Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:195

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
16/700054-16 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:6296, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:2508, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een 30-jarige man uit Rotterdam tot een gevangenisstraf van 18 jaar voor de moord op Koen Everink.

Koen Everink is in de ochtend van 4 maart 2016 dood aangetroffen in de keuken van zijn woning in Bilthoven. Hij is door messteken om het leven gebracht. De rechtbank vindt bewezen dat de verdachte dit heeft gedaan. Naast Koen Everink lag een bebloed mes met DNA-sporen van hem en de verdachte. De verdachte was op 3 maart bij het slachtoffer op bezoek. In zijn auto is een bloedspoor van Everink aangetroffen. Voorafgaand aan de avond zocht hij op zijn iPad naar mogelijkheden om iemand uit te schakelen en te doden. Ook zocht hij op ‘serienummer IWC’. Het IWC-horloge dat uit het huis is weggenomen is bij hem aangetroffen. Ook heeft hij een mes meegebracht. Dit alles maakt dat hij een vooropgezet plan had om Koen Everink van het leven te beroven.

De verdachte zegt onschuldig te zijn. Hij zou bij het verlaten van de woning ontvoerd zijn door meerdere mannen die bij hem in de auto stapten. Dit verhaal zou onder andere ondersteund worden door gevonden DNA-kenmerken en de onderzoeken van IFS.

Er is in deze zaak veel DNA-onderzoek gedaan door IFS, NFI en TMFI. De rechtbank heeft alle onderzoeken inhoudelijk beoordeeld en indien betrouwbaar in het oordeel betrokken. Er zijn DNA-kenmerken gevonden van onbekend gebleven personen. In een dagelijkse omgeving is veel DNA aan te treffen omdat mensen dit achterlaten, bijvoorbeeld door contact met voorwerpen. Dat in een huis en een auto DNA wordt aangetroffen is dan ook te verwachten. Onderzoeksbureau IFS concludeert dat het veel waarschijnlijker is dat er twee of meer daders zijn. Er zou onder andere een derde onbekend mes zijn gebruikt. De rechtbank oordeelt dat dit een aanname is die niet vaststaat. Ook is niet duidelijk waarom dit zou wijzen op meerdere daders. De rechtbank stelt vast dat de twee IFS-rapporten gebaseerd zijn op diverse niet-onderbouwde aannames en geen ondersteuning bieden voor het ontvoeringsscenario. Verder oordeelt de rechtbank dat de wijze waarop de verklaringen van de verdachte tot stand zijn gekomen ernstig afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het scenario. Bovendien bevatten ze meerdere merkwaardige en ongeloofwaardige aspecten.

De verdachte heeft Everink in zijn eigen woning op gruwelijke wijze van het leven beroofd. Bij het opleggen van de straf heeft de rechtbank er uitdrukkelijk rekening mee gehouden dat de verdachte tot zijn afschuwelijke daad is gekomen terwijl hij wist dat het zesjarige dochtertje van Everink boven in haar bed lag. De straf is gelijk aan de eis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/52
PS-Updates.nl 2018-0078
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/700054-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 23 januari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1987] te [geboorteplaats]

gedetineerd in het Huis van Bewaring “De Schie” te Rotterdam.

INHOUDSOPGAVE

1. Onderzoek ter terechtzitting

2 Tenlastelegging

3 Voorvragen

4 Hoofdvragen

5 Bewijs

5.3.1 Bruikbaarheid van het bewijs

5.3.2 Bewijsmiddelen

5.3.3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

5.3.3.1 DNA-kenmerken op het mes naast het lichaam van [slachtoffer]

5.3.3.2 Bloedspoor in de auto van verdachte

5.3.3.3 Zoektermen op de iPad van verdachte

5.3.3.4 Tussenconclusie

5.3.3.5 Verklaringen van verdachte

5.3.3.6 Tussenconclusie

5.3.3.7 Moord

5.3.3.8 Eindconclusie

6 Bewezenverklaring

7 Strafbaarheid van de feiten

8 Strafbaarheid van verdachte

9 Oplegging van straf en maatregel

10 Beslag

11 Benadeelde partijen

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

13 Beslissing

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting dat heeft plaatsgevonden op 27 juni 2016, 23 september 2016, 28 november 2016,

19 januari 2017, 14 april 2017, 8 en 9 mei 2017, 6 juni 2017, 4 september 2017,

21 november 2017, 11 tot en met 13 december 2017 en 9 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officieren van justitie mr. B.E.M. van de Ven en mr. J. Nederlof en van hetgeen verdachte en zijn raadslieden mr. B. Kaarls en mr. D.M.P. van Eijsden, advocaten te Den Haag, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht, en ook van hetgeen in het kader van het spreekrecht door de nabestaanden van het slachtoffer naar voren is gebracht.

2 TENLASTELEGGING

Het verwijt dat aan verdachte wordt gemaakt, is beschreven in de tenlastelegging. De tenlastelegging is op de zitting van 14 april 2017 nader omschreven. De definitieve tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

primair: in de periode van 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016 te [woonplaats] opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd;

en voor het geval het primair tenlastegelegde niet bewezen kan worden, subsidiair:

in de periode van 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016 te [woonplaats] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, met het oogmerk om de diefstal van een horloge en een telefoon mogelijk te maken;

en voor zover ook het subsidiair tenlastegelegde niet bewezen kan worden, meer subsidiair:

in de periode van 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016 te [woonplaats] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Feit 2:

primair: in de periode van 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016 te [woonplaats] een horloge (merk IWC) en een telefoon (merk Apple, type iPhone 6S plus) van [slachtoffer] heeft gestolen;

en voor het geval het primair tenlastegelegde niet bewezen kan worden, subsidiair:

in de periode van 3 maart 2016 tot en met 18 mei 2016 te [woonplaats] en/of Rotterdam een horloge (merk IWC) heeft geheeld;

en voor zover ook het subsidiair tenlastegelegde niet bewezen kan worden, meer subsidiair:

in de periode van 3 maart 2016 tot en met 18 mei 2016 te [woonplaats] en/of Rotterdam een horloge (merk IWC) heeft verduisterd.

3 VOORVRAGEN

De rechtbank moet eerst op basis van deze tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting beoordelen of de dagvaarding geldig is, zij bevoegd is tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en of er redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, zij bevoegd is tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 HOOFDVRAGEN

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of bewezen is dat de ten laste gelegde feiten door de verdachte zijn begaan (paragrafen 5 en 6) en, zo ja, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens de wet oplevert (paragraaf 7). Indien wordt aangenomen dat de feiten bewezen en strafbaar zijn, dan moet de rechtbank oordelen over de strafbaarheid van de verdachte (paragraaf 8) en over de oplegging van straf of maatregel (paragraaf 9).

5 BEWIJS

5.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Dat betekent dat de officier van justitie de moord op [slachtoffer] en de diefstal van het IWC-horloge bewezen vindt.

5.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. De door de verdediging gevoerde standpunten en verweren worden hierna besproken. Standpunten en verweren die niet van belang zijn voor de beoordeling van de rechtbank, worden niet besproken.

5.3

Oordeel van de rechtbank

5.3.1

Bruikbaarheid van het bewijs

Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben betoogd dat sommige onderdelen van het bewijs (bewijsmiddelen) niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. De rechtbank zal eerst deze standpunten bespreken.


Deskundigen van Independent Forensic Services (IFS)

De officier van justitie heeft ter zitting aangevoerd dat de deskundigen van IFS niet kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke deskundigen en dat de rapporten van IFS met criminalistische interpretaties moeten worden uitgesloten van het bewijs. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van dat standpunt erop gewezen dat de deskundigen van IFS de verdediging hebben geadviseerd en dat IFS door de verdediging is betaald.

De rechtbank is van oordeel dat die omstandigheden op zichzelf genomen geen aanleiding zijn voor twijfel aan de waarde van de bevindingen van de deskundigen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de betreffende deskundigen niet zijn ingeschreven in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen. Weliswaar biedt dit register een belangrijke waarborg voor de onafhankelijkheid en kwaliteit van deskundigen, maar het Wetboek van Strafvordering kent geen beletsel voor de inschakeling van deskundigen die niet in het register zijn ingeschreven. Daarbij is overigens ook van belang dat ten aanzien van sommige deskundigheidsgebieden onvoldoende deskundigen beschikbaar zijn voor tegenonderzoek en het register nog niet voor alle deskundigheidsgebieden is opengesteld.

Bij de beslissing tot benoeming van de deskundigen van IFS naar aanleiding van de verzoeken van de verdediging, is de rechtbank ervan uitgegaan dat er tussen de verdediging en IFS alleen in algemene zin contact was geweest over het forensisch onderzoek en de mogelijkheden voor aanvullend en tegenonderzoek in deze zaak. Na de benoeming van de deskundigen is echter gebleken dat de deskundigen van IFS de verdediging hebben geadviseerd over zeer diverse onderdelen van het forensisch onderzoek. De rechtbank kent de inhoud van deze adviezen niet. Op verzoek van de rechtbank is door IFS een lijst verstrekt met contactmomenten en beschrijvingen van de aard van deze contacten. Gelet op deze lijst is aannemelijk geworden dat IFS de verdediging niet alleen heeft geïnformeerd over de mogelijkheden tot forensisch onderzoek in deze zaak, maar ook inhoudelijk heeft geadviseerd over diverse aspecten van het onderzoek. Ook is gebleken dat tussen de deskundigen van IFS en de verdediging een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan de deskundigen een geheimhoudingsplicht hebben. Een deskundige die door de verdediging voor inhoudelijke advisering is ingeschakeld heeft op grond van het Wetboek van Strafvordering ook een zogenoemd afgeleid verschoningsrecht. Dit betekent dat de deskundige onder omstandigheden geen antwoord hoeft te geven als hij als deskundige door de rechter wordt gehoord. Deze positie als partijdeskundige betekent niet dat de inhoud van zijn adviezen voor de strafrechter zonder betekenis is. Wel levert dit een beletsel op voor een benoeming door de rechter(-commissaris). Een deskundige die door de rechter(-commissaris) wordt benoemd, is immers verplicht om iedere vorm van betrokkenheid bij de desbetreffende strafzaak aan de rechter-commissaris te melden en melding te maken van feiten en omstandigheden die betrekking kunnen hebben op (de schijn van) partijdigheid. De rechter(-commissaris) moet kunnen beoordelen of informatie die de deskundige heeft gekregen en de mogelijke beïnvloeding waaraan de deskundige is blootgesteld, van invloed kunnen zijn op het onderzoek en op de interpretatie van de onderzoeksresultaten. Een deskundige die een geheimhoudingsplicht heeft, kan aan de opdracht van de rechter(-commissaris) dus niet voldoen.

De deskundigen R. Eikelenboom en S.J.M. Eikelenboom-Schieveld hebben op 11 december 2017 ter zitting verklaard dat zij transparant willen zijn en geen feiten achter willen houden als de rechter daarom vraagt. De rechtbank twijfelt op zich niet aan die intentie, maar de deskundigen gaan er daarbij aan voorbij dat het aan de verdediging is om te bepalen of rapporten, stukken of andere informatie (al dan niet via de deskundigen) aan de rechtbank worden verstrekt. Het is een advocaat, op grond van het gedragsrecht van advocaten, bovendien niet toegestaan om informatie te (laten) verstrekken die belastend is voor de verdachte. Kortom, het feit dat de deskundigen (mede) hebben gerapporteerd in opdracht van de verdediging en zich daarbij hebben verplicht tot geheimhouding, kan eraan in de weg staan dat verplichtingen aan de rechter(-commissaris) worden nageleefd.

De rechtbank ziet in hetgeen hiervoor is overwogen echter geen aanleiding om de rapporten van IFS met criminalistische interpretaties, al op voorhand bij de beoordeling van het bewijs buiten beschouwing te laten. Daarbij moet overigens worden opgemerkt dat een beslissing tot bewijsuitsluiting alleen betrekking kan hebben op belastend bewijs. Deze rapporten van IFS bevatten echter geen belastend bewijs. Bij de beantwoording van de vraag of de rapporten ontlastend bewijs bevatten, zal de rechtbank de rapporten beoordelen op basis van de inhoud. Bij die beoordeling kan dan zo nodig ook aan de orde komen welke invloed de beperkingen die hiervoor zijn genoemd, hebben voor de waardering van de inhoud van de rapporten.

