tenlastegelegd met als oogmerk het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, althans aanwezig hebben van (telkens) (een grote hoeveelheid) hennep.

Gelet op deze tenlastelegging moet voor een bewezenverklaring kunnen worden vastgesteld dat er sprake was van het in georganiseerd verband - kort gezegd - telen van of bezit van hennep.

Overweging en conclusie

Voor het bestaan van een organisatie die zich bezig hield met hennepteelt of -bezit ziet de rechtbank als meest concrete aanwijzing in het dossier de in de tenlastegelegde periode aangetroffen (omvangrijke) hennepkwekerijen en -knipperij. Uit het dossier volgt, en de rechtbank acht ook bewezen, zoals hiervoor omschreven, dat verdachte op 23 januari 2015 in de loods naast zijn woning in vereniging 35,5 kilogram hennep heeft bewerkt en in zijn woning 680 gram hennepgruis, aanwezig heeft gehad. Verder is er in de auto van verdachte een tomtom aangetroffen waarin adressen staan van (onder meer) een aantal van deze hennepkwekerijen. De koppeling met feitelijke handelingen met betrekking tot hennep door verdachte is echter dun. Uit de observaties volgt dat slechts één enkele keer wordt gezien dat verdachte met zijn auto bij één van deze panden parkeert. Niet gezien wordt dat hij de kwekerij ingaat, dan wel dat hij daar iets doet dat aan die kwekerij kan worden gerelateerd. De betrokkenheid van verdachte bij deze kwekerijen, laat staan in georganiseerd verband, kan niet worden bewezen.

Voorts is in de woning van verdachte administratie aangetroffen waarop informatie staat die met hennep te maken heeft, zoals ‘stekken’, ‘strijkzakken’, ‘knippers’, enz. en die vermoedelijk de administratie van (een) kwekerij(en) betreft. Het dossier biedt echter geen inzicht over op welke periode dit ziet, welk samenwerkingsverband hierbij betrokken is en wat de rol van verdachte is. Tenslotte bevindt zich in het dossier een afgeluisterd telefoongesprek waarin medeverdachte [medeverdachte 2] met verdachte spreekt over het slopen van boxen. De telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] straalt tijdens dat gesprek een paal aan in de buurt van een in aanbouw zijnde hennepkwekerij die de politie diezelfde dag oprolt.

Het bovenstaande roept weliswaar vragen op, maar zegt, ook in onderling verband en samenhang bezien te weinig over de vraag of sprake is van een georganiseerd verband gericht op de hennepteelt en/of -bezit. De verschillende aanwijzingen zijn daarvoor te fragmentarisch en te summier en ook onderling te verschillend om elkaar te kunnen ondersteunen. Ook het proces-verbaal over (de voorbereidingen van) een transport van een vorkheftruck naar Engeland geven geen ondersteuning aan het geheel, nu hierbij iedere concrete aanwijzing dat dit transport gerelateerd was aan hennep, ontbreekt. Daar komt nog bij dat de in- of uitvoer van hennep als oogmerk van de organisatie niet ten laste is gelegd.

Los van het feit dat het dossier voor het bestaan van de organisatie naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs biedt, kan verdachtes deelneming hieraan, die moet strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, niet worden bewezen.

Uit de observaties, verschillende tapgesprekken en uit de verklaringen van de getuige [getuige 4] volgt weliswaar dat verdachte en zijn medeverdachten contact met elkaar onderhielden, dat zij elkaar ontmoetten, dat zij werkzaamheden voor elkaar en met elkaar verrichtten, dat daarbij geld werd verdiend en dat er mogelijk sprake was van enige mate van rangorde in die onderlinge contacten, maar ze geven geen inzicht in de rol van verdachte en de medeverdachten noch in de mate van samenwerking tussen hen in het kader van hennepteelt en/of bezit.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat de rechtbank hem daarvan zal vrijspreken.

Ten aanzien van feit 4: medeplegen van witwassen dan wel schuldwitwassen

Vrijspraak

Algemeen

Voor een veroordeling ter zake van witwassen zoals ten laste gelegd, is allereerst vereist dat bewezen moet kunnen worden dat het voorwerp waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft, afkomstig is uit enig misdrijf en dat verdachte (als medepleger) opzettelijk één of meer van de ten laste gelegde verhullingshandelingen heeft gepleegd.

Gobbi [registratienummer]

Uit het dossier volgt dat de koopovereenkomst van deze boot tijdens een doorzoeking van de woning van verdachte op 23 januari 2015 is aangetroffen. Op 5 mei 2014 is er een bedrag van € 81.500,- via een bankrekening van [bedrijf] BV (hierna verder: [bedrijf] ), waar verdachte op dat moment (mede) bestuurder van was, betaald voor de boot. Verder zit in het dossier een btw-verklaring betreffende de boot op naam van verdachte. De boot is uiteindelijk door [bedrijf] verkocht aan [medeverdachte 3] . Er zijn derhalve meerdere aanwijzingen dat verdachte betrokken is geweest bij de aan- en verkoop van de boot. Voorts valt op dat sprake is van verschillende contante stortingen en betalingen voor de aankoop (en doorverkoop) en dat de boot in relatief korte tijd driemaal van eigenaar (tenaamgestelde) wisselt. Het dossier bevat echter onvoldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat de gelden die gemoeid zijn geweest met de aankoop en verkoop van de boot van misdrijf afkomstig waren en wat precies de rol van verdachte bij de transacties rond deze boot is geweest. Dit brengt mee dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

