Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1960

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
458209 / HA RK 18-118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 458209 / HA RK 18-118

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

1 mei 2018 op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker] , wonende te [woonplaats] (verder te noemen: verzoeker)

gemachtigde: de heer [gemachtigde] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de zitting van 10 april 2018;

- de schriftelijke reactie van mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans van 12 april 2018;

- producties van verzoeker van 13 april 2018;

- de reactie van verzoeker op de reactie van mr. Elkhuizen-Koopmans van 16 april 2018;

- de reactie van mr. S.I. van Dijk-Elsinga van 16 april 2018 namens het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht;

- de reactie van mr. M. Rotgans van 16 april 2018 namens gedaagde [A] met een bijlage.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 17 april 2018 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen verzoeker en zijn gemachtigde de heer [gemachtigde] . Mr. Elkhuizen-Koopmans is niet verschenen, evenmin als de belanghebbenden Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en [A] .

2 Het wrakingsverzoek en het verweer

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans als behandelend voorzieningenrechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer 6535363 UV EXPL 17-357 MCE/30660 tussen Waterschap Amstel, Gooi en Vecht als eiser en verzoeker als gedaagde, waarbij [A] zich heeft gevoegd aan de zijde van de gedaagde.

2.2.

In voormeld kort geding heeft op 23 januari 2018 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft verzoeker de rechter gewraakt. Dit wrakingsverzoek is mondeling behandeld op de zitting van de wrakingskamer van 9 februari 2018, waarna de wrakingskamer bij beslissing van 23 februari 2018 het verzoek ongegrond heeft verklaard.

2.3.

Op 10 april 2018 heeft de voortgezette behandeling in voormeld kort geding plaatsgevonden. Verzoeker heeft na afloop van de zitting de rechter wederom gewraakt. Van de zitting van 10 april 2018 is proces-verbaal opgemaakt.

2.4.

Namens verzoeker is aan het verzoek tot wraking ten grondslag gelegd dat verzoeker niet in de gelegenheid wordt gesteld om een gedegen verweer te voeren. Verzoeker heeft hiertoe verschillende gronden aangevoerd die zien op de zitting van 23 januari 2018. Ten aanzien van de zitting van 10 april 2018 stelt verzoeker dat de rechter hem ten onrechte weer niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn eerste termijn af te maken. Bovendien heeft de rechter de conclusie van antwoord van verzoeker niet aanvaard, terwijl het indienen hiervan volgens het procesreglement is toegestaan. De rechter hanteert ten onrechte het nieuwe procesreglement, terwijl het oude procesreglement nog van toepassing is op het geding. Verzoeker erkent voorts de voorzieningenrechter niet, omdat de voorzieningenrechter niet de president van de rechtbank is. Ook is mr. Rotgans op de zitting van 10 april 2018 pas in de gelegenheid gesteld in eerste termijn het woord te voeren.

2.5.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij het volgende. Na de beslissing van de wrakingskamer van 23 februari is, na correspondentie met partijen, de verdere mondelinge behandeling in kort geding geagendeerd op 10 april 2018. Enige dagen voor de zitting van 10 april 2018 heeft verzoeker stukken naar de rechtbank gestuurd, te weten een ordner met stukken, een conclusie van antwoord en een eis in reconventie. De rechter heeft deze stukken laten retourneren om dezelfde reden als door de rechter genoemd tijdens de zitting van 23 januari 2018, namelijk dat het in strijd is met de goede procesorde om in deze fase van het geding stukken over te leggen. Tijdens de zitting van 10 april 2018 is de rechter verder gegaan met de zaak ‘in de staat waarin deze zich bevond’. De rechter heeft dit ter zitting met een voorbeeld geïllustreerd en uitgelegd dat het betekent dat de behandeling doorgaat op het punt waarop de behandeling op het moment van schorsing was gebleven. Dat was bij de tweede termijn van [A] en vervolgens de reactie van eiser daarop.

2.6.

De rechter wijst er op dat op dit wrakingsverzoek artikel 37 lid 4 Rv van toepassing is. Een volgend wrakingsverzoek van dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten en omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan verzoeker bekend zijn geworden. Voor zover verzoeker zich beklaagt over de gang van zaken tot en met de beoordeling van het eerste wrakingsverzoek, kunnen deze klachten op grond van deze bepaling niet in behandeling worden genomen. Voor zover verzoeker zich beklaagt over het retourneren van de stukken die door de rechtbank (kort) voor de zitting van 10 april 2018 zijn ontvangen, is de rechter van mening dat het gaat om dezelfde feiten als die zich hebben voorgedaan tijdens de zitting van 23 januari 2018 en waarover de wrakingskamer al heeft geoordeeld. Voor zover deze handelwijze en de reactie daarop door de rechter wel als nieuwe feiten moeten worden aangemerkt, is de rechter van oordeel dat het hier gaat om een procesbeslissing, die zich in beginsel niet leent voor een oordeel van de wrakingskamer. Ten aanzien van de klacht dat de rechter hem niet in de gelegenheid heeft gesteld om op de zitting van 10 april 2018 te pleiten stelt de rechter dat eiser en gedaagde op de zitting van 23 januari 2018 ieder twee termijnen hebben gehad om hun standpunten uiteen te zetten. Daarom hebben zowel eiser als gedaagde geen gelegenheid gekregen op de zitting van 10 april 2018 nogmaals te pleiten. De rechter verwijst naar het proces-verbaal van de zitting van 23 januari 2018.

2.7.