De rechtbank hecht er nog aan om het volgende op te merken over uitlatingen die deskundigen van IFS hebben gedaan in media. IFS heeft een persbericht verspreid waarin bekend werd gemaakt dat IFS heeft vastgesteld dat zeer waarschijnlijk meerdere daders bij het misdrijf betrokken zijn. Door deskundigen van IFS zijn gelijkluidende uitlatingen gedaan in televisieprogramma’s. De rechtbank is van oordeel dat een optreden in de media tijdens een nog lopende strafzaak moeilijk verenigbaar is met een optreden in een strafzaak als onafhankelijke deskundige. De inhoud van de gedane uitlatingen is in ieder geval niet verenigbaar met een positie als onafhankelijke deskundige. Een deskundige zal immers alleen de bevindingen kunnen duiden van zijn eigen onderzoek en die zich bevinden binnen zijn deskundigheidsgebied. Een oordeel of het misdrijf is gepleegd door één of meerdere daders zal alleen kunnen worden gevormd na kennisneming van alle relevante feiten en omstandigheden van de zaak. De desbetreffende deskundigen van IFS zijn hun onafhankelijke taak als deskundige bij hun publieke optreden te buiten gegaan.

Deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI)

De verdediging heeft aangevoerd dat de bezwaren die de officier van justitie heeft genoemd met betrekking tot IFS, grotendeels ook gelden voor deskundigen van het NFI. De rechtbank volgt de verdediging daarin niet. De deskundigen van het NFI zijn niet gebonden aan een geheimhoudingsverplichting wanneer de rechter om informatie verzoekt of wanneer zij ter terechtzitting als deskundigen worden gehoord. Ook is van belang dat een officier van justitie, anders dan een advocaat die een partijstandpunt verdedigt, zowel belastende als ontlastende informatie moet verstrekken.

Verhoor van verdachte op 4 maart 2016

De verdediging heeft bepleit dat de verklaring die verdachte als getuige op 4 maart 2016 heeft afgelegd, moet worden uitgesloten van het bewijs wegens onherstelbare vormverzuimen. Volgens de verdediging bestond er op 4 maart 2016 al een verdenking tegen verdachte. Dit heeft tot gevolg dat de politie tegen hem had moeten zeggen dat hij niet tot antwoorden verplicht was.

Ook had de politie hem in de gelegenheid moeten stellen om een advocaat te raadplegen. Nu dit niet is gebeurd, mag volgens de verdediging ook geen gebruik worden gemaakt van de gegevens die op 4 maart 2016 uit de telefoon van verdachte zijn uitgelezen. Hoewel verdachte toestemming heeft gegeven om zijn telefoon uit te lezen, had hij volgens de verdediging immers in de gelegenheid moeten worden gesteld om daarover een advocaat te raadplegen.

Op grond van de dossierstukken blijkt het volgende. Op 4 maart 2016 om 11.44 uur en 14.26 uur heeft verdachte telefonisch contact opgenomen met de meldkamer van de politie en meegedeeld dat hij de avond ervoor bij [slachtoffer] was geweest. Dezelfde dag is verdachte door de politie uitgenodigd en is hij in de hoedanigheid van getuige op het politiebureau in Rotterdam gehoord. Vanaf die datum is de telefoon van verdachte afgeluisterd. Voorafgaand en na afloop van het verhoor is verdachte kortstondig gevolgd.

De verdediging heeft betoogd dat uit de toepassing van deze bevoegdheden volgt dat er toen al een vermoeden van schuld bestond en dat verdachte al was aangemerkt als ‘verdachte’.

Uit artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volgt dat bij een misdrijf als in deze zaak aan de orde is, de vertrouwelijke communicatie kan worden opgenomen. De toepassing van deze bevoegdheid tot ‘afluisteren’ is niet beperkt tot communicatie waaraan de verdachte deelneemt. Het is tegen een ieder inzetbaar als dat door het belang van het onderzoek dringend wordt gevorderd. De officier van justitie heeft toegelicht dat er op dat moment een verdenking bestond tegen een toen nog onbekende verdachte of verdachten. In het kader daarvan werd de telefonische communicatie van meerdere personen afgeluisterd.

De officier van justitie heeft gewezen op een overzicht ‘overzicht van BOB-middelen niet irt (rechtbank begrijpt: in relatie tot) [verdachte] ’. Uit dit overzicht blijkt dat naast de telefoon van verdachte ook telefoonnummers van andere ‘betrokken’ personen zijn afgeluisterd. Uit het feit dat de telecommunicatie van verdachte vanaf 4 maart 2016 werd opgenomen, volgt dan ook niet dat verdachte op dat moment al werd aangemerkt als ‘verdachte’. Dit volgt evenmin uit het feit dat verdachte op weg naar het verhoor en op de terugweg na het verhoor door de politie is gevolgd. Daargelaten dat ook een stelselmatige observatie kan plaatsvinden van andere personen dan een verdachte, is van een stelselmatige observatie geen sprake geweest. Van een stelselmatige observatie is immers pas sprake wanneer door de observatie een min of meer volledig beeld wordt verkregen van bepaalde aspecten van iemands privéleven. Dat is met het kortstondig volgen van de verdachte niet het geval.

Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte bij het begin van het verhoor op 4 maart 2016, op basis van het enkele gegeven dat hij de avond ervoor bij [slachtoffer] was geweest, terecht slechts de status van getuige en niet die van ‘verdachte’. Een ander oordeel zou ook betekenen dat de officier van justitie al op 4 maart 2016 tegen verdachte dwangmiddelen had kunnen inzetten die op basis van het Wetboek van Strafvordering tegen een verdachte mogen worden gebruikt, enkel vanwege zijn aanwezigheid bij [slachtoffer] de voorgaande avond. Hiervan is echter geen sprake. Nu dus op 4 maart 2016 geen sprake is geweest van een verhoor van een ‘verdachte’ als bedoeld in artikel 29 Sv, waren de verhoorders ook niet verplicht hem mee te delen dat hij niet verplicht was tot antwoorden. Evenmin bestond een verplichting om verdachte in de gelegenheid te stellen een advocaat te raadplegen.

De rechtbank verwerpt, gelet op het voorgaande, het verweer tot uitsluiting van het verhoor van verdachte van 4 maart 2016. De verklaring die verdachte toen heeft afgelegd, is bruikbaar voor het bewijs. Hetzelfde geldt voor de gegevens die op 4 maart 2016 uit de telefoon van verdachte zijn uitgelezen.

Onderzoek aan digitale gegevensdragers (iPhone, iPad en MacBook)

De verdediging heeft ook aangevoerd dat alle resultaten van het onderzoek aan de smartphone (iPhone), tablet (iPad) en laptop (MacBook) dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat er voor dat onderzoek geen bevel is gegeven door een officier van justitie of rechter-commissaris.

Op 24 maart 2016 is verdachte aangehouden en zijn diens iPhone, iPad en MacBook in het belang van de waarheidsvinding in beslag genomen. Met gebruikmaking van een technisch hulpmiddel zijn deze drie gegevensdragers door de politie volledig uitgelezen en met daarvoor geschikte apparatuur is de inhoud van de gegevensdragers overgenomen.

De Hoge Raad heeft in een arrest van 4 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:584) uiteengezet onder welke voorwaarden onderzoek kan worden gedaan aan gegevens uit elektronische gegevensdragers en onder welke omstandigheden voor dit onderzoek een bevel is vereist van een officier van justitie of rechter-commissaris. Indien de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer door dat onderzoek beperkt is, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren – zoals neergelegd in artikel 94, in verbinding met de artikelen 95 en 96 Sv – daarvoor voldoende legitimatie. Indien dat onderzoek echter zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdragers of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager opgeslagen of beschikbare gegevens, waarbij technische hulpmiddelen worden gebruikt.

Bij het onderzoek aan de elektronische gegevensdragers die onder verdachte in beslag zijn genomen, zijn de gegevens volledig uitgelezen en overgenomen. Uit deze gegevens kon een min of meer compleet beeld worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van verdachte. Ten aanzien van het onderzoek aan deze gegevensdragers is de conclusie dan ook dat sprake is van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Het onderzoek daarnaar had dan ook moeten plaatsvinden door inschakeling van een officier van justitie of een rechter-commissaris. Nu dit achterwege is gebleven, is sprake van een zogenoemd vormverzuim.

Tot welk gevolg dit vormverzuim moet leiden, hangt af van het belang dat het geschonden voorschrift beschermt, de ernst van het verzuim en het nadeel dat hierdoor is veroorzaakt. Het belang van de verdachte dat een strafbaar feit niet wordt ontdekt, kan niet worden aangemerkt als een belang dat in het recht wordt gerespecteerd en kan niet gelden als nadeel waar rekening mee wordt gehouden. Het geleden nadeel bestaat voor de verdachte daaruit dat verbalisanten kennis hebben genomen van privé-informatie die verdachte op de gegevensdragers had staan, terwijl hij recht had op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.

De verdediging heeft betoogd dat de uitgelezen gegevens moeten worden uitgesloten van het bewijs. Bewijsuitsluiting kan aan de orde zijn in de volgende gevallen:

 als dat noodzakelijk is om het recht van de verdachte te waarborgen op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM); of

 als een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden en bewijsuitsluiting noodzakelijk is als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen te voorkomen en als een krachtige stimulans voor de politie tot rechtmatig handelen. Bewijsuitsluiting kan in beeld komen als sprake is van een vormverzuim dat een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte tot gevolg heeft; of

 in de zeer uitzonderlijke situatie waarin het vormverzuim, zoals dat uit objectieve gegevens blijkt, zo bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende hebben ingespannen om overtredingen te voorkomen.

In dit geval heeft het vormverzuim geleid tot schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte dat in artikel 8 EVRM is gewaarborgd. Schending van het recht op een eerlijk proces is niet aan de orde.

Evenmin kan de schending worden beschouwd als een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte. De rechtbank heeft daarbij gelet op de gevallen die in de jurisprudentie van de Hoge Raad worden genoemd als een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte. Ook is van belang dat de kennisneming door de verbalisanten van de privégegevens van verdachte niet heeft geleid tot enige verspreiding van privégegevens of enig ander concreet nadeel, anders dan van belang was in het kader van de onderzochte strafzaak.

Ten slotte is ook niet uit objectieve gegevens gebleken dat dit vormverzuim zozeer bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en dat de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende hebben ingespannen om dit vormverzuim te voorkomen. Daarbij is van belang dat het vormverzuim in 2016 heeft plaatsgevonden, terwijl de Hoge Raad voor het eerst op 4 april 2017 heeft toegelicht onder welke omstandigheden en door welke functionaris onderzoek naar gegevens uit elektronische gegevensdragers is toegestaan.

Ten aanzien van de ernst van het verzuim is het volgende van belang. Zoals hiervoor al is toegelicht, hadden de opsporingsambtenaren tijdens het onderzoek aan de gegevens uit de elektronische gegevensdragers nog geen kennis van de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad. Van enig moedwillig handelen met veronachtzaming van de te respecteren belangen van de verdachte, is de rechtbank allerminst gebleken.

Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat volgens de huidige jurisprudentie van de Hoge Raad het onderzoek had moeten plaatsvinden op bevel van de officier van justitie. Op de zitting van 12 december 2017 heeft de officier van justitie te kennen gegeven dat zij, als zij dit toen had geweten, het bevel tot onderzoek aan de gegevens uit de elektronische gegevensdragers zou hebben gegeven.

Gelet op al het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Evenmin acht de rechtbank in dit geval strafvermindering passend en gerechtvaardigd. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat het onderzoek dringend noodzakelijk was in een opsporingsonderzoek naar een levensdelict, waarvoor de officier van justitie het bevel had gegeven als zij had geweten dat dit vereist was.

Alles afwegende zal de rechtbank volstaan met de constatering van het verzuim.

Conclusie

De rechtbank volgt de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, dat sommige onderdelen van het bewijs moeten worden uitgesloten, dan ook niet. Dit betekent dat de rechtbank de rapporten van IFS, de verklaring die verdachte op 4 maart 2016 heeft afgelegd en de gegevens uit de iPhone, iPad en MacBook van verdachte kan gebruiken bij de beoordeling van het bewijs.

5.3.2

Bewijsmiddelen 1

De rechtbank stelt op grond van het bewijs de volgende feiten2 vast.