I-sloep [registratienummer]

In de woning van verdachte is een koopovereenkomst en het registratiebewijs van de I-sloep gevonden, waarin staat dat de boot op 21 maart 2014 voor een bedrag van € 21.500 aan contanten is gekocht. De naam van de koper is niet ingevuld. In het dossier wordt verondersteld dat de boot is aangekocht met (crimineel) contant geld van de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . Dit laatste blijft echter een veronderstelling, die naar het oordeel van de rechtbank op basis van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet kan worden hardgemaakt. Daar komt bij dat op grond van het aanwezige bewijsmateriaal niet is vast te stellen dat verdachte wist dat het goed (en/of het geld waarmee dit is aangeschaft) van misdrijf afkomstig was. Dit brengt mee dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte ter zake van de I-sloep [registratienummer] het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

Ten aanzien van feit 5: in voorraad hebben van valse merkgoederen op 23 januari 2015

Proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2015

Op 23 januari 2015 kwamen wij, verbalisanten, bij de [adres] te [woonplaats] .16

Wij zagen en hoorden dat collega’s een verdachte bij de woning aanhielden. Dit bleek [verdachte] te zijn. Wij hoorden van collega’s dat zij mee naar binnen waren gegaan met verdachte en dat zij toen in de hal en in de woonkamer van de woonboerderij tientallen dozen met nieuwe kleding opgestapeld zagen staan.

Ik, verbalisant, zag in de slaapkamer van de woning in een kast, waarvan de deur op een kier stond, een aantal doosjes staan. Er lagen meerdere nieuw uitziende en opeengestapelde doosjes in de openstaande kast. Ik heb deze doosjes in beslag genomen.17

Ik heb vervolgens alle kleding die in dozen verspreid was over meerdere kamers en de hal, in beslag genomen. Ik zag dat deze kleding in nieuwverpakking zat en in meerdere dozen uitgestald stond.18

Proces-verbaal van bevindingen van 9 februari 2015

Op 23 januari 2015 waren wij, verbalisanten, ter plaatse bij een woning aan de [adres] te [woonplaats] .

Ik, verbalisant, zag dat er in de gang van de woning een aantal dozen stonden met daarin jassen van onder andere het merk North Face. Ik zag dat deze jassen nog in het plastic zaten en dat er labeltjes aan de jassen zaten. In een andere kamer zag ik nog meer dozen staan met daarin jassen eveneens in het plastic verpakt.19

Proces-verbaal inbeslaggenomen kleding

Naar aanleiding van een doorzoeking op een woonboerderij op de [adres] te [woonplaats] op 23 januari 2015 werd aldaar een grote partij kleding (jassen, trainingspakken, sokken) aangetroffen en inbeslaggenomen. De verdachte in dezen is [verdachte] . De aangetroffen kleding had [verdachte] staan voor de markthandel.

In totaal gaat het om (onder andere): Adidas trainingspakken 40 stuks, Northface jassen 391 stuks, Breitling horloge 1 stuk.20

Proces-verbaal onderzoek horloges

Ik, verbalisant, ben met drie horloges die bij de doorzoeking op 23 januari 2015 van de woonboerderij aan de [adres] te [woonplaats] waren aangetroffen, naar de Juwelier [juwelier] aan de [adres] te [woonplaats] gegaan om te laten onderzoeken. De juwelier verklaarde mij: het horloge van het merk Breitling is een nagemaakt horloge.21

Brief van [getuige 1] van 12 februari 2015 met aangifte

Op 12 februari 2015 hebben wij aangifte gedaan tegen N.N. betreffende een inbeslagneming op 22 (de rechtbank begrijpt: 23) januari 2015.22

Ik ben werkzaam bij [coöperatieve vereniging] en doe aangifte namens de leden dan wel opdrachtgevers van [coöperatieve vereniging] waaronder Adidas en Breitling. Deze aangifte heeft betrekking op vervalsingen van de algemeen bekende en onderscheidende (beeld)merken Adidas en Breitling. Deze merken zijn door bovengenoemde bedrijven geregistreerd in de zin van het Benelux Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (BVIE) en Verordening (EG) 40/1994 inzake het Gemeenschapsmerk onder de volgende nummers:

Adidas nr. 358770, 384253, 628591, 5271580

Breitling nr. 890749, 613794

Bovendien zijn bovenstaande registraties door de rechthebbenden althans in de gehele Benelux gedeponeerd voor onder meer Nice klasse nummer 14 en 25, te weten horloges en kleding. Gezien het voorgaande zijn de merkhouders, dan wel licentiehouder(s) aldus exclusief gerechtigd om voornoemde merken in Nederland te voeren.

De politie Amersfoort heeft op 22 (de rechtbank begrijpt: 23) januari 2015 een partij goederen in beslag genomen te Amersfoort. De partij bestaat uit:

- Trainingspakken, valselijk voorzien van het merk Adidas;

- 1 horloge, valselijk voorzien van het merk Breitling.

