Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:2061

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
UTR 17/699
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand in verband met gezamenlijke huishouding. De waarnemingen van de auto bij het uitkeringsadres en de getuigenverklaringen bieden voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat eiseres een gezamenlijke huishouding voerde op het uitkeringsadres. De gemeente heeft daarom terecht het recht op bijstand ingetrokken en de kosten van bijstand van eiseres teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/699

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.A.H.M. Steenbakkers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum, verweerder

(gemachtigde: B. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres ingetrokken over de periode van 24 april 2015 tot en met 31 juli 2016 en het recht op bijstand van eiseres beëindigd met ingang van 1 augustus 2016. Tevens heeft verweerder de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 24 april 2015 tot en met 31 mei 2016 en de bijzondere bijstand over de maanden januari 2016 en juni 2016 van eiseres teruggevorderd tot een bedrag van € 12.566,30.

Bij besluit van 17 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2018, tezamen met de behandeling van de zaak UTR 17/2869. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Al-Saadoun. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres is van 26 juli 2004 tot 25 augustus 2008 gehuwd geweest met [A] ( [A] ). Eiseres en [A] hebben samen drie kinderen. Sinds 24 april 2015 staat eiseres in de Basisregistratie personen (Brp) ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] (het uitkeringsadres) en ontvangt zij van verweerder bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder. Van 26 mei 2011 tot en met 25 november 2015 stond [A] in de Brp ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] . Vanaf 25 november 2015 staat [A] in de Brp ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] .

2. Op 24 april 2015 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend om haar bijstand te verlenen. Verweerder heeft de aanvraag toegewezen. Wel is verweerder een rechtmatigheidsonderzoek gestart, omdat uit de screening van de aanvraag bleek dat eiseres in totaal € 14.032,- op haar bankrekeningen had staan. De onderzoeksbevindingen zijn, voor de periode waarin eiseres bijstand ontving van verweerder, neergelegd in een rapport van de Sociale Recherche Gooi en Vechtstreek (Sociale Recherche) van 9 augustus 2016.

3. Verweerder heeft aan de besluitvorming de volgende onderzoeksbevindingen ten grondslag gelegd:

  1. Waarnemingen in de periode van 26 augustus 2015 tot en met 19 januari 2016;

  2. Waarnemingen in de periode van 29 februari 2016 tot 27 april 2016;

  3. Waarnemingen in de periode van 28 april 2016 tot en met 13 juni 2016;

  4. Het water- en energieverbruik op het adres [adres] te [woonplaats] ;

  5. Observaties in de periode van 8 maart 2016 tot en met 11 maart 2016;

  6. Observaties in de periode van 3 mei 2016 tot en met 19 mei 2016;

  7. De verklaringen van [A] van 14 juni 2016 en 15 juni 2016;

  8. De verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] .

Verweerder heeft geconcludeerd dat deze onderzoeksgegevens voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat eiseres en [A] in de periode van 24 april 2015 tot 14 juni 2016 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Daartoe heeft verweerder als volgt overwogen. Uit de verklaringen van [A] en de getuigenverklaringen volgt dat [A] aanzienlijk vaker op het uitkeringsadres heeft verbleven dan eiseres in bezwaar heeft gesteld. Dit wordt ondersteund door de observaties, waarbij de auto van [A] veelvuldig en op meerdere tijdstippen is aangetroffen in de straat waar eiseres woont. De verklaring van [A] dat eerst sprake is van samenwonen als eiseres en hij op hetzelfde adres zouden staan ingeschreven, strookt niet met de juridische opvatting. Het had eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het veelvuldige verblijf van [A] in haar woning van invloed kon zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Omdat eiseres een gezamenlijke huishouding voerde had zij geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

4. De te beoordelen periode loopt van 24 april 2015 tot en met 1 augustus 2016.

5. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking, in dit geval het voeren van een gezamenlijke huishouding, is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

6. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woon- en leefsituatie te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

7. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet (Pw) wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht als de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. Nu vaststaat dat uit de relatie van eiseres en [A] drie kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning, in het bijzonder het uitkeringsadres, hadden.

8. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Daarbij zijn omstandigheden die tot het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. Het gegeven dat eiseres en [A] in de te beoordelen periode stonden ingeschreven op verschillende adressen staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen.

9. Gelet op de gronden van beroep is tussen partijen niet in geschil dat eiseres en [A] in de periode van 1 april 2016 tot en met 14 juni 2016 beiden hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres en daarmee dat in die periode sprake was van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank stelt vast dat eiseres hiervan geen melding heeft gemaakt bij verweerder. Dat betekent dat eiseres over de periode van 1 april 2016 tot en met 14 juni 2016 de inlichtingenplicht heeft geschonden.