Op de morgen van 4 maart 20163 werd [slachtoffer]4 aangetroffen, liggend in de keuken5 van zijn woning [adres] in [woonplaats] .6 Hij was overleden.7

Aan het lichaam van de overledene8 heeft onderzoek plaatsgevonden.9 Bij sectie op het lichaam waren er aan de hals, romp en ledematen in totaal 24 scherprandige huidperforaties die bij leven waren ontstaan als gevolg van meervoudig ingewerkt uitwendig mechanisch scherprandig klievend/snijdend en perforerend geweld. Hiermee wordt het intreden van de dood verklaard door functiestoornissen van vitale organen en algehele weefselschade door doorgemaakt fors bloedverlies met als verwikkeling hersenschade en herseninklemming.10

TNO heeft assistentie verleend bij het inschatten van de postmortale tijd van het slachtoffer.11 Het 95% betrouwbaarheidsinterval van de schatting van het tijdstip van overlijden loopt van 21:47 uur tot 1:31 uur.12

Verdachte heeft op 4 maart 2016 verklaard dat hij de avond daarvoor bij [slachtoffer] was. Hij was om negen uur (de rechtbank begrijpt: in de avond) bij hem.13 Verdachte is om 00:35 thuis aangekomen.14 Verdachte woont op het adres [adres] in [woonplaats] .15 De afstand van [adres] in [woonplaats] tot [adres] in [woonplaats] wordt per auto afgelegd in gemiddeld ongeveer 52 minuten.16

Messen in de keuken

Op 4 maart 201617 werd bij onderzoek in de woning [adres] te [woonplaats]18 een mes aangetroffen.19 Dit mes lag op de grond dichtbij de overledene.20

Aan dit mes21 heeft onderzoek plaatsgevonden naar biologische sporen. Hierbij zijn bloedsporen aangetroffen op het lemmet en het heft van het mes.22 De bloedsporen zijn als AAJL3499NL#01, #02 en #04 tot en met #06 bemonsterd voor DNA-onderzoek. Uit deze bemonsteringen is een DNA-profiel afgeleid dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] met een matchkans die kleiner is dan één op één miljard.23 Het heft van het mes is als AAJL3499NL#03 bemonsterd.24 Uit de bemonstering is een DNA-mengprofiel afgeleid.25 Bij aanvullend onderzoek26 aan deze bemonstering is een DNA-hoofdprofiel afgeleid dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] . Het mengprofiel bevat nevenkenmerken die overeenkomen met kenmerken uit het DNA-profiel van [verdachte] .27

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn ten minste één miljoen keer waarschijnlijker als hypothese I waar is dan als hypothese II waar is. Hypothese I is dat de bemonstering celmateriaal bevat van [slachtoffer] , [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon. Hypothese II is dat de bemonstering celmateriaal bevat van [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende personen.28

Op 4 maart 201629 werd in de woning [adres] te [woonplaats]30 ook een afgebroken lemmet van een mes aangetroffen tussen de blender en de sapcentrifuge in de hoek van het aanrecht. Het betrof een lemmet met aan beide zijden uitgeslepen kuiltjes. Op het mes was het merk Carl Schmidt Sohn leesbaar. Het lemmet was over de gehele lengte gebogen en ook de punt van het lemmet was gebogen. Op het lemmet was bloed zichtbaar.31

Aan de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] is een mes getoond met een identiek lemmet als het afgebroken lemmet dat op de plaats delict was aangetroffen.32 Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat in de messen die in het messenblok zaten, er niet van die nerfjes zaten en dat in de besteklade alleen bestek lag.33 Koksmessen zaten in de messenset (de rechtbank begrijpt: messenblok).34 Getuige [getuige 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij alleen de twee messen uit het messenblok miste.35 In het messenblok zaten messen van het merk Herman.36

Bloedspoor in de auto van verdachte

Verdachte is op donderdag37 (de rechtbank begrijpt: donderdag 3 maart 2016) in zijn Golf naar de woning van [slachtoffer] gereden.38 Op 17 maart 2016 werd de Volkswagen Golf in beslaggenomen die op naam staat van [verdachte] .39 Bij onderzoek in deze auto werd een stuk bekleding uit de zitting van de bijrijdersstoel gesneden en voorzien van spoornummer AAJJ2748NL.40 Van dit stuk bekleding werd een bemonstering van een bloedspoor AAJJ2748#02 veiliggesteld.41 Uit deze bemonstering is een DNA-profiel afgeleid dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] met een matchkans die kleiner is dan één op één miljard.42

Horloge in bezit van verdachte

Op 1 april 2016 werd de woning van [slachtoffer] vrijgegeven aan de executeur [A] . Op die dag merkte [A] in een e-mail op dat zij een horloge van [slachtoffer] misten. [A] vermeldde in een e-mail de specifieke gegevens van het horloge van het merk IWC.43

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij op verzoek van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) een horloge hebben weggehaald bij hen thuis.44 Het horloge lag verstopt in de kamer van [B] .45 [verdachte] is de zoon van getuige [getuige 3] en woont bij getuige als hij in Nederland is.46

Het horloge was verplaatst naar de woning van [C] . Na het verhoor zijn verbalisanten samen met [getuige 3] gereden naar de woning van [C] .47 [C] wees een voorwerp aan dat in beslag werd genomen.48 Het serienummer van het inbeslaggenomen horloge kwam overeen met het horloge van [slachtoffer] .49 Verdachte heeft verklaard dat hij het klokje heeft weggelegd in de kamer van zijn zusje.50

Zoektermen op de iPad van verdachte

Op 24 maart 2016 werd [verdachte] als verdachte aangehouden. Tijdens zijn aanhouding was [verdachte] in het bezit van zijn iPad 2. Op deze iPad bevindt zich een directory (..) https_www.google.nl_0.localstorage. Dit is een bestand dat Google cache gegevens bevat en de geschiedenis van Google zoekacties.51

De gezochte woorden worden weggeschreven in de volgorde waarop ze zijn gezocht in 2 velden. Deze velden zijn genaamd msuggest.history..history en msuggest.history.i.history.

Voor het wegschrijven in beide velden geldt dat het eerst opgezochte woord als laatste in de map/document is vermeld.

In het veld msuggest.history..history werden de volgende zoektermen aangetroffen:

horloge verkopen rotterdam

stopheling

iwc referentie

[slachtoffer]

horloge

iwc portuguese prijzen

iwc portuguese52

halsslagader

slagaderlijke bloeding hart

fatale messteek

messteek in het hart

maps

[naam]

Uit de cookies afkomstig uit de iPad is af te leiden dat de website van de [woonplaats] tennisvereniging [naam] op 3-3-2016 13:48:30 (UTC+0) werd bezocht.

tennisclub [woonplaats]

plaats van het hart

trigger points head

klap op je achterhoofd bewusteloos

klap op je achterhoofd

hartplek

messteek in nek

messteek in rug

mes in rug

rug messteek

dood door wurging

hart plaats in lichaam53

verwurging

verwurging hoelang

verwurging zelfmoord

knockout head

jaw knockout

zelfmoord tips

st5 pressure point

st5

jaw pressure point knockout

pressure point knockout ear

pressurepoint knock out ear

trigger points ear knockout

trigger points ear knock out

waar zit je hart

hart plek

slagaders arm

halsslagader snijden

bewusteloos slaan

halsader plek

serienummer horloge iwc

serienummer horloge

deo in oog

dodelijke stoffen in huis

blauwzuur kopen

blauwzuur

waterstofcyanide

edelgas

stikken door touw

stikken touw54

hartslagader dood

hartslag meten halsslagader

halsslagader plek

halsslagader doorsnijden

halsslagaders mens

mes door halsslagader

messteken in rug

dodelijk messteken

mes in hoofd steken

mes in hoofd55

In het veld msuggest.history.i.history werden de volgende zoektermen aangetroffen (die niet ook in het veld msuggest.history..history waren aangetroffen):

trigger points backhead

hart plek

knockout head pressure points56

hart plaats in lichaam

mes in hoofd

halsader

halsslagader doorsnijden

wurgkoord wikipedia

wurging met touw

dodelijke messteek

auto exploderen

steek ruggenmerg

slagader

messteek in hals

taser dodelijk

hersenstam plek

waar zit de hersenstam

schot hersenstam waar

kruit bij schieten

doodschieten

doodschieten hoofd

hersenstam dood57

kogel door hersenstam

hersenstam

messteek in het hoofd

overzicht lichaamsorganen

overzicht lichaamsdelen

klap tegen je slaap

auto explosief

messteken in onderbuik58

Verdachte heeft op 8 mei 2017 tijdens de zitting verklaard dat hij op 3 maart 2016 heeft gezocht naar ‘ [naam] ’ omdat hij op die dag naar de [woonplaats] tennisvereniging [naam] zou gaan om [D] te ontmoeten.59

Onderzocht is of de volgorde van de woorden een logisch verband hadden. Daarvoor is een referentieonderzoek uitgevoerd op een vergelijkbare iPpad 2.60

In de resultaten van de referentie iPad is gekeken of de volgorde waarop de zoekwoorden bij de tests waren ingegeven ook weerspiegeld werd in de volgorde van de woorden binnen de records “msuggest.history..history” en “msuggest. history.i.history’. In deze records werden de individuele zoekacties in omgekeerde volgorde weergegeven ten opzichte van de volgorde waarop ze waren ingegeven. De oudste ingegeven zoekacties stonden achteraan (de rechtbank begrijpt: onderaan) en de jongste ingegeven zoekacties stonden vooraan (de rechtbank begrijpt: bovenaan). De records waren beperkt tot 100 zoekacties.61 Telkens wanneer een nieuwe zoekactie werd uitgevoerd, kwam deze zoekactie er in het record aan de voorzijde bij, waarbij telkens aan de achterzijde de oudste zoekactie in dat record verviel. Daaruit wordt afgeleid dat in “msuggest.history..history” en “msuggest. history.i.history’ de zoekacties beperkt waren tot de 100 laatste zoekacties.62

5.3.3

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Mede naar aanleiding van de standpunten die de verdediging naar voren heeft gebracht, heeft de rechtbank de volgende overwegingen ten aanzien van een aantal onderdelen van het bewijs.

5.3.3.1 DNA-kenmerken op het mes naast het lichaam van [slachtoffer]

Naast het lichaam van [slachtoffer] is een mes gevonden (AAJL3499NL). Op het heft van dit mes is celmateriaal aangetroffen waaruit een DNA-mengprofiel is afgeleid. Dit betekent dat meerdere personen hebben bijgedragen aan het DNA-profiel. Er zijn meerdere DNA-kenmerken aangetroffen die overeenkomen met DNA-kenmerken uit het DNA-profiel van verdachte.

De verdediging heeft aangevoerd dat niet onomstotelijk vaststaat dat het mes het lichaam van [slachtoffer] heeft geperforeerd. Daar komt volgens de verdediging bij dat uit het desbetreffende mengprofiel een DNA-hoofdprofiel is afgeleid dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] . Dit geeft volgens de verdediging steun voor de stelling dat [slachtoffer] het mes als laatste heeft vastgehad. Bovendien zijn in dit mengprofiel ook kenmerken van een derde aangetroffen en is sprake van een heel gevoelige, en daardoor onbetrouwbare, (LCN-)methode. Ten slotte heeft de verdediging aangevoerd dat eventueel aangetroffen DNA- kenmerken van verdachte niet belastend zijn, omdat hij zelf heeft verklaard dat hij het mes eerder die week heeft vastgehad.

In een aanvullend onderzoek naar biologische sporen is een nadere toelichting gegeven op de sporen op het mes (forensisch dossier, pagina 457). Daaruit volgt dat verspreid over het mes bloedsporen zijn aangetroffen en dat op het lemmet bloed èn een vetachtige substantie zijn waargenomen. Er is opgemerkt dat de vettige substantie naar verwachting onderhuids vetweefsel is van degene die is gestoken. Gelet op het aangetroffen bloed, de DNA-match met [slachtoffer] , in combinatie met de vetachtige substantie op het lemmet, stelt de rechtbank vast dat de vetachtige substantie onderhuids weefsel van [slachtoffer] bevat en dat het mes is gebruikt om [slachtoffer] verwonding(en) toe te brengen. Dat [slachtoffer] het mes mogelijk op enig moment heeft vastgehad staat niet vast, maar maakt, indien dat het geval zou zijn, voorgaande conclusie niet anders.

De DNA-kenmerken van verdachte zijn inderdaad aangetroffen na het uitvoeren van aanvullend DNA-onderzoek om informatiever DNA te verkrijgen. Dat neemt echter niet weg dat de deskundige, die het desbetreffende onderzoek heeft uitgevoerd met inachtneming van de beperkingen en gevoeligheid van dergelijk onderzoek, tot de door hem gestelde conclusie is gekomen. Deze conclusie is dat het aantreffen van dit DNA-mengprofiel ten minste één miljoen keer waarschijnlijker is als de bemonstering celmateriaal bevat van [slachtoffer] , verdachte en één willekeurige onbekende persoon dan als de bemonstering celmateriaal bevat van [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende personen.

Dat verdachte het mes eerder die week heeft vastgehad voor het snijden van babi pangang is niet komen vast te staan. Daarbij moet worden opgemerkt dat verdachte niet steeds heeft verklaard dat hij een mes heeft gebruikt en (voor zover hij al een mes heeft gebruikt) nooit specifiek heeft verklaard welk mes uit het messenblok hij dan gebruikt zou hebben.

Ten slotte hecht de rechtbank eraan op te merken dat de aantroffen DNA-kenmerken van verdachte op het mes niet het enige bewijs vormen, maar dat dit bewijs moet worden gezien in samenhang met het overige bewijs.