[getuige 2] , werkzaam als controleur bij [coöperatieve vereniging] , heeft vervolgens vastgesteld dat deze producten vervalsingen zijn van producten van de rechthebbenden en tevens benadeelden in dezen, mede op grond van de inferieure kwaliteit van de gebruikte materialen, de onjuiste labels en de gebrekkige afwerking van de producten.23

Aanvullende aangifte van 24 februari 2015 van [getuige 1]

Ik ben werkzaam bij [coöperatieve vereniging] en doe aangifte namens de leden dan wel opdrachtgevers van [coöperatieve vereniging] waaronder The North Face. Deze aanvullende aangifte heeft betrekking op vervalsingen van het algemeen bekende en onderscheidende (beeld)merk The North Face. Dit merk is door The North Face Apparel Corp. geregistreerd in de zin van het Benelux Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (BVIE) en Verordening (EG) 40/1994 inzake het Gemeenschapsmerk, onder de volgende nummers:

The North Face nr. 1190693, 5002746, 1196112, 4143632.

Bovendien is/zijn bovenstaande registratie(s) voor het merk North Face door de rechthebbende althans in de gehele Benelux gedeponeerd voor onder meer Nice klasse nummer 25, te weten kleding. Gezien het voorgaande is de merkhouder, dan wel licentiehouder(s) aldus exclusief gerechtigd om voornoemd merk in Nederland te voeren.

De politie Amersfoort heeft op 22 (de rechtbank begrijpt: 23) januari 2015 een partij goederen in beslag genomen te Amersfoort. De partij bestaat onder andere uit:

kleding, valselijk voorzien van het merk The North Face.24

[getuige 2] , werkzaam als controleur bij [coöperatieve vereniging] , heeft vervolgens vastgesteld dat deze producten vervalsingen zijn van producten van de rechthebbende en tevens benadeelde in dezen, mede op grond van de inferieure kwaliteit van de gebruikte materialen, de onjuiste labels en de gebrekkige afwerking van de producten.25

Rapportage Strafzaak, opgemaakt door [getuige 2] met foto’s

[coöperatieve vereniging]

Plaats van inbeslagname: [adres] te [woonplaats] .

Datum van inbeslagname en datum van expertise: 22 (de rechtbank begrijpt: 23) januari 2015.

Rapport: op vrijdag 22 (de rechtbank begrijpt: 23) januari 2015 werden mij, rapporteur, goederen getoond in het bureau van politie te Amersfoort. De goederen werden door mij gefotografeerd teneinde vast te stellen dat het om namaak goederen gaat.26

Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2]

Ik was de inspecteur op 23 januari 2015.27

We kijken naar het materiaal, nek labels, belabeling van het product en hoe het is ingepakt. We maken er foto’s van, het kantoor neemt contact op met de merkhouder en de foto wordt getoond. Er wordt een rapportage opgemaakt.

Pagina 1, (van de fotomap [coöperatieve vereniging] 150047NL) foto rechtsboven: De punt van de ‘i’ zit scheef op de Adidas. Pagina 1 links midden: Hier is slordig stikwerk te zien. Pagina 2 foto linksboven: het nek label is slordig ingenaaid. U, rechter-commissaris, vraagt of het niet eens kan voorkomen dat het labeltje iets schuin is ingenaaid. Zo zie je het in de Bijenkorf niet. Hierop beoordelen wij. Ik denk niet dat Adidas afgekeurde partijen in de handel brengt. Ik weet hoe fanatiek ze zijn op de kwaliteit van hun producten.28

U, rechter-commissaris, vraagt wat er te zien is aan de North Face op pagina 6, linksonder. Het is niet duidelijk of het Small is of Extra Large. Dat is mijns inziens een valsheidskenmerk. The North Face levert de jassen aan met een label, maar zonder prijs daarop. De doos linksboven op pagina 5 is geen North Face doos, maar een merkloze doos. Merken leveren nooit in merkloze dozen.29

Proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2015

Ik, verbalisant, heb verdachte [verdachte] voorgeleid voor onderzoek. Tijdens de voorgeleiding heb ik aan verdachte gevraagd hoe hij aan de grote hoeveelheid jassen in zijn woning was gekomen. Ik hoorde verdachte zeggen dat hij deze gekocht had. Toen ik hem vroeg van wie hij de jassen gekocht had, hoorde ik verdachte zeggen dat hij zich op zijn zwijgrecht wilde beroepen en niets meer wenste te verklaren.30

Ten aanzien van feit 6: in voorraad hebben van valse merkgoederen op 1 september 2015

Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming

Op 1 september 2015 werd wederom voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning aan de [adres] te [woonplaats] .

Tijdens de doorzoeking was de bewoner, verdachte [verdachte] , aanwezig.31

Proces-verbaal van relaas

Tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres] te [woonplaats] op 1 september 2015 werden (onder meer) de navolgende goederen in beslaggenomen:

51 jassen, merk The North Face

4. 6 paar slippers, merk Dolce Gabbana

5. 274 flesjes parfum, diverse merken.32

Brief van [getuige 1] van 3 november 2015 met aangifte

Op 3 november 2015 hebben wij aangifte gedaan tegen N.N. betreffende een inbeslagneming op 1 september 2015 te Hoogland.33

