Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1977

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
08-05-2018
Zaaknummer
457228 / HA RK 18-106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 457228 / HA RK 18-106

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

10 april 2018 op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats]

(verder te noemen: verzoeker),

advocaat: mr. E. Doornbos te Badhoevedorp.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de zitting van 21 maart 2018;

- een schriftelijke reactie van mr. G.A.M. Peper.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 27 maart 2018 met gesloten deuren behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling is mr. Doornbos, de advocaat van verzoeker verschenen.

Mr. Peper is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

De belanghebbende, mevrouw [belanghebbende] , de moeder van de zoon van verzoeker, (hierna: de moeder) is niet verschenen

2 Het wrakingsverzoek en het verweer

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. G.A.M. Peper als behandelend voorzieningenrechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer C/16/456873 KL ZA 18-88. In deze kort gedingzaak heeft de rechter een vordering van de moeder behandeld om - kort samengevat -

- verzoeker te bevelen de zoon aan haar af te staan,
- verzoeker te verbieden om de zoon opnieuw bij de moeder weg te houden,

- te bepalen dat verzoeker geen omgang met de zoon zal hebben totdat de rechtbank in een nog te starten bodemprocedure anders zal hebben beslist.

Bij de zitting op 21 maart 2018 was voorts verschenen mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Van de zitting van 21 maart 2018 is proces-verbaal opgemaakt.

2.2.

Namens verzoeker is aan het verzoek tot wraking ten grondslag gelegd dat de rechter, ondanks zijn aandringen, hem niet aan het woord heeft gelaten. Volgens verzoeker nam de vertegenwoordigster van de Raad allerlei stellingen in zonder dat zij voldoende kennis kon hebben van de situatie. Verzoeker was tijdens de zitting heel geëmotioneerd. De vertegenwoordigster van de Raad was zo stellig in haar uitspraken dat het voor verzoeker absoluut noodzakelijk was om daar meteen op te kunnen reageren. De rechter heeft hem dat, ondanks zijn herhaald verzoek daartoe, niet toegestaan. Daardoor had verzoeker er geen vertrouwen meer in dat zij onbevooroordeeld naar de zaak kon kijken. Verzoeker had willen voorkomen dat de rechter mee zou gaan in de stellingen van de Raad.

2.3.

Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker als wrakingsgrond aan zijn wrakingsverzoek toegevoegd dat de rechter, nadat zij was gewraakt, het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling heeft toegewezen. Het feit dat de rechter het advies van de Raad heeft gevolgd, zonder dat zij kennis had genomen van alle standpunten van partijen, voedt bij verzoeker de gedachte, dat zij vooringenomen is en dat zij bij voortzetting van de procedure niet meer onbevangen kan oordelen.