5.3.3.2 Bloedspoor in de auto van verdachte

In de auto van verdachte is op de bijrijdersstoel celmateriaal aangetroffen waaruit een DNA-profiel is afgeleid dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] .

De verdediging heeft betoogd dat niet vast staat dat het spoor op de bijrijdersstoel (met AAJJ2748#02) bloed van [slachtoffer] betreft.

Uit het hiervoor weergegeven bewijs volgt dat dr. J. Warnaar het desbetreffende spoor benoemt als ‘bloedspoor’. Uit deze bemonstering is een volledig DNA-profiel afgeleid dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] . In de tabel waarin de resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn weergegeven (Forensisch dossier, pagina 532) staat bij dit spoor de aanduiding ‘met bloed’. Deskundige Warnaar heeft ter zitting van 8 mei 2017 verklaard dat dit betekent dat een tetrabase test is uitgevoerd en dat deze positief was. In die bemonstering is bloed aangetoond. De kans dat [slachtoffer] de donor is van dit bloed is volgens Warnaar in de orde van 95% of hoger. Deskundige P.J. Herbergs heeft deze conclusie ter zitting van 8 mei 2017 onderschreven.
De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat het celmateriaal waaruit het DNA-profiel van [slachtoffer] is afgeleid, bloed betreft.

5.3.3.3 Zoektermen in de iPad van verdachte

De verdediging heeft aangevoerd dat niet vast staat dat de zoektermen door verdachte zijn ingevoerd. Volgens de verdediging worden bij het invoeren van zoektermen in een zoekmachine zoals Google, woorden of delen van woorden door de zoekmachine automatisch aangevuld. De verdediging heeft erop gewezen dat een aantal zoektermen dat in het ‘google localstorage’(Google zoekarchief) is gevonden, niet in de zogenoemde ‘user dictionary’ is aangetroffen. Dit betekent volgens de verdediging dat de woorden die in het bestand ‘google localstorage’ staan, niet door verdachte zijn ingevoerd, maar door de zoekmachine zelf zijn aangevuld.

De rechtbank volgt de verdediging daarin niet. De officier van justitie heeft een e-mail overgelegd van 12 december 2017 van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . In deze e-mail leggen de verbalisanten uit dat in ‘google localstorage’ (het zoekarchief van Google) alleen de werkelijk ingevoerde termen worden opgeslagen én de termen die na automatisch aanvulling door de gebruiker zijn aangeklikt. De automatische zoeksuggesties die niet zijn aangeklikt, worden niet in dit bestand opgeslagen. Dit betekent dat de hiervoor weergegeven zoektermen die in het Google zoekarchief waren opgeslagen, door verdachte zijn opgegeven of, na automatische aanvulling, door hem zijn aangeklikt.

Veel van de zoektermen die verdachte heeft ingevoerd, hebben te maken met de manier waarop een persoon kan worden uitgeschakeld. Dit zijn de zoektermen:

trigger points head

klap op je achterhoofd bewusteloos

klap op je achterhoofd

knockout head

jaw knockout

st5 pressure point

st5

jaw pressure point knockout

pressure point knockout ear

pressurepoint knock out ear

trigger points ear knockout

trigger points ear knock out

bewusteloos slaan

deo in oog

trigger points backhead

knockout head pressure points

klap tegen je slaap

Andere zoektermen hebben te maken met de manier waarop een persoon dodelijk letsel kan worden toegebracht. Dit zijn de zoektermen:

halsslagader

slagaderlijke bloeding hart

fatale messteek

messteek in het hart

hartplek

messteek in nek

messteek in rug

mes in rug

rug messteek

dood door wurging

hart plaats in lichaam

verwurging

verwurging hoelang

verwurging zelfmoord

zelfmoord tips

waar zit je hart

hart plek

slagaders arm

halsslagader snijden

halsader plek

dodelijke stoffen in huis

blauwzuur kopen

blauwzuur

waterstofcyanide

edelgas

stikken door touw

stikken touw

hartslagader dood

hartslag meten halsslagader

halsslagader plek

halsslagader doorsnijden

halsslagaders mens

mes door halsslagader

messteken in rug

dodelijk messteken

mes in hoofd steken

mes in hoofd

hart plek

hart plaats in lichaam

mes in hoofd

halsader

halsslagader doorsnijden

wurgkoord wikipedia

wurging met touw

dodelijke messteek

auto exploderen

steek ruggenmerg

slagader

messteek in hals

taser dodelijk

hersenstam plek

waar zit de hersenstam

schot hersenstam waar

kruit bij schieten

doodschieten

doodschieten hoofd

hersenstam dood

kogel door hersenstam

hersenstam

messteek in het hoofd

overzicht lichaamsorganen

overzicht lichaamsdelen

auto explosief

messteken in onderbuik

Verdachte heeft verklaard dat hij wel eens zocht op internet nadat hij op televisie een misdaadserie had bekeken of een programma over een hartoperatie of een programma of internetfilmpje over een vergelijkbaar onderwerp had gezien. De rechtbank acht die verklaring ongeloofwaardig. Daarbij is van belang dat het hier gaat om de meest recente ingevoerde zoektermen. Niet geloofwaardig is dat verdachte in korte tijd meerdere programma’s en filmpjes heeft gezien over vele verschillende manieren om personen uit te schakelen en om het leven te brengen en daarnaar vervolgens zo uitgebreid, met al deze zoektermen, op internet onderzoek heeft gedaan.

De rechtbank stelt verder vast dat verdachte heeft gezocht op ‘serienummer horloge iwc’ en ‘serienummer horloge’. Bij [slachtoffer] werd een IWC-horloge gemist dat bij verdachte thuis was verstopt. Hierbij is van belang dat de zoektermen die hiervoor zijn vermeld, zijn weergegeven in de omgekeerde volgorde. De onderste zoekterm is de oudste zoekterm van de laatste honderd zoektermen, de eerste zoekterm is het meest recent ingevoerd. Uit het bewijs blijkt dat de zoektermen ‘tennisvereniging [woonplaats] ’ en ‘ [naam] ’ op 3 maart 2016 door verdachte zijn ingevoerd. De zoektermen die onder ‘tennisvereniging [woonplaats] ’ en ‘ [naam] ’ worden genoemd, moeten dan ook op of vóór 3 maart 2016 zijn ingevoerd. Dit betekent dat verdachte op of vóór 3 maart 2016 op Google heeft gezocht naar de woorden ‘serienummer horloge iwc’ en ‘serienummer horloge’. Verdachte heeft niet kunnen uitleggen wat de aanleiding is geweest om vóór 3 maart 2016 te zoeken op deze termen.

De verdediging heeft betoogd dat niet kan worden vastgesteld wanneer welke zoekterm is gebruikt. De verdediging heeft ter onderbouwing van dat betoog gewezen op de zoekterm ‘davis cup’ die door de verbalisant wordt gekoppeld aan een filmpje dat na hantering van een zoekterm ‘Davis cup’ is afgespeeld op Youtube op 2 maart 2016. Als de zoekterm zou zijn ingevuld op 2 maart 2016, dan zou deze niet boven, maar onder de zoekterm ‘ [naam] ’ staan die door de verbalisant is verbonden met het bezoek van verdachte aan Tennisvereniging [naam] op 3 maart 2016. De rechtbank stelt echter vast dat verdachte zelf ter zitting heeft verklaard dat hij denkt op 3 maart 2016 op ‘ [naam] ’ te hebben gezocht. Ten aanzien van de zoektermen ‘ [naam] ’ is dan ook duidelijk wanneer deze zijn ingevoerd. Dit kan niet worden gezegd over het moment waarop de zoekterm ‘davis cup’ is ingevoerd. Niet staat immers vast dat deze zoekterm is gebruikt voorafgaand aan het bekijken van het filmpje op Youtube.

De verdediging heeft tot slot in dit kader naar voren gebracht dat de zoektermen niet compleet zijn. Verdachte weet namelijk dat hij ook heeft gezocht naar het weer in Miami en informatie over het tennistoernooi, terwijl deze zoektermen ontbreken in het overzicht. De rechtbank ziet daarin echter geen aanleiding voor twijfel aan de weergegeven lijst met zoektermen. Dat verdachte heeft gezocht naar het weer in Miami en informatie over het tennistoernooi staat immers niet vast. Als al moet worden aangenomen dat hij hiernaar heeft gezocht, dan staat niet vast dat hij dit op zijn iPad, met gebruik van Google Search, heeft gedaan.

5.3.3.4 Tussenconclusie

Op grond van het hiervoor gegeven bewijs kan het volgende worden vastgesteld.

[slachtoffer] is op de avond van 3 maart 2016 of in de nacht van 4 maart 2016 om het leven gebracht door het meermalen steken met één of meerdere messen. Verdachte heeft voorafgaand aan dit misdrijf op zijn iPad gezocht naar mogelijkheden om iemand uit te schakelen en naar mogelijkheden om iemand van het leven te beroven. Daarnaast heeft verdachte voorafgaand aan het misdrijf gezocht op “serienummer horloge iwc”. Het IWC-horloge dat bij het misdrijf uit de woning is weggenomen, is aangetroffen in het bezit van verdachte. Daarnaast is er een bloedspoor aangetroffen in de auto waarmee hij na het bezoek aan [slachtoffer] naar huis is gereden. Dit bloedspoor bevat een volledig DNA-profiel dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] . Ook bevond zich op het heft van een mes waarmee [slachtoffer] is gestoken, celmateriaal met meerdere DNA-kenmerken die ook voorkomen in het DNA-profiel van verdachte.

Op grond van deze wettige bewijsmiddelen is op zichzelf genomen de conclusie gerechtvaardigd dat verdachte degene is geweest die het misdrijf heeft gepleegd. Dit kan echter anders zijn als verdachte een aannemelijke verklaring kan geven waaruit volgt dat hij het misdrijf niet heeft gepleegd en die deze belastende aspecten van het bewijs kan verklaren.

5.3.3.5 Verklaringen van verdachte

Verdachte heeft – kort gezegd – verklaard dat hij in de maanden voorafgaand aan 3 maart 2016 meerdere keren is benaderd door mannen die het hadden gemunt op [slachtoffer] . Daarbij hebben deze mannen op 17 december 2015, bij een ontmoeting in het centrum van Almere, een mesje van verdachte afgepakt dat hij vlak daarvoor had gekocht.

In de avond van 3 maart 2016 is verdachte, nadat hij bij [slachtoffer] was weggereden, door mannen tegengehouden en in de auto geplaatst, waarna de auto is teruggereden. Twee mannen zijn uitgestapt, één man is met verdachte in de auto achtergebleven. Na enige minuten stil te hebben gestaan, zijn de twee mannen weer ingestapt en zijn de mannen met verdachte weggereden. De mannen hebben verdachte in zijn auto achtergelaten.

De volgende dag vond verdachte in zijn auto het IWC-horloge van [slachtoffer] en trof verdachte op de oprit een vuilniszak aan waarin zijn vest zat. In één van de zakken van dit vest vond verdachte een briefje met daarop de tekst ‘voor het horloge komen we terug, komen we jou halen’.

De verklaring van een verdachte wordt door de rechter beoordeeld tegen de achtergrond van het bewijs dat beschikbaar is. Ook zal de rechter de geloofwaardigheid en aannemelijkheid van deze verklaring onderzoeken. Als er geen bewijs is dat het scenario van de verdachte niet waar is, kan de rechter ook voorbij gaan aan een verklaring van de verdachte als die verklaring ongeloofwaardig is of niet aannemelijk is geworden.

Onderzoek naar steun in beschikbare gegevens

De rechtbank is eerst nagegaan of de verklaring van verdachte dat hij is ontvoerd, steun vindt in de beschikbare gegevens in het dossier en hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting is besproken.

Getuigen

De verdediging heeft aangevoerd dat er steun bestaat voor zijn verklaring over de ontvoering op de avond van 3 maart 2016, gelet op de verklaringen die de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] hebben afgelegd bij de rechter-commissaris.

Getuige [getuige 4] heeft echter alleen een donkerkleurige auto waargenomen op een plek waar doorgaans geen auto’s staan. De getuige heeft deze auto verder niet kunnen beschrijven. Deze auto is met een u-bocht gekeerd en mogelijk in de richting van de [straat] gereden. Zij heeft niet kunnen zien of deze auto in de richting van de woning van [slachtoffer] reed of daar vandaan kwam. Deze verklaring is onvoldoende specifiek om te kunnen worden gezien als een ondersteuning voor het scenario van verdachte.