Ik ben werkzaam bij [coöperatieve vereniging] en doe aangifte namens de leden dan wel opdrachtgevers van [coöperatieve vereniging] waaronder Chanel, Chloe, Christian Dior, Guerlain, Hermes, Hugo Boss, The North Face en Versace. Deze aangifte heeft betrekking op vervalsingen van de algemeen bekende en onderscheidende (beeld)merken Chanel, Chloe, Christian Dior, Givency, Guerlain, Hermes, Hugo Boss, The North Face en Versace. Deze merken zijn door bovengenoemde bedrijven geregistreerd in de zin van het Benelux Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (BVIE) en Verordening (EG) 40/1994 inzake het Gemeenschapsmerk onder de volgende nummers:

Chanel nr. 318753, 737653

Chloe nr. 3683661, 11879161

Christian Dior nr. 329409, 329284, 2618494

Givenchy nr. 224979

Guerlain nr. 125773, 1205336

Hermes nr. 8772428, 854050, 8772436

Hugo Boss nr. 49254, 604811

The North Face nr. 1190693, 1196112, 4143632

Versace nr. 1665439, 1665306

Bovendien zijn bovenstaande registraties door de rechthebbenden althans in de gehele Benelux gedeponeerd voor onder meer Nice klasse nummer 3 en 25, te weten kleding en parfum. Gezien het voor aangaande zijn de merkhouders, dan wel licentiehouder(s) aldus exclusief gerechtigd om voornoemde merken in Nederland te voeren.34

De politie Amersfoort heeft op 1 september 2015 een partij goederen in beslag genomen te [woonplaats] . De partij bestaat uit:

- Parfum, valselijk voorzien van het merk Chanel;

- Parfum, valselijk voorzien van het merk Chloe;

- Parfum, valselijk voorzien van het merk Christian Dior;

- Parfum, valselijk voorzien van het merk Givenchy;

- Parfum, valselijk voorzien van het merk Guerlain;

- Parfum, valselijk voorzien van het merk Hermes;

- Parfum, valselijk voorzien van het merk Hugo Boss;

- Jassen, valselijk voorzien van het merk The North Face;

- Parfum, valselijk voorzien van het merk Versace.

[B] , werkzaam als controleur bij [coöperatieve vereniging] , heeft vervolgens vastgesteld dat deze producten vervalsingen zijn van producten van de rechthebbenden en tevens benadeelden in dezen, mede op grond van de inferieure kwaliteit van de gebruikte materialen, de onjuiste labels en de gebrekkige afwerking van de producten.35

Rapportage Strafzaak, opgemaakt door [B] met foto’s

[coöperatieve vereniging]

Plaats van inbeslagname: Amersfoort.

Datum van inbeslagname: 1 september 2015

Datum van expertise: 9 september 2015

Rapport: op 9 september 2015 ben ik naar het beslaghuis te Utrecht gegaan waar men goederen had opgeslagen welke in beslag waren genomen (kleding, parfums dan wel eau de toilet van diverse merken). Ik heb deze goederen aan een controle onderworpen. De mij getoonde geuren zijn niet origineel, de verpakkingen zijn niet conform de originele verpakkingen.

De doppen en de spuitmondjes zijn van een andere kwaliteit dan de originele. Diverse doppen en spuitmondjes zaten zelfs zo los dat ze spontaan van de flesjes afvielen.

Tevens werden mij diverse jassen getoond van (onder andere) het merk The North Face. Het viel mij op dat de jassen van beide merken in dezelfde plastic zakken verpakt waren met enkel de naam van het merk verschillend. De stickers met barcodes waren, op 2 cijfers en 2 letters na, identiek. Afgaande op de slordig ingebrachte labels lijkt het mij dat dit geen originele jassen betreft. De aangetroffen slippers van het merk D&G die mij getoond werden, zijn niet origineel. De dozen zijn niet origineel, de stickers met barcode op deze dozen zijn niet origineel. De slippers zelf zijn van goedkoop plastic en zijn van een zeer slechte kwaliteit.36

Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2]

Wij inspecteurs maken de foto’s, wij beoordelen. We sturen de foto’s door naar kantoor. Het kantoor neemt contact op met de merkhouder.37

De foto map met zaaknummer 150733NL: Parfums zijn voor ons over het algemeen vrij eenvoudig te bekijken. Wij kijken veelal naar de slangetjes, in de originele zitten die altijd recht. De namaak hebben vaak een bolling in het flesje en dan zit het slangetje dus schuin in de hoek, anders gaat het flesje niet leeg (pagina 6 foto map, linksonder).

Conclusie ten aanzien van de feiten 5 en 6

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte het onder 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, in die zin dat verdachte de valse merkgoederen in voorraad heeft gehad. In de aangifte van [coöperatieve vereniging] zijn objectieve criteria vermeld aan de hand waarvan de echtheid van de goederen wordt vastgesteld. Door de controleurs van [coöperatieve vereniging] is toegelicht welke van deze criteria specifiek bij deze partij van toepassing waren. Anders dan de raadsman is de rechtbank voorts van oordeel dat met de rapportages van de controleurs en het verhoor van één van hen, in samenhang met de aangifte namens de verschillende merkhouders vastgesteld kan worden dat (een deel van) de goederen valse merkgoederen betroffen. De goederen zijn in de woning van verdachte aangetroffen en verdachte heeft verklaard dat hij die goederen heeft gekocht. Verdachte heeft geen verklaring willen geven over hoe, van wie en voor welke prijs hij een dergelijke grote partij goederen heeft gekocht, terwijl aan de hand van diverse objectieve kenmerken is vastgesteld dat het valse merkgoederen betreft. Gelet hierop en de omstandigheid dat het om zeer grote partijen (luxe) goederen gaat, concludeert de rechtbank dat verdachte wist van de valsheid van die goederen.