Mr. S.I. van Dijk-Elsinga heeft als volgt bericht. Het wrakingsverzoek heeft grotendeels betrekking op hetgeen op de zitting van 23 januari 2018 heeft plaatsgevonden. Het wrakingsverzoek is qua inhoud grotendeels gelijk aan de pleitnota die verzoeker tijdens de zitting op 9 februari 2018 ter behandeling van het eerste wrakingsverzoek heeft overgelegd. Voor zover het wrakingsverzoek ziet op de zitting van 23 januari 2018 is artikel 37 lid 4 Rv van toepassing. Voor zover het wrakingsverzoek ziet op de zitting van 10 april 2018 meent mr. Van Dijk dat de voorzieningenrechter de ordner van verzoeker terecht heeft geweigerd. Tijdens de zitting van 10 april 2018 heeft mr. Rotgans de mogelijkheid gehad haar tweede termijn af te maken, waarop mr. Van Dijk namens het Waterschap heeft gereageerd. Dat is de gebruikelijke gang van zaken.

2.8.

Mr. Rotgans heeft meegedeeld dat zij in haar herinnering op de zitting van 23 januari 2018 niet was begonnen aan haar tweede termijn. [A] werd op een gegeven moment betrokken bij het wrakingsverzoek op de zitting van 23 januari, waarop mr. Rotgans aan de rechter te kennen heeft gegeven dat [A] geen wrakingsverzoek indiende.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

Op grond van artikel 37 lid 1 Rv moet het verzoek tot wraking worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden die in de visie van verzoeker tot wraking van de behandelend rechter zouden moeten leiden, bekend zijn geworden. Daarnaast moeten de feiten en omstandigheden die in de visie van verzoeker tot wraking moeten leiden op grond van

art. 37 Rv gelijktijdig worden voorgedragen. Dat is slechts anders indien na het eerdere verzoek nieuwe feiten of omstandigheden bekend worden die, wederom in de visie van verzoeker, een wrakingsgrond rechtvaardigen.

3.3.

De rechtbank onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn of haar overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De rechtbank zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

3.4.

Persoonlijke vooringenomenheid van de rechter is niet gesteld of gebleken.

3.5.

Tijdens de mondelinge behandeling van 23 januari 2018 heeft verzoeker

mr. Elkhuizen-Koopmans voor het eerst gewraakt. Verzoeker heeft hierover nu in het bijzonder aangevoerd dat zijn wrakingsgrond destijds te beperkt is opgevat dan wel weergegeven door de rechter en de wrakingskamer. Verzoeker heeft dit ook op de zitting ter behandeling van het eerste wrakingsverzoek aan de orde gesteld. Hierover heeft de wrakingskamer beslist en geoordeeld dat op grond van art. 37 lid 3 Rv alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen en dat de verzoeker daaraan ten aanzien van die andere feiten en omstandigheden niet heeft voldaan. De wrakingskamer kan hierop niet nogmaals beslissen.

3.6.

Verzoeker heeft ten aanzien van de zitting van 10 april 2018 ook als grond voor wraking naar voren gebracht dat hij niet verder kon gaan met zijn eerste termijn en dat hij ten onrechte geen tweede termijn heeft gehad. Volgens de reactie van de rechter heeft verzoeker wel twee termijnen gehad. De rechter baseert zich hierbij op het proces-verbaal van de zitting van 23 januari 2018. De wrakingskamer heeft geen reden om aan de juistheid van het proces-verbaal van de zitting te twijfelen. Hieruit leidt de wrakingskamer af dat de rechter met toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld zijn standpunt in twee termijnen toe te lichten. Dit levert dan ook geen enkele aanwijzing op voor (schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter.

3.7.

Ten aanzien van de door verzoeker aangevoerde grond voor wraking, inhoudende dat hij niet nogmaals de conclusie van antwoord heeft mogen indienen voor de zitting van 10 april 2018, overweegt de wrakingskamer het volgende. Volgens verzoeker heeft hij de conclusie van antwoord nu wel tijdig ingediend, namelijk meer dan 24 uur voor de zitting van 10 april 2018. Er is voldoende tijd en gelegenheid geweest om van de inhoud daarvan kennis te nemen. De wrakingskamer overweegt dat aanstonds na het indienen van een wrakingsverzoek op grond van art. 37 lid 5 Rv de behandeling wordt geschorst. Na beëindiging van het wrakingsincident, in dit geval door de beslissing van de wrakingskamer van 23 februari 2018, dient de behandeling vervolgens te worden hervat in de stand waarin het geding zich op het moment van de schorsing bevond. Dit betekent dat een partij niet alsnog in de gelegenheid wordt gesteld die proceshandelingen te verrichten die eerder door de rechter niet zijn toegelaten. Naar het oordeel van de wrakingskamer levert ook dit geen grond voor wraking op.

3.8.

Verzoeker heeft voorts als reden voor wraking naar voren gebracht dat hij de voorzieningenrechter niet erkent, omdat de voorzieningenrechter niet de president van de rechtbank is. Wat hier ook van zij, verzoeker heeft aan deze stelling geen conclusie verbonden op grond waarvan dit zou leiden tot (schijn van) partijdigheid van de rechter, zodat dit geen grond voor wraking oplevert.

3.9.

Verzoeker heeft ten slotte als reden voor wraking naar voren gebracht dat

mr. Rotgans op de zitting van 10 april 2018 pas in de gelegenheid is gesteld voor haar eerste termijn en niet haar tweede termijn. Naar het oordeel van de wrakingskamer doet dit echter niet ter zake nu gesteld noch gebleken is hoe dit de relatie tussen verzoeker en de rechter raakt. Ook dit levert dus geen grond voor wraking op.

3.10.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, de andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling civielrecht en bestuursrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 6535363 UV EXPL 17-357 MCE/30660 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, en

mr. drs. R. in ’t Veld en mr. G. Perrick als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door

mr. A. Minkjan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.