Wat betreft de verklaring van getuige [getuige 5] geldt dat deze verklaring het scenario van verdachte juist lijkt tegen te spreken. Deze getuige heeft verklaard dat hij in de late avond stemmen heeft gehoord vanaf het perceel van [slachtoffer] . Hij verklaart dat het ging om twee personen. De getuige hoorde zachte klanken, de taalklank was Nederlands. Hij heeft geen harde g-klanken gehoord, zoals die volgens de getuige voorkomen in het Arabisch. Volgens de getuige was het een rustig gesprek. Deze waarnemingen door de getuige [getuige 5] passen niet binnen het scenario van verdachte. Volgens verdachte spraken de ontvoerders met een Marokkaans accent en sprak één van de twee personen die de auto had verlaten tegen de anderen in de Engelse taal. Bovendien is niet goed voorstelbaar dat de ontvoerders een rustig gesprek zouden voeren in de tuin van [slachtoffer] , terwijl ze volgens verdachte maar enkele minuten zijn weggeweest, in die korte tijdspanne [slachtoffer] zouden hebben vermoord en terug kwamen rennen naar de auto. Daarom biedt ook deze getuigenverklaring naar het oordeel van de rechtbank geen steun voor het scenario van verdachte.

DNA-kenmerken en vingerspoor

Verdachte heeft verder aangevoerd dat onbekende DNA-kenmerken zijn aangetroffen op diverse plekken in de woning en in de auto van verdachte. Daarnaast is er een zogenoemd hoge top-vingerspoor gevonden.

De rechtbank overweegt allereerst het volgende. Uit celmateriaal kan een DNA-profiel worden afgeleid. Een DNA-profiel wordt bepaald door van specifieke plaatsen op het DNA de DNA-kenmerken vast te stellen. Deze specifieke plaatsen worden ‘loci’ genoemd. Afhankelijk van de gebruikte methode worden de DNA-kenmerken van 10 tot 15 loci bepaald. Voor elk van deze loci geldt dat personen een DNA-kenmerk van zowel de moeder als de vader krijgen overgeërfd. In optimale omstandigheden kan elk van deze DNA-kenmerken worden bepaald en kan een DNA-profiel dus bestaan uit 20 tot 30 DNA-kenmerken.

In de loop van het onderzoek zijn sporen veilig gesteld op kleding, in de auto van verdachte en in de woning van [slachtoffer] . Bij DNA-onderzoek is geprobeerd vast te stellen of er DNA-profielen konden worden afgeleid uit aanwezig celmateriaal. Vervolgens zijn deze vergeleken met de DNA-profielen van personen (referentiemateriaal) van wie vaststond dat deze in de dagen voorafgaand aan het overlijden van [slachtoffer] in zijn woning zijn geweest. Het gaat daarbij om referentiemateriaal van in totaal tien personen, inclusief [slachtoffer] en verdachte zelf. In meerdere DNA-profielen van sporen in de woning en op de kleding van [slachtoffer] en in de auto van verdachte komen onbekende DNA-kenmerken voor.

Wanneer wordt gesproken over ‘onbekende’ DNA-kenmerken betekent dit slechts dat deze DNA-kenmerken niet voorkomen in de profielen van de betrokkenen. Het betekent niet dat dit noodzakelijkerwijs DNA-kenmerken betreffen van één of meerdere andere verdachte(n). De rechtbank heeft geconstateerd dat uit al het onderzoeksmateriaal dat is afgenomen van de diverse sporendragers geen enkel (volledig) profiel is verkregen van een onbekende derde. Van de aangetroffen losse DNA-kenmerken in de woning van [slachtoffer] en in de auto van verdachte geldt dat het volgens deskundige Warnaar gaat om DNA-kenmerken die (zeer) algemeen voorkomen in de Nederlandse bevolking. Verder heeft de deskundige aangegeven dat ‘vreemd DNA’ op de plekken waar het is aangetroffen ook wordt verwacht. Dat komt doordat menselijk DNA heel veel voorkomt in de dagelijkse omgeving en mensen bij contact met voorwerpen of verblijf in een omgeving celmateriaal achterlaten en overdragen. Het ligt dus voor de hand dat in een auto of in een woning onbekende DNA-kenmerken worden aangetroffen, ook als er geen misdrijf heeft plaatsgevonden.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande dan ook vast dat er alleen ‘vreemde’ DNA-kenmerken zijn aangetroffen op, bijvoorbeeld, de handdoek die naast [slachtoffer] lag, op kledingstukken van [slachtoffer] en in de auto van verdachte. Dat zich vreemde DNA-kenmerken bevinden op deze plekken, is te verwachten. Deze kenmerken betreffen niet noodzakelijkerwijs ook kenmerken van een dader en zijn ook in geen enkel geval te herleiden geweest tot een bepaalde (onbekende) persoon.

Door de verdediging is nog gewezen op het feit dat de woning van [slachtoffer] op 3 maart 2016 is schoongemaakt en dat desondanks een dactyloscopisch spoor (te weten een hoge top-vingerspoor) is aangetroffen op de deur onder de deurklink aan de gangzijde. Dit spoor is niet te herleiden naar één van de betrokkenen. De rechtbank overweegt dat niet is komen vast te staan wanneer deze vingerafdruk op de deur is terechtgekomen en dus ook niet of dit een daderspoor betreft. Dat de woning van [slachtoffer] op 3 maart 2016 is schoongemaakt, betekent immers allerminst dat iedere vingerafdruk in de woning is verwijderd. Bovendien droegen de daders volgens verdachte handschoenen.

Onderzoeken door IFS

De verdediging heeft twee rapporten ingebracht die zijn opgesteld door deskundigen van IFS. Het betreft het rapport ‘criminalistische interpretatie betreffende steekwonden en mogelijk gebruikte messen’ van 31 juli 2017 en het rapport ‘criminalistische interpretatie betreffende plegen delict en aantal daders’ van 21 augustus 2017.

In het eerstgenoemde rapport is ingegaan op de vraag of het waarschijnlijk is dat de twee aangetroffen messen alle steekverwondingen hebben veroorzaakt. IFS heeft de conclusie getrokken dat het waarschijnlijker is dat een ander onbekend mes, naast de twee aangetroffen messen, de steekverwondingen heeft veroorzaakt. De conclusie van IFS wordt niet ondersteund door de bevindingen van patholoog V. Soerdjbalie-Maikoe. Zij heeft in haar rapport van 19 april 2017 geconcludeerd – en ter zitting van 11 december 2017 toegelicht – dat alle steekletsels kunnen zijn veroorzaakt door (één van) de twee aangetroffen messen. Deskundige Eikelenboom-Schieveld heeft in het IFS rapport een aantal afwijkende verwondingen benoemd. Het gaat daarbij om steekverwondingen waarbij de gemeten steekdiepte door de radioloog anders is dan die van de patholoog, waarbij de gemeten steekdiepte in een aantal gevallen bovendien langer is dan de lengte van het lemmet van het (langste) mes en om drie verwondingen die aan beide uiteinden puntig zijn, terwijl de aangetroffen messen één scherprandige zijde hebben. Wat betreft de verschillen in de gemeten steekdiepten heeft de patholoog bij de rechter-commissaris en ter zitting verklaard dat zij als patholoog de verwondingen zowel aan de buitenzijde als aan de binnenzijde van het lichaam kan bestuderen en beschrijven en dat zij daarom met een grotere mate van zekerheid de lengte van een steekkanaal kan vaststellen. Verder heeft zij verklaard dat bij een meer elastisch en vervormbaar lichaamsdeel sprake kan zijn van een tijdelijke binnenwaartse indrukking, waardoor een steekkanaal kan ontstaan dat langer is dan de lemmet van het mes. Voor de uiteinden van de steekverwondingen in de huid geldt dat de karakteristieken van de huid een belangrijke rol spelen en dat een wond met twee puntige uiteinden, niet hoeft te zijn toegebracht met een tweezijdig scherp voorwerp. De deskundige heeft toegelicht dat zij in haar loopbaan meerdere lichamen heeft onderzocht met steekverwondingen met twee puntige uiteinden waarvan vast stond dat deze met een eenzijdig scherp mes waren toegebracht. Mede gelet op de conclusies van de patholoog is de rechtbank van oordeel dat uit de bevindingen van de deskundige van IFS niet noodzakelijkerwijs volgt dat een derde mes moet zijn gebruikt.

Het rapport over de steekverwondingen vormt mede de basis voor het tweede rapport van IFS, dat ingaat op het aantal daders dat het delict zou moeten hebben gepleegd. In dit onderzoek is door de verdediging aan IFS de vraag voorgelegd of het waarschijnlijker is dat één persoon of juist meerdere personen het letsel hebben veroorzaakt. De conclusie van IFS is dat het veel waarschijnlijker is dat twee of meer personen het letsel hebben veroorzaakt. De rechtbank stelt voorop dat deze conclusie is gebaseerd op meerdere aannames, waarvan in het onderzoek niet is komen vast te staan dat deze aannames juist zijn. Ook is in de getrokken conclusie niet duidelijk op welke wijze de verschillende aannames zich tot elkaar verhouden en wat het voor de conclusie betekent als één of meerdere aannames niet blijk(en) te kloppen. Bovendien is bij de aannames niet telkens beschreven welke verschillende scenario’s er zijn en zijn deze ook niet afzonderlijk tegen elkaar afgezet.

In het rapport is onder meer opgenomen dat een derde wapen steun geeft aan de hypothese dat meer dan één dader bij het delict betrokken is geweest. Zoals hiervoor is overwogen, staat het gebruik van een derde wapen echter niet vast en wordt uit het rapport ook niet duidelijk waarop de aanname is gebaseerd dat het gebruik van meerdere messen wijst op de betrokkenheid van meerdere daders.

Ook is in het rapport opgenomen dat de dood volgens het pathologie-onderzoek kan zijn veroorzaakt door drie mechanismen: verbloeding, herseninklemming en/of verstikking. In het IFS-rapport wordt geconcludeerd dat ‘het gegeven dat er drie mogelijke doodsoorzaken zijn’ aangeeft hoeveel (dodelijk) geweld er op het slachtoffer is gepleegd. Uit het rapport van de patholoog blijkt echter niet dat er drie mogelijke doodsoorzaken zijn, maar één doodsoorzaak, te weten meervoudig ingewerkt uitwendig mechanisch scherprandig klievend/snijdend en perforerend geweld, dat hersenschade en herseninklemming tot gevolg heeft gehad.

Verder stelt IFS dat er steun is voor de hypothese dat [slachtoffer] onder controle werd gehouden. Dit wordt gebaseerd op de houding van de linkerhand, de afwezigheid van verwondingen op de linkerhand, bloedvegen op de linkerhand- en mouw, de relatief lage bloedspatten en de relatief schone sokken. Voor elk van deze aspecten geldt echter dat niet duidelijk is gemaakt of en waarom deze waarnemingen niet ook in een ander scenario zouden kunnen passen. Zo is in het rapport bijvoorbeeld niet ingegaan op de vraag of het lage bloedspatpatroon niet zou kunnen zijn veroorzaakt doordat het slachtoffer als gevolg van het op hem uitgeoefende geweld in elkaar is gekrompen. Ook de stelling dat het slachtoffer zich ‘kranig heeft verweerd’ betreft enkel een aanname. Ten slotte is niet komen vast te staan dat de houding van de linkerhand van het slachtoffer zo uniek is, dat dit de conclusie rechtvaardigt dat het slachtoffer onder controle werd gehouden en dat er (dus) ook meerdere daders zouden moeten zijn. Gelet op de diverse niet-onderbouwde aannames die ten grondslag liggen aan het rapport van IFS, is de rechtbank van oordeel dat de door IFS gestelde conclusies niet bruikbaar zijn. De rapporten bieden geen solide ondersteuning voor het scenario van verdachte.

De rechtbank moet, gelet op het voorgaande, vaststellen dat het scenario van verdachte niet wordt ondersteund door beschikbare gegevens uit het dossier en hetgeen tijdens het onderzoek ter zitting is besproken.

Verzoeken tot het verrichten van nader onderzoek

De verdediging heeft verzoeken gedaan tot het verrichten van nader onderzoek. De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het gevraagde nader onderzoek niet zal kunnen bijdragen aan de beantwoording van de vraag of verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en acht nader onderzoek niet noodzakelijk. De rechtbank wijst de verzoeken om die reden af.

Geloofwaardigheid van de verklaringen

De rechtbank heeft zich ook een oordeel gevormd over de geloofwaardigheid van het scenario dat de verdachte heeft geschetst. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid heeft de rechtbank aandacht besteed aan de wijze waarop de verklaringen tot stand zijn gekomen en aan de inhoud van deze verklaringen.

