Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:204

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
C/16/451630 / KG ZA 17-917
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beslagvrije voet. Afwijking van artikel 475d lid 4 onder b Rv op grond van de redelijkheid en billijkheid. Rekening houden met werkelijke woonlasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-02-2018
FutD 2018-0501
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/451630 / KG ZA 17-917

Vonnis in kort geding van 24 januari 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.J. Sneller te Amsterdam,

tegen

BELASTINGDIENST TOESLAGEN,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

vertegenwoordigd door de heer [A] .

Partijen zullen hierna [eiseres] en Belastingdienst genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de mondelinge behandeling op 9 januari 2018, waarvan aantekening is gehouden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is in 2015 gescheiden van haar man. Vanaf juli 2015 huurt [eiseres] een woning in Amsterdam Zuid-Oost samen met drie van haar vier kinderen.

2.2.

Bij aanvang van de huurovereenkomst bedroeg de huur € 975,00. De huur van de woning bedraagt thans € 1.048,00.

2.3.

De Belastingdienst heeft in september 2015 de kinderopvangtoeslag gecontroleerd die [eiseres] en haar ex-man hebben ontvangen in de jaren voorafgaand aan 2015. Omdat [eiseres] en haar ex-man meer kinderopvangtoeslag hadden ontvangen dan waar zij recht op hadden, heeft de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 tot en met 2015 teruggevorderd.

2.4.

In mei 2016 is de terugvordering over de jaren 2012 en 2013 gematigd. In het voorjaar van 2017 zijn de bedragen door de Belastingdienst vastgesteld die zij voor 2014 en 2015 moet terug betalen. In totaal dient [eiseres] ruim € 48.000,00 terug te betalen aan de Belastingdienst.

2.5.

Bij brief van 25 september 2017 heeft de Belastingdienst medegedeeld dat zij beslag gaat leggen op het loon van [eiseres] bij een van haar werkgevers, [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ). In de brief staat dat er een beslagvrije voet geldt en dat [eiseres] wordt verzocht gegevens door te geven ter vaststelling van de beslagvrije voet.

2.6.

Op 19 oktober 2017 heeft de Belastingdienst per brief aan [eiseres] laten weten dat de beslagvrije voet is vastgesteld op € 488,00 per maand.

2.7.

[eiseres] heeft vervolgens de Belastingdienst verzocht nogmaals naar de beslagvrije voet te kijken en heeft daarvoor een opgave ingevuld. Bij brief van 9 november 2017 heeft de Belastingdienst medegedeeld aan [eiseres] dat de beslagvrije voet is vastgesteld op

€ 183,00.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na mondelinge wijziging van eis ter zitting:

Primair:

I. De Belastingdienst te bevelen de beslagvrije voet te verhogen tot € 1.711,00 per maand, met terugwerkende kracht vanaf 9 november 2017;

II. De Belastingdienst te bevelen aan [bedrijfsnaam 1] te melden dat voor het maandelijks inkomen van [eiseres] een beslagvrije voet van € 769,00 geldt, met terugwerkende kracht vanaf 9 november 2017;

III. De Belastingdienst te bevelen het teveel afgedragen bedrag over de maanden oktober 2017, november 2017, december 2017 en januari 2018, althans periode 11, 12 en 13 en periode 1 van 2018 aan [eiseres] terug te betalen;

Subsidiair:

IV. De Belastingdienst te bevelen de beslagvrije voet te verhogen tot € 1.511,00 per maand, met terugwerkende kracht vanaf 9 november 2017;

V. De Belastingdienst te bevelen aan [bedrijfsnaam 1] te melden dat voor het maandelijks inkomen van [eiseres] een beslagvrije voet van € 569,00 geldt, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, met terugwerkende kracht vanaf 9 november 2017;

VI. De Belastingdienst te bevelen het teveel afgedragen bedrag over de maanden oktober 2017, november 2017, december 2017 en januari 2018, althans periode 11, 12 en 13 en periode 1 van 2018 aan [eiseres] terug te betalen;

Primair en subsidiair:

VII. De Belastingdienst te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van haar vordering stelt [eiseres] dat de Belastingdienst geen rekening houdt met haar werkelijke woonlasten, die afwijken van het maximumbedrag aan woonlasten waarmee rekening wordt gehouden bij de berekening van de beslagvrije voet. Zij kan haar woonlasten niet meer betalen. [eiseres] stelt dat haar huidige woning een woning in de vrije sector is en dat zij deze alleen heeft kunnen krijgen, omdat een bevriend kerklid het huurcontract heeft meegetekend. [eiseres] heeft geprobeerd een goedkopere woning te vinden, maar dat is niet gelukt. Doordat de beslagvrije voet te laag is vastgesteld is [eiseres] niet in staat om de vaste lasten te voldoen en haar schulden af te lossen, waardoor zij in een noodtoestand komt te verkeren. [eiseres] is van mening dat toepassing van artikel 475d lid 4 sub b Rv tot een onaanvaardbare situatie leidt, omdat zij met haar gezin op straat kan komen te staan. Volgens [eiseres] dient de beslagvrije voet in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid opnieuw berekend te worden waarbij er rekening wordt gehouden met de werkelijke woonkosten.

3.3.

De Belastingdienst voert verweer. De Belastingdienst stelt dat zij gebonden is aan de wet- en regelgeving en dat er in de wet een maximum is bepaald voor de woonlasten waarmee rekening gehouden moet worden bij de berekening van de beslagvrije voet. Ter zitting heeft de Belastingdienst nog aangegeven dat formeel gezien de Staat gedagvaard had moeten worden, maar dat de Belastingdienst er verder geen problemen mee heeft.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat gelet op de aard van de zaak het spoedeisend belang is gegeven.