Ten aanzien van de overige ten laste gelegde valse merkgoederen geldt dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aan de hand van objectieve criteria is vermeld op grond waarvan de valsheid van deze merkgoederen is vastgesteld. De rechtbank spreekt verdachte voor deze goederen dan ook vrij.

Ten aanzien van feit 7: voorhanden hebben onderdeel pistool en munitie

Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming

Op 1 september 2015 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning aan de [adres] te [woonplaats] .

Tijdens de doorzoeking was de bewoner, te weten verdachte [verdachte] , aanwezig.38

Tijdens de doorzoeking werden onder andere inbeslaggenomen:

- Een patroonhouder met 9 patronen, categorie: munitie

- Knalpatronen, categorie: munitie39

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3]

Ik ben mededirecteur van [onderneming] . In Hoogland en Amersfoort bezit [onderneming] meerdere panden en percelen. Eén van deze panden/percelen in [woonplaats] is de [adres] . Dit is een boerderijwoning met meerdere bijgebouwen/schuren. Ongeveer 6 jaar geleden is bedoeld perceel met alle opstallen verhuurd aan [verdachte] . Ik kan vanuit mijn woning bedoeld perceel zien. Vandaar dat ik ook weet dat [verdachte] zelf sinds een jaar of 6 in het pand woont. Ik zie hem daar regelmatig.

Voor zover mij bekend worden de opstallen door [verdachte] niet onderverhuurd.40

Ik kom ongeveer één keer per maand bij hem op het erf en in de woning/opstallen, als de huur betaald moet worden.41

Proces-verbaal van bevindingen van 25 februari 2016

Tijdens de doorzoeking ter inbeslagname op de [adres] te [woonplaats] vond de politie in de woonkamer op de begane grond op de eettafel een patroonhouder met daarin 9 patronen. In een slaapkamer op de begane grond werd een doos met 50 stuks “Pyro Knall-patronen” aangetroffen.42

Proces-verbaal van bevindingen van 30 september 2015

Ik, verbalisant, heb naar aanleiding van de onder dit proces aangetroffen en in beslag genomen voorwerpen een nader onderzoek ingesteld waarbij het onderstaande werd bevonden.

1. Wapen: onderdeel pistool (patroonmagazijn),

Cat. III sub I

Verbodsartikel: artikel 26 lid 1 WWM,

Strafartikel: artikel 55 lid 3a WWM, gelet op artikel 3 lid 1 WWM

Bovenvermeld patroonmagazijn kaliber 9x19 mm is een wezenlijk onderdeel van een pistool.

2. Munitie: scherpe patronen,

Cat. III

Verbodsartikel: artikel 26 lid 1 WWM,

Strafartikel: artikel 55 lid 1 WWM43

a) 9 scherpe patronen, kaliber 9 mm Luger (=9x19mm), merk PPU (5x) en nny (4x), afkomstig uit het onder 1 omschreven patroonmagazijn, zijnde munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van een vuurwapen af te schieten;

b) 50 scherpe pyrotechnische patronen, kaliber 15mm, zijnde munitie bestemd om afgeschoten te worden door middel van een vuurwapen.

Deze patronen zijn munitie in de zin van artikel 1 aanhef onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III Wet Wapens en munitie.44

Door de raadsman gevoerd verweer

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden gezegd dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het patroononderdeel en de patronen en daarmee geen beschikkingsmacht over deze zaken had. Hij voert aan dat verdachte deze zaken nooit heeft gezien, dat er heel veel spullen in de woning van verdachte liggen en dat hij altijd veel aanloop heeft, zodat het zo kan zijn dat iemand deze zaken heeft achtergelaten in de woning van verdachte.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Immers, zoals uit de bewijsmiddelen volgt, is het patroonmagazijn met patronen gevonden op de eettafel in de woonkamer en de knalpatronen in een inbouwkast in een slaapkamer op de begane grond. Uit beide vindplaatsen kan worden afgeleid dat de goederen aanwezig waren in de nabijheid (en ten aanzien van het patroonmagazijn met de patronen: in het zicht) van verdachte, dat verdachte de beschikkingsmacht had over deze goederen en dat bij verdachte, als enige huurder en als bewoner van de woning, sprake is geweest van bewustheid met betrekking tot de aanwezigheid van deze goederen.