Totstandkoming van de verklaringen van verdachte

Verdachte is verhoord op 4 maart 2016, op 24 maart 2016, tweemaal op 25 maart 2016, op 4 april 2016, op 13 juni 2016, op 5 september 2016 en ten slotte op 7 september 2016. Verdachte heeft zijn verklaringen over de eerdere ontmoetingen met mannen, de ontvoering op de avond van 3 maart 2016, het aantreffen van zijn vest met daarin een briefje, het aantreffen van het IWC-horloge in zijn auto en het afpakken van het door hem gekochte mesje op verschillende momenten afgelegd en daarbij steeds op onderdelen gewijzigd en aangevuld. De rechtbank wijst daarbij op de volgende punten:

 Op 4 maart 2016 is verdachte voor de eerste keer – op dat moment nog als getuige en niet als verdachte – gehoord door de politie. Hij heeft toen verklaard dat hij op donderdagavond omstreeks 23.15 uur bij [slachtoffer] is weggegaan. Het enige wat hij zich kon herinneren over het moment van wegrijden, is dat aan het einde van de straat twee mannen stonden. Eén van die personen was aan het bellen en verdachte had niet het idee dat deze mannen daar woonden.

 Verdachte heeft voor het eerst tegenover de politie melding gemaakt van de ontvoering bij het verhoor op 24 maart 2016. Met deze verklaring kwam hij terug op de verklaring die hij op 4 maart 2016 had afgelegd.

 Verdachte heeft vervolgens pas tijdens het verhoor in de ochtend van 25 maart 2016 voor het eerst verklaard over het vest dat hij in de ochtend van 4 maart 2016 op de oprit thuis heeft aangetroffen. Dat verdachte zou zijn vergeten om hiervan bij de eerdere verhoren melding te maken komt de rechtbank niet waarschijnlijk voor, nu verdachte heeft verklaard dat hij in paniek raakte toen hij het vest aantrof en deze gebeurtenis blijkbaar dus veel indruk op hem heeft gemaakt.

 Dat verdachte al vanaf het najaar van 2015 is benaderd door mannen die het kennelijk op [slachtoffer] hadden gemunt, heeft verdachte pas verklaard tijdens het verhoor op 4 april 2016. Tijdens de verhoren op 4 en 24 maart 2016 en de beide verhoren op 25 maart 2016 heeft hij over deze ontmoetingen dus gezwegen, terwijl deze ontmoetingen in zijn verklaring toch van groot belang waren. Het is vreemd dat verdachte, terwijl hij onschuldig vast zou zitten, niet vertelt over ontmoetingen met mannen die in direct verband staan met het overlijden van [slachtoffer] .

 Vervolgens heeft verdachte pas op 13 juni 2016 een verklaring afgelegd over het IWC-horloge dat hij op 4 maart 2016 in zijn auto heeft aangetroffen. Ook heeft hij bij dat verhoor voor het eerst melding gemaakt van het briefje in de vestzak met de tekst ‘voor het horloge komen we terug, komen we jou halen’.

 Tot slot heeft verdachte pas op 5 september 2016 voor het eerst genoemd dat twee mannen bij een ontmoeting in het centrum van Almere op 17 december 2015 een mesje, dat hij vlak daarvoor had gekocht, van hem hebben afgepakt. Verdachte heeft deze verklaring pas afgelegd nadat hij was geconfronteerd met een afgeluisterd gesprek tussen zijn ouders. Bij eerdere verhoren heeft hij niet verteld dat er spullen van hem zijn afgenomen.

Verdachte heeft bij de politie en tijdens de behandeling ter zitting geen overtuigende verklaring kunnen geven voor het aanpassen en aanvullen van zijn verklaringen. Niet valt in te zien dat verdachte op 24 en 25 maart 2016 niet op zijn minst melding heeft gemaakt van de cruciale onderdelen van zijn relaas. Daarbij is van belang dat verdachte zich aanvankelijk geen zorgen maakte over mogelijke vooringenomenheden aan de zijde van de politie. Aan het einde van het verhoor op 24 maart 2016 verklaarde verdachte dat zijn verhoorders ‘redelijk ontvankelijk’ het gesprek met hem waren aangegaan en er ‘wel redelijk in zitten’. De politie heeft verdachte vervolgens tijdens het verhoor op 4 april 2016 expliciet gevraagd of er feiten waren waarover hij nog niet had verklaard. Verdachte heeft toen geantwoord dat hij dacht dat hij alles tot in detail had verklaard. Bij het afsluiten van dit verhoor had verdachte nog altijd niet tegen de politie verteld over het briefje in de vestzak, over het aantreffen van het horloge in zijn auto en over het afpakken van het mesje. Over het horloge heeft verdachte uiteindelijk op 13 juni 2016 een verklaring afgelegd, maar pas nadat zijn vader daarover een verklaring had afgelegd en het horloge door de politie in beslag was genomen.

De rechtbank acht niet geloofwaardig dat verdachte door angst met niemand over de ontmoetingen heeft willen praten. Daarbij is van belang dat de ontmoetingen met de mannen volgens verdachte pas gaandeweg dreigender van aard werden. Het valt niet in te zien dat verdachte over de eerste ontmoetingen niet heeft durven spreken met [slachtoffer] of met anderen. Omdat het toch zeer merkwaardige ontmoetingen waren, bevreemdt het daarnaast dat verdachte ook niet de behoefte had om hierover met anderen te spreken. Ook wat de latere ontmoetingen betreft, bestond geen aanleiding om hierover tegen [slachtoffer] te zwijgen. Integendeel, de mannen zouden er immers juist bij verdachte op hebben aangedrongen om een boodschap aan [slachtoffer] door te geven, waarbij verdachte, zoals de raadsman ter zitting heeft opgemerkt, op een gegeven moment ook vreesde voor de veiligheid van [slachtoffer] . Verdachte heeft verklaard dat hij gaandeweg ook begon te vrezen voor zijn eigen veiligheid, zo zeer dat hij zelfs een vriend had benaderd om de mogelijkheid van de aanschaf van (vuur)wapen te onderzoeken. Niet valt in te zien, en verdachte heeft desgevraagd ter zitting ook niet kunnen toelichten, waarom hij op dat moment niet de politie inschakelde.

De omstandigheid dat verdachte zijn verhaal op een aantal wezenlijke punten heeft aangepast en – soms nadat hij door de politie was geconfronteerd met onderzoeksresultaten – aangevuld, doet ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid hiervan.

Inhoud van de verklaringen van verdachte

De rechtbank moet vaststellen dat het scenario dat verdachte heeft geschetst, ook inhoudelijk een groot aantal elementen bevat die bevreemding wekken. De rechtbank wijst daarbij op de volgende punten:

 Allereerst valt op dat de ontvoerders verdachte op 4 maart 2016 in hun complot zouden hebben willen betrekken. Verdachte was op het moment dat hij werd tegengehouden onderweg naar huis en reed in zijn auto. Niet valt in te zien welk voordeel het de ontvoerders zou opleveren om verdachte bij de uitvoering van hun plannen te betrekken. De ontvoerders namen zelfs het risico dat verdachte op het moment dat zij de auto te voet benaderden het gaspedaal zou indrukken en van hen zou wegrijden. Opmerkelijk is ook dat één van de ontvoerders tegen verdachte zei dat hij er die maandagavond en die donderdagavond niet had moeten zijn, terwijl verdachte juist bij het wegrijden door de ontvoerders werd tegengehouden. De wijze waarop zij verdachten benaderden – midden op straat, met bivakmutsen op en voorzien van een vuurwapen – bracht voor de ontvoerders ook aanzienlijke risico’s op ontdekking mee. Buurtbewoners of voorbijgangers hadden de ontvoerders kunnen zien, de ontvoerders hadden sporen in de auto van verdachte kunnen achterlaten en verdachte had, nadat hij door de ontvoerders was achtergelaten, de politie kunnen bellen met alle mogelijke gevolgen voor de ontvoerders.

 Het is verder vreemd dat verdachte op geen enkel moment nadat hij door de ontvoerders was vrijgelaten, contact heeft gezocht met [slachtoffer] – telefonisch of desnoods via sms of WhatsApp of door tussenkomst van een ander – om na te gaan of er hulp moest worden verleend aan [slachtoffer] of zijn dochtertje, van wie hij wist dat zij thuis was bij haar vader. Ook ter zitting heeft verdachte hiervoor geen verklaring kunnen geven. Hij heeft weliswaar verklaard dat hij bij thuiskomst in paniek was, maar blijkbaar was hij nog wel voldoende bij zinnen om de vuilnisbak bij de weg te zetten die de volgende dag door de ophaaldienst zou worden geleegd. Ook is hij de volgende ochtend naar de afspraak met de podoloog gegaan.

 Merkwaardig is dat de ontvoerders de moeite zouden hebben genomen om naar de woning van verdachte te gaan om daar zijn vest terug te brengen met een boodschap die was verstopt in een vestzak. Verdachte heeft verklaard dat hij het vest in paniek heeft gewassen, omdat hij bang was dat sporen op het vest hem zouden belasten. Deze handelwijze is opmerkelijk, omdat eventuele sporen op het vest juist naar de daders zouden kunnen leiden. Verdachte was zich hiervan blijkbaar ook goed bewust, omdat hij eerder die avond – zo heeft hij tijdens het verhoor op 25 maart 2016 verklaard – na het vertrek van de ontvoerders zijn jack en fleecetrui heeft uitgetrokken om eventuele sporen op deze kledingstukken te bewaren. Ook valt niet in te zien waarom verdachte het briefje dat de ontvoerders voor hem hadden geschreven, heeft weggegooid met als gevolg dat nader onderzoek hieraan niet meer mogelijk was.

 Opmerkelijk is dat de ontvoerders het IWC-horloge van [slachtoffer] in de auto van verdachte hebben achtergelaten, terwijl zij dit blijkbaar bewust van [slachtoffer] hebben weggenomen en dit horloge bijzonder waardevol is.

 Tot slot valt ook met betrekking tot de eerdere ontmoetingen met de mannen een aantal punten op. In de eerste plaats is opmerkelijk dat verdachte op verschillende momenten en op verschillende plaatsen door de mannen is benaderd, zonder dat duidelijk wordt hoe deze mannen konden weten dat verdachte daar op die momenten was. De politie heeft onderzoek verricht naar de ontmoetingen, maar voor deze ontmoetingen is geen steun gevonden in verifieerbare gegevens zoals camerabeelden, registratiesystemen of in verklaringen van getuigen. Verder is onduidelijk waarom de mannen via verdachte contact wilden zoeken met [slachtoffer] in plaats van dat zij hem rechtstreeks – al dan niet anoniem – benaderden. Tot slot wekt het bevreemding dat de mannen bij de ontmoeting op 17 december 2015 in het centrum van Almere een zakje van verdachte hebben afgenomen en hieruit een mesje hebben weggenomen dat volgens verdachte het formaat had van een tandenstoker.

5.3.3.6 Tussenconclusie

De rechtbank stelt op grond van het bewijs het volgende vast.

[slachtoffer] is op de avond van 3 maart 2016 of in de nacht van 4 maart 2016 om het leven gebracht door het meermalen steken met één of meerdere messen. Verdachte heeft voorafgaand aan dit misdrijf op zijn iPad gezocht naar mogelijkheden om iemand uit te schakelen en naar mogelijkheden om iemand van het leven te beroven. Daarnaast heeft verdachte voorafgaand aan het misdrijf gezocht op “serienummer horloge iwc”.

Het IWC-horloge dat bij het misdrijf uit de woning is weggenomen, is aangetroffen in het bezit van verdachte. Verder is er een bloedspoor aangetroffen in de auto waarmee hij na het bezoek aan [slachtoffer] naar huis is gereden. Dit bloedspoor bevat een volledig DNA-profiel dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] . Ook bevond zich op het heft van een mes waarmee [slachtoffer] is gestoken, celmateriaal met meerdere DNA-kenmerken die ook voorkomen in het DNA-profiel van verdachte.

De verklaring die verdachte voor dit belastende bewijs heeft gegeven, namelijk dat hij is ontvoerd door meerdere mannen, wordt niet ondersteund door beschikbare gegevens uit het strafonderzoek. Het scenario van verdachte is niet aannemelijk geworden. Daarnaast doet de wijze waarop de verklaringen van verdachte tot stand zijn gekomen, ernstige afbreuk aan de geloofwaardigheid van het scenario van verdachte. Bovendien bevat het scenario dat verdachte heeft geschetst, meerdere merkwaardige en ongeloofwaardige aspecten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het scenario dat verdachte heeft geschetst ongeloofwaardig is.

Dit alles betekent dat verdachte geen aannemelijke en geloofwaardige verklaring heeft kunnen geven voor het belastende bewijs. De rechtbank stelt op grond van het bewijs, in onderling verband en samenhang bezien, dan ook vast dat het verdachte is geweest die op 3 maart 2016 of 4 maart 2016 [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd.