2.4.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat zowel verzoeker als zijn advocaat ruimschoots de gelegenheid heeft gekregen en benut om het verweer en de visie van verzoeker toe te lichten. Daarbij is verzoeker ook de gelegenheid geboden om tijdens een korte schorsing even “op adem te komen” en om een heel kort filmpje op zijn telefoon te laten zien. De rechter wijst erop dat verzoeker zich zo geëmotioneerd toonde dat het voor hem moeilijk leek om duidelijk te maken wat er volgens hem allemaal speelde en om te volgen wat er door de anderen tijdens de zitting werd gezegd. De rechter heeft toegelicht dat de vertegenwoordigster van de Raad heeft gezegd dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk leek maar dat die weinig zin zou hebben als de ouders niet bereid zouden zijn hieraan mee te werken. Zij wilde weten hoe de ouders daar nu over denken. De rechter heeft eerst de moeder en daarna verzoeker gevraagd om die vraag van de vertegenwoordigster van de Raad te beantwoorden. Daarna heeft de vertegenwoordigster van de Raad advies gegeven en verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling uit te spreken. De advocaat van verzoeker had bezwaar tegen de handelwijze van de vertegenwoordigster van de Raad en wilde meteen het woord ondanks dat de rechter heeft gezegd dat het eerst de beurt was van de advocaat van de moeder en daarna van de advocaat van verzoeker. De rechter heeft erop gewezen dat het de taak is van de rechter om tijdens de zitting zodanig regie te voeren dat beide partijen in de gelegenheid zijn om te worden gehoord en niet alleen (de advocaat van) de partij die op dat moment het meest emotioneel is of het hardst om aandacht vraagt.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de rechter de zitting heeft geschorst nadat de advocaat van verzoeker had meegedeeld dat hij de rechter wraakte. Daarbij heeft de advocaat als wrakingsgrond genoemd dat de rechter partijdig was, omdat zij hem niet aan het woord liet. Na de schorsing heeft de rechter eerst de voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken. Daarna heeft zij (de advocaat van) verzoeker in de gelegenheid gesteld de wrakingsgronden nader te omschrijven. De advocaat van verzoeker heeft daarop zijn wrakingsgrond herhaald en deze nader toegelicht. Dat het uitspreken van de voorlopige ondertoezichtstelling bij hem de schijn van partijdigheid heeft opgewekt heeft hij op dat moment - of kort na de zitting - niet als nadere wrakingsgrond genoemd. Hij heeft deze nieuwe wrakingsgrond pas ter zitting van de wrakingskamer naar voren gebracht. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dit te laat. Deze nieuwe wrakingsgrond zal daarom bij de beoordeling van het wrakingsverzoek buiten beschouwing worden gelaten, omdat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 37 lid 1 en lid 3 Rv dat het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra feiten en omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden en dat alle feiten en omstandigheden die tot wraking kunnen leiden tegelijk moeten worden voorgedragen.

3.3.

De rechtbank onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn of haar overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De rechtbank zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

3.4.

Persoonlijke vooringenomenheid bij de rechter is niet gesteld of gebleken.

3.5.

Het proces-verbaal van de zitting van 21 maart 2018 bevestigt de gang van zaken ter zitting zoals deze door de rechter is weergegeven. Verzoeker heeft deze gang van zaken niet betwist. Uit het proces-verbaal kan niet anders worden afgeleid dan dat de rechter met toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor partijen de gelegenheid heeft geboden hun standpunten toe te lichten. Verzoeker is daartoe ruimschoots in de gelegenheid gesteld. Het is aan de rechter om te bepalen in welke volgorde zij partijen aan het woord laat. Dat de rechter, naar aanleiding van het verzoek van de Raad tot een voorlopige ondertoezichtstelling, eerst de advocaat van de moeder in de gelegenheid heeft willen stellen om daarop een reactie te geven, is geen reden om aan te nemen dat zij vooringenomen zou zijn ten opzichte van verzoeker. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien deze volgorde in de gegeven omstandigheden zo onbegrijpelijk is, dat de keuze daarvoor alleen op vooringenomenheid kan zijn gebaseerd. Daarvoor biedt het proces-verbaal noch hetgeen de advocaat van verzoeker ter zitting van de wrakingskamer naar voren heeft gebracht enig aanknopingspunt. Uit het proces-verbaal blijkt dat de rechter aan (de advocaat van) verzoeker heeft uitgelegd dat zij de regie heeft over de zitting, dat zij eerst wil horen wat de advocaat van de moeder te zeggen heeft en dat daarna de advocaat van verzoeker aan de beurt is. Zover is het echter niet gekomen, omdat verzoeker de rechter daarop heeft gewraakt.

3.6.

De feiten en omstandigheden die namens verzoeker ter onderbouwing van het wrakingsverzoek naar voren zijn gebracht, leveren geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden en kunnen dus geen grond vormen voor wraking.

3.7.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, de andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Straf- Familie- en Jeugdrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer C/16/456873 KL ZA 18/88 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus voorzitter, en mr. S.C. Hagedoorn en mr. M.J. Slootweg als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. S. Meurs, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.