Conclusie

Uit het bovenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte het onder 7 ten laste gelegde heeft begaan.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

2.

op 23 januari 2015 te [woonplaats] , gemeente Amersfoort, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft bewerkt (in een schuur behorende bij het pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van in totaal ongeveer 35,5 kilogram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

op 23 januari 2015 te [woonplaats] , gemeente Amersfoort, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in de woning gelegen aan de [adres] ) ongeveer 680 gram hennep (gruis), zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5.

op 23 januari 2015 te Hoogland, gemeente Amersfoort, opzettelijk

b. waren, die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had,

te weten

- 391 jassen voorzien van de handelsnaam en het merk "The North Face" en

- 40 trainingspakken voorzien van het de handelsnaam en/of het merk "Adidas" en

- een horloge voorzien van de handelsnaam en het merk "Breitling",

in voorraad heeft gehad;

6.

op 1 september 2015 te Hoogland, gemeente Amersfoort, opzettelijk

b. waren, die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had,

te weten

- 51 jassen voorzien van de handelsnaam en/of het merk "The North Face" en

- 6 paar slippers, voorzien van de handelsnaam en/of het merk "Dolce Gabbana" en

- 274 flesjes parfum voor van de handelsnaam en/of het merk "Chanel" en "Chloe" en "Christiaan Dior" en "Givenchy" en "Guerlain" en "Hermes" en "Hugo Boss" en "Versace"

in voorraad heeft gehad;

7.

op 1 september 2015 te Hoogland, gemeente Amersfoort, een of meer wapens van categorie III, te weten een onderdeel van een pistool (patroonmagazijn), en munitie van categorie III, te weten 9 scherpe patronen 9 mm en 50 scherpe pyrotechnische patronen, 15 mm, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 2: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

Feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Feiten 5 en 6: telkens: opzettelijk waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft, in voorraad hebben

Feit 7: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie veel te hoog is en dat aan verdachte, gelet op hetgeen zijns inziens aan verdachte kan worden toegerekend, alsmede de beperkte inhoud van het strafblad van verdachte, hooguit een forse taakstraf zou kunnen worden opgelegd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich (samen met anderen) schuldig gemaakt aan het bewerken van een aanzienlijke hoeveelheid hennep. Zelfs indien zou worden uitgegaan van de stelling van de raadsman dat het ‘natte’ hennep betrof, gaat het om een hoeveelheid die nog steeds ruim tienmaal zo groot is als een coffeeshop in voorraad mag hebben. Met het aanwezig hebben van een dergelijke hoeveelheid verdovende middelen heeft verdachte doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd. Drugs zijn bovendien schadelijk voor de volksgezondheid en leiden veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het in voorraad hebben van valse merkgoederen. Hiermee heeft verdachte gehandeld in strijd met het merkenrecht en daarmee het vertrouwen beschaamd dat gesteld moet kunnen worden in het beschermde merk. Niet alleen wordt met deze valse goederen de rechthebbenden op deze wijze schade toegebracht, maar tevens wordt bonafide bedrijven, die wel aan rechtelijke verplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie aangedaan. Deze merkhouders hebben zich kostbare productie- en marketinginspanningen getroost om hun merken tot bekende merken te maken, die garant staan voor een bepaalde kwaliteit. De merkhouders lopen inkomsten mis als potentiële klanten de namaakartikelen kopen in plaats van de originele artikelen. Er is door verdachte misbruik gemaakt van de goede naam van de merken met als doel snel geld verdienen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een onderdeel van een wapen en munitie. Dergelijk bezit verdient bestraffing, nu dat onder burgers gevoelens van onveiligheid met zich brengt, temeer omdat vuurwapens worden gebruikt bij het plegen van strafbare feiten of bij eigenrichting.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 oktober 2017 waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het Reclasseringsrapport van 22 april 2016, opgemaakt door N. van den Oord, reclasseringswerker. De reclassering constateert dat de ontvankelijkheid voor begeleiding en/of behandeling matig is en dat verdachte mogelijk enig gebrek aan zelfinzicht heeft. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog.

De reclassering adviseert vervolgens, op basis van de aanwezige informatie, aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank neemt dit advies over en maakt dit tot het hare.

De rechtbank is – alles overwegende – van oordeel dat:

Ten aanzien van de feiten 2 en 3, kijkend naar de ressortelijke indicatiepunten, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden een passende en geboden reactie vormt;

Ten aanzien van de feiten 5 en 6 acht de rechtbank, gelet op vergelijkbare zaken in de rechtspraak, een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend en geboden.

Ten aanzien van feit 7 acht de rechtbank, gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden passend en geboden.

In totaal derhalve een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, een en ander met aftrek van voorarrest.

De rechtbank heeft voorts ambtshalve geconstateerd dat in deze zaak de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. Immers, tussen de datum van de doorzoeking op 23 januari 2015 op welke dag verdachte tevens voor het eerst werd gehoord – zijnde het moment dat verdachte bekend werd met het feit dat tegen hem een strafrechtrechtelijk onderzoek liep – en de datum van het eindvonnis van heden zit meer dan twee jaar, namelijk bijna drie jaar. Weliswaar is sprake van enige bijzondere omstandigheden, in die zin dat het een omvangrijk onderzoek betrof, waarbij meerdere verdachten betrokken waren en ook informatie uit het buitenland moest komen, maar de rechtbank zal toch een korting hanteren. De rechtbank zal daarom, mede in aanmerking genomen de ouderdom van de bewezen verklaarde feiten, op de overwogen totale gevangenisstraf van 9 maanden, een maand in mindering brengen, zodat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden resteert.

Gelet op het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    47, 57 en 337 van het Wetboek van Strafrecht,

  • -

    3 en 11 van de Opiumwet en

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

Verklaart het onder 1 en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart het onder 2, 3, 5, 6 en 7 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is

vermeld.

Verklaart niet bewezen het meer of anders ten laste gelegde en spreekt verdachte daarvan

vrij.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is

vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Oplegging straf

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden.

Bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de

gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter,

mrs. E. Akkermans en J.A. Spee, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.S. Wijkstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 januari 2018.

Mr. E. Akkermans is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 7 april 2014 tot en met 16 februari 2016 in

de gemeente Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland en/of

elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten

organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, althans

aanwezig hebben, van (telkens) een grote hoeveelheid, althans van (telkens)

een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan

wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 11a lid 1 Opiumwet

art 11 lid 5 Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

art 3 ahf/ond D Opiumwet

2.

(zaaksdossier 1)

hij op of omstreeks 23 januari 2015 te [woonplaats] , gemeente Amersfoort, althans

in het arrondissement Midden-Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een schuur behorende bij het

pand aan de [adres] )

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 35, 5 kilogram gram hennep, althans

een grote hoeveelheid, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van

een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

(zaaksdossier 3)

hij op of omstreeks 23 januari 2015 te [woonplaats] , gemeente Amersfoort,

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in de woning gelegen aan de [adres]

2) ongeveer 680 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep

(gruis), zijnde hennep

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

4.

hij op of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 16 februari

2016, in de gemeente Amersfoort en/of in de gemeente Almere en/of in de

gemeente Zeewolde, althans in het arrondissement Midden-Nederland en/of in de

gemeente Nijkerk en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, van een of meer voorwerp(en), te weten

- een boot, merk Gobbi, registratienummer [registratienummer] en/of

- een boot, merk I-sloep, registratienummer [registratienummer]

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of

verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten voornoemde boten/boot

was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten voornoemde boten/boot voorhanden

had, terwijl hij wist, althans rederlijkerwijs had moeten vermoeden, dat die

voorwerpen/dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit

misdrijf;

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 420 quater Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

5.

(zaaksdossier 2)

hij op of omstreeks 23 januari 2015 te Hoogland, gemeente Amersfoort,

opzettelijk

b. waren, die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de

handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had,

en/of

d. waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of

een merk waarop een ander recht had, zij het dan ook met een geringe afwijking,

was nagebootst,

te weten

- 391, althans een (groot) aantal, jassen voorzien van de handelsnaam en/of

het merk "The North Face" en/of

- 72, althans een (groot) aantal, paren sokken voorzien van de handelsnaam

en/of het merk "Hugo Boss" en/of

- 40, althans een (groot) aantal, trainingspakken voorzien van het de

handelsnaam en/of het merk "Adidas" en/of

- 132, althans een (groot) aantal, paren sokken voorzien van de handelsnaam

en/of het merk "Emporio Armani" en/of

- 132, althans een (groot) aantal, trainingspakken/joggingpakken voorzien van

de handelsnaam en/of het merk "Juicy Couture" en/of

- 86, althans een (groot) aantal jassen voorzien van de handelsnaam en/of het

merk "GSG" en/of

- 118, althans een (groot) aantal jassen voorzien van de handelsnaam en/of het

merk "Babour" en/of

- een horloge voorzien van de handelsnaam en/of het merk "Breitling",

heeft ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd, verkocht, te koop heeft aangeboden

en/of heeft afgeleverd, uitgedeeld en/of in voorraad heeft gehad;

art 337 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 337 lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 337 lid 1 ahf/ond c Wetboek van Strafrecht

art 337 lid 1 ahf/ond d Wetboek van Strafrecht

art 337 lid 1 ahf/ond e Wetboek van Strafrecht

6.

(zaaksdossier 12)

hij op of omstreeks 1 september 2015 te Hoogland, gemeente Amersfoort,

opzettelijk

b. waren, die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de

handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had,

en/of

d. waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of

een merk waarop een ander recht had, zij het dan ook met een geringe afwijking,

was nagebootst,

te weten

- 61, althans een (groot) aantal, jassen voorzien van de handelsnaam en/of het

merk "The North Face" en/of

- 24, althans een (groot) aantal jassen voorzien van de handelsnaam en/of het

merk "Babour" en/of

- 2 trainingspakken/joggingpakken voorzien van de handelsnaam en/of het merk

"Juicy Couture" en/of

- 6, althans een of meer, paar slippers, voorzien van de handelsnaam en/of het

merk "Dolce Gabbana" en/of

- 274, althans een groot aantal, flesjes parfum voor van de handelsnaam en/of

het merk "Chanel" en/of "Chloe" en/of "Christiaan Dior" en/of "Givenchy" en/of

"Guerlain" en/of "Hermes" en/of "Hugo Boss" en/of "Versace"

heeft ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd, verkocht, te koop heeft aangeboden

en/of heeft afgeleverd, uitgedeeld en/of in voorraad heeft gehad;

art 337 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 337 lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 337 lid 1 ahf/ond c Wetboek van Strafrecht

art 337 lid 1 ahf/ond d Wetboek van Strafrecht

art 337 lid 1 ahf/ond e Wetboek van Strafrecht

7.

(zaaksdossier 13)

hij op of omstreeks 01 september 2015 te Hoogland, gemeente Amersfoort, een of

meer wapens van categorie III, te weten een onderdeel van een pistool

(patroonmagazijn), en/of munitie van categorie III, te weten 9 scherpe

patronen 9 mm en/of 50 scherpe pyrotechnische patronen, 15 mm, voorhanden

heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

[Einde tekst]

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Onderzoek 031Coel, MD3R015007, opgemaakt door politie Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar mogelijk wordt volstaan met een verkorte en zakelijke weergave.