5.3.3.7 Moord

Aan verdachte is primair ‘moord’ ten laste gelegd. Verdachte wordt verweten dat hij [slachtoffer] met ‘voorbedachten rade’ van het leven heeft beroofd. Voor het bewijs van ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit het bewijs volgt dat verdachte voorafgaand aan de avond van 3 maart 2016 heeft gezocht naar verschillende manieren waarop hij iemand kon uitschakelen en om het leven kon brengen. Uit de zoektermen op zijn iPad blijkt dat hij uiteindelijk heeft gezocht naar manieren om iemand met een mes om het leven te brengen. [slachtoffer] is met messteken om het leven gebracht. Ook heeft verdachte voordat hij naar [naam] ging, gezocht op ‘serienummer horloge iwc’. Het IWC-horloge dat uit de woning is weggenomen, is in het bezit van (de familie van) verdachte aangetroffen.

Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] – vaste schoonmaaksters van de woning van [slachtoffer] – blijkt dat één van de messen die bij het misdrijf is gebruikt, niet afkomstig is uit de woning van [slachtoffer] . Uit de verklaring van getuige [getuige 1] leidt de rechtbank namelijk af dat zij alleen de koksmessen kent uit het messenblok, terwijl de koksmessen uit het messenblok niet de nerfjes hadden die het getoonde mes had. Dit betekent dat getuige [getuige 1] een mes dat identiek is aan het mes met het afgebroken lemmet, niet herkent als een mes uit de woning van [slachtoffer] . Uit de verklaring van getuige [getuige 2] volgt dat ook zij alleen bekend is met de koksmessen uit het messenblok. [getuige 2] verklaart dat zij alleen de messen miste uit het messenblok.

Op grond van de verklaringen van deze twee getuigen kan dan ook worden vastgesteld dat het mes waarvan het lemmet is afgebroken, en dat bij het misdrijf is gebruikt, door verdachte moet zijn meegebracht.

Het voorgaande brengt met zich dat verdachte van te voren heeft gezocht naar mogelijkheden om een ander van het leven te beroven, heeft gezocht op ‘serienummer horloge iwc’ en op 3 maart 2016 naar de woning van [slachtoffer] is gegaan met een mes dat bij het misdrijf is gebruikt. Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte het vooropgezette plan had [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat de verdachte vóór de uitvoering van zijn daad, heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

5.3.3.8 Eindconclusie

De rechtbank acht, gelet op alle hiervoor weergegeven bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer] (zoals onder 1 primair ten laste is gelegd) en aan de diefstal van het IWC-horloge van [slachtoffer] (zoals onder 2 primair ten laste is gelegd).

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het betrekking heeft, zoals blijkt uit de inhoud.

6 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

Primair

in de periode van 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016, te [woonplaats] , gemeente

De Bilt, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen voornoemde [slachtoffer] met een mes in het lichaam gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2.

Primair

in de periode van 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016 te [woonplaats] , gemeente

De Bilt, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een horloge (merk IWC) dat toebehoort aan [slachtoffer] .

In het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging zijn taal- en schrijffouten verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

7 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair: moord

feit 2 primair: diefstal.

8 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 OPLEGGING VAN STRAF

9.1

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de feiten die zij bewezen acht, te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 jaren, met aftrek van het voorarrest.

9.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, zoals reeds hiervoor is vermeld, vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de strafoplegging heeft de verdediging geen verweer gevoerd.

9.3

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Bewezen is verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer] en aan de diefstal van een horloge van [slachtoffer] .

De wetgever heeft voor moord als strafmaximum een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaar vastgesteld. Hiermee behoort dit delict tot de zwaarste categorie strafbare feiten die de wet kent. Voor feiten als deze zijn binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft gelet op de straffen die doorgaans worden opgelegd voor een enkelvoudige moord. Daarbij is gebleken dat dergelijke zaken uniek zijn en zich niet tot nauwelijks laten vergelijken met andere zaken. Iedere afzonderlijke moord draagt een aantal specifieke elementen in zich. In de praktijk blijkt dat binnen de rechtspraak voor enkelvoudige moorden in de regel gevangenisstraffen van 14 tot 20 jaar worden opgelegd.

Uit de aard en de ernst van het bewezenverklaarde volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van vele jaren. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van deze straf in het bijzonder met het volgende rekening gehouden.

Verdachte heeft [slachtoffer] in zijn eigen woning op gruwelijke wijze van het leven beroofd, door hem meermalen met een mes in het lichaam te steken. Verdachte heeft daarmee het leven afgenomen van een persoon, die nog vol in het leven stond en vader was van een zesjarig meisje. Het moet voor [slachtoffer] vreselijk zijn geweest om in zijn eigen woning te worden aangevallen door een persoon met wie hij op vriendschappelijke wijze omging. Het motief van verdachte lijkt te zijn gelegen in schulden en terugbetalingsproblemen die door gokken zijn ontstaan en die hij kennelijk heeft gemeend te moeten oplossen met het doden van [slachtoffer] . Verdachte heeft van te voren bedacht dit misdrijf te plegen.

De door verdachte gepleegde moord heeft voor de nabestaanden van [slachtoffer] onherstelbaar leed en verdriet gebracht. Dit blijkt onder meer uit de slachtofferverklaringen van de ouders, het dochtertje en de broers van [slachtoffer] , die ter zitting zijn voorgelezen. Uit deze verklaringen blijkt hoezeer zij hun geliefde zoon, vader, broer en zwager missen en in de toekomst zullen blijven missen. Het verdriet en het gemis is voor hen onbeschrijfelijk.

Een feit als dit schokt ook de rechtsorde in het algemeen en draagt in de samenleving bij aan algemene gevoelens van onveiligheid.

Bij het opleggen van de straf heeft de rechtbank er uitdrukkelijk rekening mee gehouden dat verdachte tot zijn afschuwelijke daad is gekomen, terwijl hij wist dat het zesjarige dochtertje van [slachtoffer] boven in haar bed lag. De rechtbank weegt dit als strafverzwarend mee. Op het moment dat zij nog in bed lag, is zij wakker geworden van gegil van haar vader en heeft zij hem ‘au’ horen roepen. Verdachte wist ook dat de mogelijkheid bestond dat zij getuige zou kunnen worden van de moord op haar vader. Ook moet het voor hem duidelijk zijn geweest dat zij, wanneer zij ’s ochtends wakker zou worden en op zoek zou gaan naar haar vader, als eerste geconfronteerd zou worden met de gewelddadige dood op haar vader. Deze omstandigheden hebben verdachte niet weerhouden en hij heeft ook niets gedaan om haar de confrontatie met haar overleden vader te besparen. Door de handelwijze van verdachte heeft zij ook daadwerkelijk haar toegetakelde en overleden vader ’s ochtends aangetroffen op de keukenvloer. Deze ervaringen zijn voor haar bijzonder schokkend en traumatisch geweest en deze zal zij door toedoen van verdachte haar leven lang met zich moeten dragen.

De rechtbank heeft verder in het nadeel van verdachte meegewogen dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven. Verdachte heeft, gezien zijn afgelegde verklaringen, het door hem opgevoerde scenario en zijn pogingen sporen te wissen en achter te houden, alleen aan zijn eigen belang gedacht en daarmee geprobeerd iedereen in de waan te laten dat hij niets met de dood van [slachtoffer] te maken had. In plaats van verantwoordelijkheid te nemen voor de door hem gepleegde daden heeft hij anderen beschuldigd.

Ten slotte heeft de rechtbank in strafverzwarende zin meegewogen dat verdachte naast de door hem gepleegde moord zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een waardevol horloge.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte geen strafblad heeft. Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking gekomen. In verband met de buitengewone ernst van het bewezen verklaarde levensdelict en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, speelt die omstandigheid echter geen rol van betekenis.

Alles afwegende acht de rechtbank de gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, die door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden. De tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, zal van deze duur worden afgetrokken.

10 BESLAG

Teruggave aan de verdachte

De rechtbank zal teruggave aan verdachte gelasten van de hierna te noemen goederen, zoals ook is gevorderd door de officier van justitie. Deze goederen staan vermeld op de beslaglijst die aan dit vonnis is gehecht, te weten de goederen onder de nummers: 1, 2, 7, 8, 9, 11, 12 t/m 27 en 31 t/m 60.

Teruggave aan de rechthebbenden, te weten de erven van [slachtoffer]

De rechtbank zal teruggave gelasten van de hierna te noemen goederen aan degenen die redelijkerwijs als rechthebbenden van deze voorwerpen kunnen worden aangemerkt. Deze goederen staan eveneens vermeld op de beslaglijst die aan dit vonnis is gehecht, te weten de goederen onder de nummers: 3 t/m 6, 10, 28 t/m 30, alsmede het inbeslaggenomen horloge, merk IWC (goednummer 328822).

11 BENADEELDE PARTIJEN

De benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] (dochter van [slachtoffer] ) heeft zich middels haar wettelijk vertegenwoordiger in het geding gevoegd en zij vordert een totaalbedrag van

€ 140.851,80. Het gevorderde bedrag bestaat geheel uit materiële schade en is opgebouwd uit de volgende schadeposten: reis- en parkeerkosten (€ 59,58), diverse zaken (€ 192,52), aanschaf verlichting (€ 562,00), telefoonkosten (€ 130,20), verlofuren stiefvader

(€ 1.573,11) en begrafeniskosten (€ 138.334,39).

De benadeelde partij heeft ook vergoeding van haar proceskosten gevorderd ten bedrage van € 121,38.

De benadeelde partij heeft verzocht het gevorderde bedrag geheel toe te wijzen en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Ook heeft zij verzocht de zogenoemde schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) aan verdachte op te leggen.

Naast vergoeding van de hiervoor genoemde materiële schadeposten heeft de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij, op grond van artikel 6:103 van het Burgerlijk Wetboek (BW), een schadevergoeding in natura gevorderd, in die zin dat aan verdachte een contactverbod met [benadeelde 1] en een gebiedsverbod voor [woonplaats] (gemeente De Bilt) wordt opgelegd. Deze verboden dienen in te gaan op de datum van de (voorwaardelijke) invrijheidstelling van verdachte en een duur te hebben van 10 jaren. Dit alles op straffe van een dwangsom van € 500,- per keer dat verdachte de opgelegde verboden overtreedt.

De benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] (vader van [slachtoffer] ) heeft zich in het geding gevoegd en vordert een totaalbedrag van € 4.024,73. Het gevorderde bedrag bestaat geheel uit materiële schade en is opgebouwd uit de volgende schadeposten: reiskosten (€ 571,66) en verblijfkosten/logies (€ 3.453,07).

De benadeelde partij heeft verzocht het gevorderde bedrag geheel toe te wijzen en te

vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Tevens heeft hij verzocht de schadevergoedingsmaatregel (zoals bedoeld in artikel 36f Sr) aan verdachte op te leggen.

11.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich met betrekking tot de vordering van [benadeelde 1] op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 139.278,39 voor toewijzing in aanmerking komt. Enkel de kosten die zien op de verlofuren van de nieuwe partner van de moeder van de benadeelde partij zijn volgens de officier van justitie niet toewijsbaar, omdat deze kosten in een te ver verwijderd verband staan van het bewezenverklaarde. De gevorderde proceskosten kunnen volgens de officier van justitie eveneens toegewezen worden. De officier van justitie heeft zich aangesloten bij het door de benadeelde gevorderde contact- en gebiedsverbod.

De officier van justitie heeft zich met betrekking tot de vordering van [benadeelde 2] op het standpunt gesteld dat de gehele vordering voor toewijzing in aanmerking komt.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte ten aanzien van de toe te wijzen bedragen, alsmede voor de verschuldigde wettelijke rente, de zogenoemde schadevergoedingsmaatregel op de leggen.

11.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich allereerst, gelet op het pleidooi tot vrijspraak van alle feiten, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden dan wel dat hun vorderingen afgewezen dienen te worden. Tot diezelfde conclusie dient de rechtbank volgens de verdediging te komen indien zij oordeelt dat de vorderingen een te grote belasting vormen voor behandeling in het strafproces.

Met betrekking tot de vordering van [benadeelde 1] heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat, met de in de pleitnota genoemde onderbouwing daarvoor, enkel de directe kosten die zien op de teraardebestelling tot een bedrag van € 45.214,55 voor toewijzing in aanmerking kunnen komen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de schade te matigen omdat verdachte thans en bij een eventuele vrijheidsbenemende straf geen enkele draagkracht heeft.

Met betrekking tot de vordering van [benadeelde 2] heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen omdat deze niet voldoet aan de wettelijke vereisten en de wetgever geen ruimte biedt om deze schadecomponenten van nabestaanden te vergoeden. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om bij een – gedeeltelijke – toewijzing de schade te matigen.

11.3

Oordeel van de rechtbank

Artikel 51f, tweede lid, Sv geeft, in samenhang met artikel 6:108 BW een regeling voor kosten die nabestaanden kunnen vorderen als benadeelde partij in het strafproces bij het overlijden van iemand als gevolg van het strafbare feit. Artikel 6:108 BW geeft een limitatieve (uitputtende) opsomming van wat gevorderd kan worden. Alleen de kosten die in dit artikel worden genoemd, kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. Het gaat dan om de kosten van levensonderhoud en lijkbezorging. Ook kosten die verband houden met het verkrijgen van voldoening van deze schade zijn in beginsel voor toewijzing vatbaar. Vergoeding van andere schade dan deze posten kan in beginsel niet gevorderd worden door nabestaanden in het kader van de strafprocedure.