4.2.

Voor toewijzing van de voorlopige voorziening zoals die door [eiseres] wordt gevorderd, moet het in hoge mate waarschijnlijk zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het gaat in deze zaak om de toepassing van artikel 475d Rv, dat van dwingend recht is. Dit artikel bepaalt

– kort gezegd – dat de beslagvrije voet in beginsel 90% bedraagt van de voor de schuldenaar krachtens de Wet werk en bijstand geldende bijstandsnorm inclusief vakantieaanspraak.

Lid 4 onder b van artikel 475d Rv heeft betrekking op de woonkosten van de schuldenaar en verhoogt de beslagvrije voet met de netto woonlasten van de schuldenaar, maar slechts tot een bepaald maximum. Van deze regeling kan, gelet op het dwingendrechtelijk karakter daarvan, niet worden afgeweken tenzij toepassing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot een onaanvaardbare situatie zou leiden.

4.4.

[eiseres] heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij maandelijks een bedrag van

€ 1.150,00 ontvangt en dat de huur momenteel € 1.048,00 bedraagt. Ze heeft twee schoolgaande kinderen thuis wonen en ze moet reiskosten maken. [eiseres] stelt dat zij de zorgkosten niet meer kan betalen en dat zij het busabonnement voor haar zoon die in Amstelveen op school zit ook moeilijk kan betalen. Volgens [eiseres] is er al sprake van een huurachterstand van drie maanden en kan er door de verhuurder ontruiming worden gevraagd.

4.5.

Gelet op hetgeen [eiseres] over haar financiële situatie naar voren heeft gebracht is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat zij bij hantering van de huidige beslagvrije voet in een noodsituatie komt te verkeren. Vast staat dat de werkelijke woonlasten van [eiseres] (€ 1.013,60) ruim € 700,00 hoger liggen dan de woonlasten waarmee de Belastingdienst rekening heeft gehouden (€ 309,23). Daarbij heeft [eiseres] ter zitting voldoende onderbouwd dat er voor haar geen mogelijkheden zijn om in Amsterdam en omgeving, aan welke omgeving zij gebonden is vanwege haar schoolgaande kinderen, een betaalbare woning te vinden. De Belastingdienst heeft ter zitting erkend dat zij bekend is met de lastige woningmarkt in Amsterdam. De gemachtigde van [eiseres] heeft daarnaast verklaard dat zelfs indien [eiseres] haar huidige woning zou moeten verlaten, [eiseres] ondanks de urgentieverklaring die zij dan zou krijgen, niet direct een betaalbare woning kan vinden nu er in Amsterdam nog 100 mensen zijn die een urgentieverklaring hebben.

4.6.

Verder heeft [eiseres] aannemelijk gemaakt dat zij naar haar woonlasten overige maandelijkse lasten heeft die met hantering van de door de Belastingdienst berekende beslagvrije voet door haar niet (volledig) te dragen zijn. Ook zijn er naast de Belastingdienst nog andere schuldeisers, zoals de zorgverzekeraar.

4.7.

Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter het redelijk om de beslagvrije voet te verhogen. Desgevraagd heeft de Belastingdienst ter zitting verklaard dat zij zich kan vinden in de hoogte van de door [eiseres] gevorderde bedragen, als rekening gehouden zou worden met de werkelijke woonlasten. [eiseres] heeft gevorderd een beslagvrije voet te hanteren van 1.711,00, daarbij ook rekening houdend met het tweede inkomen van [eiseres] bij [bedrijfsnaam 2] waar geen beslag op ligt. Op grond van artikel 475d lid 6 Rv dient de beslagvrije voet echter verminderd te worden met het inkomen waarop geen beslag ligt. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat een beslagvrije voet gehanteerd dient te worden van € 769,00.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de Belastingdienst te veroordelen tot het hanteren van de beslagvrije voet van € 769,00 met terugwerkende kracht vanaf 9 november 2017. Dat deurwaarders dat vaak doen, zoals de gemachtigde van [eiseres] ter zitting heeft gesteld, kan niet tot een andere conclusie leiden.

4.8.

[eiseres] heeft nog gevorderd de Belastingdienst te veroordelen het teveel afgedragen bedrag over de maanden oktober 2017, november 2017, december 2017 en januari 2018 aan haar terug te betalen. [eiseres] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter onvoldoende onderbouwd op welke grond de Belastingdienst daartoe gehouden zou zijn. Dat er, zoals de gemachtigde van [eiseres] ter zitting heeft aangevoerd, sprake is van een schrijnend geval, is daarvoor in elk geval onvoldoende. De voorzieningenrechter wijst deze vordering dan ook af.

4.9.

Omdat er sprake is van een uitzonderingssituatie waarbij wordt afgeweken van een dwingendrechtelijke bepaling, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Belastingdienst deze procedure niet had kunnen voorkomen en dat in die zin ook niet gezegd kan worden dat de Belastingdienst in het ongelijk wordt gesteld. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

bepaalt dat de Belastingdienst een beslagvrije voet dient te hanteren van 769,00;

5.2.

bepaalt dat de Belastingdienst aan [bedrijfsnaam 1] dient te melden dat voor het maandelijks inkomen van [eiseres] een beslagvrije voet van € 769,00 geldt;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2018.