2 Een proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2015, blz. 120-121 (zaaksdossier 1, map 1) met bijlage (foto’s aantreffen), blz. 127-134.

3 Proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2015, blz. 121.

4 Proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2015, blz. 122.

5 Proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2015, blz. 123.

6 Proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2015, blz. 124.

7 Een proces-verbaal van bevindingen van 1 februari 2015, blz. 148 (zaaksdossier 1, map 1).

8 Proces-verbaal van bevindingen van 1 februari 2015, blz. 149.

9 Proces-verbaal van bevindingen van 1 februari 2015, blz. 150 met bijlage (foto 34: doos met hennepgruis), blz. 168.

10 Een proces-verbaal van bevindingen van 24 januari 2015, blz. 171 (zaaksdossier 1, map 1) met bijlage (foto inhoud vuilniszakken), blz. 172.

11 Een proces-verbaal van bevindingen van 26 januari 2015, blz. 174 (zaaksdossier 1, map 1).

12 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 24 januari 2015, blz. 181 (zaaksdossier 1, map 1).

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 24 januari 2015, blz. 182 (zaaksdossier 1, map 1) met bijlage (huurovereenkomst), blz. 185-188.

14 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 23 januari 2015, blz. 53 (zaaksdossier 1, map 1).

15 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 24 januari 2015, blz. 58 (zaaksdossier 1, map 1).

16 Een proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2015, blz. 6-7 (zaaksdossier 2, map 2).

17 Proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2015, blz. 9.

18 Proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2015, blz. 10.

19 Een proces-verbaal van bevindingen van 9 februari 2015, blz. 11 (zaaksdossier 2, map 2) met bijlage (foto’s aantreffen dozen met kleding in plastic), blz. 13-15.

20 Proces-verbaal inbeslaggenomen kleding van 30 september 2015, blz. 17.

21 Een proces-verbaal onderzoek horloges van 28 januari 2015, blz. 21 (zaaksdossier 2, map 2).

22 Een geschrift, inhoudende een brief van 12 februari 2015 van [getuige 1] , blz. 31 (zaaksdossier 2, map 2).

23 Geschrift, inhoudende een aangifte van 12 februari 2015 als bijlage bij de brief van [coöperatieve vereniging] , blz. 34.

24 Een geschrift, inhoudende een aanvullende aangifte van 24 februari 2015 als bijlage bij een brief van [coöperatieve vereniging] van 24 februari 2015, blz. 39 (zaaksdossier 2, map 2).

25 Geschrift, inhoudende een aanvullende aangifte van 24 februari 2015 als bijlage bij een brief van [coöperatieve vereniging] van 24 februari 2015, blz. 40.

26 Een geschrift, inhoudende een rapportage van [coöperatieve vereniging] van 22 januari 2015 met als bijlage foto’s van kleding (Adidas en The North Face) en een horloge (Breitling) (bijlage bij het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] van 22 maart 2017 afgelegd bij de rechter-commissaris).

27 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 22 maart 2017, afgelegd tegenover de rechter-commissaris, blz. 1.

28 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 22 maart 2017, afgelegd tegenover de rechter-commissaris, blz. 2.

29 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 22 maart 2017, afgelegd tegenover de rechter-commissaris, blz. 3.

30 Proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2015, blz. 42.

31 Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 2 september 2015, blz. 6 (zaaksdossier 12, map 12).

32 Een proces-verbaal van relaas van 26 februari 2016, blz. 5 (zaaksdossier 12, map 12).

33 Een geschrift, inhoudende een brief van 3 november 2015 van [getuige 1] , blz. 32 (zaaksdossier 12, map 12).

34 Een geschrift, inhoudende een aangifte van 3 november 2015 als bijlage bij de brief van [coöperatieve vereniging] , blz. 34 (zaaksdossier 12, map 12).

35 Geschrift, inhoudende een aangifte van 3 november 2015 als bijlage bij een brief van [coöperatieve vereniging] van 3 november 2015, blz. 35.

36 Een geschrift, inhoudende een rapportage van [coöperatieve vereniging] van 9 september 2015 met als bijlage foto’s van parfum en kleding (The North Face) (bijlage bij het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] van 22 maart 2017 afgelegd bij de rechter-commissaris).

37 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 22 maart 2017, afgelegd tegenover de rechter-commissaris, blz.2.

38 Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 2 september 2015, blz. 5 (zaaksdossier 13, map 13).

39 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 2 september 2015, blz. 6 in combinatie met de bijlage inbeslaggenomen goederen, blz. 11.

40 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 24 januari 2015, blz. 181 (zaaksdossier 1, map 1).

41 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 24 januari 2015, blz. 182 (zaaksdossier 1, map 1) met bijlage (huurovereenkomst), blz. 185-188.

42 Een proces-verbaal van bevindingen relaas van 25 februari 2016, blz. 3 (zaaksdossier 13, map 13) in combinatie met de bijlage inbeslaggenomen goederen, blz. 7.

43 Een proces-verbaal van bevindingen van 30 september 2015, blz. 12 (zaaksdossier 13, map 13) met bijlage (foto’s, blz. 14-17).

44 Proces-verbaal van bevindingen van 30 september 2015, blz. 13.