De rechtbank zal allereerst de door [benadeelde 1] gevorderde schade met betrekking tot de kosten van de uitvaart bespreken. In totaal is in dat verband een bedrag gevorderd van

€ 138.334,39, bestaande uit 38 posten. De volgende posten zijn, met in achtneming van artikel 6:108, tweede lid, BW, naar het oordeel van de rechtbank toewijsbaar:

- post 1 en 22 factuur [naam] uitvaartzorg € 19.365,79

- post 7 advertentiekosten € 328,90

- post 9 aankoop enveloppen en postzegels € 100,00

- post 10 en 37 grafsteen € 6.954,57

- post 16 onderhoud graf € 1.500,00

- post 18 gebruiksrecht graf € 10.768,00

- post 21 bloemen plechtigheid € 3.981,36

- post 30 bloemen in de kerk € 3.047,65

Totaal € 46.046,27

De rechtbank is van oordeel dat een beoordeling van het overige gedeelte van de gevorderde uitvaartkosten niet kan plaatsvinden in dit strafproces. Het betreffen onder andere kosten die verband houden met de opbaring van [slachtoffer] in zijn beoogde nieuwe woning. Of dergelijke kosten betrekking hebben op de lijkbezorging en in hoeverre overige kosten die zijn gemaakt rondom de plechtigheid daaronder vallen zijn (deels) principiële vragen waarvan de beantwoording niet thuishoort in een strafproces, maar in een civiele procedure. Een nader onderzoek levert een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal het overige gedeelte van de gevorderde uitvaartkosten daarom niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Daarmee komt de rechtbank vervolgens toe aan de overige gevorderde schade ter hoogte van in totaal € 2.517,41.

De post reis-en parkeerkosten ter hoogte van € 59,58 heeft betrekking op bezoeken aan het UMC Psychotraumacentrum voor de behandeling van de dochter van [slachtoffer] . Uit de overgelegde stukken en uit de namens de dochter afgelegde verklaring in het kader van het spreekrecht is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk geworden dat de dochter van [slachtoffer] is getraumatiseerd door de gebeurtenissen rondom het overlijden van haar vader. Zij is als zesjarige geconfronteerd met haar overleden vader. De kosten die in dit verband zijn gemaakt, zijn daarom aan te merken als shockschade en zullen door de rechtbank worden toegewezen. Voor de overige kosten geldt dat dit geen kosten zijn die vallen onder de eerder genoemde limitatieve opsomming van artikel 6:108 BW. Dat betekent dat de vordering voor het overige gedeelte niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

In totaal wordt aan [benadeelde 1] een bedrag toegewezen van € 46.105,85.

[benadeelde 1] heeft ten slotte een contact- en gebiedsverbod gevorderd. De rechtbank overweegt dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte, tegen de wil van de dochter van [slachtoffer] in, contact met haar zal zoeken of in de omgeving van haar huis zal komen. Daar komt bij dat een dergelijk verbod pas zou ingaan nadat verdachte een gevangenisstraf van een aanzienlijk aantal jaren heeft uitgezeten. Het is nu niet te voorzien of tegen die tijd een maatregel zoals een contact- en gebiedsverbod passend en geboden is en, zo ja, hoe dat er concreet uit zou moeten zien. Daarom zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

Verdachte en de benadeelde partij zijn allebei te beschouwen als de (gedeeltelijk) in het ongelijk gestelde partij. Om die reden zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 46.105,85, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente, steeds vanaf het moment dat de (afzonderlijke) betalingen zijn verricht, tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 265 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

De door [benadeelde 2] gevorderde schade bestaat uit reiskosten en verblijf/logieskosten, die samenhangen met bezoeken aan de officier van justitie en de rechtbank. Het is aannemelijk, mede gelet op de stukken die ter onderbouwing aan de vordering zijn toegevoegd, dat deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Het betreffen echter geen kosten die vallen onder de eerder genoemde limitatieve opsomming van artikel 6:108 BW. Er is ook geen sprake van kosten die verband houden met het verkrijgen van voldoening van de daar bedoelde schade. Dat alles maakt dat de door [benadeelde 2] geleden schade niet kan worden toegewezen en dat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering, zal de benadeelde partij in de kosten van de verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

12 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 57, 289 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in paragraaf 6 is vermeld;

- verklaart het onder 1 primair en 2 primair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 7 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen genoemd op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst, te weten de goederen met de nummers: 1, 2, 7, 8, 9, 11, 12 t/m 27 en 31 t/m 60;

- gelast de teruggave aan de rechthebbenden, te weten de erven van [slachtoffer] , van de voorwerpen genoemd op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst, te weten de goederen met de nummers: 3 t/m 6, 10, 28 t/m 30, alsmede het inbeslaggenomen horloge, merk IWC (goednummer 328822);

Benadeelde partij [benadeelde 1]

- wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 46.105,85 (zegge: zesenveertigduizend honderdvijf euro en vijfentachtig cent), geheel bestaande uit materiële schade en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan de benadeelde partij;

- bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente, steeds vanaf het moment dat de (afzonderlijke) betalingen zijn verricht, tot aan de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] , € 46.105,85 (zegge: zesenveertigduizend honderdvijf euro en vijfentachtig cent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal aan te vullen met hechtenis van 265 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

- bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente, steeds vanaf het moment dat de (afzonderlijke) betalingen zijn verricht, tot aan de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Benadeelde partij [benadeelde 2]

  • -

    verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt [benadeelde 2] in de kosten van de verdachte voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. K.J. Veenstra en

mr. C.E.M. Nootenboom-Lock, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen en

A.J. Henderson MSc, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van

23 januari 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016, te

[woonplaats] , gemeente De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

meermalen, althans éénmaal, voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een

scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

subsidiair

hij in of omstreeks de periode 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016 te

[woonplaats] , gemeente De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk meermalen, althans éénmaal met een mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp in het lichaam gestoken, tengevolge

waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag

werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te

weten diefstal van een horloge (merk IWC) en/of een telefoon (merk Apple, type

IPhone 6 S plus), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de

uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om,

bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van

het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016 te

[woonplaats] , gemeente De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte

opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het

lichaam gestoken van die [slachtoffer] , tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer]

is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

2.

primair

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016 te

[woonplaats] , gemeente De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een horloge

(merk IWC) en/of een telefoon (merk Apple, type IPhone 6 S plus), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

subsidiair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 maart 2016 tot en met 18 mei 2016 te [woonplaats] , gemeente De Bilt en/of Rotterdam, althans in Nederland, een goed, te weten een horloge (merk IWC) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

artikel 416 en 417bis Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 maart 2016 tot en met 18 mei 2016 te [woonplaats] , gemeente De Bilt en/of Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een horloge (merk IWC), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren), verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder en/of houder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

artikel 321 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van processen-verbaal die als bijlagen zijn opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 8 november 2016, genummerd BVH 2016067827E, opgemaakt door politie Midden-Nederland, Dienst Regionale Recherche, doorgenummerd 1 tot en met 3793. Wanneer paginanummers verwijzen naar andere processen-verbaal, dan wordt dit expliciet vermeld. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal die op ambtseed of ambtsbelofte en in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Hieronder wordt de inhoud van de bewijsmiddelen letterlijk weergegeven.

3 Proces-verbaal van verhoor [E] d.d. 4 maart 2016, ordner 1, pagina 90.

4 Proces-verbaal van verhoor [E] d.d. 4 maart 2016, ordner 1, pagina 94.

5 Proces-verbaal van verhoor [E] d.d. 4 maart 2016, ordner 1, pagina 91.

6 Proces-verbaal van verhoor [E] d.d. 4 maart 2016, ordner 1, pagina 94.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2016, ordner 4, pagina 1054.

8 Proces-verbaal van bevindingen Onderzoek plaats delict, forensisch dossier, pagina 56 en proces-verbaal en proces-verbaal Aanvraag benoeming deskundige, forensisch dossier, pagina 163.

9 Rapport d.d. 8 maart 2016 dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en forensisich patholoog, forensisch dossier pagina 213.

10 Rapport d.d. 8 maart 2016 dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en forensisich patholoog, forensisch dossier pagina 217.

11 TNO rapport Schatting postmortale tijd, mei 2016 prof. dr. H.A.M. Daanen, forensisch dossier pagina 245.

12 TNO rapport Schatting postmortale tijd, mei 2016 prof. dr. H.A.M. Daanen, forensisch dossier pagina 248.

13 Procesverbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2016, ordner 4, pagina 1067.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 maart 2016, ordner 10, pagina 3003.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 maart 2016, ordner 10, pagina 2960.

16 Feit van algemene bekendheid, te vinden in een algemeen toegankelijke bron, te weten Routeplanner ANWB.

17 Proces-verbaal van bevindingen Onderzoek plaats delict, forensisch dossier, pagina 53.

18 Proces-verbaal van bevindingen Onderzoek plaats delict, forensisch dossier, pagina 54.

19 Proces-verbaal van bevindingen Onderzoek plaats delict, forensisch dossier, pagina 57.

20 Waarneming van de rechtbank van foto 75, forensisch dossier, pagina 105.

21 Proces-verbaal van bevindingen Onderzoek plaats delict, forensisch dossier, pagina 61.

22 Herzien rapport d.d. 17 augustus 2016 dr. J. Warnaar, forensisch dossier pagina 442.

23 Herzien rapport d.d. 17 augustus 2016 dr. J. Warnaar, forensisch dossier pagina 445.

24 Herzien rapport d.d. 17 augustus 2016 dr. J. Warnaar, forensisch dossier pagina 442.

25 Herzien rapport d.d. 17 augustus 2016 dr. J. Warnaar, forensisch dossier pagina 445.

26 Rapport aanvullend onderzoek d.d. 17 augustus 2016 dr. J. Warnaar, forensisch dossier pagina 453.

27 Rapport aanvullend onderzoek d.d. 17 augustus 2016 dr. J. Warnaar, forensisch dossier pagina 454.

28 Rapport aanvullend onderzoek d.d. 17 augustus 2016 dr. J. Warnaar, forensisch dossier pagina 455.

29 Proces-verbaal van bevindingen Onderzoek plaats delict, forensisch dossier, pagina 53.

30 Proces-verbaal van bevindingen Onderzoek plaats delict, forensisch dossier, pagina 54.

31 Proces-verbaal van bevindingen Onderzoek plaats delict, forensisch dossier, pagina 57.

32 Proces-verbaal bevindingen, aanvullend forensisch dossier, pagina 731.

33 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 2 juni 2016, ordner 1, pagina 220

34 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 2 juni 2016, ordner 1, pagina 221.

35 Proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van [getuige 2] d.d. 28 maart 2017, pagina 4.

36 Proces-verbaal van bevindingen Onderzoek plaats delict, forensisch dossier, pagina 57.

37 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 maart 2016, ordner 10, pagina 3004.

38 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 maart 2016, ordner 10, pagina 3008.

39 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2016, ordner 4, pagina 1071.

40 Proces-verbaal d.d 4 april 2016, forensisch dossier pagina 525 en 526.

41 Rapport aanvullend onderzoek d.d. 13 mei 2016 dr. J. Warnaar, forensisch dossier pagina 531.

42 Rapport aanvullend onderzoek d.d. 13 mei 2016 dr. J. Warnaar, forensisch dossier pagina 532.

43 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 mei 2016, ordner 5, pagina 1412.

44 Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] d.d. 18 mei 2016, ordner 1, pagina 151.

45 Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] d.d. 18 mei 2016, ordner 1, pagina 152.

46 Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] d.d. 17 maart 2016, ordner 1, pagina 134.

47 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 mei 2016, ordner 4, pagina 1331.

48 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 mei 2016, ordner 4, pagina 1332.

49 Afzonderlijk ‘Proces-verbaal identiteit horloge’ d.d. 3 mei 2017 opgemaakt door [verbalisant 3] .

50 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 juni 2016, ordner 10, pagina 3226.

51 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2016, ordner 11, pagina 295.

52 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2016, ordner 11, pagina 296.

53 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2016, ordner 11, pagina 297.

54 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2016, ordner 11, pagina 298.

55 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2016, ordner 11, pagina 299.

56 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2016, ordner 11, pagina 299.

57 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2016, ordner 11, pagina 300.

58 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2016, ordner 11, pagina 301.

59 Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 8 mei 2017.

60 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2016, ordner 11, pagina 317.

61 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2016, ordner 11, pagina 318.

62 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2016, ordner 11, pagina 319.