10. Eiseres heeft, samengevat, aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat [A] in de periode van 24 april 2015 tot en met 31 maart 2016 en in de periode vanaf 14 juni 2016 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Eiseres heeft daaromtrent het volgende naar voren gebracht. Verweerder heeft de geciteerde passages uit de verklaringen van [A] uit hun context gehaald. [A] heeft verklaard dat hij minder dan fiftyfifty bij eiseres verbleef. De verklaringen van de buurtbewoners kunnen niet gebruikt worden, omdat de verklaringen niet betrouwbaar en niet geloofwaardig zijn. Verweerder is niet ingegaan op wat hierover in bezwaar naar voren is gebracht. De buren hebben niet concreet verklaard wanneer zij [A] hebben gezien, maar alleen geluid waargenomen waaruit zij afleiden dat [A] ’s avonds laat thuiskwam. De getuigen hebben geen gegevens verstrekt op grond waarvan inzichtelijk kan worden gemaakt wanneer en hoe laat [A] de woning in en uit ging. De verklaringen zijn bovendien tegenstrijdig als het gaat om het voertuig waarmee eiseres in april 2015 is verhuisd. Tot slot leven de buren in onmin met eiseres. Eiseres heeft aangifte gedaan tegen getuige [getuige 3] wegens discriminatie. Ook de observaties en waarnemingen bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van [A] op het uitkeringsadres was. Er zijn geen waarnemingen verricht in de periode vóór 26 augustus 2015 en in de perioden van 20 januari 2016 tot 9 maart 2016 en 12 maart tot 1 april 2016. Eiseres en [A] hebben bovendien een verklaring gegeven voor het feit dat de auto van [A] geregeld ’s ochtends in de buurt van het uitkeringsadres is aangetroffen. [A] kwam vaak ’s ochtends langs om de kinderen op te halen. In de weekenden is de auto van [A] nimmer aangetroffen. Er is slechts twee keer vermeld dat de ramen waren dichtgevroren en er zijn geen andere verklaringen dat er condens op de ramen zat. Dat wijst erop dat [A] niet de nacht op het uitkeringsadres heeft doorgebracht. Tot slot heeft eiseres twee verklaringen overgelegd, waarin staat dat eiseres alleen met haar drie kinderen op het uitkeringsadres woont.

11. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat de feitelijke situatie vóór 1 april 2016 gelijk was aan de situatie ten tijde van de huiszoeking op 14 juni 2016. Daartoe is het volgende van belang.

11.1.

In de periode van 26 augustus 2015 tot en met 19 januari 2016 zijn 108 waarnemingen verricht. De auto van [A] is 94 keer in de ochtend en vier keer in de middag in de buurt van het uitkeringsadres aangetroffen. Op 18 januari 2016 en 19 januari 2016 waren de ramen van de auto bevroren. In de periode van 29 februari 2016 tot en met 31 maart 2016 zijn 20 waarnemingen verricht. De auto van [A] is daarbij 18 keer in de buurt van het uitkeringsadres aangetroffen. Tien keer is er condens of bevroren condens op de ruiten waargenomen. De rechtbank acht de verklaring die eiseres heeft gegeven voor het feit dat de auto van [A] vroeg in de ochtend in de buurt van het uitkeringsadres is aangetroffen, mede gelet op de omstandigheid dat er bij een groot aantal van de waarnemingen condens of bevroren condens op de auto is aangetroffen, niet aannemelijk.

11.2.

De waarnemingen worden verder ondersteund door de getuigenverklaringen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan. De stelling dat sprake is van, kort gezegd, mogelijk rancuneuze verklaringen is ontoereikend om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 1 augustus 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2734). Voor de beoordeling van de verklaringen is van belang of deze voldoende feitelijke gegevens bevatten, of zij voldoende specifiek en gedetailleerd zijn, of zij op eigen waarneming berusten en of zij in lijn zijn met de overige onderzoeksbevindingen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake. De getuigen verklaren uit eigen waarneming dat eiseres en [A] met drie kinderen anderhalf jaar geleden gezamenlijk op het uitkeringsadres zijn komen wonen, dat de auto van [A] vaak in de buurt geparkeerd staat, dat hij vaak in de middag vertrekt en dat [A] ’s avonds tussen 23:00 uur en 24:00 uur thuiskomt. Het tijdstip waarop [A] volgens de getuigen in de middag vertrekt, correspondeert met zijn verklaring hierover. Het tijdstip waarop hij volgens de getuigen thuiskwam, correspondeert met de sluitingstijd van zijn pizzeria. De door eiseres overgelegde verklaringen van mevrouw [B] en mevrouw [C] zijn niet tegenover een sociaal rechercheur afgelegd en niet in een door een sociaal rechercheur op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal neergelegd. Verder kan uit hun verklaringen dat zij [A] niet bij eiseres hebben gezien en dat eiseres alles alleen deed, zoals boodschappen en afval buiten zetten, niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat [A] niet zijn hoofdverblijf bij eiseres had. Daarom kan aan deze verklaringen niet de waarde worden gehecht die eiseres daaraan gehecht wenst te zien.

11.3.

De hiervoor besproken objectieve onderzoeksbevindingen rechtvaardigen reeds de conclusie dat [A] sinds april 2015 zijn hoofdverblijf bij eiseres heeft gehad. De rechtbank komt daarom niet toe aan het betoog van eiseres dat de verklaring van [A] uit zijn context is gehaald. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [A] ook niet als ontlastend bewijs kan worden aangemerkt, omdat hij een eigen belang had bij een verklaring waaruit zou volgen dat hij niet zijn hoofdverblijf had bij eiseres.

12. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres ook over de periode van 24 april 2015 tot en met 31 maart 2016 een gezamenlijke huishouding voerde met [A] .

13. Eiseres heeft niet bij verweerder gemeld dat haar woon- en leefsituatie met ingang van 14 juni 2016 is gewijzigd en dat zij met ingang van die datum geen gezamenlijke huishouding meer voerde met [A] . De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres ook over de periode van 14 juni 2016 tot en met 1 augustus 2016 een gezamenlijke huishouding voerde met [A] .

14. Omdat eiseres niet bij verweerder heeft gemeld dat zij in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerde met [A] , heeft zij de inlichtingenplicht geschonden. Verweerder heeft daarom terecht het recht op bijstand van eiseres ingetrokken over de periode van 24 april 2015 tot en met 1 augustus 2016 en het recht op bijstand beëindigd vanaf 2 augustus 2016. Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw was verweerder verplicht de gemaakte kosten van bijstand van eiseres terug te vorderen.

15. Eiseres heeft geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de terugvordering.

16. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Falkmann, voorzitter, en mr. J.G. Nicholson en mr. M.L. Braaksma, leden, in aanwezigheid van mr. R.J.A. Steenbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.